Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1323

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
18.676012-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beslissing op vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel NFK

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/676012-12

beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 25 maart 2016 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte]

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.220,00 ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 18/676012-12 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 februari 2016.

Veroordeelde is niet verschenen; wel is verschenen mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van Veen.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 4 september 2015 in de zaak met parketnummer 18/676012-12 veroordeeld terzake het medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie.

Bij conclusie van antwoord heeft de raadsman van veroordeelde bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil wordt geschat en dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat veroordeelde vergoedingen heeft ontvangen voor de door hem verrichte reizen, maar dat deze ontvangen onkostenvergoedingen gelijk zijn aan de kosten die veroordeelde heeft moeten maken voor de gereden kilometers.

Bij conclusie van repliek van 20 november 2015 heeft de officier van justitie – naar aanleiding van de conclusie van antwoord – zijn eerder ingenomen standpunt gewijzigd en de rechtbank verzocht om afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft dit standpunt ter terechtzitting gehandhaafd.

De rechtbank overweegt dat veroordeelde bij voormeld vonnis onder meer veroordeeld is voor het per auto brengen naar Zwitserland van contante geldbedragen. Vast staat dat veroordeelde voor het verrichten van deze ritten een vergoeding heeft ontvangen, die kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Op deze vergoeding dienen de kosten die veroordeelde heeft moeten maken voor het verrichten van voormelde ritten in mindering te worden gebracht. Uit de gedingstukken blijkt dat de omvang van deze kosten (minstens) gelijk is aan de hoogte van de vergoeding die veroordeelde heeft ontvangen. Niet gebleken is dat veroordeelde naast voormelde vergoeding enige andere beloning voor het maken van de ritten of enig ander strafbaar feit heeft ontvangen.

Gezien voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk geworden is dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de bewezenverklaarde feiten en/of soortgelijke feiten terzake waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Wijst de vordering van de officier van justitie af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en
mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 maart 2016.

Mrs. Van Bruggen, Oostdam en Van der Lelie zijn buiten staat deze uitspraak te tekenen.