Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1256

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
18.930129-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft onkruidverdelger in het waterreservoir van het koffiezetapparaat van haar man gedaan terwijl zij wist dat haar man koffie zou zetten. Verdachte heeft aangegeven dat zij dit gedaan heeft uit woede. Hoewel zij hiertoe de mogelijkheid had heeft zij haar handelen niet ongedaan gemaakt. Ook heeft zij niemand gewaarschuwd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat haar handelen bij haar man voor veel angst zal hebben gezorgd. Hij voelde zich direct niet goed na het drinken van de koffie maar wist niet wat er aan de hand was. Uiteindelijk heeft slachtoffer een nacht in het ziekenhuis gelegen. De gevolgen van het handelen van verdachte hadden vele malen erger kunnen uitpakken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/139
EeR 2016, afl. 3, p. 135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930129-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 15 mei 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Noordenveld, opzettelijk de gezondheid van een persoon, haar echtgenoot (te weten [slachtoffer] ), heeft benadeeld door met dat opzet een hoeveelhe(i)d(en) van een middel/vloeistof, (te weten een onkruid verdelger, merk "Roundup"), bevattende ethanol en/of venlafaxine en/of fluroxypyr en/of fluroxypyr-methylheptylester en/of fluroxypyr-methylester en/of C3- en C4-alkylbenzenen, althans een of meer voor de gezondheid schadelijke stof(fen), te mengen met een hoeveelhe(i)d(en) water en/of ibuprofen en/of (vervolgens) dit mengsel in het waterreservoir van het koffiezetapparaat in de woning van die [slachtoffer] achter te laten.

Geldigheid dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een nietige dagvaarding. Volgens de raadsman is er een halve of halfslachtige tenlastelegging omdat het mengen van stoffen in water van een koffiezetapparaat niet de gezondheid kan benadelen terwijl het drinken van het mengsel niet ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan verdachte alleen de handelingen die haar worden verweten zijn ten laste gelegd en dat het voor verdachte duidelijk is waarvan zij wordt verdacht.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet in het oog worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn. In de tweede plaats mag geen sprake zijn van innerlijke tegenstrijdigheid en in de derde plaats moet de tekst voldoende feitelijk zijn. Een dagvaarding behoeft zich niet uit te laten over de voor de strafbaarheid irrelevant zijnde aard en omvang van nadere bijzonderheden waarvan de vermelding niet op straffe van nietigheid wordt verlangd.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (HR 14 november 2000, NJ 2001/18). Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt (HR 29 november 1988, NJ 1989/682 en HR 26 januari 1988, NJ 1988/792). De inhoud van de door de verdediging overgelegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheids-verweer worden meegenomen (HR 20 maart 2001, NJ 2001/330), evenals de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting (HR 9 november 2004 NbSr 2004/470). De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van het Hof Arnhem- Leeuwarden van 18 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4413.

In de onderhavige zaak heeft de opsteller van de tenlastelegging er voor gekozen om alleen de aan verdachte verweten gedragingen op te nemen en niet de handelingen van het slachtoffer (te weten: het zetten van de koffie en het drinken daarvan). Gezien de onderhavige tenlastelegging, in samenhang met de inhoud van het complete dossier, moet de verdachte in staat worden geacht de tekst van de tenlastelegging met betrekking tot de door de raadsman aangehaalde feiten te begrijpen. Daarnaast heeft verdachte er tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen blijk van gegeven niet te begrijpen waarop de tenlastelegging stoelt.

De tenlastelegging behelst naar het oordeel van de rechtbank een voldoende duidelijke opgave van het feit nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt daarom het nietigheidsverweer van de raadsman.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een middel, vermoedelijk Starane, in het reservoir van het koffiezetapparaat van [slachtoffer] heeft gedaan, dat [slachtoffer] koffie heeft gezet, van de koffie heeft gedronken en daardoor onwel is geworden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gezondheid van [slachtoffer] niet is benadeeld en er geen causaal verband is aangetoond tussen de ingenomen stoffen en de door [slachtoffer] gestelde effecten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat ervan uit dat van het volgende scenario sprake is geweest.

Op 15 mei 2015 bevond verdachte zich in het huis van haar echtgenoot, [slachtoffer] , met wie zij op dat moment niet meer samenwoonde. Verdachte was boos op [slachtoffer] omdat hij de honden geen eten had gegeven en er met hem geen gesprek mogelijk was. Verdachte liep door het huis en zag een fles staan waarvan zij vermoedde dat er onkruidverdelger in zat. Om [slachtoffer] te laten schrikken deed zij een beetje in het reservoir van het koffiezetapparaat. Verdachte wist dat [slachtoffer] 's avonds koffie zou drinken. Zij wilde dat [slachtoffer] koffie zou drinken en zou beseffen dat hij goed voor de honden moest zorgen. Hierop verliet verdachte de woning en reed zij naar haar eigen woning. Verdachte heeft niemand gewaarschuwd over de inhoud van het reservoir en zij is ook niet teruggekeerd naar de woning om haar handelen ongedaan te maken.

Toen [slachtoffer] 's avonds koffie zette en hiervan twee slokken had gedronken, wist hij dat er iets mis was. Hij werd draaierig en voelde zich alsof hij erg dronken was. Ook werd hij moe en duizelig. Uiteindelijk werd [slachtoffer] door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij een nacht ter observatie werd opgenomen.

De rechtbank baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 16 mei 2015, opgenomen op pagina 20 van het dossier met nummer 2015138466 d.d. 18 juni 2015, inhoudende een verklaring van verdachte.

Ik woon niet meer samen met mijn man. Op 15 mei 2015 ben ik naar de woning van mijn echtgenoot gegaan en heb ik een klein beetje onkruidverdelger door het water in het reservoir van de Senseo gemengd. Ik was boos en verdrietig en ik wilde dat mijn echtgenoot ervan zou drinken en dat hij er misselijk van zou worden. Ik wilde dat hij ervan zou schrikken. Mijn man drinkt vaak twee kopjes koffie. De onkruidverdelger zat in een bruine fles met een wit etiket en een witte dop.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 16 mei 2015, opgenomen op pagina 86 van voornoemd dossier, inhoudende een verklaring van [slachtoffer] .

Ik ben getrouwd met de verdachte maar we liggen in scheiding. Toen ik op 15 mei 2015 's avonds thuiskwam in [pleegplaats] heb ik koffie gezet. Ik nam een slok van de koffie en vernam iets aparts. Toen ik nog een slok koffie nam wist ik zeker dat er iets niet goed was. Ik heb de koffie aan mijn dochter en schoonzoon laten ruiken en voelde mij niet goed. Ik werd draaierig en het was alsof ik behoorlijk dronken was. Ik had een moe en duizelig gevoel. Mijn schoonzoon zou mij naar de huisartsenpost brengen maar omdat ik mij steeds minder goed voelde ben ik uiteindelijk met de ambulance naar het ziekenhuis gegaan.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 26 mei 2015, opgenomen op pagina 53 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant] een e-mail van GGD [arts] aan [verbalisant] .

De klachten van [slachtoffer] bestonden uit sufheid. [slachtoffer] werd opgenomen op het observatorium met telemetrie en ter observatie. Daarnaast kreeg hij een ruim infuus. Hij gaf eenmalig maagklachten aan en daarvoor heeft hij medicatie gekregen. Op 16 mei 2015 is [slachtoffer] met ontslag gegaan.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2015.06.04.195, d.d. 17 september 2015 opgemaakt door dr. M.J. Vincenten-van Maanen, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.

In het bloed en de urine van [slachtoffer] , en in de koffie en in het water uit het waterreservoir van het koffiezetapparaat is Fluroxypyr aangetoond. In de koffie en het water uit het waterreservoir van het koffiezetapparaat is fluroxypyr-methylheptylester (merknaam onder andere Starane®) aangetoond. Fluroxypyr-methylheptylester wordt na blootstelling aan de huid omgezet in fluroxypyr. In de koffie en in het water zijn C3 en C4 alkylbenzenen, zoals aanwezig in nafta, aangetoond. Nafta wordt gebruikt als oplosmiddel voor het concentraat van fluroxypyr-methylheptyl en bestaat uit aromaten zoals isomeren van trimethylbenzeen en methylethylbenzeen. Blootstelling aan nafta kan onder andere irritatie van de luchtwegen en duizeligheid veroorzaken.

Bijzondere bewijsoverwegingen

Door de raadsman is aangevoerd dat er geen benadeling van de gezondheid kan zijn, omdat er geen stoffen in het lichaam van [slachtoffer] zijn aangetroffen die de gezondheid benadelen. Voorts stelt de raadsman dat er geen causaal verband vastgesteld kan worden tussen het toevoegen van de vloeistof aan het waterreservoir en de door [slachtoffer] gestelde effecten. Hierbij acht de raadsman van belang dat de klachten van [slachtoffer] ook kunnen zijn ontstaan door zijn alcoholgebruik in combinatie met het medicijn venlafaxine dat [slachtoffer] slikt. Tot slot, zo stelt de raadsman, is de gezondheid van [slachtoffer] niet benadeeld.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verweer dient te worden verworpen.

De rechtbank overweegt dat er in het water en in de koffie fluroxypyr-methylheptylester, fluroxypyr en C3 en C4 alkylbenzenen zijn aangetroffen. Het feit dat niet al deze stoffen zijn aangetoond in het bloed en de urine van [slachtoffer] maakt niet dat er geen benadeling van de gezondheid kan zijn. Het middel zoals verdachte dat met het water in het waterreservoir heeft gemengd kan de gezondheid benadelen. Immers, blijkens het deskundigenrapport opgesteld door dr. M.J. Vincenten-van Maanen kan blootstelling aan nafta irritatie van de luchtwegen en duizeligheid veroorzaken.

Ook acht de rechtbank een causaal verband tussen het toevoegen van de vloeistof aan het waterreservoir en de klachten van [slachtoffer] aangetoond. Het is de rechtbank niet gebleken dat de klachten van [slachtoffer] zijn ontstaan door de combinatie van alcohol en venlafaxine terwijl [slachtoffer] bovendien direct na het drinken van de koffie de klachten ontwikkelde.

De rechtbank acht de gezondheid van [slachtoffer] daadwerkelijk benadeeld. De rechtbank neemt bij de benadeling van de gezondheid als uitgangspunt dat het moet gaan om een daadwerkelijke verslechtering van de lichamelijke gesteldheid. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Direct na het drinken van de koffie voelde [slachtoffer] zich niet goed. Hij werd draaierig en voelde zich alsof hij erg dronken was. Ook werd hij moe en duizelig. Door het ontwikkelen van deze klachten is de lichamelijke gesteldheid van [slachtoffer] daadwerkelijk beïnvloed en is er sprake van een benadeling van de gezondheid.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op benadeling van de gezondheid van [slachtoffer] door de verdachte. De verdachte heeft op z'n minst genomen het risico op de koop toe genomen dat de gezondheidstoestand van haar echtgenoot zou verslechteren. De verdachte wist dat er onkruidverdelger in de fles zat waarvan zij een beetje met het water heeft gemengd. Daarnaast kende de verdachte de gewoonten van haar man en wist zij dat haar man 's avonds een kop koffie zou zetten en aldus van het mengsel zou drinken.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op benadeling van de gezondheid van haar echtgenoot gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, waarvan de rechtbank niet is gebleken, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

zij op 15 mei 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Noordenveld, opzettelijk de gezondheid van een persoon, haar echtgenoot te weten [slachtoffer] , heeft benadeeld door met dat opzet een hoeveelheid van een vloeistof, bevattende fluroxypyr en fluroxypyr-methylheptylester en C3- en C4-alkylbenzenen te mengen met een hoeveelheid water en vervolgens dit mengsel in het waterreservoir van het koffiezetapparaat en in de woning van die [slachtoffer] achter te laten.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft aangevoerd dat het eventuele bewezenverklaarde niet te kwalificeren is als een strafbaar feit, omdat in de tenlastelegging en vervolgens in de bewezenverklaring niet is opgenomen dat [slachtoffer] koffie heeft gezet en van deze koffie heeft gedronken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte alleen de handelingen die haar worden verweten zijn tenlastegelegd en dat het bewezenverklaarde te kwalificeren is als een strafbaar feit.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert. Terecht zijn in de tenlastelegging geen handelingen van [slachtoffer] opgenomen. In de tenlastelegging is slechts ruimte voor de handelingen van de verdachte en de eventuele consequenties van dat handelen voor het slachtoffer. In onderhavige zaak volgen deze consequenties voor het slachtoffer door de invulling met bewijsmiddelen van de zinsnede ''de gezondheid heeft benadeeld''.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor de gezondheid schadelijke stoffen,

strafbaar gesteld bij artikel 300 lid 4 in verbinding met artikel 304 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de onderzoeksrapportage d.d. 15 september 2015, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus.

De conclusies van dit rapport luiden, zakelijk weergegeven: bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens, te weten een cognitieve NAO na een contusio cerebri in 2007. Daarnaast is er sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Zij kon niet voldoende in staat worden geacht haar gevoelens van onmacht, jaloezie en razernij goed onder controle te houden. Zij was wel in staat de wederrechtelijkheid van haar gedrag in te zien. Het is aannemelijk dat verdachte op grond van haar stoornissen verminderd vrij was ten aanzien van haar gedragskeuzes en gedragingen voorafgaande aan en ten tijde van het haar ten laste gelegde. Op grond daarvan kan verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd (5 punts-schaal).

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de onderzoeksrapportage d.d. 30 augustus 2015, opgemaakt door dr. R.W. Blaauw, gezondheidszorgpsycholoog.

De conclusies van dit rapport luiden, zakelijk weergegeven: bij verdachte was een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met borderline kenmerken aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Er bestaat een functioneel verband tussen de stoornis en het delict. In de aanloop tot het tenlastegelegde feit kampte verdachte met een instabiel zelfbeeld, een sterke neiging tot idealiseren en devalueren en onvermogens om kwaadheid te beheersen. Er is daarbij geen sprake geweest van een volledige overweldiging van verdachte door de persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken, waardoor verdachte gedwongen zou zijn tot haar handelingen. Ook beschikt verdachte over voldoende cognitieve vermogens om gevolgen van haar handelingen te kunnen inschatten. Tegelijkertijd was verdachte niet volledig vrij in de keuze van haar gedragingen. Naar de mening van de onderzoeker bestaat vanuit de aard en ernst van de stoornis derhalve een matig sterk verband tussen de stoornis en het tenlastegelegde feit. Geadviseerd wordt om verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 183 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden toezicht van de reclassering en een ambulante behandeling bij de AFPN.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor zover de rechtbank toch tot een veroordeling zou komen, gepleit voor een geldboete in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf dan wel een deels voorwaardelijke taakstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is volgens de verdediging vanwege de ernst van het feit niet aan de orde.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over haar opgemaakte rapportages, het over haar opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 29 september 2015, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het feit dusdanig is dat met een lichter middel dan gevangenisstraf niet kan worden volstaan. Aansluiting bij de LOVS richtlijn ten aanzien van mishandeling wordt in dit geval dan ook niet gevolgd. De verdachte heeft onkruidverdelger in het waterreservoir van het koffiezetapparaat van haar man gedaan terwijl zij wist dat haar man koffie zou zetten. Verdachte heeft aangegeven dat zij dit gedaan heeft uit woede. Hoewel zij hiertoe de mogelijkheid had heeft zij haar handelen niet ongedaan gemaakt. Ook heeft zij niemand gewaarschuwd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat haar handelen bij haar man voor veel angst zal hebben gezorgd. Hij voelde zich direct niet goed na het drinken van de koffie maar wist niet wat er aan de hand was. Uiteindelijk heeft [slachtoffer] een nacht in het ziekenhuis gelegen. De gevolgen van het handelen van verdachte hadden vele malen erger kunnen uitpakken.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank voorts gelet op de onderzoeksrapportage d.d. 15 september 2015, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus, zakelijk weergegeven: de onderzoeker adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke detentie op te leggen met als voorwaarden dat ze onder toezicht gesteld wordt van de reclassering en een ambulante behandeling aangaat om een delictscenario en terugvalpreventieplan op te stellen, de aanwezige risicofactoren te reduceren en de beschermende factoren te vergroten.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de onderzoeksrapportage d.d. 30 augustus 2015, opgemaakt door dr. R.W. Blaauw, gezondheidszorgpsycholoog, zakelijk weergegeven: de onderzoeker adviseert tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf, waarin in de voorwaarde is opgenomen dat betrokkene een ambulante psychotherapeutische behandeling dient te ondergaan bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, ter vermindering van haar persoonlijkheidspathologie en ter verbetering van haar copingvaardigheden. De onderzoeker adviseert tevens tot een reclasseringstoezicht, omdat betrokkene eerder een behandeling heeft afgesloten omdat er naar haar mening geen sprake meer was van een zorgvraag.

Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte ter zitting heeft aangegeven dat zij reeds met een behandeltraject is gestart om te leren hoe zij haar emoties kan voelen aankomen. Verdachte ziet in dat zij hulp nodig heeft en heeft deze hulp ook gezocht.

Gelet op al deze factoren legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 270 dagen, waarvan 184 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich onder toezicht van de reclassering zal stellen en zich hierna blijft melden zo frequent en zo lang de reclassering dit nodig acht. Binnen dit kader dient de verdachte zich te houden aan de opgestelde aanwijzingen en afspraken. Voorts dient verdachte zich onder behandeling te (blijven) stellen van het AFPN op de tijden en plaatsen als door of namens die AFPN aan te geven, teneinde zich te laten behandelen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot, 184 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk drie dagen na deze uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen;

2. dat verdachte zich nadien bij de reclassering blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Binnen dit kader dient verdachte zich te houden aan de opgestelde aanwijzingen en afspraken.

3. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van het AFPN op de tijden en plaatsen als door of namens die AFPN aan te geven, teneinde zich te laten behandelen.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter,

mrs. C.P. van Gastel en J. van den Bosch, rechters,

bijgestaan door R.C. Sprong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2016.