Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:111

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-01-2016
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
18.830185-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd in de ontnemingszaak van de veroordeelden die gedurende een aantal jaren bedrijfsmatig hennep hebben gekweekt. De rechtbank is van oordeel dat uit het oogpunt van zorgvuldigheid, alsmede gelet op de ontwikkelingen in de jurisprudentie aangaande het gedoogbeleid, het oordeel in cassatie van de Hoge Raad over deze zaak moet worden afgewacht voordat een beslissing wordt genomen over de ontnemingsvordering van de officier van justitie. In deze zaak heeft de rechtbank in eerste instantie vonnis gewezen in deze zaak waarin door de verdachten op principiële gronden niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie werd bepleit. Subsidiair beriepen zij zich op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid en meer subsidiair waren zij van mening dat hun gedrag niet strafwaardig was. In dat vonnis heeft de rechtbank art. 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast.(schuldigverklaring zonder oplegging van straf). In hoger beroep heeft het hof veroordeeld ter zake hennepteelt tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830185-14 en 18/630338-11

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 14 januari 2016 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [woonadres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 27 augustus 2014 en op 21 februari 2014 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van respectievelijk €128.499,21 en €46.489,28 ter ontneming van het uit het in de zaak met bovengenoemd parketnummers voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het onderzoek ter terechtzitting

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3 december 2015.

Daarbij is de veroordeelde verschenen, bijgestaan door haar raadslieden mr. J.T.E. Vis en

mr. S.F.J. Smeets, beiden advocaten te Amsterdam.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft - kort samengevat - ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn standpunt dat de ontnemingsvorderingen ten aanzien van veroordeelde volledig kunnen worden toegewezen. De vorderingen kunnen worden toegewezen tot bedragen van €128.499,21 en €46.489,28. Met de veroordeling door deze rechtbank d.d. 16 oktober 2014 is voldaan aan de vereisten voor een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is sprake van bewezenverklaarde feiten en er zijn geen omstandigheden die strafbaarheid uitsluiten. Ook ingeval van het opleggen van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, kan wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. In casu heeft het hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 9 september 2015 de veroordeling bekrachtigd en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

De stelling van de verdediging dat over het wederrechtelijk verkregen voordeel inkomstenbelasting is betaald dient nader te worden onderbouwd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft - kort samengevat - aangevoerd dat er geen ruimte is voor een ontnemingsvordering in het licht van de uitspraak van deze rechtbank van 16 oktober 2014 waarin geen straf of maatregel is opgelegd. Deze uitspraak past in een lijn van uitspraken ten aanzien van coffeeshops over de zogeheten achterdeurproblematiek. Ontnemingsvorderingen tegen coffeeshops slagen ook niet langer in de rechtspraak. Het hof Arnhem/Leeuwarden heeft in hoger beroep cliënten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Cliënte heeft van dit arrest cassatie ingesteld. Dit arrest kent dermate veel “haken en ogen” dat op basis daarvan niet tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gekomen. Er is sprake van een gedoogbeleid, waarbij coffeeshophouders onder voorwaarden wiet mogen verkopen. Cliënte is een principiële teler en heeft op een veilige en verantwoorde wijze invulling aan het gedoogbeleid gegeven. Zij heeft in een afgelegen boerderij, op biologische wijze, zonder gebruik te maken van pesticiden, zonder overlast te veroorzaken en zonder diefstal van stroom, wiet gekweekt die uitsluitend is geleverd aan door de overheid gedoogde coffeeshops. Daarbij heeft cliënte ook naar de overheid en de belastingdienst toe transparantie betracht en belasting betaald. Hetzelfde hof heeft in een nagenoeg identieke zaak op 29 oktober 2015 geen straf of maatregel opgelegd. Tegen deze uitspraak is door de officier van justitie geen cassatie ingesteld. Er kan derhalve niet gesteld worden dat er sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel.

Daarnaast is over de inkomsten uit de verkoop van de hennep belasting betaald, hetgeen er ook toe leidt dat de wederrechtelijkheid aan de inkomsten is komen te ontvallen. Op basis van het vonnis van de rechtbank is reeds voldoende aannemelijk dat inkomstenbelasting is betaald.

Voorts is aangevoerd dat het bedrag van de vordering niet juist is berekend nu daarbij is aangesloten bij de “doorsnee-kwekerij”, terwijl de uitgaven en opbrengsten van onderhavige kwekerij daarmee niet vergelijkbaar zijn.

Heropening van het onderzoek

Na beraadslaging in raadkamer heeft de rechtbank geconstateerd dat zij zich onvoldoende voorgelicht acht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

In de onderliggende strafzaak heeft de rechtbank bij vonnis van 16 oktober 2014 (parketnummer 18/630702-10 en parketnummer 18/830184-14) ten aanzien van veroordeelde bewezen verklaard, kort gezegd, het medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Op 9 september 2015 is veroordeelde door het hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep van voornoemde strafzaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Veroordeelde heeft van dit arrest cassatie ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat uit het oogpunt van zorgvuldigheid, alsmede gelet op de ontwikkelingen in de jurisprudentie aangaande het gedoogbeleid, het oordeel in cassatie van de Hoge Raad over deze zaak moet worden afgewacht voordat een beslissing wordt genomen over de ontnemingsvordering van de officier van justitie, nu het oordeel in cassatie naar het oordeel van de rechtbank van belang kan zijn voor de ontnemingsbeslissing. Veroordeelde wordt daarbij niet in zijn belangen geschaad, evenmin als het openbaar ministerie.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een uitspraak op een ontnemingsvordering eerst kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling in de strafzaak in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl een uitspraak in een ontnemingszaak van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (zie ECLI:NL:HR:2014:3548).

De rechtbank heeft dan ook beslist om het onderzoek in de onderhavige ontnemingszaak te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen.

De rechtbank zal er dan ook toe over gaan het onderzoek in de onderhavige ontnemingszaak te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen.

Beslissing

Heropent het onderzoek onder gelijktijdige schorsing daarvan tot een nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van veroordeelde tegen een nader te bepalen terechtzitting en tijdstip met kennisgeving daarvan aan de raadsman van veroordeelde.

Deze beslissing is gewezen door L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, F.J. Agema en D.M. Schuiling, rechters, bijgestaan door mr. T.J. de Wind, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 januari 2016.