Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1083

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-03-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
C/19/113528 / KG ZA 16-20
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers hebben 1 miljoen aan stichting toevertrouwd ter beheer en belegging

en dat geld lijkt verdwenen.

Stichting dient bij wijze van voorschot € 750.000,-- terug te betalen.

Onvoldoende aannemelijk dat notaris mede aansprakelijk is, ook al is

geldstroom via zijn derdenrekening gegaan. Notaris was toen nog geen bestuurder of feitelijk beleidsbepaler van de stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/757
NTHR 2016, afl. 3, p. 188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/113528 / KG ZA 16-20

Vonnis in kort geding van 14 maart 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres sub 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres sub 2] ,

3. [eiser sub 3], wonende te [woonplaats eiser sub 3] ,

eisers,

advocaat mrs. H.J. Bos en R.H. Kroes te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOTARIAAT 'T SUYDEVELT B.V.,

gevestigd te Emmen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 3] ,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 4] ,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 5] ,

6. de stichting STICHTING DERDENGELDEN TB BELASTINGADVISEURS,

gevestigd te De Bilt, kantoorhoudende te Emmen,

gedaagden,

advocaat mr. P. Wanders te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van eisers

  • -

    de pleitnota van gedaagden

  • -

    de door partijen over en weer overgelegde producties

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiser sub 3 (verder ook te noemen [eiser sub 3] ) is enig bestuurder en aandeelhouder van eiseres sub 1 (verder ook te noemen [eiseres sub 1] ) en indirect bestuurder en aandeelhouder van eiseres sub 2 (verder ook te noemen [eiseres sub 2] ).

2.2.

[eiser sub 3] is in 2014 in contact gekomen met de hem bekende mevrouw

[bestuurslid] in verband met het (laten) beheren en renderen van bij hem en/of zijn vennootschappen aanwezige (vrij beschikbare) gelden.

2.3.

[bestuurslid] voornoemd had op 20 december 2013 de besloten vennootschap

TB Belastingadviseurs B.V. (verder te noemen TB) opgericht en op 26 februari 2014 de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs (gedaagde sub 6, verder ook te noemen de stichting).

2.4.

De akte van oprichting van voornoemde stichting is verleden voor notaris

[gedaagde sub 4] (gedaagde sub 4, verder ook te noemen [gedaagde sub 4] ).

[gedaagde sub 4] was destijds via zijn praktijkvennootschap (gedaagde sub 2) verbonden aan de maatschap "Notariaat 't Suydevelt". Notaris [gedaagde sub 5] (gedaagde sub 5) was via diens praktijkvennootschap (gedaagde sub 3) ook maat van voornoemde maatschap.

In januari 2016 is voornoemde notarissenmaatschap ontbonden in verband met de pensionering van [gedaagde sub 4] . Sedertdien oefent [gedaagde sub 5] alleen de notarispraktijk uit in de op 29 januari 2016 opgerichte besloten vennootschap Notariaat 't Suydevelt B.V. (gedaagde sub 1).

2.5.

In voormelde akte van oprichting is het doel van de stichting omschreven als het ontvangen van derdengelden en andere vermogensbestanddelen ten behoeve van rechthebbenden, het tijdelijk beheren van hetgeen de stichting heeft ontvangen voor rekening en risico van de rechthebbende en het betalen en overdragen van hetgeen de stichting heeft ontvangen aan de rechthebbende. Verder is in de akte vermeld dat "ter verwezenlijking van haar doelstelling" de stichting een "daartoe strekkende overeenkomst" zal sluiten met TB Belastingadviseurs B.V. ("TB") voornoemd en dat [bestuurslid] voornoemd voor de eerste maal als bestuurslid van de stichting wordt benoemd.

2.6.

Op advies van [bestuurslid] heeft [eiser sub 3] op 16 april 2014 van de bankrekening van [eiseres sub 1] een bedrag van € 150.000,00 laten overboeken naar de bankrekening van TB, terwijl [eiser sub 3] - eveneens na overleg met [bestuurslid] - op 3 juli 2014 de verkoopopbrengst van € 1.000.000,00 van een bedrijfspand van [eiseres sub 2] door de transporterende notaris heeft laten storten op de derdenrekening van de toenmalige maatschap "Notariaat 't Suydevelt" met het per e-mailbericht van dezelfde datum gedane verzoek aan [gedaagde sub 4] om van laatstgenoemd bedrag € 500.000,00 over te maken naar de bankrekening van de stichting en € 500.000,00 naar de bankrekening van de in Zwitserland gevestigde vennootschap ProAktiv Holding AG (verder te noemen ProAktiv).

2.7.

Op 4 juli 2014 hebben voormelde, door [gedaagde sub 4] geaccordeerde over- c.q. doorboekingen van de derdenrekening van de notarismaatschap plaatsgevonden.

2.8.

Aan de overboeking van € 500.000,00 aan ProAktiv lag een leenovereenkomst ("loan agreement") ten grondslag tussen de stichting (vertegenwoordigd door [bestuurslid] ) en ProAktiv. Zowel [bestuurslid] als [gedaagde sub 4] , die per 1 augustus 2014 bestuurder is geworden van de stichting, hebben vanaf november 2014 bij meerdere e-mailberichten ProAktiv verzocht voormeld bedrag, vermeerderd met rente, terug te betalen aan de stichting. ProAktiv heeft niet aan die verzoeken voldaan.

2.9.

Van het op 4 juli 2014 naar de stichting overgeboekte bedrag van € 500.000,00 is op 15 juli 2014 een bedrag van € 499.983,72 overgemaakt naar (de bankrekening van) TB.

2.10.

[bestuurslid] is op 2 september 2014 in staat van faillissement verklaard, terwijl TB op 16 juli 2016 in staat van faillissement verklaard. Van het onder 2.9 vermelde bedrag is volgens de curator in het faillissement van TB niets meer over, terwijl ook het hiervoor onder 2.6 vermelde bedrag van € 150.000,00 niet meer in TB aanwezig is.

3 De vordering

3.1.

Eisers vordert na vermindering van eis hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 750.000,00 als voorschot op de door hen gezamenlijk geleden schade, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, waaronder een bedrag aan nakosten.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naast de vaststaande feiten hebben eisers aan hun vordering ten grondslag gelegd dat gedaagden jegens hen onzorgvuldig en onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden, die bestaat uit het verlies van de betaalde bedragen. Gedaagden zijn, aldus eisers, ieder voor zich voor die schade aansprakelijk te houden.

4.2.

Volgens eisers treft [gedaagde sub 4] in de eerste plaats het verwijt dat deze als bestuurder en feitelijk beleidsbepaler van de stichting en van TB is opgetreden en dat de stichting als vermogensbeheerder is opgetreden terwijl daarvoor geen vergunning door de AFM was verleend en het vermogensbeheer voorts onzorgvuldig heeft plaatsgevonden doordat gelden zijn overgemaakt naar een duistere Zwitserse vennootschap en naar de stichting zelf, die deze gelden weer heeft overgeboekt naar TB, die al snel niet meer actief was en de gelden aan andere partijen heeft overgemaakt.

4.3.

Voormeld verwijt heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende (feitelijke) basis. Tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde sub 4] hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde sub 4] vóór 1 augustus 2014, toen hij bestuurder is geworden van de stichting, althans vóór of ten tijde van de ten processe bedoelde overboeking van de zijde van eisers, op actieve wijze heeft geparticipeerd in de stichting en, al dan niet samen met [bestuurslid] , het beleid in die stichting heeft bepaald en/of (zelf) contacten met [eiser sub 3] heeft gehad in verband met het beheren en beleggen van diens gelden. De notaris heeft aangevoerd dat hij na het verlijden van de oprichtingsakte van de stichting enige maanden geen contacten meer met [bestuurslid] heeft gehad en dat zij eind juni 2014 voor het eerst samen met [eiser sub 3] bij hem op kantoor is geweest, dat hij [eiser sub 3] toen voor het eerst heeft ontmoet en dat hij kort nadien van [eiser sub 3] opdracht heeft gekregen om de ten processe bedoelde (door-)betalingen te verrichten. [eiser sub 3] heeft niet bestreden dat hij toen inderdaad voor het eerst contact met de notaris heeft gekregen en/of heeft opgenomen.

[gedaagde sub 4] heeft verder aangevoerd dat hij niet betrokken is geweest bij het beleggingsplan dat [bestuurslid] voor [eiser sub 3] had opgesteld noch bij het tot stand brengen van de "loan agreement" die de stichting met ProAktiv is aangegaan. Eerst eind juni, bij gelegenheid van het bezoek van [bestuurslid] en [eiser sub 3] , is hem dat duidelijk geworden en is hij ook van de eerdere betaling van [eiseres sub 1] aan TB op de hoogte geraakt. [eiser sub 3] heeft ook deze feitelijke stelling van de notaris niet, althans onvoldoende bestreden.

Dat op bepaalde stukken van de stichting uitdrukkelijk de naam van zijn notariskantoor is vermeld is volgens de notaris ook buiten hem omgegaan (en gedaan door [bestuurslid] ).

De notaris heeft verder ontkend dat hij in juli 2014 betrokken is geweest bij de in 2.9 gememoreerde overboeking die vanuit de stichting heeft plaatsgevonden naar TB. Ofschoon niet duidelijk is hoe die boeking buiten de notaris om heeft kunnen plaatsvinden - de notaris is daarover ook verbaasd en naar eigen zeggen nog wachtende op de uitslag van een onderzoek door de bank ter zake - hebben eisers vooralsnog niet aangetoond dat die boeking met instemming en medeweten van [gedaagde sub 4] , die toen ook nog geen bestuurder van de stichting was, heeft plaatsgevonden.

Gelet op een en ander kan voorshands niet gezegd worden, althans niet zonder nader onderzoek waartoe dit kort geding zich niet leent, dat de betrokkenheid van [gedaagde sub 4] bij de stichting zodanig is geweest, dat hij vanaf het begin als feitelijk bestuurder dan wel als feitelijke beleidsbepaler van de stichting aangemerkt moet worden en dat hij in die hoedanigheid onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld.

Het voorgaande geldt ook voor de gestelde, maar door [gedaagde sub 4] ontkende betrokkenheid bij TB, welke betrokkenheid door eisers niet aannemelijk is gemaakt en ten aanzien waarvan derhalve in dit geding niet tot onrechtmatigheid geconcludeerd kan worden.

4.4.

Het tweede verwijt van eisers aan het adres van [gedaagde sub 4] heeft betrekking op diens medewerking in zijn hoedanigheid van notaris aan het op 4 juli 2014 doorstorten van de gelden, die eisers op de derdengeldrekening van het notariskantoor hadden laten overboeken, naar de stichting en ProAktiv. Volgens eisers had [gedaagde sub 4] medewerking aan deze overboeking moeten weigeren, ook al had [eiser sub 3] zelf op de overboeking aangedrongen. In ieder geval had [gedaagde sub 4] als zorgvuldig opererend notaris onderzoek moeten doen naar de bestemmingen van het geld en had hij eisers indringend op het restitutierisico moeten wijzen, in welk verband eisers hebben verwezen naar de artikelen 17, 21 en 23 van de Wet op het Notarisambt. Door een en ander als notaris na te laten is hij volgens eisers jegens hen tekort geschoten en aansprakelijk te achten.

Ofschoon de voorzieningenrechter vraagtekens zet bij het feit dat [gedaagde sub 4] de derdengeldrekening van zijn kantoor heeft laten gebruiken als "bankrekening" voor en door [eiser sub 3] en niet goed te begrijpen is waarom hij [eiser sub 3] niet zelf de door deze gewenste betalingen aan de stichting en ProAktiv heeft laten verrichten, ziet de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende grond om op basis daarvan te concluderen, dat [gedaagde sub 4] jegens eisers onzorgvuldig en/of onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is te achten voor het wegraken van de doorgeboekte gelden. Voldoende duidelijk is geworden dat deze overboekingen op uitdrukkelijk verzoek van [eiser sub 3] plaats hebben gevonden en dat deze voordien in het gesprek dat de notaris met [eiser sub 3] en [bestuurslid] in juni 2014 heeft gehad uitdrukkelijk aan de orde waren geweest en dat ten aanzien daarvan aan de notaris onderliggende stukken, waaronder onder meer de "loan agreement", waren getoond. Onder die omstandigheden was er voor [gedaagde sub 4] geen uitdrukkelijke verplichting meer nader onderzoek te verrichten naar de bestemmingen en/of [eiser sub 3] te wijzen op het restitutierisico, nog daargelaten dat, zoals uit overgelegde e-mailberichten ook kan worden afgeleid, [eiser sub 3] ervan op de hoogte was (gesteld door de notaris) dat de notaris geen zeggenschap had in ieder geval ProAktiv.

4.5.

Gelet op het voorgaande komt de vordering van eisers ten aanzien van [gedaagde sub 4] niet voor toewijzing in aanmerking.

4.6.

Omdat de aansprakelijkheidsstelling van gedaagden sub 1, sub 2, sub 3 en sub 5 voortbouwt op het beweerdelijk onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 4] en laatstbedoeld onrechtmatig handelen door de voorzieningenrechter voorshands niet wordt aangenomen, komen de vorderingen ten aanzien van die gedaagden evenmin voor toewijzing in aanmerking, nog daargelaten dat er ook andere gronden zijn om de vorderingen ten aanzien van gedaagde sub 1, gedaagde sub 3 en sub 5 af te wijzen. Onvoldoende aannemelijk is immers gemaakt dat gedaagde sub 3 en gedaagde sub 5 voldoende verwijt treft ten aanzien van de overboekingen die [gedaagde sub 4] heeft geaccordeerd: niet gebleken is dat zij van de overboekingen op de hoogte waren en evenmin is gebleken dat de in het notariskantoor voorgeschreven procedures (voor het doen van overboekingen) door hen zijn veronachtzaamd.

Voor gedaagde sub 1 geldt dat deze pas eind januari 2016 is opgericht en in het geheel niet van doen heeft gehad met de overboekingen c.a. van juli 2014.

4.7.

Wèl acht de voorzieningenrechter de vordering ten aanzien van de stichting toewijsbaar. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de stichting jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld door de door eisers gefourneerde gelden niet op zorgvuldige wijze te beheren. Het deel dat bij de stichting was ondergebracht is zonder duidelijke reden en/of gebleken instemming van eisers overgeboekt naar TB en vervolgens verdwenen, terwijl de stichting ten aanzien van de aan ProAktiv - op basis van een door de stichting met die vennootschap aangegane leenovereenkomst - overgeboekte en van eisers afkomstige gelden heeft nagelaten er voor te zorgen dat die gelden weer bij eisers en/of de stichting terug kwamen toen bleek dat ProAktiv de toegezegde investeringen niet pleegde. De stichting is voorshands aansprakelijk te achten voor de aldus door eisers geleden schade en eisers hebben voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van een voorschot op die schade zoals door hun gevorderd.

4.8.

De stichting zal tevens worden verwezen in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op:

dagvaarding € 86,75

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 1.224,00

Totaal € 5.213,75

4.9.

Eisers zullen op hun beurt worden veroordeeld in de kosten van het geding ten aanzien van gedaagde sub 1 t/m sub 5, welke kosten worden begroot op:

- griffierecht € 3.252,50 (5/6 x € 3.903,00)

- salaris advocaat 1.020,00 (5/6 x € 1.224,00)

Totaal € 4.272,50

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs om als voorschot op de schadevergoeding aan eisers te betalen een bedrag van € 750.000,00;

5.2.

wijst de vorderingen af voor zover gericht tegen gedaagde sub 1 t/m sub 5;

5.3.

veroordeelt de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op € 5.213,75;

5.4.

veroordeelt de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat als de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat;

5.5.

veroordeelt eisers in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van gedaagden sub 1 t/m sub 5 en tot aan deze uitspraak begroot op € 4.272,50;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2016.1

1 type: J coll: