Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1072

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
18.730002-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de vroege avond van 17 september 2014 in een woonwijk in [pleegplaats] op de openbare weg meermalen met een vuurwapen geschoten op een persoon. Er was sprake van een conflict in het criminele circuit: verdachte probeerde wapens, al dan niet nepwapens, te verkopen en op het moment dat het slachtoffer wegrent met een rugzak met spullen van verdachte en medeverdachte, is verdachte achter het slachtoffer aangerend en heeft verdachte meerdere keren op hem geschoten. Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan, maar de politie heeft gezien dat hij door één van de kogels is geraakt in zijn knie. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Veel buurtbewoners, waaronder ook kinderen, zijn getuige geweest van deze gewelddadige gebeurtenis. Een aantal personen moest zich verschuilen omdat zij dachten dat ze geraakt konden worden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730002-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteland] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 september 2014 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval opzettelijk, met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2014 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een of meer wapen(s) en/of munitie van categorie II en/of categorie III, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van het volgende geconcludeerd dat het medeplegen van een poging tot doodslag, zoals onder 1. is ten laste gelegd, bewezen kan worden.

Uit verschillende bewijsmiddelen blijkt dat verdachte degene is geweest die op [slachtoffer] heeft geschoten. De officier van justitie heeft hierbij onder meer verwezen naar de verklaring van de [medeverdachte] , de camerabeelden van [locatie 1] waarop verdachte met een pistool in zijn hand is te zien en de tapverslagen en WhatsApp-gesprekken die zich in het dossier bevinden.

Daarnaast acht de officier van justitie bewezen dat [medeverdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dit feit en er aldus kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van de poging tot doodslag bij de beide verdachten.

De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat het volgende is gebleken met betrekking tot de betrokkenheid van [medeverdachte] . Tijdens de voorfase van de beoogde wapenhandel werd al rekening gehouden met een mogelijke rip. Beide verdachten zijn desondanks met wapens naar [pleegplaats] gereden. Tijdens het plegen van het delict heeft één van de twee verdachten 'tyra, tyra!' geroepen, wat 'schiet, schiet!' betekent. Na het schieten heeft de medeverdachte in de auto gewacht op verdachte en zijn ze samen weggereden. Een getuige verklaart dat de bestuurder van de auto toen heeft geroepen: 'snel, snel, we moeten weg'. Op grond van het voorgaande is de officier van justitie van mening dat [medeverdachte] zich niet alleen niet heeft gedistantieerd van het gebeuren, maar zich ook heeft aangesloten bij de gepleegde schietpartij en aldus kan worden aangemerkt als een medepleger van het door verdachte gepleegde geweld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd vrijspraak bepleit voor het onder 1. ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Het onderliggende strafdossier biedt onvoldoende bewijs dat er sprake was van medeplegen. Van een voornemen, laat staan een vooropgezet plan om [slachtoffer] of [persoon 1] , iets aan te doen biedt het dossier geen enkele ondersteuning. Er lijkt sprake te zijn geweest van een situatie, waarbij verdachte en zijn medeverdachte plotseling werden beroofd en zij zonder overleg hebben gehandeld. Uit het dossier blijkt slechts van één schutter en niet van enige significante bijdrage van een ander aan het afvuren van een vuurwapen.

Het dossier lijkt daarentegen ondersteuning te bieden voor een scenario waarbij sprake is geweest van een eenmansactie door de schutter. De bewijsmiddelen die in dit kader mogelijk wijzen naar verdachte, zijn echter ook voor een andere uitleg vatbaar. Het strafdossier bevat daarnaast een heleboel open eindjes, waardoor er teveel twijfel bestaat over de vraag wie de schutter is geweest.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

1. De door verdachte op de terechtzitting van 26 februari 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 17 september 2014 met [medeverdachte] in [pleegplaats] . Wij hadden daar een ontmoeting met [slachtoffer] en [persoon 1] . Wij kregen ruzie met elkaar bij de auto. Ik werd daarbij vastgehouden door [persoon 1] . Ik probeerde me los te rukken.

Daarna zijn [slachtoffer] , [persoon 1] en ik bij de auto weggerend. Op dat moment is er geschoten.

Ik ben de persoon die op de camerabeelden van [locatie 1] is te zien. Op deze beelden is te zien dat ik in de nabijheid van [locatie 1] liep en een wapen in mijn hand had.

Ik ben de persoon met wie [medeverdachte] spreekt tijdens het telefoongesprek dat is getapt op 27 november 2014.

2. Een proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris mr. J.G.M. Kroeze, rechter-commissaris op Curaçao, d.d. 29 juli 2015, opgenomen op pagina 60 van het dossier het dossier met nummer 2014103041- [verdachte] d.d. 28 september 2015, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik begrijp waarvoor ik aangehouden ben, vanwege een verzoek tot uitlevering van Nederland aangaande een poging tot doodslag. Ik was wel in [pleegplaats] , maar die jongens kwamen mij beroven. Ik moest mij verdedigen. Er was eerst een vechtpartij en daarna werd er geschoten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 27 september 2014 met bijlagen, opgenomen op pagina 190 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant 1] :

Op 17 september 2014 omstreeks 20:09 uur was ik belast met de incidentenafhandeling in de gemeente Leeuwarden. Ik was in het bijzijn van mijn collega [verbalisant 2] . Wij kregen van de meldkamer Noord Nederland het verzoek om te gaan naar [adres] te [pleegplaats] . Aldaar zou zijn geschoten. Dit zou ter hoogte van de zevenhoog flat zijn.

Ter plaatse werd ik aangesproken door meerdere personen. Dit was onder andere [persoon 2] . [persoon 2] vertelde mij dat hij schoten had gehoord.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 22 september 2014 met bijlagen, opgenomen op pagina 143 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant 3] :

Op 18 september 2014 werd door mij als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een schietpartij welke werd gepleegd op 17 september 2014 omstreeks 20:00 uur onderaan de flat aan de parkeerplaats zijde van [adres] te [pleegplaats] .

Door een bewoner van de genoemde flat werd een huls aangetroffen bij de lift/trapopvang ter hoogte van perceel [nummer] . Deze huls werd door de bewoonster bij de plaatselijke politie afgegeven. Vervolgens zijn collega's met deze getuige naar de plaats delict gegaan om haar de plaats van aantreffen van de huls aan te laten geven. Vervolgens zochten de collega's nog verder op de plaats delict naar eventuele sporendragers welke met het schietincident te maken zouden kunnen hebben gehad.

Zij troffen nog een drietal hulzen en een gedeformeerde kogelpunt aan.

Door mij werden deze sporendragers op de plaats delict gemarkeerd en gefotografeerd. Foto 1 t/m 9 geven een overzicht van de locaties van aantreffen van de hulzen en kogelpunt aan.

De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

Goednummer : PL0200-2014103041-1599500

Object : Munitie (huls)

Merk/type : 6.35 mm

Bijzonderheden : Svo 1

Goednummer : PL0200-2014103041-1599502

Object : Munitie (huls)

Merk/type : 6.35 mm

Bijzonderheden : Svo 2

Goednummer : PL0200-2014103041-1599503

Object : Munitie (huls)

Merk/type : 6.35 mm

Bijzonderheden : Svo 3

Goednummer : PL0200-2014103041-1599504

Object : Munitie (huls)

Merk/type : 6.35 mm

Bijzonderheden : Svo 4

Goednummer : PL0200-2014103041-1599505

Object : Munitie (huls)

Merk/type : 6.35 mm

Bijzonderheden : Svo 5

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 september 2014 , opgenomen op pagina 294 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Op 18 september 2014 omstreeks 00:50 uur kregen wij de melding om naar het MCL in Leeuwarden te gaan in verband met een persoon welke binnen was komen gelopen met een schotwond. Omstreeks 00:55 uur kwamen wij ter plaatse in het MCL. De receptionist vertelde ons dat er een man aan was komen lopen die verklaarde te zijn geraakt door een kogel. De receptionist verklaarde ons dat hij een wond op de kuit van de man had gezien. De naam van het slachtoffer was [slachtoffer] . Op de eerste hulp zag [verbalisant 5] de voor hem ambtshalve bekende [slachtoffer] . Wij zagen dat [slachtoffer] in de röntgenkamer zat. In overleg met de verpleging mochten wij bij [slachtoffer] in de röntgenkamer. Hierop hebben wij [slachtoffer] uitgelegd dat we vragen hadden. Hierop hoorden we [slachtoffer] zeggen dat hij vanavond was geraakt door een kogel. [slachtoffer] voelde toen dat hij in zijn kuit, van zijn linkerbeen, was geschoten. Wij mochten meekijken op het computerscherm waar de röntgenfoto op kwam. Op de foto zagen wij duidelijk te zien dat er een voorwerp lijkend op een patroontje precies in het midden van de knie zat.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 24 februari 2015, opgenomen op pagina 399 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [persoon 1] :

V = vraag verbalisanten

A = antwoord getuige

O = opmerking verbalisanten

O: Jij wordt nu gehoord in verband met de schietpartij die op 17 september 2014 in de avonduren heeft plaatsgevonden op [adres] in [pleegplaats] . Tijdens deze schietpartij is er op [slachtoffer] geschoten en is [slachtoffer] in zijn been geraakt.

V: Als wij het goed begrijpen waren jullie met vier man op [adres] , dus jij en [slachtoffer] en die twee andere mannen.

A: Ja, dat klopt.

Toen de woordenwisseling begon tussen [slachtoffer] en die andere man werd er meteen door die mannen op [slachtoffer] geschoten.

[slachtoffer] pakte een tas uit de auto van die twee mannen. Dat was de reden dat die ene man begon te schieten.

Het contact met die twee mannen is via mij gegaan. Mijn intentie was eerst wel om vuurwapens van die jongens te kopen.

7. Een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina 104 van voornoemd dossier, inhoudende de weergave van een telefonisch gesprek:

Beller: [medeverdachte]

Datum: 27-11-2014, 17:25:37 uur

Gebelde: [telefoonnummer] , naam NNman4399

[medeverdachte] belt uit naar NNman4399, Ng. [bijnaam verdachte] .

NN4399: Ja die kleine heb allang verkocht, ik heb het toch vuil gemaakt met die man.

[medeverdachte] : Praat daar niet over, je moet over de telefoon daar niet over praten.

NN4399: Je moet goed uitkijken. je moet niet aan iedereen laten weten waar je bent.

(…)

[medeverdachte] : Zijn zus zei tegen mij: 'ik heb jou', ze heeft jou op de tv gezien. En ze heeft jou gezien. Dat heeft ze gezegd. [zus] moet niets tegen hem zeggen vergeet het niet.

NNman4399: Ja maar ze hebben al gepraat want ze zeiden dat er acht mensen zijn die tips hebben gegeven.

Begrijp je? En toen ben ik gevlucht.

NNman4399: Je wilde mij zelf ook niet helpen broeder. Je hebt mij in de steek gelaten.

Ik had iemand nodig die mij naar het vliegtuig kon brengen. Ik ben via de achterkant gegaan.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 29 januari 2015, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant 6] :

Betreft: onderzoek informatiedragers geheugendragers IPhone [medeverdachte] . WhatsApp berichten [verdachte] .

Op 17 september 2014 vond er op de openbare weg [adres] te [pleegplaats] een schietincident plaats. Tijdens het onderzoek werd op 10 december 2014 als verdachte aangehouden [medeverdachte] . Tevens werd op die datum onder de verdachte diverse goederen inbeslaggenomen, waaronder een witte mobiele telefoon, merk Apple, type I-Phone 4 met [Imei-nummer] .

Op 16 december 2014 werd deze IPhone door de afdeling Digitale Expertise van de politie Noord Nederland onderzocht met gebruikmaking van daartoe geschikte forensische software. De beschikbare informatie op geheugenplaatsen van het toestel en de aanwezige simkaart werd uitgelezen en beschikbaar gesteld op 3 Dvd's. Het betrof een dvd met de gegevens van de simkaart en 2 dvd’s met gegevens uit de geheugenplaatsen van de Iphone.

Op de 2 dvd's met informatie uit de geheugenplaatsen van de I-Phone trof ik de volgende afbeelding aan:

Gebruiker : Ze hebben vandaag op tv over dat ding gesproken ik heb het gezien (12:08)

Gebruiker : Als je nu naar buiten gaat zien ze jou (12:08)

' [verdachte] ' : ik ben de lul/het ziet er slecht uit voor mij (12:10)

' [verdachte] ' : Kun je mij vanhier weghalen broeder? (12:11)

Gebruiker : 's avonds [bijnaam verdachte] overdag is het voor jou niet veilig om eruit te gaan (12:11)

Het betreft hier een opgeslagen schermafbeelding van WhatsApp chats. De gebruiker, [medeverdachte] , heeft contact met een persoon die in de contactenlijst van de I-Phone vermeld staat als ' [verdachte] '. Onder de katern 'eigenschappen' bij deze afbeelding stond vermeld dat deze chatsessie plaats vond op 15 oktober 2014 tussen 12:08 uur en 12:11 uur.

Opsporing verzocht

Op 14 oktober 2014 werd in een uitzending van het televisieprogramma Opsporing Verzocht aandacht besteed aan het schietincident dat plaatsvond op 17 september 2014 aan [adres] te [pleegplaats] . Hierin werd een opname getoond van de vermoedelijke schutter.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 december 2014, opgenomen op pagina 364 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

V = vraag verbalisanten

A = antwoord verdachte

O = opmerking verbalisanten

V: Wanneer ben jij het afgelopen jaar in [pleegplaats] geweest?

A: Ik ben dit jaar twee keer in [pleegplaats] geweest. De eerste keer was denk ik in augustus. Wij waren toen bij het treinstation van [pleegplaats] . De tweede keer was op 17 september 2014.

V: Waarom was je op het station?

A: Ik bracht mijn vriend naar het station omdat hij met drie jongens van hier wilde praten. Die vriend waar ik mee was, was dezelfde vriend waarmee ik op 17 september hiernaartoe ben gegaan. De afspraak was omdat mijn vriend een vuurwapen aan die jongens wilde verkopen. Ik hoorde dat de jongens drie vuurwapens wilden kopen. Ik hoorde dat die drie van ieder een doos munitie wilden.

V: Wat kan jij ons vertellen over het schietincident in [pleegplaats] op [adres] op woensdag 17 september 2014?

A: Die vriend waar ik steeds al over spreek had een afspraak gemaakt met dezelfde jongens van toen van het station. Die dag zouden wij volgens afspraak die drie vuurwapens afleveren in [pleegplaats] . Deze wapens hadden mijn vriend en ik bij ons in de auto.

Hij had ze in de kofferbak gelegd. Wij waren die dag op 17 september 2014 met zijn tweeën in de Seat Mii. Mijn vriend zou geld voor de levering van die wapens krijgen. Volgens mij waren wij ongeveer 19.00 uur in [pleegplaats] . Wij waren denk ik na 20.00 uur op [adres] . Nadat ik had geparkeerd voor de flat van [adres] , ging mijn vriend naar buiten. Ik zat nog in de auto en zag die jongen uit Sint Maarten aan komen lopen en hij was samen met een jongen die ik niet kende. Die had ik nooit eerder gezien. Die man was een beetje klein, ik denk 1.65 meter en hij had een Antilliaans uiterlijk maar later hoorde ik hem ook Papiaments praten, ik denk dat hij achter in de 30 jaar oud was. Ik hoorde dat mijn vriend zei 'kom'. Ik stapte uit de auto.

O: Wij willen voorstellen om vanaf nu de man uit Sint Maarten “Man 1” te noemen en de Antilliaanse man “Man 2”.

V: Wat gebeurde er nadat jij op [adres] uit de auto stapte?

A: Man 1 zei: ‘dit is de jongen die dat ding wil bekijken”. Daarmee bedoelde hij kennelijk man 2. Op dat moment stond onze kofferbak nog dicht. Ik zag dat mijn vriend de kofferbak open deed waar die vuurwapens lagen. Man 1 (de rechtbank begrijpt man 2) pakte de tassen uit de kofferbak. Ik zag dat er spullen uit mijn rugzak vielen. Dit kwam doordat man 1 (de rechtbank begrijpt man 2) ging rennen met die rugzak. Ik zag dat mijn vriend een vuurwapen trok. Ik hoorde en zag dat hij vijf keer achter elkaar schoot. Ik zag dat hij op man 1 (de rechtbank begrijpt man 2) schoot. Man 1 (de rechtbank begrijpt man 2) liep richting de bosrand. Mijn vriend schoot op man 1 (de rechtbank begrijpt man 2) en schoot dus richting bosrand. Toen man 1 richting bosrand begon te rennen ging mijn vriend direct achter hem aan rennen. Mijn vriend ging schieten tijdens het rennen. Ik ben er niet achteraan gerend maar ik ging naar de auto. Man 1 (de rechtbank begrijpt man 2) liet mijn rugtas vallen toen er op hem geschoten werd. Mijn vriend heeft na het schieten mijn rugtas nog van de straat gepakt en die dingen die uit mijn rugtas waren gevallen. Ik heb de auto gestart en ben ongeveer twee meter naar voren gereden en sloeg linksaf en ben meteen weer gestopt om op mijn vriend te wachten. Mijn vriend stapte op die plek weer bij mij in de auto.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 september 2014, opgenomen op pagina 195 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant 7] :

In verband met een vermeende schietpartij, welke plaats zou hebben gevonden op 17 september 2014 omstreeks 20:05 uur op [adres] te [pleegplaats] verklaar ik het volgende.

Ter plaatse sprak ik met twee personen welke allebei anoniem wensen te blijven. Deze verklaarden mij allebei afzonderlijk van elkaar dat:

- er 4 negroïde manspersonen uit de auto stapten;

- een man bij zijn keel werd gegrepen en tegen de auto aan werd gedrukt;

- de man welke de keel werd dichtgedrukt vanuit zijn broeksband een op een pistool gelijkend voorwerp haalde en zich losrukte, vervolgens met het op een pistool gelijkend voorwerp richtte op de persoon welke zojuist zijn keel dicht had gedrukt;

- de dikke negroïde man vervolgens weg rent, gevolgd door vermoedelijk zijn kameraad in de richting van het [locatie 2] , waarna de man met het op het pistool gelijkend voorwerp in de richting van de dikke man schiet en vervolgens achter de dikke man en zijn kameraad aan rent in de richting van het [locatie 2] ;

- er dus in totaal drie negroïde mannen wegrennen in de richting van het [locatie 2] , waarvan één in bezit van vermoedelijk een pistool en in de richting van de andere twee rennende mannen vuurt;

- de enige overgebleven negroïde man de auto weer instapt en wegrijdt in de richting van de [locatie 3] .

Bewijsoverweging

Schutter

De rechtbank stelt het volgende vast omtrent de feiten.

Op 17 september 2014 kwamen er even over 20:00 uur diverse meldingen binnen bij de politie van een schietpartij op [adres] in [pleegplaats] . Op het moment dat de politie ter plaatse kwam waren de betrokken partijen niet meer aanwezig. De politie heeft ter plaatse en nadien verschillende getuigen gehoord naar aanleiding van dit schietincident: meerdere getuigen hebben verklaard schoten te hebben gehoord en een aantal personen hebben een persoon, die achter een andere persoon aanrende, zien schieten. De rechtbank constateert dat geen getuige heeft gesproken over meerdere schutters. Dit komt overeen met het onderzoek op de plaats van het delict, waarbij één spoor van meerdere hulzen is aangetroffen.

De rechtbank stelt aldus vast dat één persoon heeft geschoten in de nabijheid van de flat op [adres] in [pleegplaats] .

Op 18 september 2014 omstreeks 00:50 uur zijn verbalisanten naar het ziekenhuis in Leeuwarden gereden, omdat daar iemand zou zijn binnen gekomen met een schotwond. De verbalisanten hebben [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangetroffen en zagen op een röntgenfoto dat hij een patroon in zijn knie had. De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen bewezen dat [slachtoffer] gewond is geraakt bij voornoemde schietpartij op [adres] .

De rechtbank acht het aldus niet aannemelijk dat [slachtoffer] op een andere plek in [pleegplaats] gewond is geraakt zoals hij zelf in het ziekenhuis heeft verklaard. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op de aanvulling die de officier van justitie hierop ter terechtzitting heeft gegeven, zijnde dat die bewuste avond geen andere meldingen van schietpartijen in [pleegplaats] zijn binnengekomen.

Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte, blijkt dat verdachte en [medeverdachte] een ontmoeting met [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [slachtoffer] op [adres] in [pleegplaats] hadden.

Deze ontmoeting liep uit op een ruzie, waarna verschillende personen bij de auto van [medeverdachte] zijn weggerend. [persoon 1] en [slachtoffer] zijn daarbij weggerend met tassen uit de kofferbak van die auto. Vervolgens is er geschoten door één van de twee verdachten. De verklaringen van de betrokkenen en de getuigen verschillen op dit punt.

Verdachte en zijn medeverdachte ontkennen beide te hebben geschoten en wijzen elkaar aan als de schutter. Het slachtoffer, [slachtoffer] , heeft geen verklaring hieromtrent willen afleggen. De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] wisselend heeft verklaard over de schutter. Hij heeft enerzijds verklaard dat hij is weggerend en toen wel schoten heeft gehoord, maar dat hij niet heeft gezien wie er heeft geschoten en anderzijds heeft hij verdachte ('de kleine') maar ook de medeverdachte ('de ene van foto 1') aangewezen als de schutter. De rechtbank stelt zijn verklaring op dit punt dan ook terzijde. De rechtbank constateert daarnaast dat de getuigen geen naam hebben kunnen geven van de schutter.

Zoals gezegd zijn verdachte en de medeverdachte de enige personen die een naam noemen van de schutter. De rechtbank dient deze verklaringen te beoordelen op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in deze verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij zijn eerste verklaring over hetgeen hem wordt verweten ten overstaan van de rechter-commissaris op Curaçao, in aanwezigheid van een advocaat, heeft verklaard dat 'hij zich moest verdedigen'. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. Dit deel van de verklaring wijst naar het oordeel van de rechtbank op enig handelen van verdachte en niet zoals hij ter terechtzitting heeft aangegeven dat de medeverdachte en hij zich moesten verdedigen.

De verklaring van verdachte dat hij zich moest verdedigen tegen [persoon 1] , omdat [persoon 1] hem kort daarvoor met een mes in zijn schouder zou hebben gestoken, wordt niet anders ondersteund dan door de verklaring van de medeverdachte en acht de rechtbank om die reden niet aannemelijk. Dit wordt immers niet bevestigd door bijvoorbeeld de verklaringen van de directe getuigen of een geneeskundige verklaring. Het litteken op het schouder van verdachte is dusdanig later waargenomen door de verbalisanten dat deze constatering niet ondersteunend wordt geacht. De rechtbank acht het niet onmogelijk dat de beide verdachten op dit punt een afspraak hebben gemaakt, zodat voor het handelen van verdachte een rechtvaardigingsgrond van toepassing zou zijn.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte heeft gehandeld omdat [slachtoffer] er vandoor is gegaan met een rugzak uit de kofferbak van de auto waarmee hij en de medeverdachte naar [pleegplaats] zijn gereden.

Op grond van het volgende stelt de rechtbank vast dat het handelen van verdachte bestond uit het schieten op [slachtoffer] .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de camerabeelden van [locatie 1] is te zien met een wapen in zijn hand. Dat verdachte het wapen pas op een later moment ter hand heeft genomen, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, is niet aannemelijk geworden. Hij zou immers ook een laptop van de grond hebben gepakt, maar dit is niet te zien op dezelfde camerabeelden.

Daarnaast blijkt uit verschillende getuigenverklaringen dat van de vier ruziënde personen bij de auto er één bij de auto bleef staan, deze in de auto is gestapt nadat de andere drie personen wegrenden en de schutter daarna is ingestapt bij deze persoon.

De rechtbank ziet in de weergave van de gesprekken tussen verdachte en de medeverdachte per telefoon op 27 november 2014 en WhatsApp op 15 oktober 2014 bevestiging dat verdachte heeft gehandeld door een wapen ter hand te nemen en hiermee te schieten op [slachtoffer] .

Daarnaast heeft de medeverdachte, zoals hiervoor ook is aangegeven, verklaard dat verdachte degene was die heeft geschoten. De rechtbank is zich ervan bewust dat de medeverdachte er belang bij kan hebben om dit te verklaren, maar zijn verklaring wordt in hoofdlijn ondersteunt door andere wettige bewijsmiddelen zoals hiervoor zijn weergegeven.

De rechtbank leest daarbij de verklaring van [medeverdachte] zo, dat hij bij het benoemen van 'man 1' en 'man 2', zoals is voorgesteld door de verhorende verbalisanten, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen een kennelijke vergissing heeft gemaakt bij hun aanduiding.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven dat de route die verdachte heeft afgelegd een contra-indicatie is voor de vaststelling dat hij de schutter was. De rechtbank constateert dat zij niet exact de route die [slachtoffer] , [persoon 1] en verdachte hebben afgelegd kan vaststellen.

Desondanks heeft de rechtbank geen twijfel dat [slachtoffer] en verdachte in ieder geval voor de flat op [adres] , alwaar de hulzen zijn aangetroffen, zijn langs gerend en verdachte degene was die daar al rennend op [slachtoffer] heeft geschoten. Dat verdachte is vastgelegd door de camera van [locatie 1] maakt dit niet onmogelijk.

Concluderende stelt de rechtbank het volgende vast omtrent de feiten.

Verdachte is op het moment dat [slachtoffer] er rennend vandoor ging met een tas uit de kofferbak, achter hem aangerend en heeft daarbij meermalen op hem geschoten in de nabijheid van de flat op [adres] in [pleegplaats] . [slachtoffer] is daarbij in zijn been geraakt.

Medeplegen

De rechtbank acht in tegenstelling tot de officier van justitie niet bewezen dat [medeverdachte] kan worden aangemerkt als medepleger van het door verdachte gepleegde geweld, nu naar het oordeel van de rechtbank niet uit het dossier blijkt dat de medeverdachte een zodanige intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het handelen van verdachte dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte kan worden gesproken. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

Poging tot doodslag

Aan verdachte is onder 1. impliciet primair een poging tot moord ten laste gelegd. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan vrijspreken

Onder 1. impliciet subsidiair is aan verdachte het medeplegen van een poging tot doodslag ten laste gelegd.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van opzet op de dood van het slachtoffer overweegt de rechtbank het volgende. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552).

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte achter [slachtoffer] is aangerend en al rennend meermalen in de richting van zijn lichaam heeft geschoten. [slachtoffer] is hierbij in zijn been geraakt. De rechtbank is van oordeel dat dergelijk handelen de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer hierdoor komt te overlijden en dat dit naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Contra-indicaties voor het tegendeel heeft de rechtbank niet aangetroffen.

De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van onder meer de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] geconcludeerd dat het onder 2. ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het individueel voorhanden hebben van het wapen dat verdachte van de grond heeft opgepakt, maar dat er niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had op de aanwezigheid hiervan.

Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 2. ten laste gelegd dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, op 17 september 2014 te [pleegplaats] een of meer wapens en munitie van categorie II en/of categorie III voorhanden heeft gehad.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat er wordt gesproken over verschillende wapens en munitie.

Ten aanzien van de wapens, al dan niet nepvuurwapens, die in de kofferbak van de auto (waarmee verdachte en de [medeverdachte] naar [pleegplaats] zijn gereden) lagen en de munitie die is aangetroffen in een sok is uit het dossier niet gebleken wat voor wapens en munitie dit waren. De rechtbank acht om die reden niet bewezen dat dit wapens en/of munitie waren die, zoals ten laste gelegd, in categorie II of III van de Wet wapens en munitie (hierna: WMM) vallen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank wel dat verdachte met een wapen als bedoeld in categorie II of III van de WMM met munitie van de categorie II of III heeft geschoten op [slachtoffer] . Op grond hiervan acht de rechtbank dit deel van het onder 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Daarbij overweegt de rechtbank dat zij niet bewezen acht dat er sprake was van medeplegen ten aanzien van het voorhanden hebben van dit wapen en de bijbehorende munitie. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 17 september 2014 te [pleegplaats] , in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. hij op 17 september 2014 te [pleegplaats] , in de gemeente Leeuwarden, een wapen van categorie II of categorie III en munitie van categorie II of categorie III, voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot doodslag;

2. Overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat zijn pleidooi tot vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten eigenlijk geen ruimte laat voor een strafmaatverweer. De raadsman heeft wel verzocht rekening te houden met het letsel dat verdachte op 17 september 2014 heeft opgelopen en het feit dat verdachte zo spoedig mogelijk terug wil keren naar zijn familie op Curaçao.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering dd. 20 oktober 2015 en het trajectconsult d.d. 14 september 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de vroege avond van 17 september 2014 in een woonwijk in [pleegplaats] op de openbare weg meermalen met een vuurwapen geschoten op een persoon. Er was sprake van een conflict in het criminele circuit: verdachte probeerde wapens, al dan niet nepwapens, te verkopen en op het moment dat het slachtoffer wegrent met een rugzak met spullen van verdachte en medeverdachte, is verdachte achter het slachtoffer aangerend en heeft verdachte meerdere keren op hem geschoten.

Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan, maar de politie heeft gezien dat hij door één van de kogels is geraakt in zijn knie.

Veel buurtbewoners, waaronder ook kinderen, zijn getuige geweest van deze gewelddadige gebeurtenis. Een aantal personen moest zich verschuilen omdat zij dachten dat ze geraakt konden worden. Door op de openbare weg in een woonwijk meermalen te schieten heeft verdachte buitengewoon risicovol en gevaarzettend gehandeld.

Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Het opzettelijk een ander mens van het leven proberen te beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door dergelijke misdrijven wordt de rechtsorde ernstig geschokt en het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Daarnaast leidt een dergelijk feit tot vaak hevige en langdurige gevoelens van angst bij onveiligheid van de getuigen, waarvan ook in de onderhavige zaak is gebleken.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en handelen in strijd met de Wet Wapens en munitie. De rechtbank houdt rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies. Hierin staat beschreven dat verdachte problemen heeft op meerdere leefgebieden. Eerdere ambulante hulptrajecten zijn niet goed van de grond gekomen. De reclassering heeft aangegeven dat zij daarom weinig alternatieven zien voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het is de NIFP-psycholoog niet gelukt om verdachte nader te onderzoeken, nu verdachte heeft geweigerd met hem in gesprek te gaan.

Gelet op de ernst van het feit en hetgeen bekend is omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf worden opgelegd dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Nu de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie niet bewezen acht dat er ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake was van medeplegen, zal zij de gevorderde gevangenisstraf enigszins matigen. De rechtbank acht alles overwegende een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar passend en geboden en zal dit dan ook, met aftrek van het voorarrest, aan verdachte opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 maart 2016.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

de Wit

locatie Leeuwarden,

de Vries-Haitsma