Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:942

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
18.930228-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde bedreiging heeft plaatsgevonden acht de rechtbank onvoldoende ernstig voor het opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930228-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende [adres 1],

verblijvende in PPC Zwolle te Zwolle.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 10 februari 2015.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. G.H. Thasing, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op of omstreeks 27 oktober 2014 in de gemeente Assen [slachtoffer 1] (beveiliger bij GGD Drenthe) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl hij zich op korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond, een mes, althans een scherp voorwerp, getrokken en dit mes, althans dit scherpe voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] gehouden en/of (hierbij) dreigend de woorden toegevoegd :"dan heb ik ook nog wel wat voor jou", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij op of omstreeks 24 oktober 2014 in de gemeente Groningen, een ambtenaar, [slachtoffer 1], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door de vinger van die [slachtoffer 2] vast te pakken en om te draaien en/of aan die vinger te trekken;

3. hij op of omstreeks 08 oktober 2014 te [pleegplaats], gemeente Franekeradeel, of [adres 1], gemeente Leeuwarderadeel, althans in de provincie Friesland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 3] (door tussenkomst van [echtgenote], echtgenote van [slachtoffer 3]), dreigend de woorden toegevoegd :" ik snij hem de oren af en ik eet ze op", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4. hij op of omstreeks 10 oktober 2014 te [pleegplaats], gemeente Franekeradeel, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Op een nacht zal ik bij je komen en laten zien hoeveel ik je haat, dan is het gebeurd met je lieftallige leventje", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. Schuth acht hetgeen onder 1, 2 en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

120 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest;

 oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, met dadelijke uitvoerbaarheid;

 gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van 415 euro, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit omdat daartoe het wettige bewijs ontbreekt. Verdachte ontkent de bedreiging en dan resteert alleen de aangifte van [slachtoffer 3].

De rechtbank komt eveneens tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit. De woorden die in de tenlastelegging zijn vermeld kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgevat als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. De context waarin de woorden door verdachte zijn gezegd maken dat niet anders.

Bewijsmotivering

Met betrekking tot de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen.

Feit 1.

- een proces-verbaal van aangifte 1 d.d. 27 oktober 2014, inhoudende -zakelijk weerge-geven- de verklaring van [slachtoffer 1].

Ik was vandaag, 27 oktober 2014 aan het werk in de beveiliging op het terrein van het GGZ aan de [adres 2]. Omstreeks 19:30 uur kreeg ik telefoon van een verpleeg-kundige. Ze vroeg of ik wilde komen omdat er iemand verbaal zeer agressief aanwezig was. Het zou gaan om een man genaamd [slachtoffer 3] en hij zou zich op dat moment bevinden aan de [straat].

Ik sprak [slachtoffer 3] aan. Ik had het idee dat [slachtoffer 3] dronken was, ook omdat ik bij hem een alcohollucht rook.

Op hetzelfde moment stond er een verpleegster naast mij en ik hoorde dat zij hem wilde uitleggen waarom hij niet welkom was. Ik hoorde dat [slachtoffer 3] toen tegen haar zei dat ze op moest donderen. Ik heb daarop [slachtoffer 3] gevorderd om het GGZ terrein te verlaten. [slachtoffer 3] reageerde hier helemaal niet op. Ik zag dat er naast [slachtoffer 3] een lege fles wijn stond en dat hij daar ook af en toe naar keek. Die fles wilde ik daar weg hebben en heb deze toen gepakt en weggegooid in de afvalbak naast het bankje.

Ik hoorde toen dat [slachtoffer 3] tegen mij zei:” he, je gooit mijn volle fles wijn weg.” Op dat moment zag ik ook dat hij een mes trok met zijn rechter hand. Ik hoorde dat [slachtoffer 3] toen tegen mij zei: ”Dan heb ik ook wel wat voor jou.” Ik schrok hier wel van en voelde mij bedreigd. Ik had het idee dat hij mij neer wilde steken. Op het moment dat [slachtoffer 3] het mes trok was de afstand tussen ons ongeveer anderhalve meter.

Hij trok het mes en wees met de punt van het mes in mijn richting met gestrekte arm.

- een proces-verbaal van verhoor getuige 2 d.d. 10 november 2014, inhoudende -zakelijk weergegeven- de verklaring van [getuige].

Ik ben werkzaam bij de GGZ te [locatie].

Op 27 oktober 2014 was ik in dienst. ‘s Avonds had ik twee cliënten waaronder [verdachte] de deur uitgezet. Later zag ik beide cliënten op het GGZ terrein aan de [straat] staan. Bovendien was een van beide, [verdachte], op dat moment behoorlijk luidruchtig. Omdat dit niet de bedoeling was heb ik telefonisch contact gezocht met [slachtoffer 1], werkzaam op dat moment als beveiliger bij de GGZ.

Ik zag hierna dat [slachtoffer 1] ter plaatse kwam bij [verdachte]. Ik ben daar toen ook naar toe gelopen. Ik hoorde dat [verdachte] verbaal agressief was naar [slachtoffer 1].

Hierna zag ik dat [verdachte] ineens een mesje in zijn handen had, hij stond daarmee te zwaaien in de richting van [slachtoffer 1]. Ik zag dat [verdachte] op dat moment op een kleine meter afstand was van [slachtoffer 1]. Ik hoorde dat [verdachte] toen tegen [slachtoffer 1] zei: “Dan heb ik ook wel wat voor jou” en ik zag dat hij dreigde met het mesje in de richting van [slachtoffer 1].

Feit 2.

- een proces-verbaal van aangifte 3 d.d. 24 oktober 2014, inhoudende -zakelijk weergegeven- de verklaring van [slachtoffer 1], hoofdagent politie Noord-Nederland.

Op 24 oktober 2014, was ik ingeroosterd voor een dienst die zorg draagt voor de arrestanten afhandeling.

Vanuit het niets pakte de verdachte mijn hand vast. Ik voelde dat hij probeerde om mijn gehele hand om te draaien. Ik trok mijn hand terug waardoor de verdachte mijn ringvinger nog vast had. Vervolgens draaide de verdachte mijn ringvinger om. Ik voelde pijn.

GGD arts [baam] heeft mijn vinger onderzocht en zag dat de vinger gezwollen was. Hij concludeerde dat de vinger gekneusd was.

- een proces-verbaal van aangifte 4 d.d. 27 oktober 2014, inhoudende -zakelijk weergegeven- de verklaring van [slachtoffer 1].

Op zaterdag 25 oktober 2014 ben ik naar het UMCG geweest om mijn ringvinger te laten nakijken. Na onderzoek in het ziekenhuis bleek dat mijn ringvinger gebroken was.

- een proces-verbaal van bevindingen 5 d.d. 24 oktober 2014, inhoudende -zakelijk weergegeven- de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant].

Wij, verbalisanten, hoorden dat collega [slachtoffer 2] zei dat hij last van een van zijn vingers had omdat verdachte [slachtoffer 3] deze vast had gehad en deze had omgedraaid.

Collega [slachtoffer 2] klaagde later nog steeds over pijn aan zijn vinger.

Nadere bewijsoverweging

Op grond van voormelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende gang van zaken.

Verdachte bevond zich op 27 oktober 2014 op het terrein van de GGZ Drenthe. Het gedrag van verdachte was aanleiding om hem te verzoeken het terrein te verlaten. De beveiliger [slachtoffer 1] spreekt verdachte daartoe aan. Verdachte lijkt onder invloed van drank te zijn en als verdachte steeds naar de fles wijn kijkt die verdachte bij zich heeft besluit [slachtoffer 1] die fles weg te gooien. Verdachte maakt daar een opmerking over en pakt vervolgens een mes uit zijn jaszak en bedreigt [slachtoffer 1] daarmee . Verdachte stond op dat moment op ongeveer anderhalve meter van [slachtoffer 1]. Verdachte wees daarbij met de punt van het mes richting [slachtoffer 1].

De verpleegkundige [getuige] was getuige van het voorval en heeft in soortgelijke bewoordingen de verklaring van [slachtoffer 1] bevestigd. Verdachte stond te zwaaien met het mes in de richting van [slachtoffer 1].

De raadsman heeft aangegeven dat [slachtoffer 1], [getuige], verdachte en nog een persoon na het voorval rustig naar de uitgang van het terrein zijn gelopen. Daaruit zou blijken dat de bedreiging als minder ernstig moet worden opgevat. De rechtbank volgt de raadsman daar niet in al was het al omdat uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] blijkt dat zij bij verdachte wegliepen. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte achter hen aanliep, terwijl hij verdachte in de gaten hield.

Op 24 oktober 2014 was verbalisant [slachtoffer 2] belast met de arrestantenzorg. Verdachte heeft de hand van [slachtoffer 2] onverhoeds vastgepakt. Als [slachtoffer 2] zijn hand wil terugtrekken houdt verdachte de ringvinger van [slachtoffer 2] vast en draait deze ringvinger om.

Verdachte heeft ontkend dat hij de ringvinger van [slachtoffer 2] heeft gebroken en dat de medische verklaringen daartoe wisselend zijn omdat steeds een andere diagnose wordt gegeven.

Uit de stukken komt naar voren dat in eerste instantie werd gedacht dat de vinger gekneusd

was. [slachtoffer 2] had de volgende dag nog steeds last van zijn ringvinger en is voor nader onderzoek naar het ziekenhuis gegaan. In het ziekenhuis werd duidelijk dat zijn ringvinger was gebroken.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een wisselende diagnose. Het is gebruikelijk dat op grond van aanhoudende pijn verder onderzoek wordt gedaan naar de oorzaak van die pijn.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 27 oktober 2014 in de gemeente Assen [slachtoffer 1], beveiliger, heeft bedreigd met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl hij zich op korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond, een mes getrokken en dit mes in de richting van die [slachtoffer 1] gehouden en hierbij dreigend de woorden toegevoegd: "dan heb ik ook nog wel wat voor jou";

2. hij op 24 oktober 2014 in de gemeente Groningen, een ambtenaar, [slachtoffer 1], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door de vinger van die [slachtoffer 2] vast te pakken en om te draaien;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

strafbaar gesteld bij artikel 300 in verbinding met artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 31 januari 2015, opgemaakt door J.M. Westenbroek, psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

“ Bij verdachte is sprake van schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast is er sprake van persoonlijkheidsproblematiek met narcistische en antisociale trekken. Hiervan was ook sprake ten tijde van de tenlastegelegde feiten en van invloed op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte.

Verdachte is al jaren in meer of minder mate psychotisch en lijkt veel last te hebben van zijn psychotische belevingen.

Verdachte is ten aanzien van de bewezen geachte feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten.“

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte een beveiliger heeft bedreigd en een politiebeambte heeft mishandeld.

Het betreffen ernstige feiten welke aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar het behandeladvies van de psychiater. Verdachte is gebaat bij een langer durende behandeling binnen een forensische setting. De behandelingen die verdachte tot nu toe heeft ondergaan hebben niet tot verbetering geleid en gelet op het hoge recidive risico resteert een behandeling in een strak juridische kader of te wel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft aangegeven dat voldoende duidelijk is dat verdachte behandeld moet worden aangaande zijn psychische problematiek. De raadsman is echter van mening dat voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt de feiten niet dusdanig ernstig zijn dat daarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd. In zover dient de vordering van de officier van justitie niet te worden gevolgd.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege het volgende.

Op grond van het bepaalde in artikel 37a lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht kan in beginsel aan verdachte voornoemde maatregel worden opgelegd met betrekking tot het onder 1 bewezen geachte feit.

De omstandigheden waaronder de bedreiging heeft plaatsgevonden acht de rechtbank echter niet dusdanig dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Verdachte kampt weliswaar met ernstige psychische problematiek en verdachte dient daarvoor te worden behandeld. Deze behandeling dient echter gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en gelet op de geringe strafrechtelijke documentatie van de verdachte, plaats te vinden binnen een ander kader dan het juridische kader van dwangverpleging bij een terbeschikkingstelling.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 januari 2015 waaruit blijkt dat verdachte eenmaal is veroordeeld tot een geldboete.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de over verdachte uitgebrachte rapporten.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden geboden en passend is.

Benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering nu onduidelijk blijft in hoeverre de kosten van de gemiste tennislessen ten laste van de benadeelde partij komen.

Voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 en 4 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

 gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 26 maart 2015.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 415,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 415,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. S. Zwerwer en mr. C. Brouwer, rechters in tegenwoordigheid van D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 februari 2015, zijnde mr. Brouwer buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 pag. 25 ev van het dossier PL0100-2014145125 Z (dossier)

2 pag. 20 ev. van het dossier

3 pag. 41 van het dossier

4 pag. 42 van het dossier

5 pag. 49 van het dossier