Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:938

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
18.940022-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van een overval op een cafetaria. De rechtbank merkt verdachte aan als medepleger. Het verweer van de raadsvrouw dat de geestelijke beperkingen van verdachte aan een bewezenverklaring in de weg zouden staan, wordt door de rechtbank verworpen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/940022-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
27 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 13 februari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen.

Het Openbaar Ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever, officier van justitie.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2014,

te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Noordenveld,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [cafetaria], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte en/of zijn mededader(s) tegen die [slachtoffer 1] hebben geroepen en/of

gezegd: "Dit is een overval, geld, geld, geld" zulks terwijl verdachte

of/zijn mededaders bivakmutsen droegen en/of waarbij een (vuur)wapen op die

[slachtoffer 1] is gericht, in elk geval dat (vuur)wapen duidelijk zichtbaar aan die

[slachtoffer 1] is getoond en/of waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) dat

(vuur)wapen duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 1] aanwezig hebben gehad.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de rol die verdachte bij de overval heeft vervuld kan worden aangemerkt als die van medepleger. Verdachte was namelijk betrokken bij de voorbesprekingen en was tijdens de overval in de cafetaria aanwezig, waar hij op de uitkijk stond. Hij heeft zijn rol vervuld zoals van te voren was afgesproken en heeft zich niet gedistantieerd toen de medeverdachten de overval daadwerkelijk pleegden. Ook heeft hij meegedeeld in de buit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte mede gelet op zijn verstandelijke beperking geen sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten dat bewezen kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de overval. Niet gebleken is namelijk dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het plan. Voorts was zijn rol niet substantieel. Hij moest slechts naar de cafetaria gaan om te kijken hoeveel mensen daar aanwezig waren en om iets te drinken voor de anderen te kopen. Ook heeft hij geen daadwerkelijke uitvoeringshandeling(en) voor zijn rekening genomen. Hij was tijdens de overval weliswaar in de cafetaria aanwezig, maar heeft zich gedistantieerd door in een andere ruimte van het pand te blijven. Bovendien heeft hij zich ook van de overval willen distantiëren door tegen de medeverdachten te zeggen dat zij hun plan niet moesten uitvoeren.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt en zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 13 februari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 22 mei 2014 samen met [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] betrokken ben geweest bij de overval op [cafetaria] in [pleegplaats]. [medeverdachte 1] vroeg aan mij of ik geld wilde verdienen en of ik mee wilde doen aan het plegen van een overval. Toen heb ik "ja" gezegd. [medeverdachte 1] had het pistool en de bivakmutsen geregeld. Afgesproken was dat ik eerst alleen de cafetaria binnen zou gaan en daar een flesje water voor [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] zou gaan halen. Ik moest dan ook kijken hoeveel mensen er binnen waren. [medeverdachte 1] wilde namelijk alleen naar binnen als er niet zo veel mensen in de cafetaria aanwezig zouden zijn. Na [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] het water te hebben gebracht zou ik weer terug naar binnen gaan en bij de gokautomaten gaan zitten. Zo is het ook gegaan. Eerst zei ik dat er heel veel mensen binnen waren. Toen heb ik gezegd dat ze het niet moesten doen. Hierna ging ik terug naar binnen en haalde ik een flesje water, dat ik naar buiten bracht. Daarna ging ik weer naar binnen. Vervolgens kwamen [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] binnen. Het kan wel kloppen dat de aangeefster mij heeft zien bellen. Ik deed namelijk alsof ik aan het bellen was. Dat deed ik, omdat ik dat later, als ik door de politie gehoord zou worden, als excuus zou kunnen gebruiken voor het feit dat ik niets van de overval gezien had. Ik hoorde de aangeefster schreeuwen en ik hoorde dat [medeverdachte 1] riep: "Dit is een overval, geld, geld, geld". Toen zij weggingen, ben ik blijven zitten. Daarna belden ze mij om te vragen waar ik bleef. Ze wilden weten of ik iets gezegd had tegen de politie. Het geld dat bij de overval buit was gemaakt hebben we de dag erna verdeeld. Ik heb het aangenomen. Mijn deel was ongeveer 100 à 120 euro.

2. Een proces-verbaal van aangifte, nummer PL031W-2014041224-1, d.d. 28 mei 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pag. 31 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever
[slachtoffer 2]:

Ik doe aangifte van diefstal met geweld. Er is diefstal gepleegd van geld wat mij in geheel in eigendom toebehoort. Ik ben eigenaar van [cafetaria], gevestigd te [pleegplaats], binnen de gemeente Noordenveld.

Er is bij de overval kasgeld weggenomen. Dit betreft een bedrag van 250,- euro plus de omzet. Tevens is er achter uit de keuken ook nog wisselgeld weggenomen.

3. Een proces-verbaal van aangifte, nummer PL031V-2014039730-1, d.d. 23 mei 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pag. 35 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster
[slachtoffer 1]:

Ik ben werkzaam bij [cafetaria] te [pleegplaats]. Ik was 22 mei 2014 aan het werk. Omstreeks 23.35 uur zag ik twee jongens de cafetaria inlopen. Ik zag dat de kleinste jongen, ik noem hem dader 1, een pistool in zijn hand had en voorop liep. Ik zag dat dader 2 een tas in zijn hand had. Terwijl ik dader 1 en 2 binnen zie komen, zie ik dat dader 1 het pistool op mij richt. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "Dit is een overval, geld, geld, geld!". Ik schrok hier erg van en voelde mij erg bedreigd. Ik keek recht in de loop van het pistool. Ik heb toen de kassalade open gedaan en de geldlade eruit gehaald. Ik heb deze geldlade toen gegeven. Ik heb gezien dat dader 2 zijn tas op tafel zette. Ik zag dat dader 2 bezig was om de geldlade in zijn tas te stoppen.

Ik hoorde dat dader 1 vervolgens tegen mij zei: "Er is nog meer daar achter!". Dader 1 bedoelde waarschijnlijk het geld wat wij in de kelder hebben liggen. Hier liggen 3 bakjes met geld. Dit moet hij dus op de een of andere manier hebben geweten. Ik liep toen achteruit richting de kelder. In eerste instantie liep alleen dader 1 met mij mee. Hierbij richtte hij nog steeds het pistool op mij. Kort daarna kwam ook dader 2 erbij. Ik ben toen de kelder ingelopen en heb daar drie bakjes met geld gepakt. Ik heb de drie bakjes gepakt en op de vriezer gezet. Ik weet niet welke dader de bakjes toen heeft gepakt. Ik denk dat ze de bakjes met geld ook in de tas hebben gedaan waar de geldlade in zat. Toen zijn de twee daders er snel vandoor gegaan.

In bakje 1 zat in totaal 255,- euro. In bakje 2 zat in totaal 86,- euro. Hoeveel geld in bakje 3 zat weet ik niet precies. Ik zie op de uitdraai van de kassa dat we vandaag een totale omzet hadden van 373,20 euro. Hiervan hebben we 221,35 euro contant gekregen. Dan zat er nog voor 250,- euro startgeld in de kassa. Dit betekent dat er in totaal is weggenomen: 812,35 euro.

Ze droegen beiden een bivakmuts.

4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer PL0300-2014039730-61,
d.d. 20 november 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pag. 403 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

(…) Toen we er waren ging [verdachte] eerst naar binnen kijken of er veel mensen waren. Hij haalde later nog een waterfles en die bracht hij naar ons. [verdachte] ging weer naar binnen. Wij deden de overval. (…) Het geld hebben[medeverdachte 2], [verdachte] en ik verdeeld.

(…)

V: Wanneer werd het plan gemaakt.

A: Die dag zelf. (…) Met [verdachte] en[medeverdachte 2] bespraken we dat [verdachte] eerst zou gokken, kijken of het druk was. Als het niet druk was zouden we gaan.

(…)

V: Wisten jullie alle drie wat jullie moesten doen?

A: Ja, we zeiden onderweg nog jij doet dit en jij doet dit. We spraken af dat ik het wapen zou richten,[medeverdachte 2] zou geld pakken van de kassa en wat daar achter lag.

(…)

A:[medeverdachte 2] en ik wachten ongeveer 8 of 10 meter van de schans af. [verdachte] ging kijken of het druk was. Hij ging twee keer drinken halen voor hemzelf en voor ons. Twee water. Hij vertelde hoeveel mensen er binnen waren. Het was eerst heel druk. Wij gingen wachten tot er niemand was of 1 persoon en toen gingen we naar binnen. [verdachte] ging naar achteren en gokken.

(…)

V: Wat was de reactie van de medewerkster toen jullie binnen kwamen?

A: Ze schreeuwde en natuurlijk schrok ze. Ze zei: "Ik geef jullie alles wat hier is". Ze ging naar de kassa en gaf geld.[medeverdachte 2] legde geld in de tas. Ik vroeg: "Waar is de rest?". Ze liep naar achter toe.[medeverdachte 2] en ik liepen mee. Het geld zat ik een ijsbakje.[medeverdachte 2] pakte het aan en deed het in de tas. Zij legde het geld op een werkblad.[medeverdachte 2] pakte dit. Het andere geld zat in ijsbakken, die legde ze op de vriezer.[medeverdachte 2] pakte ze en deed ze in de tas. Toen zijn we weggegaan. (…) Het geld hebben we pas de volgende dag verdeeld tussen mij,[medeverdachte 2] en [verdachte]. (…)[medeverdachte 2] en ik kregen wat meer omdat wij het meeste werk hadden gedaan. [verdachte] kreeg wat minder.

(…)

V: Hoe zag het wapen eruit?

A: Zoals het wapen dat jullie hebben. Als je van dichtbij ziet dan kan je zien dat het wapen nep is. Ik denk dat je van ver af denkt dat het wapen echt is.

5 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer PL0300-2014039730-47,
d.d. 11 november 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pag. 436 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Ik heb een overval gepleegd op een cafetaria. Op een gegeven moment waren wij met een aantal jongens in een soort parkje, vlakbij waar de overval heeft plaatsgevonden. In het parkje kwam ter sprake dat er makkelijk geld te verdienen was door een overval te plegen op een cafetaria. Die overval hebben we ook gepleegd.

(…)

V: Wie waren er in het parkje?

A: Ik, mijn neefje [verdachte] en [medeverdachte 1]. (…) [medeverdachte 1] kwam met het idee voor de overval. We zijn naar [medeverdachte 1] zijn huis gegaan met zijn drieën, daar hebben we ons klaar gemaakt. Toen hebben we de overval gepleegd. (…) [verdachte] ging voor ons de cafetaria in en kocht een flesje water en ging gokken.

V: Jullie zijn naar [medeverdachte 1] gegaan om jullie klaar te maken. Hoe ging dat?

A: We deden een oude trainingsbroek, een oude jas en oude schoenen aan.

V: Wat haalden jullie bij [medeverdachte 1] nog meer op?

A: [medeverdachte 1] had nog een nep pistool. Die leek best wel echt. Alleen die hadden we nog mee genomen. Ja en nog een tas, een kleine sporttas.

(…)

V: Jullie zitten in het parkje en dan ga je naar [medeverdachte 1] huis.

A: Ja, kleding halen, bivakmutsen en handschoenen.

(…)

V: Toen jullie je klaarmaakten bij de woning van [medeverdachte 1] is toen ook afgesproken wie wat zou doen?

A: Ja, [medeverdachte 1] had het pistool. Ik had de tas en [verdachte] ging water halen en gokken. (…) [medeverdachte 1] had het pistool en [medeverdachte 1] richtte het pistool ook op de mevrouw die daar werkte. (…) Het enige dat ik heb gedaan is dat ik het geld in de tas heb gedaan bij de kassa. (…) De vrouw deed wat [medeverdachte 1] vertelde. De kassa opendoen. Toen deed ik het geld in de tas en zijn we weggerend.

V: Wat zei [medeverdachte 1] dan?

A: Dit is een overval, geef nu geld.

(…)

V:Wat hebben jullie met de buit gedaan?

A: Daar hebben we de volgende dag pas naar gekeken. We hebben de buit tussen ons drieën verdeeld, we hadden alle drie iets van 125 euro.

(…)

V: Hoe zag de kleding eruit die jij aantrok?

A: Een zwarte trainingsbroek, oude zwarte schoenen, zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts. (…) [medeverdachte 1] had ook een bivakmuts en handschoenen.

Bewijsoverweging

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een overval, dient beoordeeld te worden of bij verdachte sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechtbank rekening met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).

In het onderhavige geval was verdachte aanwezig bij het ontstaan van het plan om de cafetaria te overvallen. Hij nam deel aan de besprekingen, waarbij de taakverdeling werd gemaakt. Afgesproken was dat verdachte eerst alleen de cafetaria binnen zou gaan om te kijken hoe druk het was. Hij zou daar een flesje water voor de medeverdachten halen en wanneer hij deze naar buiten zou brengen, zou hij de medeverdachten laten weten hoeveel mensen er binnen waren. Daarna zou verdachte weer terug naar binnen gaan. Vervolgens zouden de medeverdachten met bivakmutsen op naar binnen komen. Eén van hen zou met een (namaak)pistool de medewerkster bedreigen en de ander zou het geld in een meegebrachte sporttas doen. Dit plan is ook op die manier uitgevoerd. Verdachte heeft zijn rol vervuld zoals van te voren was afgesproken. Hij heeft hiermee een wezenlijke bijdrage aan de overval geleverd. Voorts was hij tijdens de overval ter plaatse en heeft hij zich, voor de buitenwereld, niet gedistantieerd toen de medeverdachten de overval daadwerkelijk pleegden. Ook heeft hij meegedeeld in het geld, dat bij de overval was buitgemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Het ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van de raadsvrouw dat de geestelijke beperkingen van verdachte aan een bewezenverklaring in de weg zouden staan het volgende. Niet is gebleken dat verdachte door zijn geestelijke beperkingen volledig belemmerd was ter zake het bepalen van zijn wil met betrekking tot het al dan niet deelnemen aan het onderhavige incident. Derhalve verwerpt de rechtbank dit verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 22 mei 2014 te [pleegplaats], in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [cafetaria], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: "Dit is een overval, geld, geld, geld", zulks terwijl zijn mededaders bivakmutsen droegen en waarbij een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] is gericht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage d.d. 8 januari 2015 van het psychologisch onderzoek betreffende verdachte, opgemaakt door drs. M.A. Aalbers-Passier. Deze rapportage houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, te weten een gegeneraliseerde angststoornis in combinatie met lichte zwakzinnigheid, die de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde in aanzienlijke mate beïnvloedden. Acceptatie van zijn persoon is voor verdachte erg belangrijk geweest, ingegeven vanuit zijn angst voor afwijzing. Dit zou mogelijk de onderliggende reden zijn geweest op grond waarvan verdachte heeft ingestemd met het plegen van een overval. Hij wilde niet onder doen voor de rest en hij wilde door de groep jongens sociaal geaccepteerd worden. Zodra het moment daar was, nam de stress bij verdachte echter toe en wilde hij van het plan afzien. Hij is op grond van zijn licht verstandelijke beperking in combinatie met zijn gegeneraliseerde angststoornis echter niet in staat geweest om zich aan de situatie te onttrekken, dan wel om andere keuzes te maken. Verdachte was niet in staat om de situatie goed in te schatten en de consequenties van zijn handelen te overzien. Hij was op grond van de bij hem geconstateerde stoornis en beperkingen aanzienlijk in zijn keuzevrijheid beperkt. Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank verenigt zich met bovengenoemde conclusies, gelet op de onderbouwing hiervan, en neemt deze over. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur gelijk aan de voorlopige hechtenis, een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie "So Cool" van
50 uur, een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, waarvan 6 maanden ITB Criem. De officier van justitie heeft voorts de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft geen expliciet (subsidiair) strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een twee anderen schuldig gemaakt aan een overval op een cafetaria. Hierbij is verdachte als eerste de cafetaria binnengegaan om te kijken hoe druk het was. Vervolgens zijn zijn mededaders, nadat verdachte hen hierover had ingelicht en was teruggegaan, de cafetaria binnen gegaan. Zij hadden donkere kleding aan en droegen bivakmutsen. Onder bedreiging van een (namaak)pistool hebben zij de aldaar aanwezige medewerkster gedwongen tot afgifte van geld.

Verdachte en zijn mededaders hebben met het oogmerk van geldelijk gewin, door zo te handelen een zeer bedreigende en angstaanjagende situatie gecreëerd voor de in de cafetaria aanwezige medewerkster, die gedurende de overval onder schot werd gehouden. Uit de toelichting bij de vordering die zij als benadeelde partij heeft ingediend blijkt dat zij als gevolg van de overval nog altijd psychische klachten heeft. Zij voelt zich extreem onveilig en kwetsbaar, heeft last van huilbuien en haar vertrouwen in andere mensen is geschonden. Voor deze klachten is zij nog altijd onder behandeling. Voorts is de eigenaar van de cafetaria door de overval financieel getroffen. Ook voelt hij zich in zijn bedrijfsvoering aangetast in de veiligheid daarvan en heeft de organisatie van het werk aan moeten passen ter bescherming van zijn personeel en cliënten. Door overvallen als deze ontstaan ernstige gevoelens van onrust in de samenleving.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de straf mee dat de rol die verdachte bij de overval heeft gehad relatief gering is in vergelijking met die van zijn mededaders. Verdachte was niet degene die het initiatief tot de overval heeft genomen. Ook was hij niet degene die het wapen heeft geleverd. Hij heeft zich laten meeslepen en heeft de rol uitgevoerd die hij door zijn mededaders toebedeeld had gekregen. Zoals reeds overwogen kan het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend in verband met de bij hem geconstateerde gegeneraliseerde angststoornis en lichte zwakzinnigheid. Ook dat weegt de rechtbank mee bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage d.d. 8 januari 2015 van het psychologisch onderzoek betreffende verdachte, opgemaakt door drs. M.A. Aalbers-Passier, waarin geadviseerd wordt om verdachte de verlengde variant van de leerstraf "So Cool" van de Raad voor de Kinderbescherming op te leggen in combinatie met de jeugdreclasseringsmaatregel ITB Criem voor de maximale duur. Langdurig toezicht en controle zijn van belang om verdachte te ondersteunen in het zich afzijdig houden van maatschappelijk grensoverschrijdend gedrag door leeftijdgenoten. Daarnaast acht de rapporteur het van belang dat de ouders van verdachte betrokken gaan worden bij de begeleiding van verdachte. Zij dienen middels psycho-educatie meer kennis te krijgen over de mentale beperkingen van verdachte. Op deze wijze kunnen zij verdachte ondersteunen in zijn verdere ontwikkeling en hun verwachtingen leren bijstellen. Verder is het van belang dat verdachte behandeling ontvangt voor met name zijn angstklachten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het Uitgebreid Advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 29 januari 2015. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert om verdachte te veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie "So Cool" (verlengde variant), een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht door jeugdbescherming Noord (waarvan de eerste maanden ITB Criem), de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Voorts adviseert Raad voor de Kinderbescherming te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank zal bovengenoemde adviezen overnemen en overgaan tot het opleggen van na te noemen straf.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu de situatie als genoemd in artikel 77za lid 1 van het Wetboek van Strafrecht zich voordoet.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 723,31 aan materiële schade en
€ 825,00 aan immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiele schade voor een totaal van € 4.490,-, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] zal worden toegewezen, in die zin dat verdachte, gelet op zijn aandeel in de overval, 20% van het totale bedrag voor zijn rekening dient te nemen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte veroordeeld dient te worden tot betaling van 20% van € 812,35, te weten het volgens de aangifte gestolen geld, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige gedeelte van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat de overige posten onvoldoende zijn onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, afgewezen dienen te worden. Subsidiair heeft zij betoogd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot 20% van het gehele bedrag kan worden toegewezen en dat de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat verdachte, gelet op zijn aandeel in de overval, zal worden veroordeeld tot betaling van 20% van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde schade, te weten € 812,35 (het volgens de aangifte gestolen bedrag) en € 475,00 (het netto bedrag van het eigen risico) voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dat deel van de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat verdachte, gelet op zijn aandeel in de overval, zal worden veroordeeld tot betaling van 20% van dat deel van de vordering. De rechtbank zal verdachte niet veroordelen tot betaling van de wettelijke rente, nu dit niet door de benadeelde partij gevorderd is.

Met betrekking tot het overige deel van de gestelde schade is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de geleden schade onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog aan te laten tonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom voor het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

 Een jeugddetentie voor de duur van 25 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

 Een taakstraf in de vorm van een leerstraf, bestaande uit het volgen van de gedragsinterventie "So Cool" voor de duur van 50 uren. Dit leerproject moet plaatsvinden binnen een jaar.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

 Een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt, dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat veroordeelde zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de Jeugdbescherming Noord op het adres Waterloolaan 1 te Groningen en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht.

  • -

    dat veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem door of namens die instelling zullen worden gegeven, waaronder deelname aan de jeugdreclasseringsmaatregel ITB Criem gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd.

Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

 Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

 Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 309,66 (zegge: driehonderdnegen euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

 Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 309,66 (zegge: driehonderdnegen euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

 Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 257,47 (zegge: tweehonderdzevenenvijftig euro en zevenenveertig eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

 Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 257,47 (zegge: tweehonderdzevenenvijftig euro en zevenenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Oostveen en mr. K.R. Bosker, kinderrechters, bijgestaan door mr. K.R. Starreveld, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2015.

Mr. M.J. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.