Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:929

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
18.830329-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor reeks gekwalificeerde inbraken te Groningen, door middel van inklimming en deels tezamen en in vereniging met anderen gepleegd. Gevangenisstraf van 12 maanden onvoorwaardelijk. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830329-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Kromdijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 juli 2014 te [pleegplaats]

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een of meer kamers

in) een (studenten)woning aan [adres 1] heeft weggenomen

- een playstation en/of een of meer spelletjes, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

(aangifte 2014079647), en/of

- een xbox, een (Philips)tv, en/of een of meer mobiele telefoons, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

(aangifte 2014085235),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 22 juli 2014 te [pleegplaats]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning aan [adres 2]

heeft weggenomen een (flatscreen)tv (merk Samsung) en/of een

laptop (merk/type Packard Bell Easy Note LV), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 25 juli 2014 in de gemeente

Groningen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een (flatscreen)tv (merk Samsung) en/of een laptop (merk/type Packard Bell

Easy Note LV) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die/dat goed(eren) wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 23 juli 2014 te [pleegplaats]

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een of meer kamers

in) een (studenten)woning aan [adres 3] heeft weggenomen

- een laptop (merk Asus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- een laptop (merk HP), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te [pleegplaats]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan

[adres 4], alwaar verdachte(n) zich buiten weten of tegen de wil van de

rechthebbende bevond(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een Imac computer, een laptop (merk HP), een telefoon (merk

Nokia), computerapparatuur, en/of een cowboybag (met inhoud), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

5.

hij op of omstreeks 13 september 2014 te [pleegplaats]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in (een of meer kamers in) een

(studenten)woning aan [adres 5], alwaar verdachte(n) zich buiten weten

of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevond(en), met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een laptop (merk/type Apple Macbook Pro), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- een laptop (merk/type Apple Macbook Air), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- een toestenbord (merk Microsof), althans enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 9], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) ,

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Daartoe heeft zij erop gewezen dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, nu de verdachte de feiten (mede gelet op zijn verklaring, ter zitting afgelegd) heeft bekend en er steeds een aangifte in het dossier aanwezig is. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen, met uitzondering van (de diefstal van) de telefoon, nu verdachte ontkent de telefoon te hebben gestolen en er ter zake van deze diefstal geen wettig bewijs is. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat ook dat feit, ondanks de ontkenning van verdachte, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie gewezen op de in het dossier aanwezige aangifte, de verklaring van [medeverdachte] en de verklaring van [getuige]. Hierbij merkt de officier van justitie op, dat het feit dat het bij de gepoogde verpanding specifiek om Duitse macbooks bleek te gaan, bijdraagt aan de overtuiging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verklaard dat voor alle 5 ten laste gelegde feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Zij heeft er daarbij onder andere op gewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit bij de politie heeft bekend, terwijl hij ter zitting het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft bekend. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit is de raadsvrouw met de officier van justitie van mening dat het tenlastegelegde feit, met uitzondering van de diefstal van de telefoon, kan worden bewezen. De raadsvrouw acht ook voor het onder 5 ten laste gelegde feit, dat door verdachte wordt ontkend, voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1 ([adres 1])

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 24 juli 2014, met bijlage goederen, opgenomen in proces-verbaal met nr. PL0100-2014-07965723, d.d. 24 november 2014, van Politie Eenheid Noord-Nederland, district Groningen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] (p. 180-183)

Ik woon aan de [adres 1] te [pleegplaats]. Dit betreft een studentenwoning waar we met vijf personen in wonen. De goederen die zijn weggenomen had ik uitgeleend aan een medebewoner, [slachtoffer 2] en deze goederen stonden in zijn kamer. Op vrijdag 18 juli 2014, omstreeks 09:00 uur heb ik mijn woning in goede staat verlaten. Op dinsdag 22 juli 2014, omstreeks 15:00 uur kwam ik thuis aan de [adres 1] en ben ik de schade gaan opnemen. Ik zag dat mijn uitgeleende Playstation en één controller met spelletjes waren weggenomen.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 5 augustus 2014, met bijlage goederen, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] (p. 184-186)

Ik woon aan de [adres 1] te [pleegplaats]. Dat is een huis met meerdere studentenkamers. Op 21 juli 2014 ben ik op vakantie gegaan naar Spanje. Op 22 juli kreeg ik een whatsapp bericht van een medebewoner die vertelde dat er was ingebroken in mijn kamer. Op donderdag 1 augustus kwam ik terug van vakantie en zag ik dat het volgende was weggenomen: een XBox 360, een Philips TV type: 40Pf14508h, sleutels van het appartement van mijn zus, een mobiele telefoon type Sony Experia T en een mobiele telefoon type HTC One Qwerty.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 28 oktober 2014, opgenomen in voornoemd dossier inhoudende de verklaring van verdachte (p. 36 e.v.)

Het was op de [adres 1] tussen de [straat 1] en de [straat 2] te [pleegplaats]. Daar heb ik ingebroken samen met [medeverdachte]. Het raam was open. Ik ging via het raam naar binnen. We hebben gepakt wat we konden pakken. Daar waren die twee telefoons. Ik heb de televisie meegenomen. Ik heb toen ook de Xbox gepakt.

Een proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 29 oktober 2014, opgenomen in voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [medeverdachte] (p. 83-84)

U vraagt mij naar de inbraak aan de [adres 1] te [pleegplaats]. Wij liepen met zijn drieën op de [adres 1], [persoon 1], [verdachte] en ik. We zagen een klein raampje openstaan met rolluikjes ervoor. [verdachte] klom naar binnen en [persoon 1] en ik stonden op de uitkijk. [verdachte] gaf via het raam een witte Xbox aan mij en een Playstation 3. Toen ging de voordeur open en kwam [verdachte] met de televisie. Ik heb de controllers en de kabels voor de gameconsoles uit de woning gepakt, die was [verdachte] vergeten. Toen kwam ik ook de spelletjes tegen en een telefoon.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. In de nacht van 21 op 22 juli 2014 is verdachte de studentenwoning aan de [adres 1] te [pleegplaats] via een openstaand raam binnengeklommen. Verdachte heeft vervolgens, samen met [medeverdachte] en [persoon 1], een Playstation met controller en spelletjes van [slachtoffer 1] en een XBox 360, een Philips TV en twee mobiele telefoons van [slachtoffer 2] uit de woning weggenomen. Deze weggenomen goederen heeft verdachte vervolgens met zijn medeverdachte verpand. Aldus handelend heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 ([adres 2])

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit onder 2 (primair) de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal aangifte d.d. 28 juli 2014, met bijlage goederen, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] (p. 188-190).

Feit 3 ([adres 3])

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit onder 3 de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal aangifte d.d. 23 juli 2014, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verklarende persoon], namens de benadeelden [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] (p. 191-193).

Feit 4 ([adres 4])

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit onder 4 de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal aangifte d.d. 12 augustus 2014, met bijlage goederen, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] (p. 200-203).

Feit 5 ([adres 5])

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 18 september 2014, met bijlage goederen, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 9], mede namens benadeelden [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] (p. 217-220)

Wij wonen allen aan de [adres 5] te [pleegplaats]. Ik heb, evenals de benadeelden, de Duitse nationaliteit. Op vrijdag 12 september 2014 zijn mijn huisgenoten [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] een weekendje weggegaan. Die avond ben ik omstreeks 24 uur naar bed gegaan. Toen ik de volgende morgen omstreeks 10 uur in de badkamer kwam zag ik dat het raam helemaal open was. Op zondag 14 september 2014 kwamen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] weer thuis. Toen zij thuis kwamen bleken van beide de laptop weg te zijn: van [slachtoffer 7] een Apple Macbook Pro en van [slachtoffer 8] een Apple Macbook Air. [slachtoffer 8] vertelde dat zij het raam wel dicht had gedaan maar dat ze het raam niet op slot had gedaan. De ijzeren beugels van het badkamerraam waren verbogen. Hierdoor kon het raam helemaal open. Alle spullen lagen in de woonkamer. Ik lag gewoon te slapen.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 20 november 2014, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] (p. 221-224)

[verdachte] ging midden in de nacht alleen weg. [verdachte] kwam later terug met een laptop volgens mij. Het kan goed zijn dat dit in de nacht van 12 op 13 september gebeurd is.

Een proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 6 november 2014, opgenomen in voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [medeverdachte] (p. 104)

U vraagt mij naar de inbraak in de [adres 5] te [pleegplaats], gepleegd tussen vrijdag 12 september 2014 23.59 uur en zaterdag 13 september 2014 10.00 uur. [verdachte], [persoon 1] en [getuige] waren bij mij thuis. [verdachte] is op een gegeven moment alleen weggaan. [verdachte] kwam later met twee van die Macbooks terug. [verdachte] is met die Macbooks naar Used Products gedaan en daar hoorde hij dat het Duitse Macbooks waren en dat ze die daar niet inkochten.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. In de nacht van 12 op 13 september 2014 is verdachte naar de [adres 5] te [pleegplaats] gegaan. Verdachte heeft daar de ijzeren beugels van het badkamerraam uit elkaar geduwd, waarna hij de woning via het opengeslagen badkamerraam is binnengeklommen. Verdachte heeft vervolgens een Macbook van [slachtoffer 7] en een Macbook van [slachtoffer 8] uit de woning weggenomen. Aldus handelend heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde feit. Dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 22 juli 2014 te [pleegplaats]

telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit kamers in een studentenwoning aan [adres 1] heeft weggenomen

- een playstation en spelletjes, toebehorende aan [slachtoffer 1], en

- een xbox, een Philips tv, en mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 2],

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van inklimming;

2. ( primair)

hij op 22 juli 2014 te [pleegplaats],

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woning aan [adres 2]

heeft weggenomen een flatscreentv merk Samsung en een

laptop merk/type Packard Bell Easy Note LV, toebehorende aan [slachtoffer 3],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming;

3.

hij in de periode van 22 tot en met 23 juli 2014 te Groningen

telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit kamers in een studentenwoning aan [adres 3] heeft weggenomen

- een laptop (merk Asus), toebehorende aan [slachtoffer 4], en

- een laptop (merk HP), toebehorende aan [slachtoffer 5],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming;

4.

hij op 24 juli 2014 te [pleegplaats]

tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres 4], alwaar verdachten zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een Imac computer, een laptop, computerapparatuur, en een cowboybag (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van inklimming;

5.

hij op 13 september 2014 te [pleegplaats],

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning aan [adres 5], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbenden bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een laptop (merk/type Apple Macbook Pro), toebehorende aan [slachtoffer 7], en

- een laptop (merk/type Apple Macbook Air), toebehorende aan [slachtoffer 8],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

  2. primair: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

4. diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

5. diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte kan zich, gelet op het feit dat verdachte geen medewerking wil verlenen aan hulpverlening, op zichzelf vinden in het opleggen van een gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft wel gepleit voor een matiging van de duur van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, aangezien verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van Tactus verslavingszorg, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en die door verdachte zijn erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zowel alleen als tezamen en in vereniging met een ander/anderen verschillende inbraken heeft gepleegd, waarvan enkele gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd. Een inbraak heeft in het algemeen grote impact op slachtoffers. De onderhavige inbraken zijn bovendien kort na elkaar gepleegd in woningen die niet ver van elkaar zijn gelegen. Bij de slachtoffers, maar naar alle waarschijnlijkheid ook bij de buurtbewoners, is daardoor een gevoel van onveiligheid ontstaan. Als reactie op dergelijke feiten is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS in aanmerking genomen. Als uitgangspunt voor een woninginbraak wordt daar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gehanteerd. In het onderhavige geval is sprake geweest van meerdere, kort na elkaar gepleegde woninginbraken die zijn gepleegd door inklimming. Voor de 5 bewezen verklaarde inbraken zou derhalve in beginsel – zonder rekening te houden met de meerdaadse samenloop – een gevangenisstraf van 15 maanden als uitgangspunt kunnen dienen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies van 21 januari 2015, waarin wordt geadviseerd om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Uit dit advies komt een zorgelijk beeld omtrent de geestelijke gezondheid van verdachte naar voren. De reclassering is daarom van mening dat een klinisch behandeltraject is geïndiceerd, maar verdachte staat niet open voor behandeling. Bij het uitblijven van behandeling schat de reclassering het recidiverisico in als hoog. Ten slotte heeft de reclassering aangegeven dat er vanuit het Penitentiair Psychiatrisch Centrum een beoordeling is aangevraagd ten behoeve van een maatregel op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van de verdachte. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat vrijwel alle inbraken en diefstallen binnen een relatief korte tijdsspanne zijn gepleegd. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens enig strafbaar feit. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank, voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, neerwaarts zal afwijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt.

Op grond van al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partijen (m.b.t. het onder 3, 4 en 5 bewezen verklaarde en het ad informandum gevoegde feit zoals dat op de dagvaarding onder 4 is vermeld)

[slachtoffer 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 829,- aan materiële schade.

[slachtoffer 5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 538,99 aan materiële schade en een niet nader genoemd bedrag aan immateriële schade.

Namens [slachtoffer 6] is voor de aanvang van de terechtzitting het voorgeschreven voegingsformulier benadeelde partij ingediend, bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 866,36 aan materiële schade.

[slachtoffer 7] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 868,- aan materiële schade.

[slachtoffer 8] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 1.799,- aan materiële schade.

[slachtoffer 10] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het door de verdachte erkende, ad informandum gevoegde feit zoals dat onder 4 op de dagvaarding is vermeld, alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 100,- aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 4] (hoofdelijk) zal worden toegewezen tot een bedrag van € 690,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 5] (hoofdelijk) zal worden toegewezen tot een bedrag van € 339,99, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze niet-ontvankelijk wordt verklaard. Met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat slechts een bedrag is genoemd zonder een nadere onderbouwing te geven. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 10] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 50,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 4] aangesloten bij de opvatting van de officier van justitie. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 5] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het horloge niet in de tenlastelegging staat vermeld en de waarde van de computer niet is onderbouwd. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6] heeft de raadsvrouw bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu een machtiging evenals een onderbouwing ontbreekt. Met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] is de raadsvrouw van mening dat deze vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, nu deze niet zijn onderbouwd. Ten slotte heeft de raadsvrouw wat betreft de vordering van [slachtoffer 10] opgemerkt dat toewijzing tot het door de officier van justitie genoemde bedrag van € 50,- haar redelijk voorkomt.

Beoordeling

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4]:

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade naar haar aard voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De gestelde omvang van de schade is echter onvoldoende aannemelijk geworden, nu kennelijk geen rekening is gehouden met de gebruikelijke afschrijvingen.

De rechtbank acht de vordering daarom tot een bedrag van € 690,- gegrond en voor toewijzing vatbaar. Tot dat bedrag is de vordering niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw weersproken. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank zal tevens de hoofdelijkheid bepalen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5]:

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade naar haar aard voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De gestelde omvang van de schade is echter onvoldoende aannemelijk geworden, nu voor wat betreft de laptop kennelijk geen rekening is gehouden met de gebruikelijke afschrijvingen. Voor wat betreft de gestelde schade in verband met de diefstal van een horloge acht de rechtbank het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan (in zoverre) niet bewezen, reeds omdat het horloge niet in de tenlastelegging voorkomt.

De rechtbank acht de vordering daarom tot een bedrag van € 300,- gegrond en voor toewijzing vatbaar. Tot dat bedrag is de vordering onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw weersproken. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal tevens de hoofdelijkheid bepalen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6]:

Naar het oordeel van de rechtbank is omtrent de hoedanigheid van de benadeelde partij en in het bijzonder omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de indiener van de vordering onvoldoende komen vast te staan. Er is geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat de indiener bevoegd was om namens de benadeelde partij een vordering in te dienen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 7]:

De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen, nu geen aankoopbewijs of factuur van de gestolen Macbook is overgelegd, maar alleen een factuur ter zake van de aanschaf van een na de diefstal aangeschafte Macbook, gedateerd 6 november 2014. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 8]:

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade naar haar aard voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw, acht de rechtbank wel een onderbouwing van de gestelde schade aanwezig. De benadeelde partij heeft immers als bijlage bij haar voegingsformulier een factuur overgelegd tot een bedrag van € 1.799,- , gedateerd 10 januari 2014.

De rechtbank is van oordeel dat bij de vaststelling van het schadebedrag rekening dient te worden gehouden met de gebruikelijke afschrijvingen en acht de vordering daarom tot een bedrag van € 1.500,- gegrond en voor toewijzing vatbaar. Tot dat bedrag is de vordering niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw weersproken. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 10]:

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade naar haar aard voldoende aannemelijk is geworden. Deze schade staat in zodanig verband met het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

Anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw, acht de rechtbank ook de gestelde omvang van de schade voldoende aannemelijk geworden. Weliswaar is geen aankoopbewijs of factuur van de gestolen telefoon overgelegd, maar de benadeelde partij heeft wel een betalingsbewijs ter zake van de aanschaf van de na de diefstal aangeschafte vervangende (tweedehands) telefoon overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze onderbouwing volstaat.

De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57, en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 690,- (zegge: zes honderd en negentig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van veroordeelde geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], te betalen een bedrag van € 690,- (zegge: zes honderd en negentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van veroordeelde geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 690,- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 300,- (zegge: drie honderd euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van veroordeelde geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], te betalen een bedrag van € 300,- (zegge: drie honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van veroordeelde geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 300,- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en veroordeelde de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en veroordeelde de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,- (zegge: een duizend vijf honderd euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: een duizend vijf honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro). Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10], te betalen een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 100,- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, M.J. Oostveen en A. Heidekamp, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2015.