Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:868

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
18.730121-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder meer schuldig gemaakt aan belaging van diverse personen. De slachtoffers waren een eigenaresse van een webwinkel, twee exen van verdachte, een ex-schoonzus van verdachte en personen werkzaam bij advocatenkantoren, een notariskantoor, Bureau Jeugdzorg, de GGZ en een huisartsenpost.

Ten aanzien van de belaging van medewerkers van rechtspersonen heeft de rechtbank het volgende overwogen. Alhoewel verdachte steeds de betreffende personen in hun functie aansprak, stelt de rechtbank ook vast dat het steeds om persoonlijke dienstverleners gaat. Zij hadden direct of indirect contact met verdachte gehad in het kader van een dienstverlening. Verdachte ging daarbij ver buiten de grenzen van het gebruikelijke of vereiste contact met deze personen. Uit de aangiftes blijkt dat alle betreffende personen op een indringende wijze werden gehinderd in hun dagelijkse werkzaamheden door voorgaande genoemde handelingen. De intensiteit van de gedragingen maakte ook dat zij zich voelden aangetast in de vrijheid om in veiligheid hun werkzaamheden uit te voeren. Op grond hiervan en de bewijsmiddelen, kan naar het oordeel van de rechtbank gezegd worden dat de gedragingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als het maken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de hiervoor genoemde personen. Zij moeten immers ook onbevangen zichzelf kunnen zijn in het openbare leven.

Aan verdachte wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen opgelegd en de maatregel van TBS met voorwaarden. De rechtbank is - met de onderzoekers van het PBC en de officier van justitie - van oordeel dat het opleggen van dezelfde voorwaarden in het kader van bijzondere voorwaarden die worden gekoppeld aan een voorwaardelijke straf, onvoldoende waarborgen biedt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285, 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730121-14

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730012-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren [geboorteplaats],

thans verblijvende te [verblijfplaats].

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/730121-14, na nadere omschrijving van de tenlastelegging:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 24 maart 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Opsterland en/of te [pleegplaats 2], (althans) in de gemeente Súdwest Fryslân en/of te [pleegplaats 3], (althans) in de gemeente Leeuwarden en/of te [pleegplaats 4], (althans) in de gemeente Smallingerland en/of te [pleegplaats 5], (althans) in de gemeente Smallingerland en/of te [pleegplaats 6], (althans) in de gemeente Aalburg, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van (onder meer)

  • -

    (een) medewerker(s) van [advocatenkantoor 1], waaronder [slachtoffer 1] en/of

  • -

    (een) medewerker(s) van de [instelling] en/of een persoon bij de politie bekend onder nummer 991867 en/of

  • -

    (een) medewerker(s) van [advocatenkantoor 2], waaronder [slachtoffer 2] en/of

  • -

    (een) medewerker(s) van [notariskantoor], waaronder [slachtoffer 3] en/of

  • -

    (een) medewerker(s) van [instantie 1], waaronder [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of

  • -

    [slachtoffer 7] en/of

  • -

    [slachtoffer 8] en/of (een) of meer medewerker(s) van [huisartsenpraktijk] en/of

  • -

    [slachtoffer 9] en/of

  • -

    [slachtoffer 10] en/of

  • -

    [slachtoffer 11]

in elk geval van een ander of anderen, met het oogmerk die medewerker(s) van [advocatenkantoor 1] en/of die [slachtoffer 1] en/of die medewerker(s) van de [instelling] en/of een persoon met nummer 991867 en/of die medewerker(s) van [advocatenkantoor 2] en/of die [slachtoffer 2] en/of die medewerker(s) van [notariskantoor] en/of die [slachtoffer 3] en/of die medewerker(s) van [instantie 1] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] en/of die medewerker(s) van [huisartsenpraktijk] en/of die [slachtoffer 9] en/of die [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 11], in elk geval die ander of anderen te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk en met voormeld oogmerk (respectievelijk) (telkens)

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 7 maart 2014 tot en met 21 maart 2014, (telkens) (een) medewerker(s) van [advocatenkantoor 1] en/of [slachtoffer 1], meermalen, gebeld en/of (een) e-mailbericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 8 januari 2014 tot en met 21 maart 2014, (telkens) (een) medewerker(s) van de [instelling] en/of een persoon bij de politie bekend onder nummer 991867, meermalen, gebeld en/of (een) SMS-bericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2014 tot en met 23 maart 2014, (telkens) [slachtoffer 2] en/of (een) of meer (ander(e)) medewerker(s) van [advocatenkantoor 2], meermalen, gebeld en/of (een) SMS-bericht(en) gestuurd en/of

  • -

    op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2014 tot en met 21 maart 2014, (telkens) [slachtoffer 3] en/of (een) of meer (ander(e)) medewerker(s) van [notariskantoor], meermalen, gebeld en/of (een) e-mail-bericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2014 tot en met 21 maart 2014, (telkens) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of (een) of meer (ander(e)) medewerker(s) van [instantie 1], meermalen, gebeld en/of (een) e-mail-bericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 maart 2014 tot en met 23 maart 2014, (telkens) [slachtoffer 7], meermalen, gebeld en/of een Facebook-bericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 24 maart 2014, (telkens) [slachtoffer 8] en/of (een) of meer (ander(e)) medewerker(s) van [huisartsenpraktijk], meermalen, (een) e-mail-bericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 20 januari 2014 tot en met 24 februari 2014, (telkens) [slachtoffer 9], meermalen, (een) brie(f)(ven) gestuurd en/of (een) Facebookbericht(en) geplaatst en/of (een) e-mailbericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 februari 2014, (telkens) [slachtoffer 10], meermalen, (een) pakketje(s) (op diens huisadres) laten bezorgen en/of (een) brie(f)(ven) en/of (een) e-mailbericht(en) gestuurd en/of gebeld en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2014 tot en met 23 maart 2014, (telkens) [slachtoffer 6], meermalen, gebeld en/of (een) voicemailbericht(en) ingesproken op de telefoon van die [slachtoffer 6] en/of (een) Facebookbericht(en) geplaatst en/of (een) e-mailbericht(en) gestuurd en/of

  • -

    (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 28 februari 2014, (telkens) [slachtoffer 11], meermalen, gebeld en/of (een) brie(f)(ven) en/of (een) e-mailbericht(en) en/of (een) SMS-bericht(en) gestuurd en/of (meermalen) die [slachtoffer 11] op haar woon- of verblijfadres bezocht,

aldus (telkens) op enigerlei wijze zijn aanwezigheid en/of gedachtengangen ongewenst en/of hinderlijk en/of bedreigend aan die [slachtoffer 1] en/of die (ander(e)) medewerker(s) van [advocatenkantoor 1] en/of een persoon met nummer 991867 en/of die (ander(e)) medewerker(s) van de [instelling] en/of die [slachtoffer 2] en/of die (ander(e)) medewerker(s) van [advocatenkantoor 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die (ander(e)) medewerker(s) van [notariskantoor] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] en/of die (ander(e)) medewerker(s) van [instantie 1] en/of die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] en/of die (ander(e)) medewerker(s) van [huisartsenpraktijk] en/of die [slachtoffer 9] en/of die [slachtoffer 10] en/of die [slachtoffer 11] opgedrongen;

2.

hij op of omstreeks 17 maart 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Opsterland en/of te [pleegplaats 3], (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 2] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik kom morgen bij je langs op je kantoor, dan trek ik je achter het bureau weg en dan maak ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 20 maart 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Opsterland en/of te [pleegplaats 5], (althans) in de gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 5] en/of (een) medewerker(s) van [instantie 1] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak jullie allemaal dood, de kerk staat achter mij, ik word niet gepakt en ze komen er allemaal wel achter wat [instantie 1] doet” en/of “je kan nu twee dingen doen of je verbreekt de verbinding of ik kom nu naar [instantie 1] toe en ik schiet je door je kop”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2014 tot en met 24 maart 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Opsterland en/of te [pleegplaats 6], (althans) in de gemeente Aalburg, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 7] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 7] dreigend de woorden toegevoegd “ik ga je gijzelen en er komt een einde aan. Ik vat een mes. Ik snij je nek door of ik zie wel wat ik met je doe”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 24 maart 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Opsterland, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 8] (schriftelijk) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 8] (via een of meer e-mailbericht(en)) dreigend de woorden toegevoegd “Donderstraal op ik hang je aan de hoogste boom, dat jij je langste tijd als arts gehad heb, het liefste pak ik jou maar de locatie is niet helemaal ideaal”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

en in de zaak met parketnummer 18/730012-15:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2014 tot en met 25 maart 2014 te [pleegplaats 5], (althans) in de gemeente Smallingerland, meermalen, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten: [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] ((respectievelijk) een hoofdagent van politie en/of een of meer

arrestantenverzorger(s) van politie), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, in diens/dier tegenwoordigheid door (een) feitelijkhe(i)d(en) (in het arrestantencomplex van politie, aldaar), (telkens) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen/op het lichaam heeft gespuugd en/of met urine in het gezicht heeft gegooid;

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2014 te [pleegplaats 5], (althans) in de gemeente Smallingerland, opzettelijk beledigend [slachtoffer 12] (psychiater), in diens/dier tegenwoordigheid door (een) feitelijkhe(i)d(en) (in het arrestantencomplex van politie, aldaar) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gespuugd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/730121-14 onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730012-15 onder 1. en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen;

- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals deze door de reclassering in haar rapport van 28 januari 2015 zijn geadviseerd;

- dadelijke uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van

€ 4.561,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 4] tot een bedrag van € 300,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/730121-14

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. ten laste gelegde, de belaging van verschillende personen, gevorderd.

Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit de wettige bewijsmiddelen blijkt dat er gelet op de aard en frequentie van de gedragingen van verdachte een stelselmatige inbreuk is geweest op de persoonlijke vrijheid van de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers.

De bedreigingen, zoals deze onder 2., 3., 4. en 5. zijn ten laste gelegd, kunnen tevens op grond van de aangiftes en de verklaring van verdachte ter terechtzitting worden bewezen.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de raadsman onder meer vrijspraak bepleit van de belaging van personen die werkzaam zijn bij [advocatenkantoor 1], de [instelling], [advocatenkantoor 2], [notariskantoor], [instantie 1] en [huisartsenpraktijk].

De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Voor een bewezenverklaring van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat een verdachte inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander.

De tenlastelegging ziet ten aanzien van deze personen op functionarissen die vanuit een zakelijke achtergrond contact hadden met verdachte. Het contact heeft zich daarbij steeds gericht op het kantoor en niet op bepaalde personen in hun persoonlijke levenssfeer. Aldus acht de raadsman niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van de hiervoor in de tenlastelegging genoemde personen. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 14 maart 2006 (ECLI:NL:RBLEE:2006:AV5251).

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van belaging van [slachtoffer 6], nu het ontvangen van negen voicemailberichten in de periode van 1 maart 2014 tot 31 maart 2014 onvoldoende is om te kunnen spreken van een stelselmatige inbreuk op iemand anders persoonlijke levenssfeer.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde gerefereerd aan het standpunt van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu uit de aangifte niet blijkt dat aangever de daadwerkelijke vrees heeft gehad dat hij zwaar letsel zou oplopen of het leven zou laten.

Oordeel rechtbank

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Aan verdachte is onder 1. ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van verschillende personen al dan niet werkzaam bij een rechtspersoon.

Van belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is sprake als iemand wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.

De wetsgeschiedenis van deze bepaling houdt met betrekking tot de 'persoonlijke levenssfeer' onder meer het volgende in.

Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997-1998, 25 768, nr. 5, p.2): "Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. (…) De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega's, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. Het slachtoffer kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc."

Uit de memorie van antwoord aan de eerste kamer (kamerstukken I 1999-2000, 25 278, nr. 67a, p.6): "Uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens en ook van de Hoge Raad op het gebied van de persoonlijke levenssfeer geven relevante afbakeningen. In die uitspraken komt naar voren dat men niet te pas en te onpas de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan inroepen, maar dat men een redelijke verwachting van die bescherming moet hebben. Daaruit volgt dat die verwachting in de omgeving van het eigen huis sterker is dan op de openbare weg. Toch dient men onbevangen zichzelf te kunnen zijn in het openbare leven. Dus al te indringende inbreuken op de persoonlijke levenssfeer zijn ook daar niet toegestaan."

De Hoge Raad heeft aangegeven dat bij de beoordeling relevant zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers (ECLI:NL:HR:2005:AU3495).

De rechtbank overweegt het volgende met betrekking tot -kort gezegd- de ten laste gelegde belaging van personen die werkzaam zijn bij [advocatenkantoor 1], de [instelling], [advocatenkantoor 2], [notariskantoor], [instantie 1] en [huisartsenpraktijk].

Uit de aangiftes en de verklaring van verdachte, zoals hierna is opgenomen, blijkt dat verdachte meermalen heeft gebeld, e-mailberichten en sms-berichten heeft gestuurd en/of Facebookberichten heeft geplaatst over en/of naar medewerkers van deze rechtspersonen.

Alhoewel verdachte steeds de betreffende personen in hun functie aansprak, stelt de rechtbank ook vast dat het steeds om persoonlijke dienstverleners gaat. Zij hadden direct of indirect contact met verdachte gehad in het kader van een dienstverlening. Verdachte ging daarbij ver buiten de grenzen van het gebruikelijke of vereiste contact met deze personen. Uit de aangiftes blijkt dat alle betreffende personen op een indringende wijze werden gehinderd in hun dagelijkse werkzaamheden door voorgaande genoemde handelingen. De intensiteit van de gedragingen maakte ook dat zij zich voelden aangetast in de vrijheid om in veiligheid hun werkzaamheden uit te voeren.

Op grond hiervan en de bewijsmiddelen zoals hieronder zijn weergegeven, kan naar het oordeel van de rechtbank gezegd worden dat de gedragingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de hiervoor genoemde personen. Zij moeten immers ook onbevangen zichzelf kunnen zijn in het openbare leven.

Ten aanzien van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 6] overweegt de rechtbank het volgende. Uit de aangifte van [slachtoffer 6] blijkt dat zij eerder aangifte van belaging heeft gedaan. Nadat verdachte is vrijgekomen heeft hij via het mobiele nummer meermalen telefonisch contact proberen te zoeken met aangeefster. Verdachte heeft daarbij negen voicemailberichten ingesproken.

Bij het begrip stelselmatigheid is geen minimale grens van gedragingen in een periode aan te geven: het gaat zoals hiervoor overwogen tevens om de aard, de duur en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de negen voicemailberichten ten minste tien minuten lang duurden en dat deze buiten kantoortijden in het weekend en 's nachts werden ingesproken. De berichten worden als volgt omschreven: verward, verschillend in toon, snelheid en emoties zoals boos, depressief, intimiderend, scheldend en manisch.

Gelet op de aard en de intensiteit van deze voicemailberichten en de omstandigheden waaronder deze zijn ingesproken acht de rechtbank deze gedragingen van verdachte te kwalificeren als belaging, in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, en zal verdachte hiervoor veroordelen.

De rechtbank acht de belaging van de overige ten laste gelegde personen eveneens wettig en overtuigend bewezen op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 februari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb in de periode van 24 december 2013 tot en met 24 maart 2014 datgeen gedaan wat de aangevers in het dossier hebben beschreven: dit betekent dat ik achter deze mensen heb aangejaagd door ze meermalen te bellen, e-mailberichten te sturen, sms-berichten te sturen, brieven en pakketjes te sturen en voicemailberichten in te spreken. Tevens heb ik [slachtoffer 11] op haar verblijfplaats bezocht.

2. De inhoud van een zaaksdossier, HKS-nummer PL02JS.2JS.2014.553, gesloten op 15 april 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

ten aanzien van gedachtestreep 1:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-1, d.d. 13 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben eigenaar van het [advocatenkantoor 1], gevestigd te [pleegplaats 2]. Vanaf 7 maart 2014 wordt mijn bedrijf gestalkt door [verdachte]. [verdachte] pleegt meerdere telefoontjes naar ons bedrijf. [verdachte] is de ex-partner van een cliënte van ons. [verdachte] heeft tegen onze cliënte een gerechtelijke procedure gestart. In de eerste telefoontjes hebben wij aangegeven aan meneer [verdachte] dat wij geen contact met meneer mogen hebben. Dit in verband met het feit dat meneer een eigen advocaat heeft; dit is een tuchtrechtelijke verplichting. Dit accepteerde [verdachte] niet. Hierop werden de telefoontjes steeds meer. Dit werd van 5 telefoontjes per dag tot op heden minstens 100. De 100 telefoontjes hebben vandaag op 13 maart 2014 van af 09:00 uur tot 12:00 uur plaatsgevonden. Hierop hebben wij als bedrijf de maatregel genomen om de telefoon automatisch op antwoordapparaat te zetten. Als u het antwoordapparaat afluistert krijgt u te horen dat wij wegens stalking niet bereikbaar zijn.

7 maart 2014, vanaf 09:00 uur tot 17:00 uur zijn wij ongeveer 5 keer gebeld door [verdachte]. In deze gespreken schreeuwt meneer. Tevens spreekt [verdachte] wartaal.

10 maart 2014, vanaf 09:00 uur tot 17:00 uur zijn wij ongeveer 10 keer gebeld door [verdachte]. Na opnemen word er door ons niet gereageerd op wat meneer zegt.

11 maart 2014, vanaf 09:00 uur tot 17:00 uur zijn wij ongeveer 10 keer gebeld door [verdachte]. Na opnemen word er door ons niet gereageerd op wat meneer zegt.

12 maart 2014, vanaf 09:00 uur tot 17:00 uur zijn wij ongeveer 15 keer gebeld door [verdachte]. Na opnemen word er door ons niet gereageerd op wat meneer zegt.

13 maart 2014, vanaf 09:00 uur tot 12:00 uur zijn wij ongeveer 100 keer gebeld door [verdachte]. Schreeuwt en scheldt [verdachte]. [verdachte] scheldt met woorden als: klootzak en woorden van gelijke strekking. Hier hebben wij niet op gereageerd.

Naast de telefoontjes hebben wij ook nog meerdere e-mailtjes ontvangen van [verdachte]. Dit word geschat op tenminste 50 e-mailtjes. De e-mailtjes bevatten wartaal. Tevens scheldt [verdachte] ons uit in de meest grove bewoordingen aan de telefoon.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-3, d.d. 19 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

[advocatenkantoor 1] wordt nog dagelijks gestalkt door: [verdachte], woonachtig te [pleegplaats 1]. Vanaf 13 maart 2014, belt [verdachte] iedere middag naar ons bedrijf. Hij legt onze gehele bedrijfsvoering plat, hij belt met meerdere telefoons. Met als gevolg dat ons bedrijf niet meer, of minder bereikbaar is voor andere klanten. Onze medewerkers worden door het veelvuldige telefoonverkeer ook afgeleid. Het stalken begint iedere middag rond 14.00 uur. Mijn medewerkers schakelen het antwoordapparaat in, na een aantal telefoontjes van [verdachte]. Het antwoordapparaat wordt ingeschakeld voor variabele tijden, soms voor 15 min of langer. In deze tijd probeert [verdachte] nog steeds ons bedrijf te bellen, als hij in de gaten krijgt als het antwoordapparaat uitgeschakeld is, gaat hij weer veelvuldig bellen. Hij belt ongeveer 2 á 3 keer per minuut.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-6, d.d. 24 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 5]:

Op 24 maart 2014 heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

Op 13 maart 2014 heb ik een aangifte van stalking opgenomen van [slachtoffer 1]. [advocatenkantoor 1] werd gestalkt door [verdachte]. De stalking bestaat uit telefoontjes en e-mailtjes. Bij deze aangifte zijn als bijlage meerdere e-mailtjes van [verdachte] als bijlage gevoegd.

Daags na het opnemen van de aangifte heb ik een drietal e-mailtjes ontvangen van [advocatenkantoor 1], waar in gestuurde e-mailtjes van [verdachte] in stonden. Deze e-mails worden als bijlage gevoegd.

In de bijlage (pagina 81 tot en met pagina 132 van het dossier) staan diverse e-mailberichten afkomstig van [emailadres 1] gericht aan [advocatenkantoor 1] in de periode van 7 maart 2014 tot en met 21 maart 2014.

2.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-26, d.d. 2 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 6]:

Uit onderzoek naar het op naam van [verdachte] staande [telefoonnummer 1] bleek het volgende. In de periode vanaf 21 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 vonden via dit telefoonnummer in- en uitgaande gesprekken en sms-berichten plaats.

Door mij is hiernaar nader onderzoek gedaan, waarna het volgende bleek: [advocatenkantoor 1] werd in totaal op 1 telefoonnummer 358 maal belaagd.

ten aanzien van gedachtestreep 2:

2.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014029101-1, d.d. 19 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van 991867:

Ik ben werkzaam als manager bij de [instelling] bij de [locatie] te [pleegplaats 2].

Sinds 8 januari 2014 wordt de locatie bestookt met telefoontjes en sms’jes van [verdachte]. Op 8 januari 2014 hebben wij 51 sms’jes van [verdachte] op ons vaste [telefoonnummer 2]. Ik overhandig u hierbij een kopie van de sms berichten die wij hebben bijgehouden. Hij verweet ons dat zijn ex vriendin [slachtoffer 11] onder bewind staat en [instelling] patiënt is. [slachtoffer 11] verblijft tijdelijk bij ons. Vanaf 9 januari 2014 heeft [verdachte] ons ook telefonisch bestookt. In deze telefoontjes dreigde [verdachte] met een rechtszaak, dreigt met de media, dreigt ons personeel op te wachten, Hij dreigt de teamleden aan de hoogste boom op te hangen. Hij scheldt het personeel uit. Dreigt teamleden in elkaar te slaan. Dreigt van alles op Facebook te zetten. Ook vloekt [verdachte] in deze telefoontjes.

Op 8 maart 2014 heeft [verdachte] tussen 16:00 en 18:00 uur 62 keer gebeld en 8 sms’jes gestuurd.

In de nacht van 12 op 13 maart 2014 heeft hij 35 keer gebeld. In de nacht van 15 maart 2014 heeft [verdachte] 40 keer gebeld. In de nacht van 17 op 18 maart 2014 heeft hij zeventig keer gebeld. Door deze stalking via de telefoon zijn wij bijna niet meer bereikbaar voor onze

cliënten en worden wij gestoord in onze werkzaamheden. Ook geeft deze stalking angstige en bedreigende gevoelens voor ons personeel vooral wanneer deze nachtdiensten draaien.

Ik overhandig u hierbij kopieën van het logboek wat wij hebben bijgehouden (pagina 143 tot en met pagina 148 van het dossier) .

2.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014029101-3, d.d. 20 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van 991867:

Op 20 maart 2014 omstreeks 08:45 uur is [verdachte] begonnen met bellen naar de locatie te [pleegplaats 3], dit is de hoofdvestiging van [instelling] Friesland.

Tussen 08:45 uur en 12:45 uur heeft [verdachte] 53 keer gebeld. Gisteren heeft [verdachte] gebeld.

De telefoniste [persoon 1] werd er helemaal gek van. De strekking van zijn telefoontjes is dreigend, hij roept onder andere sterf, en vloekt veelvuldig. Telefoniste [persoon 2] uit [pleegplaats 3] heeft bij zijn 1e telefoontje gezegd dat de [instelling] op de hoogte is van zijn problemen en dat er aan gewerkt wordt, maar dat zij hem verder niet helpen kon. En mocht hij blijven bellen dat zij de verbinding zou verbreken. Vervolgens heeft [verdachte] op donderdag 20 maart 2014 vanaf 11:35 uur tot 11:50 uur 39 keer met verschillende telefoons gebeld naar de locatie te [pleegplaats 2]. En vervolgens van 12:25 uur tot 12:45 uur 48 keer, en toen van 13:15 uur tot 14:00 uur 25 keer. Vanaf 14:20 uur begon hij weer te bellen, ik ben vervolgens naar het bureau gegaan om weer aangifte te doen dus ik weet niet hoe lang hij vandaag doorgaat. Wij worden er allemaal stapelgek van en hopen dat het gauw stopt. Ik overhandig u hierbij een kopie van de mail van de telefoniste van de [instantie 2] waarin staat hoe vaak [verdachte] gebeld heeft zodat u deze bij het proces-verbaal kunt voegen (pagina 151 tot en met pagina 155 van het dossier).

2.7.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-26, d.d. 2 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 6]:

Uit onderzoek naar het op naam van [verdachte] staande [telefoonnummer 1] bleek het volgende. In de periode vanaf 21 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 vonden via dit telefoonnummer in- en uitgaande gesprekken en sms-berichten plaats.

Door mij is hiernaar nader onderzoek gedaan, waarna het volgende bleek: benadeelde (991867 ([instelling] Friesland) werd in totaal op 2 telefoonnummers 650 maal belaagd.

ten aanzien van gedachtestreep 3:

2.8.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014029094-1, d.d. 19 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik ben juridisch medewerker bij het [advocatenkantoor 2]. [verdachte] heeft een vraag voorgelegd voor een zaak die hij wil laten behandelen bij het [advocatenkantoor 2]. Het stalken en bedreigen door deze [verdachte] is begonnen op 15 maart 2014. Ik heb de opdracht van [advocaat] gekregen om [verdachte] te bellen met de mededeling dat zijn zaak niet in behandeling zal worden genomen door [advocatenkantoor 2]. Ik heb dit ingesproken op het o6 nummer van [verdachte], dit is [telefoonnummer 1]. Ik werd toen onmiddellijk weer teruggebeld door [verdachte]. Ik kon er geen speld tussen krijgen. [verdachte] was aan het woord in dit telefoongesprek en wij moesten en zouden zijn zaak in behandeling nemen bij [advocatenkantoor 2]. Ik ben wel 30 keer gebeld op mijn werktelefoon met het nummer [telefoonnummer 3]. Zijn toon is steeds dreigend, hij schreeuwt, kortom [verdachte] is heel boos dat wij zijn zaak niet in behandeling nemen. Ik heb ook de zaaktelefoon van [advocaat] meegenomen, hierop heeft meneer [verdachte] wel meer als 40 keer op gebeld. Deze telefoontjes naar mijn werktelefoon hebben geduurd tot 18 maart 2014 om 21:00 uur. Ik heb [verdachte] toen medegedeeld dat ik vanaf dat moment niet meer de telefoon op neem. Daar werd hij ook weer heel boos om. Ik doe deze aangifte van stalking omdat ik mij opzettelijk en structureel lastiggevallen voel waardoor ik mij in mijn vrijheid en veiligheid voel aangetast. Dit geldt ook voor mijn kantoorgenoten/collega’s.

2.9.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014029094-2, d.d. 21 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Op 20 maart 2014 heeft [verdachte] zeker honderd maal gebeld naar het [advocatenkantoor 2] en zakelijke telefoons van werknemers van dit genoemde kantoor. Wij hebben nogmaals bij [verdachte] kenbaar gemaakt dat wij hem niet kunnen bijstaan. Echter wil [verdachte] hier niks van weten. Doordat [verdachte] ons constant belt zijn wij als kantoor telefonisch niet meer normaal te bereiken. Ook zijn medewerkers steeds bezig telefoontjes te beantwoorden waardoor wij niet aan onze werkzaamheden toe komen. Op 21 maart 2014 begon [verdachte] mij weer te bellen. Ik nam mijn telefoon op. Ik hoorde aan de stem dat ik [verdachte] aan de lijn had. Ik hoorde weer dat [verdachte] allemaal verwensingen en bedreigingen uitte in mijn richting. Ik ben behoorlijk geschrokken van deze woorden van [verdachte]. Ik ben bang voor [verdachte]. Afgelopen dagen is de verbale woede van [verdachte] als maar opgelopen. Eerst kon ik een normaal gesprek met [verdachte] houden. Momenteel is [verdachte] niet meer voor rede vatbaar. Collega’s en ik hebben verschillende sms- en voicemail berichten van [verdachte] bewaard.

2.10.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014029094, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 7]:

In de bijlage bij dit proces-verbaal (pagina 170 tot en met pagina 172 van het dossier) staan diverse sms-berichten afkomstig van [verdachte] +[telefoonnummer 1] gericht aan +[telefoonnummer 4] in de periode van 15 maart 2014 tot en met 23 maart 2014.

2.11.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-26, d.d. 2 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 6]:

Uit onderzoek naar het op naam van [verdachte] staande [telefoonnummer 1] bleek het volgende. In de periode vanaf 21 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 vonden via dit telefoonnummer in- en uitgaande gesprekken en sms-berichten plaats.

Door mij is hiernaar nader onderzoek gedaan, waarna het volgende bleek: benadeelde [advocatenkantoor 2] werd in totaal op 3 telefoonnummers 506 maal belaagd.

ten aanzien van gedachtestreep 4:

2.12.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014029878-1, d.d. 21 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik ben notaris en eigenaresse van een notariskantoor geheten: ‘[notariskantoor]’. Dit kantoor is gevestigd in [pleegplaats 4]. [verdachte] is een oud cliënt van mij. [verdachte] is woonachtig te [pleegplaats 1]. Ik heb [verdachte] geholpen in een moeilijke echtscheidingsprocedure. [verdachte] is mij en mijn kantoor begonnen te stalken zo rond 2012. Sinds anderhalve week, ongeveer vanaf 10 maart 2014 is het helemaal mis met telefoontjes afkomstig van [verdachte]. [verdachte] belt mij en mijn kantoor bijna continue op. In deze gesprekken is [verdachte] provocerend en beticht mij en mijn bedrijf van onwaarheden. In sommige berichten is [verdachte] bedreigend naar mij toe.

17 maart 2014, nam mijn vriend, de telefoon van mij over toen [verdachte] weer eens belde. Toen zei [verdachte] tegen [persoon 3]: ‘ik spring er uit en neem [slachtoffer 3] mee” Andere keren heeft [verdachte] gezegd: “ik zorg dat je moet huilen, Ik maak je kapot en gooi je kantoor plat” of woorden van gelijke strekking. [verdachte] wil dus mijn kantoor ‘platleggen’. Dit doet hij ook daadwerkelijk door middel van continue te bellen naar mij of mijn kantoor. Hierdoor is de lijn veelvuldig bezet en kan ik of mijn medewerkers geen klanten te woord staan. Ook insinueert [verdachte], tegenover derden, over mijn kinderen. [verdachte] belt nagenoeg de gehele dag naar mijn [telefoonnummer 5] en naar het nummer van mijn kantoor: [telefoonnummer 6].

Ik doe deze aangifte omdat ik mij en mijn kantoorpersoneel structureel lastiggevallen voel, waardoor ik en mijn werknemers in mijn vrijheid en veiligheid voel aangetast.

2.13.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014029878-6, d.d. 4 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 8]:

Ik kreeg van [slachtoffer 3] via de e-mail verschillende e-mailberichten toegestuurd. Deze heb ik gebundeld en voeg ik hierbij toe aan het dossier.

In de bijlage (pagina 189 tot en met pagina 205 van het dossier) staan diverse e-mailberichten afkomstig van [emailadres 1] gericht aan onder meer [notariskantoor] in de periode van 12 januari 2014 tot en met 21 maart 2014.

2.14.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-26, d.d. 2 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 6]:

Uit onderzoek naar het op naam van [verdachte] staande [telefoonnummer 1] bleek het volgende. In de periode vanaf 21 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 vonden via dit telefoonnummer in- en uitgaande gesprekken en sms-berichten plaats.

Door mij is hiernaar nader onderzoek gedaan, waarna het volgende bleek: benadeelde [slachtoffer 3] (notariskantoor) werd in totaal op 2 telefoonnummers 158 maal belaagd/bedreigd.

ten aanzien van gedachtestreep 5:

2.15.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014031041-1, d.d. 24 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 4]:

Ik ben werkzaam als gezinsvoogd bij [instantie 1] te [pleegplaats 5]. Eén van mijn cliënten is [persoon 4], geboren op [geboortedatum 1]. [persoon 4] zijn ouders zijn gescheiden. Sinds de scheiding is de vader van [persoon 4], [verdachte], psychisch instabiel.

Ik hoorde van onze [receptioniste] het volgende. Op 20 maart 2014, omstreeks 16.00 uur, kreeg zij hem aan de telefoon en hij zei de volgende woorden: Ik maak jullie allemaal dood, de kerk staat achter mij, ik word niet opgepakt en ze komen er allemaal wel achter wat [instantie 1] doet. Dit heeft hij meerdere keren met stemverheffing gezegd. Even later belde hij weer en voordat [receptioniste] kon zeggen dat ze de verbinding wilde verbreken zei [verdachte] het volgende tegen haar: Je kan nu twee dingen doen of je verbreekt de verbinding of ik kom nu naar [instantie 1] toe en ik schiet je door je kop. Dit waren zijn letterlijke woorden!

[receptioniste] was na dit laatste gesprek erg bang, mede doordat hij ook tegen haar zei dat ze in het systeem kon lezen dat hij wel vaker dreigementen had uitgevoerd en dat het geen loze dreigementen waren. Door deze dreigementen van [verdachte] is er besloten om de deur van het bureau op slot te doen, zodat hij niet zomaar binnen kan lopen. Ook hangt er sindsdien een foto van [verdachte] achter de balie zodat ook andere medewerkers hem kunnen herkennen. Al met al heeft hij de telefoonlijn gedurende een dik uur bezet weten houden doordat hij maar steeds bleef bellen. [receptioniste] heeft echter niet meer opgenomen. Bij alle gesprekken klonk hij erg psychotisch en labiel. Hij is meerdere keren doorverbonden aan jeugdbeschermers en hield hierdoor de lijnen constant bezet.

Ook valt [verdachte] mij stelselmatig lastig via de mail en via de telefoon. Zijn mails worden steeds verwarder. Ze komen uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer. Het komt er in het kort op neer dat iedereen tegen hem is, iedereen wil hem pakken, en iedereen heeft schuld, behalve [verdachte] zelf. Ik maak me zorgen over zijn stabiliteit en ik ben bang dat hij de dreiging die hij in één van de mails doet, door gaat zetten. Gezien zijn onstabiliteit lijkt het mij aannemelijk dat [verdachte] zijn dreigingen ten uitvoer gaat brengen.

Bijgevoegd aan dit proces-verbaal kopieën van de mails die ik van [verdachte] heb

ontvangen.

In de bijlage (pagina 214 tot en met pagina 222 van het dossier) is een contactjournaal opgenomen. Hierin staan berichten van 18 maart 2014 tot en met 20 maart. Tevens staan in de bijlage diverse e-mailberichten afkomstig van [emailadres 1] gericht aan onder meer aangever op 21 maart 2014.

2.16.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-26, d.d. 2 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 6]:

Uit onderzoek naar het op naam van [verdachte] staande [telefoonnummer 1] bleek het volgende. In de periode vanaf 21 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 vonden via dit telefoonnummer in- en uitgaande gesprekken en sms-berichten plaats.

Door mij is hiernaar nader onderzoek gedaan, waarna het volgende bleek: benadeelde [slachtoffer 4] ([instantie 1]) werd op 1 telefoonnummer in totaal 7 maal belaagd/bedreigd.

ten aanzien van gedachtestreep 6:

2.17.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL203D-2014058402-1, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 7]:

Ik heb een eigen winkel aan huis en een webwinkel te [pleegplaats 6]. Mijn winkel heet [winkel] en mijn webwinkel betreft: [emailadres 2]

In maart 2014 heeft [verdachte] een bestelling geplaatst op mijn Facebook. Ik heb hem toegezegd dat ik de bestelling zou maken voor hem. Dit omdat ik hem eigenlijk zielig vond. De bestelling heb ik gemaakt en verstuurd. [verdachte] sprak mij aan op Facebook en hij bedankte mij hiervoor. Vervolgens wilde hij nog eenzelfde bestelling doen voor dezelfde [slachtoffer 11]. Ik heb hem toen gezegd dat ik het nu even druk heb en dat het die week niet meer ging lukken. De eerste bestelling was geplaatst door [verdachte] op 11 of 12 maart en is op 14 maart aangekomen in [pleegplaats 2]. Hierna begonnen de bedreigingen en de stalking steeds erger te worden.

[verdachte] heeft mij toen opgebeld op mijn mobiele telefoon en ik hoorde hem het volgende zeggen: 'ik ga je gijzelen en er komt een einde aan. Ik vat een mes.

Ik snij je de nek door of ik zie wel wat ik met je doe', of woorden van gelijke strekking. Ik voelde mij hierdoor erg bedreigd.

De stalking bestaat uit het feit dat [verdachte] mij dagelijks belt met het volgende [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 7]. Ik heb het dan over twee weken lang 70 tot 80 oproepen per dag afkomstig van dit nummer. Ik weet dat dit telefoonnummer van [verdachte] is omdat hij die twee telefoonnummers via Facebook aan mij heeft gegeven. Ik heb ook een keer opgenomen en toen hoorde ik dat het [verdachte] was.

2.18.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014026801-26, d.d. 2 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 6]:

Uit onderzoek naar het op naam van [verdachte] staande [telefoonnummer 1] bleek het volgende. In de periode vanaf 21 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 vonden via dit telefoonnummer in- en uitgaande gesprekken en sms-berichten plaats.

Door mij is hiernaar nader onderzoek gedaan, waarna het volgende bleek: benadeeld [slachtoffer 7] werd op 1 telefoonnummer in totaal 123 maal belaagd/bedreigd.

ten aanzien van gedachtestreep 7:

2.19.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02KB-2014031551-1, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 8]:

Ik ben behandelend arts van [verdachte].

Op 17 maart 2014 heeft [verdachte] naar de praktijk in [pleegplaats 1] gebeld. Wat ik begrepen heb van mijn assistente is dat hij heeft afgedwongen dat ik hem moest terug bellen. Dit heb ik omstreeks 18:00 uur gedaan. Wat ik van mijn assistent heb begrepen is dat hij heel erg bedreigend over kwam. Wat ik uit het gesprek heb begrepen is dat [verdachte] eist dat ik bij de inspectie van gezondheidzorg een melding moest doen van seksuele misbruik van zijn zoon en vrouw. Verder sprak [verdachte] heel veel woorden in een heel hoog tempo. Ik kon hem niet volgen. Ik heb hem dit ook meerdere malen aangegeven.

Op 21 maart 2014 omstreeks 17:00 uur heb ik een mail gestuurd naar [verdachte], dit was naar aanleiding van een mail die ik van [verdachte] heb gekregen op vrijdag 21 maart 2014 omstreeks 13:37 uur. Hierin stond dat hij iemand zou gijzelen. Ik had toen het gevoel dat het om zijn zoon ging. Ik heb in mijn mail terug gestuurd dat ik kennis heb genomen van zijn mail en dat ik hem dringend had geadviseerd om een afspraak te maken bij de [instelling].

Gisteren op 24 maart 2014 ging mijn assistent de mailbox bekijken. Daarin stonden allemaal mailtjes van [verdachte]. In zijn eerste mail stond: "Donderstraal op ik hang jou aan de hoogste boom, dat jij je langste tijd als arts gehad heb, het liefste pak ik jou maar de locatie is niet helemaal ideaal." Dit was als antwoord op mijn mail wat ik op vrijdag had gestuurd. Ik vatte deze tekst op als voor mij bedoeld. Ik heb er eerst niet echt tijd in gestoken. Dit omdat ik spreekuur had. Het bleef wel hij mij in mijn achterhoofd omzweven. Het zat mij niet lekker. Dit ook omdat dit voor onrust zorgde bij mijn personeel en collega’s. Toen kwam halverwege de ochtend het bericht bij mij binnen dat hij op het gastenboek van de website, van de praktijk, een tekst had geplaatst. In de tekst stond onder andere dat hij eist dat ik een melding moet maken van seksuele misbruik van zijn vrouw en zoon.

In een andere mail stond dat [verdachte] wanhopig was omdat niemand iets doet. Hij schrijft in het mailtje dat hij volgende week gaat ingrijpen dat hij de huisarts gezegd heeft dat hij met een mes haar of een andere zal gijzelen en dat dan zijn zaak in de media komt.

En met de huisarts bedoelt hij mij denk ik.

In de bijlage (pagina 260 tot en met pagina 279 van het dossier) staan diverse e-mailberichten afkomstig van [emailadres 1] gericht aan onder meer [emailadres 3]op 21 maart 2014 en 22 maart 2014.

ten aanzien van gedachtestreep 8 en 9:

2.20.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL031W-2014013327-1, d.d. 24 februari 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 9]:

Sinds april 2012 ken ik [verdachte]. Ik heb met [verdachte] een relatie gehad tot november 2012.

Vanaf dat moment is hij begonnen om mij te stalken. Tot aan 20 december 2013 heeft hij daarvoor vastgezeten. Vanaf het moment dat hij weer vrij was, is hij op 20 januari 2014 weer begonnen met stalken. Hij deed dit door zijn uitingen over mij op Facebook te plaatsen. Verder schreef hij een brief naar mij via mijn zus; in die brief stond vermeld dat hij zijn spullen terug moest hebben en zo niet dat hij dan voor mijn deur zou staan.

Verder kreeg ik een dreigmail van hem op de mailbox van [werkadres] toegestuurd. Dit mailtje doe ik U hierbij ook toekomen

Met betrekking tot de stalkingsactiviteiten verwijs ik naar bijgevoegd A4'tje dat ik heb samengesteld; op dat A4'tje staan alle gebeurtenissen m.b.t. [verdachte] ten nadele van [slachtoffer 9] vermeld vanaf 20 januari 2014.

De uitingen op Facebook, die door hem in het openbaar zijn gebracht via Facebook, heb ik u per mail doen toekomen.

Verder moet ik nog vertellen dat hij donderdag jl. door de post een brief bij mijn zus, wonende te [plaats], heeft laten afleveren. De inhoud van die brief is aan mij gericht. Dit omdat hij mijn huidige verblijfplaats niet weet; dit omdat ik uit angst voor hem en voor zijn stalkingsgedrag ben ondergedoken. Ook heb ik door zijn toedoen mijn mailadres, mijn telefoonnummer (mobiel en vast) veranderd en ben ik voor hem niet bereikbaar. De brief inclusief envelop doe ik u toekomen.

Hierbij wil ik nog vertellen dat hij sinds 20 februari jl. mails stuurt naar mijn zus met daarin vermeld allerhande bedreigingen. Ook deze mails doe ik u hierbij toekomen en kunt u als bijlage bij de aangifte voegen.

Als bijlage voeg ik bij deze aangifte (pagina 287 tot en met pagina 429 van het dossier):

*dreig-mail naar mijn [werkadres], verzonden op 16/2/2014.

*gebeurtenissen m.b.t. [verdachte] ten nadele van [slachtoffer 9] vanaf 20 december 2013.

*lijst laster/smaad en bedreigingen aan het adres van [slachtoffer 9] door [verdachte] via mails aan mijn zus [slachtoffer 10] te [plaats] vanaf 20 februari 2014 t/m 21 februari 2014.

*lijst laster/smaad en bedreigingen door [verdachte] aan liet adres van [slachtoffer 9] vanaf 20 december 2013, de datum van zijn vrijlating uit het huis van bewaring.

*uitingen op Facebook, gedaan door [verdachte], die door hem in het openbaar zijn gebracht.

*envelop gericht aan [slachtoffer 9] p/a [plaats].

2.21.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL031W-201401535-1, d.d. 25 februari 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 10]:

[verdachte] heeft in 2013 in de gevangenis gezeten. Hij is op 20 december 2013 vrij gekomen. Sinds hij vrij is gekomen is het stalken weer begonnen.

Via mijn broer [persoon 5] vernam ik op 29 januari 2014 dat [verdachte] dingen op Facebook had gezet. Op 30 januari 2014 heb ik een uitdraai gemaakt van de diverse berichten die op de Facebook pagina “www.facebook.com/[verdachte].[verdachte].l2” stonden. De Facebook pagina heet op dat moment “[verdachte]”. Deze uitdraai heb ik bij mij en mag u bij de aangifte voegen. De dingen die toen op die Facebook pagina stonden hadden betrekking op mijn zus.

Op 8 februari 2014 stond er ook weer een bericht op de Facebook pagina van [verdachte]. De Facebook pagina heet nu anders. Deze heet op dat moment “[naam 1]”. Het volgende openbare bericht stond nu op deze Facebook: “Haar tante [slachtoffer 10] en [persoon 6]oom. En haar [vader] meineed hebben gepleegd voor de rechtbank en vals aangiften hebben gedaan, alleen deze zieke en gewetenloze fam [naam 4], meineed gepleegd door haar zus [slachtoffer 10] broer [persoon 5] zij zelf rechtbank etc.”. Hiervan heb ik ook een uitdraai gemaakt. Deze uitdraai (uitdraai 8/2/2014 1) heb ik bij mij en mag u bij de aangifte stoppen.

Op 10 februari 2014 stonden er weer berichten met betrekking tot mij en mijn familie op de eerder genoemde Facebook pagina. Dit keer stond er: “[naam 2]- wat een monsters en zieke familie, wat een gewetenloze familie, ik ga jou en je zieke familie stoppen”.

Het tweede bericht wat er stond is: “ga over je nek van de gewetenloze fam. [naam 4] uit [plaats]!, kijk op Facebook site geweten [persoon 5] en kots van [slachtoffer 9] - [slachtoffer 10] - [persoon 6] en [persoon 5] hoe ziek ben je als fam. allemaal meineed en val aangiften en verantwoordelijk voor de vernielden levens van 10 kinderen mijn a.s. vrouw mijn kinderen vrienden en familie en mij zelf”.

Ook hiervan heb ik een uitdraai (uitdraai 10/2/2014) en mag u bij de aangifte stoppen.

Op 12 februari 2014 stond er weer een bericht over mijn familie op de eerder genoemde Facebook pagina. Dit keer stond er: “nog 3 dagen monsters fam [naam 4] en dat weet iedereen dat jullie kinderen hebben vernield en gezinnen. Meineed hebben gepleegd en valse aangiften. Het onderzoek is bijna afgerond! Pay! hoer van vrienden”. Ook hiervan heb ik een uitdraai (uitdraai 12/2/2014) gemaakt en mag u bij deze aangifte stoppen.

Op 12 februari 2014 staat er op de eerder genoemde Facebook pagina weer een bericht met betrekking tot mijn familie. Dit keer stond er: “nog 1 dag monsters fam [naam 4]. Dan weet iedereen het!”. Ook hiervan heb ik een uitdraai (uitdraai 114/2/2014) en mag u bij de aangifte stoppen.

Op 19 februari 2014 wordt er bij mij thuis een pakketje aangeboden terwijl ik niet thuis was. Op 20 februari wordt het pakketje wederom aangeboden. De afzender zijn naam stond niet op het pakketje. Achterop het pakketje stond echter wel een postcode. Ik herkende de postcode en het handschrift als die van [verdachte]. Ook stond de plaats “[pleegplaats 1]” op het pakketje. Ik heb het pakketje daarom geweigerd.

Op 19 februari 2014 ontving ik op mijn adres een brief welke aan mijn zus was geadresseerd. Ik heb deze brief niet geopend en op een later moment aan mijn zus gegeven. Mijn zus opende de brief en zag dat deze afkomstig was van [verdachte]. De strekking van de brief was dat [verdachte] zijn spullen terug wilde hebben. Mocht hij die niet krijgen dan zou hij langs komen. Ik heb een kopie van de brief (Brief 19/2/2014) bij mij en die mag u bij de aangifte stoppen.

Op 20 februari 2014 werd ik thuis op vier verschillende momenten door een anoniem nummer gebeld. Iedere keer bleek het [verdachte] te zijn. De tijden, dat gebeld werd waren: 16:35 uur, 19:40 uur, 19:41 uur en 23:05 uur.

Op 20 februari 2014 heb ik om mijn e-mailadres “[emailadres 4]” 8 e-mails ontvangen. Al deze e-mails waren afkomstig van “[emailadres 1]”. Dit e—mailadres is in gebruik bij [verdachte].

Een aantal van deze mailtjes zijn ook gericht aan de nieuwe eigenaren van de oude woning van mijn zus. In een van deze mailtjes heeft hij liet over een buitenechtelijk nacht die mijn zus gehad zou hebben. In een ander schrijft hij: “je krijgt nooit meer rust gaat failliet en gaat heel lang de gevangenis in net als hen [slachtoffer 10] [persoon 5].”. In weer een ander mailtje schrijft hij: “jij komt nog aan de beurt”. Al deze mailtjes heb ik bewaard en mocht het nodig zijn dan kan ik u deze geven.

Op 21 februari 2014 ontving ik op mijn e-mailadres weer 6 e-mails van het e-mailadres “[emailadres 1]”. Een aantal van deze gingen erover dat [verdachte] zijn spullen terug wil hebben. Andere gingen over intimiteiten die mijn zus gehad zou hebben. In een andere stond: “je bent je bescherming kwijt. niemand hoeft bang te zijn die gekke zus van jou ook niet maar we komen wel de spullen onaangekondigd halen”.

Op 22 februari 2014 heb ik telefoon gekregen. De eerste keer was om 15:05 uur. Het was [verdachte]. Hij begon meteen met praten. Ik heb toen gewoon opgehangen. Om 15:06 uur werd ik weer gebeld, maar toen bleef het stil aan de andere kant van de telefoon. Op 23 februari 2014 heb ik 6 telefoontjes ontvangen Deze waren van [verdachte]. In een van deze gesprekken vertelde [verdachte] aan mij dat hij in de gevangenis ene [persoon 7]. had leren kennen. [verdachte] vertelde mij dat [persoon 7]. wel zin had in een klusje. Ook vertelde [verdachte] mij toen dat [persoon 7]. wel 8 moorden op zijn naam had staan. Eén van deze gesprekken heb ik opgenomen en kunt u bij het dossier stoppen.

De bijlagen waarnaar wordt verwezen in de aangifte zijn opgenomen op pagina 437 tot en met pagina 500 van het dossier.

ten aanzien van gedachtestreep 10:

2.22.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02CD-2014033674-1, d.d. 31 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 6]:

Ik ben als jeugdbeschermer van [instantie 1] sinds 22 november 2012 contactpersoon en eerste aanspreekpunt voor [verdachte]. [verdachte] is al vaker erg vervelend, bedreigend, intimiderend tegen mij geweest.

In januari 2013 heb ik aangifte van bedreiging en stalking gedaan tegen [verdachte]. Sinds augustus 2013 ben ik echter geen eerste aanspreekpunt meer voor [verdachte].

Mijn collega [slachtoffer 4] is nu contactpersoon. [verdachte] heeft echter nog wel steeds mijn mobiele telefoonnummer van het werk. Dit nummer is: [telefoonnummer 8].

Sinds 1 maart 2014 is [verdachte] echter weer erg vervelend aan de telefoon, nadat het een hele tijd erg rustig rondom zijn persoontje is geweest. [verdachte] zat tot maart 2014 vast.

[verdachte] heeft sinds 1 maart een aantal keren gebeld naar mijn werktelefoon [telefoonnummer 8]. Hij doet dit buitenkantoortijden, ‘s nachts en in het weekend. Ik heb mijn telefoon uitstaan, wanneer ik niet in dienst ben. Hij heeft sinds 1 maart mijn voicemail 9 maal ingesproken. De eerste 2 gesprekken heb ik gewist en de laatste 7 voicemailgesprekken heb ik nog op mijn telefoon staan. Het laatste voicemailbericht is van 18 maart 2014 om 2.59 uur. Deze voicemailberichten zijn minstens 10 minuten lang en kan ik als volgt beschrijven: verward, heel verschillend in toon, snelheid en emotie (boos, depressief, intimiderend, scheldend, manisch). Hij haalt er van alles bij in zijn voicemailberichten. Personen, artikelnummers van strafbare feiten etc. etc. [verdachte] noemt zijn eigen naam in de gesprekken, terwijl ik ook zijn stem en manier van praten herken. Zijn telefoonnummer is niet zichtbaar in beeld. Ik acht hem in staat dat hij gaat doen, waarmee hij allemaal dreigt. Hij wil een podium om zijn toneelstuk op te voeren.

Ook heeft [verdachte] in ieder geval 2 Facebook-pagina’s actief. Dit zijn openbare profielen, waarop vele personen en instanties met naam en toenaam worden genoemd. Ook worden er persoonlijke brieven en foto’s van personen gepost. Te vinden onder ‘[naam 1]’ en ‘[naam 3]’. Op de pagina ‘[naam 1]’ worden mijn naam en namen van mijn collegae bij [instantie 1] genoemd. Tevens staan er foto’s van artsen, [instelling]-medewerkers en advocaten op het profiel. Op deze pagina’s is het een warboel van verschillende berichten over verschillende onderwerpen. Ik kan u nog vertellen dat hij in meerdere van de nog bestaande 7 voicemails het volgende heeft gezegd: ‘Vòòr 7 april 2014 zullen jullie het merken. Volg het nieuws in Nederland, België en Duitsland maar." De dreiging om mensen van [instantie 1] te gijzelen en vervolgens om te leggen heeft mij wel voorzichtiger gemaakt.

[verdachte] heeft mij ook al op een erg vervelende manier op mijn Linkedin-account benaderd. Hij blijft manieren vinden om mij intimiderend, vervelend en bedreigend te benaderen.

In de bijlage (pagina 509 tot en met pagina 533 van het dossier) staan diverse Facebookberichten.

ten aanzien van gedachtestreep 11:

2.23.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014021675-10, d.d. 28 februari 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 11]:

Ik heb van maart 2013 tot en met 24 december 2014 een relatie gehad met [verdachte]. Op dit moment ben ik woonachtig in [instelling] de [locatie] in [pleegplaats 2]. Ik word sinds 24 december 2014 lastig gevallen door mijn ex-vriend, [verdachte].

[verdachte] stuurt mij erg veel brieven. Hij stuurt mij wekelijks wel 2 à 3 brieven. Deze brieven stuurt hij ook wel onder een andere naam.

Ook belt hij mij bijna non-stop op mijn GSM. Dat hij mij wel 50 keer belt op een dag is meer een regel dan uitzondering. Hierbij komen ook nog een sms'jes. Dit waren er ook wel minimaal ongeveer 50 per week.

Toen ik hier niet meer op reageerde belde hij het telefoonnummer van de [instelling].

Ook komt [verdachte] wel langs en staat hij onder het balkon van mijn kamer te schreeuwen. Voorafgaand staat hij meestal een stukje verderop te kijken naar mijn kamer of de gordijnen ook open zijn en of hij mij kan zien.

Ik heb een groot gedeelte van de sms'jes die ik heb gekregen van [verdachte] uitgeschreven op papier met de datum en tijd erbij (pagina 543 tot en met pagina 628 van het dossier).

Ten aanzien van het onder 2,. 3. en 4. ten laste gelegde

De rechtbank past met betrekking tot de onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL-2014029094-1, d.d. 19 maart 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2];

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02CD-2014031041-1, d.d. 24 maart 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4];

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL203D-2014058402-1, d.d. 25 maart 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7].

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde

Aan verdachte is onder 5. ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 8] door haar in een e-mail de volgende woorden toe te voegen: 'Donderstraal op ik hang je aan de hoogste boom, dat jij je langste tijd als arts gehad heb, het liefste pak ik jou maar de locatie is niet helemaal ideaal', althans woorden van gelijke aard of strekking.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is -voor zover hier van belang- voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

Niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte.

De rechtbank acht de bewoordingen die verdachte heeft geuit in de e-mail van dien aard dat bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zal zij hier verdachte voor veroordelen.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 februari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 24 maart 2014 [slachtoffer 8] in een e-mail de volgende of soortgelijke woorden toegevoegd: 'Donderstraal op ik hang je aan de hoogste boom, dat jij je langste tijd als arts gehad heb, het liefste pak ik jou maar de locatie is niet helemaal ideaal'.

2. De inhoud van een zaaksdossier, HKS-nummer PL02JS.2JS.2014.553, gesloten op 15 april 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02KB-2014031551-1, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 8]:

Plaats delict: [pleegplaats 1].

Op 24 maart 2014 zat in mijn mailbox een e-mail van [verdachte] met de volgende tekst: "Donderstraal op ik hang jou aan de hoogste boom, dat jij je langste tijd als arts gehad heb, het liefste pak ik jou maar de locatie is niet helemaal ideaal."

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/730012-15

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 februari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zat in de periode van 24 maart 2014 tot en met 25 maart 2014 in het cellencomplex in [pleegplaats 5]. Ik heb één keer in de richting van iemand gespuugd en ik heb een beker urine richting een arrestantenverzorger gegooid.

2. De inhoud van een zaaksdossier, HKS-nummer PL02JS.2JS.2014.553, gesloten op 15 april 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO2CD-2014026801-19, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 1]:

Ik, [verbalisant 1], ben werkzaam als hoofdagent van politie bij de Politie eenheid Noord Nederland. Als zodanig doe ik aangifte van belediging van een ambtenaar in functie.

Op 24 maart 2014, omstreeks 20:35 uur, was ik belast met crime team werkzaamheden. Als zodanig bevond ik mij in het arrestantencomplex van de politie te [pleegplaats 5].

Tijdens een verdachtenverhoor was ik in gesprek met [verdachte]. Ik was gekleed in een overhemd met korte mouwen. Dit was burger kleding. Verdachte had ik reeds kenbaar gemaakt dat ik politieman was. Tijdens dit verhoor werd ik bespuugd door [verdachte].

Ik zag en hoorde dat de verdachte in mijn richting spuugde. Ik voelde dat het speeksel mij op mijn armen raakte. Ik vind dit een smerige actie en voel mij hierdoor vies. Ik ervaar het spugen op mij als blijk van minachting. Ik voel mij hierdoor beledigd.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO2CD-2014031186-1, d.d. 24 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 2]:

Hierbij wil ik aangifte doen van belediging van een ambtenaar in functie. Op 24 maart 2014 had ik late dienst in het arrestantencomplex te [pleegplaats 5]. Ik ben daar werkzaam als arrestantenverzorger bij de politie Noord Nederland.

Omstreeks 21:40 uur werd er medicatie binnengebracht voor een van onze arrestanten, [verdachte]. Ik ben vervolgens naar de cel van [verdachte] gegaan om hem zijn medicatie aan te bieden. Ik hoorde dat [verdachte] zijn medicatie niet wenste te hebben. Ik heb hierop tegen hem gezegd dat hij daarvoor zelf verantwoordelijk was. Ik wilde hierna het luikje in de deur sluiten. Ik deed het luikje omhoog en ik voelde en zag dat Dhr. [verdachte] met zijn hand aan de binnenzijde van het luikje drukte, ik heb tegen hem gezegd dat hij moest uitkijken dat hij zijn vingers er niet tussen moest krijgen.

Ik drukte liet luikje dichter en er zat nog een kier van ongeveer 3 a 4 cm tussen. Plotseling hoorde ik dat [verdachte] spuugde.

Direct daarna voelde ik spuug van [verdachte] op mijn gezicht komen ter hoogte van mijn kaak. Ook kwam er spuug op mijn lip. Ik heb hierop het luikje gesloten. Ik voel mij doordat [verdachte] mij bespuugd heeft beledigd. Ik vind iemand bespugen een smerige actie en voel mij hierdoor vies. Ik ervaar het spugen op mij als blijk van minachting.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO200-2014031414-1, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 3]:

Hierbij doe ik aangifte van belediging van een ambtenaar in functie.

Op 25 maart 2014 was ik werkzaam in het arrestantencomplex van de politie Noord-Nederland. Dit is gevestigd te [pleegplaats 5]. Ik ben daar werkzaam als arrestantenverzorger, als buitengewoon opsporingsambtenaar. Ik had een zogenaamde vroege dienst van 07.00 tot 15.00 uur. Omstreeks 11.30 uur hebben [verbalisant 2] en ik een verdachte, [verdachte], naar zijn advocaat gebracht voor een gesprek. (…) De advocaat kon niets met [verdachte] beginnen en vond het kennelijk wel best dat deze weer op cel werd gezet. [verbalisant 2] en ik hebben hem vervolgens opgehaald. Ik zag wel dat [verdachte] een opgewonden indruk maakte en we liepen door de gang in de richting van de cel waarin [verdachte] zat. Ik hoorde dat [verdachte] wat mompelde, dus keek ik hem aan. Ineens en zonder reden spuugde [verdachte] mij in mij hals net onder mijn linker oor. Dit voelde verschrikkelijk smerig. We hebben [verdachte] vervolgens de cel ingedrukt en de deur gesloten. Ik heb mijn nek hierna verschillende keren schoongemaakt, zelfs met alcohol, maar

ik raak liet smerige gevoel niet kwijt. Ook nu heb ik nog een goor gevoel in mijn nek en voelt het alsof het spuug er nog van af druipt.

Ik voel me op dit moment heel vies en ervaar deze bespuging als een blijk van minachting.

2.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO2EJ-2014031526-l, d.d. 25 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 4]:

Ik wil aangifte doen van mishandeling en/of belediging van een ambtenaar in functie.

Op 25 maart 2014, omstreeks 15.00 uur, was ik werkzaam in het arrestantencomplex van de politie Noord-Nederland. Dit is gevestigd te [pleegplaats 5]. Ik ben daar werkzaam als arrestantenverzorger; ik ben buitengewoon opsporingsambtenaar.

Ik liep met collega [verbalisant 9] naar cel 2. Ik had een beker hete thee meegenomen voor de man in cel 2. Ik klopte op de celdeur en deed het luikje open.

(…) Ik zag dat de man zich heel snel in mijn richting bewoog en daarbij meteen een bekertje met vloeistof door het openstaande luikje in mijn richting gooide. Hij riep; “dat is urine”.

Ik voelde meteen dat ik door het bekertje en de vloeistof in mijn gezicht werd geraakt. Ik voelde de vloeistof over mijn gezicht lopen. Het zat in mijn haar en liet liep over mijn gelaat en kleding. Het prikte in mijn ogen. Dat deed pijn. De vloeistof liep ook over mijn lippen en ik proefde en rook dat inderdaad urine was. Het proefde zout. Ik herkende deze vloeistof als urine. Volgens mij was het een nagenoeg volle beker urine, niet een paar druppels. Ik heb toen meteen het luikje dichtgedaan. De celdeur heb ik ook dichtgelaten. Ik was enorm boos.

Ik voelde mij zeer vernederd doordat de man urine in mijn gezicht heeft gegooid. Ik voel mij in mijn eer en goede naam aangetast. Bovendien prikte de

urine in mijn ogen en dat deed pijn. Mijn kleding was ook besmeurd met urine.

De man in cel 2 ken ik ambtshalve als [verdachte], [geboortedatum 2].

2.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO2CD-2014031823-1, d.d. 26 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 12]:

Op 26 maart om 11:30 uur was ik aanwezig op het Arrestantencomplex te [pleegplaats 5]. Ik was daar in mijn functie van Psychiater bij het NIFP. Ik was daar op verzoek van de

officier van justitie voor een trajectconsult bij [verdachte].

Voordat ik met [verdachte] in gesprek ben gegaan heb ik gesproken met iemand van de arrestantenwacht. Zij hebben mij ingelicht over de gemoedstoestand van [verdachte]. Ze hebben ook aangegeven dat [verdachte]eens wel mensen in het gezicht heeft gespuugd. Wij hebben een soort plan van aanpak besproken, hoe we hem zouden benaderen. Ik heb er voor gekozen om zonder masker hem aan te spreken voor een gesloten deur. Het gesprek heeft plaatsgevonden via het luik. Ik heb ervoor gekozen om geen masker te dragen. Ik wilde mij neutraal opstellen, en laagdrempelig in het contact. blijven. Ik ben samen met iemand van de arrestantenwacht naar de cel gelopen. Arrestantenwacht heeft de luik geopend en heeft [verdachte] aangesproken. Vervolgens ben ik iets naar voren getreden om met [verdachte] in gesprek te gaan. Ik zag dat [verdachte] op de bank zat. Ik zag dat hij naar de deur liep. Ik heb hem duidelijk aangegeven wie ik was, wat ik kwam doen, wat mijn functie was. [verdachte] gaf gelijk te kennen dat hij niets met ons te maken wilde hebben. Hij noemde daarbij ook een aantal namen van

collega’s. Ik heb aangegeven dat ik een advies over hem moest geven. Ik wilde dan graag ook zijn mening over horen. Ik hoorde hem zeggen dat hij daar niets mee te maken had en dat hij naar huis ging. Ik zag dat hij uit mijn beeld liep. Ik zag hem niet meer. Ik heb aangegeven dat hij niet op het politiebureau kon blijven en ik een advies moest geven waar hij naar toe moest.

Op dat moment dook hij ineens voor het luikje. Ik zag dat bij mij recht in liet gezicht spuugde. Ik kreeg de volle laag. Ik zag en voelde dat de verdachte in mijn richting spuugde. Ik voelde dat het speeksel mij op mijn voorhoofd, wangen en lippen raakte. Ik vind dit een

vernederende gebaar en voel mij hierdoor vies. Ik voel mij hierdoor beledigd.

Mijn intentie was om in gesprek te gaan met [verdachte] om ook zijn mening over zijn

situatie aan te horen. Helaas is dat nu niet gelukt door zijn actie.

2.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO2CD-2014031823-3, d.d. 26 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 10]:

Op 26 maart 2014 was ik werkzaam als arrestantenverzorger bij het arrestantencomplex te [pleegplaats 5]. Omstreeks 11.40 diezelfde dag ging ik met forensisch psychiater bij de Weg naar een arrestant genaamd [verdachte]. Ik heb de psychiater van te voren gesproken en hem verteld dat de verdachte eerder had gespuugd naar arrestantenverzorgers en eenmaal met urine had gegooid. Ik heb met hem afgesproken dat het gesprek via het doorgeef luikje van de cel zou gaan plaatsvinden. Ik heb het luik opengedaan zodat de psychiater met hem in gesprek kon gaan.

Ik zag en hoorde dat hij het gesprek met de verdachte aanging. Ik ben naast de gesloten deur gaan staan. Op een gegeven moment hoorde ik dat de verdachte zijn stem begon te verheffen.

Ik zag dat het gezicht van de verdachte onverwachts voor het luikje kwam. Ik zag en hoorde dat hij de psychiater in zijn gehele gezicht spuugde. Ik zag dat het spuug van de verdachte op het gezicht van de psychiater zat. Hierop heb ik het luikje dicht gedaan en heb ik de psychiater meegenomen naar de douche van het cellencomplex en hij heeft daar zijn gezicht schoongemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730121-14 onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730012-15 onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/730121-14, na nadere omschrijving van de tenlastelegging:

1.

hij in de periode van 24 december 2013 tot en met 24 maart 2014, te [pleegplaats 1], in de gemeente Opsterland en te [pleegplaats 2], in de gemeente Súdwest Fryslân en te [pleegplaats 3], in de gemeente Leeuwarden en te [pleegplaats 4], in de gemeente Smallingerland en te [pleegplaats 5], in de gemeente Smallingerland en te [pleegplaats 6], in de gemeente Aalburg, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

  • -

    medewerker van [advocatenkantoor 1] en

  • -

    medewerkers van de [instelling] en een persoon bij de politie bekend onder nummer 991867 en

  • -

    medewerkers van [advocatenkantoor 2], waaronder [slachtoffer 2] en

  • -

    medewerkers van [notariskantoor] en [slachtoffer 3] en

  • -

    medewerkers van [instantie 1], waaronder [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en

  • -

    [slachtoffer 7] en

  • -

    [slachtoffer 8], medewerker van [huisartsenpraktijk] en

  • -

    [slachtoffer 9] en

  • -

    [slachtoffer 10] en

  • -

    [slachtoffer 11]

met het oogmerk die medewerkers van [advocatenkantoor 1] en die medewerkers van de [instelling] en een persoon met nummer 991867 en die medewerkers van [advocatenkantoor 2] en die [slachtoffer 2] en die medewerkers van [notariskantoor] en die [slachtoffer 3] en die medewerkers van [instantie 1], waaronder die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] en die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8], medewerker van [huisartsenpraktijk] en die [slachtoffer 9] en die [slachtoffer 10] en die [slachtoffer 11], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk en met voormeld oogmerk op verschillende data en tijdstippen in de periode van 7 maart 2014 tot en met 21 maart 2014, medewerkers van [advocatenkantoor 1], meermalen gebeld en e-mailberichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 8 januari 2014 tot en met 21 maart 2014, medewerkers van de [instelling] en een persoon bij de politie bekend onder nummer 991867, meermalen gebeld en sms-berichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 15 maart 2014 tot en met 23 maart 2014, [slachtoffer 2] en andere medewerkers van [advocatenkantoor 2], meermalen gebeld en sms-berichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 12 januari 2014 tot en met 21 maart 2014, [slachtoffer 3] en medewerkers van [notariskantoor], meermalen gebeld en e-mailberichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 18 maart 2014 tot en met 21 maart 2014, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en andere medewerkers van [instantie 1], meermalen gebeld en e-mailberichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 11 maart 2014 tot en met 23 maart 2014, [slachtoffer 7], meermalen gebeld en Facebook-berichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 17 maart 2014 tot en met 24 maart 2014, [slachtoffer 8], medewerker van [huisartsenpraktijk], meermalen e-mailberichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 20 januari 2014 tot en met 24 februari 2014, [slachtoffer 9], een brief en meermalen Facebookberichten geplaatst en e-mailberichten gestuurd en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 februari 2014, [slachtoffer 10], een pakketje en een brief op diens huisadres laten bezorgen en meermalen e-mailberichten gestuurd en gebeld en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 4 februari 2014 tot en met 23 maart 2014, [slachtoffer 6], meermalen gebeld en voicemailberichten ingesproken op de telefoon van die [slachtoffer 6] en Facebookberichten geplaatst en

  • -

    op verschillende data en tijdstippen in de periode van 24 december 2013 tot en met 28 februari 2014, [slachtoffer 11], meermalen gebeld en brieven en sms-berichten gestuurd en (meermalen) die [slachtoffer 11] op haar woon- of verblijfadres bezocht,

aldus telkens op enigerlei wijze zijn aanwezigheid en/of gedachtengangen ongewenst en/of hinderlijk en/of bedreigend aan die medewerkers van [advocatenkantoor 1] en een persoon met nummer 991867 en die andere medewerkers van de [instelling] enndie [slachtoffer 2] en die andere medewerkers van [advocatenkantoor 2] en die [slachtoffer 3] en die medewerkers van [notariskantoor] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] en die andere medewerkers van [instantie 1] en die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8], medewerker van [huisartsenpraktijk] en die [slachtoffer 9] en die [slachtoffer 10] en die [slachtoffer 11] opgedrongen;

2.

hij op 17 maart 2014, te [pleegplaats 3], in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 2] telefonisch heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom morgen bij je langs op je kantoor, dan trek ik je achter het bureau weg en dan maak ik je dood";

3.

hij op 20 maart 2014, te [pleegplaats 5], in de gemeente Smallingerland, meermalen [slachtoffer 5] en medewerkers van [instantie 1] telefonisch heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak jullie allemaal dood, de kerk staat achter mij, ik word niet gepakt en ze komen er allemaal wel achter wat Jeugdzorg doet” en “je kan nu twee dingen doen of je verbreekt de verbinding of ik kom nu naar [instantie 1] toe en ik schiet je door je kop”;

4.

hij in de periode van 11 maart 2014 tot en met 24 maart 2014, te [pleegplaats 6], in de gemeente Aalburg, [slachtoffer 7] telefonisch heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 7] dreigend de woorden toegevoegd “ik ga je gijzelen en er komt een einde aan. Ik vat een mes. Ik snij je nek door of ik zie wel wat ik met je doe”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op 24 maart 2014, te [pleegplaats 1], in de gemeente Opsterland, [slachtoffer 8] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 8] via een e-mailberichten dreigend de woorden toegevoegd: “Donderstraal op ik hang je aan de hoogste boom, dat jij je langste tijd als arts gehad heb, het liefste pak ik jou maar de locatie is niet helemaal ideaal”;

en in de zaak met parketnummer 18/730012-15:

1.

hij in de periode van 24 maart 2014 tot en met 25 maart 2014 te [pleegplaats 5], in de gemeente Smallingerland, meermalen, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten: [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] respectievelijk een hoofdagent van politie en arrestantenverzorgers van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in diens tegenwoordigheid door feitelijkheden in het arrestantencomplex van politie, aldaar, in het gezicht, althans tegen het hoofd of op het lichaam heeft gespuugd of met urine in het gezicht heeft gegooid;

2.

hij op 26 maart 2014 te [pleegplaats 5], in de gemeente Smallingerland, opzettelijk beledigend [slachtoffer 12], psychiater, in diens tegenwoordigheid door feitelijkheden in het arrestantencomplex van politie, aldaar in het gezicht heeft gespuugd.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/730121-14:

1. Belaging, meermalen gepleegd;

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

5. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

in de zaak met parketnummer 18/730012-15:

1. Eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

2. Eenvoudige belediging.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Over verdachte zijn de volgende rapportages opgemaakt:

- Reclasseringsadvies Reclassering Nederland d.d. 2 februari 2015, voorbereiding TBS met voorwaarden (AANVULLING!! 28 JANUARI 2015);

- Reclasseringsadvies, voorbereiding TBS met voorwaarden (aanvulling!!), d.d. 1 december 2014;

- Reclasseringsadvies, voorbereiding TBS met voorwaarden d.d. 26 november 2014;

- Beknopt reclasseringsadvies voor schorsing, Reclassering Nederland, d.d. 24 oktober 2014;

- Reclasseringsadvies beknopt voor rechtszitting van Reclassering Nederland, d.d. 19 september 2014;

- Instantie: NIFP, locatie PBC d.d. 12 september 2014;

- Aanvullend psychologisch onderzoek pro justitia door D. Breuker, forensisch psycholoog, d.d. 15 augustus 2013;

- Psychologisch onderzoek pro justitia, door D. Breuker, forensisch psycholoog, d.d. 23 mei 2013;

- Aanvullend psychiatrisch onderzoek pro justitia door mw. K.N. Broek, psychiater en mw. A.P. van der Woerdt, psychiater en supervisor, d.d. 2 december 2013;

- Psychiatrisch onderzoek pro justitia, door mw. K.N. Broek, psychiater en mw. A.P. van der Woerdt, psychiater en supervisor, d.d. 9 augustus 2013;

- Reclasseringsadvies beknopt, rapport schorsing/raadkamer d.d. 28 maart 2014 en

- Trajectconsult d.d. 26 maart 2014.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 24 december 2013 tot en met 24 maart 2014 schuldig gemaakt aan belaging van diverse personen. De slachtoffers waren een eigenaresse van een webwinkel, twee exen van verdachte, een ex-schoonzus van verdachte en personen werkzaam bij advocatenkantoren, een notariskantoor, [instantie 1], de [instelling] en een huisartsenpost.

De belaging bestond uit vele telefoontjes en het sturen van e-mailberichten, sms-berichten, postpakketjes en Facebookberichten naar en over de betreffende personen.

Verdachte is tevens veroordeeld voor de bedreiging van een aantal van deze slachtoffers.

Door zo te handelen heeft verdachte ernstige en herhaalde inbreuken gemaakt op de persoonlijke vrijheid en integriteit van de slachtoffers. Zijn gedrag is niet alleen zeer vervelend maar ook beangstigend geweest voor een groot aantal van de slachtoffers.

Een aantal van deze personen heeft ook aangifte gedaan van bedreiging. De rechtbank acht deze bedreigingen ook bewezen.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar, arrestantenverzorgers en een psychiater door tegen hen aan te spugen of urine over hen heen te gooien. Dit gebeurde op het moment dat verdachte voor voorgaande feiten was aangehouden en zich in het arrestantencomplex bevond.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte eerder voor belaging van een aantal van dezelfde personen is veroordeeld.

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de persoon van verdachte.

Uit de rapporten van het PBC, de psychiaters en de psycholoog blijkt dat er bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en/of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Aan een exacte diagnose wordt gewerkt in de FPK alwaar verdachte sinds zijn schorsing op 30 oktober 2014 verblijft.

De ziekelijke stoornis en/of de gebrekkige ontwikkelingen hebben naar mening van de onderzoekers zijn gedragskeuzes en gedragingen in de ten laste gelegde periode in sterke mate beïnvloed. De deskundigen hebben allen geadviseerd om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van deze adviezen verenigen en neemt deze op dit punt over.

De deskundigen hebben zich ook allen uitgelaten over het herhalingsgevaar.

In het rapport van het PBC staat hierover het volgende. De agressiviteit heeft zich bij verdachte vooralsnog beperkt tot verbaal geweld. Er zijn op grond van dit onderzoek geen aanwijzingen voor een escalatie naar bijvoorbeeld meer fysiek agressief gedrag. De kans op herhaling van soortgelijk gedrag wordt als hoog ingeschat.

De psycholoog heeft aangegeven dat de kans op recidive als verhoogd aanwezig wordt geacht, omdat er op dit moment veel meer risicofactoren dan beschermende factoren aanwezig zijn.

De psychiaters hebben de kans op recidive wat betreft de belaging als licht tot matig ingeschat. Zij hebben hiertoe aangegeven dat door het verbleken van de eerder bij verdachte aanwezige depressie en het behandelen van de ADHD de kans op recidive hebben doen verlagen. In het begin van het jaar, toen verdachte nog depressief was, schatten zij de kans op recidive nog als hoog in.

De deskundigen hebben allen aangegeven dat het noodzakelijk is dat verdachte, al dan niet ambulant, wordt behandeld voor zijn stoornis(sen).

In het rapport van het PBC staat hierover het volgende.

Gelet op de bestaande motivatie voor een (klinische) behandeling en zijn (weliswaar beperkte) ziektebesef en -inzicht, in combinatie met de geschetste recidivebeoordeling, zou een forensisch psychiatrische behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel overwogen kunnen worden. Er worden hierbij echter inhoudelijke problemen verwacht. Zodra verdachte meer stabiliteit heeft verworven in de behandeling van zijn bipolaire-II-stoornis, zal naar alle waarschijnlijkheid de benodigde psychotherapeutische behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis gepaard gaan met problemen. De kans is groot dat het continueren van het noodzakelijke behandelcontact en het zich houden aan gestelde voorwaarden dan in het gedrang komt.

Het gevaar voor herhaling en de hardnekkigheid van de bij verdachte geschetste psychische problematiek, met het risico op een verdergaand maatschappelijk vastlopen van verdachte en een hieraan inherent gevaar voor incidenten, zou in beginsel de tbs-maatregel kunnen rechtvaardigen. Bij een tbs met voorwaarden zien de onderzoekers mogelijkheden om de verdere behandeling en begeleiding vorm te geven. De te verwachten problemen in de relatie tussen verdachte en zijn behandelaars kunnen dan in een breder behandelplan worden meegenomen en zo nodig worden ondervangen in de vorm van een klinische (crisis)opname.

Op grond van het voorgaande adviseren de onderzoekers om tbs met voorwaarden op te leggen.

Het advies van D. Breuker, forensisch psycholoog, houdt op dit punt onder meer het volgende in. Om de kans op herhaling te verkleinen wordt geadviseerd om verdachte als bijzondere voorwaarde een klinische behandeling op te leggen. Na deze klinische opname kan verdachte geplaatst worden naar een forensische polikliniek.

Het advies van K.N. Broek en A.P. van der Woerdt, beiden psychiater, houdt onder meer het volgende in. Het advies is om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als voorwaarde een behandeling in een ambulant forensische setting.

Uit de reclasseringsrapporten blijkt dat verdachte inmiddels een goede plek heeft gevonden bij de [kliniek]. Verdachte verblijft in deze kliniek zoals gezegd sinds zijn schorsing op 30 oktober 2014. Met vallen en opstaan verblijft verdachte sinds enige tijd op de [observatieafdeling]. Onder meer de kliniek en verdachte hebben aangegeven dat een klinische behandeling bij deze kliniek met daarna een ambulante behandeling passend lijkt te zijn voor verdachte.

De vraag die onder meer aan de reclassering is voorgelegd, is in welk kader dit het beste kan plaatsvinden. De voorgenomen klinische en ambulante behandeling zouden in het kader van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een (deels) voorwaardelijke straf, maar ook in het kader van een tbs met voorwaarden opgelegd kunnen worden.

In het laatste rapport van de reclassering (d.d. 2 februari 2015) is het volgende hierover beschreven. Uit het multidisciplinaire overleg van 27 januari 2015 bij de [kliniek] komt naar voren dat een langdurige klinische behandeling van in ieder geval 2 jaar is geïndiceerd. Ook zal er na deze behandeling een ambulante behandeling door verdachte gevolgd moeten worden. Dit alles zal dan moeten binnen het gedwongen kader. Het opnamebeleid van de [kliniek], voor mensen die in aanmerkingen zouden kunnen komen voor TBS met voorwaarden, is onlangs herzien. Om deze reden kan de [kliniek] betrokkene zowel binnen het kader van een bijzondere voorwaarde als een TBS met voorwaarden opnemen. De reclassering ziet voor beide vormen mogelijkheden om betrokkene binnen één van deze kader verder te gaan begeleiden. De reclassering blijft bij haar eerder uitgebrachte advies waarin is geadviseerd om de voorwaarden te koppelen aan een voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting heeft de reclasseringsmedewerker aangegeven dat verdachte sinds eind vorig jaar gemotiveerd is voor dit traject en zich hiervoor inzet.

De reclassering heeft in ditzelfde rapport een aantal voorwaarden geadviseerd.

De verdediging heeft aangegeven dat verdachte positieve stappen heeft gezet in de behandeling in de [kliniek] en dat dit niet doorkruist moet worden door een traject waarvoor hij niet gemotiveerd is, te weten tbs met voorwaarden.

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit, te weten belaging, een misdrijf is als omschreven in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

De rechtbank zal niet bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Wel zal de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de na te noemen voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte. Verdachte heeft zich bereid verklaard de voorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in het rapport van de reclassering d.d. 2 februari 2015, na te leven.

De rechtbank is - met de onderzoekers van het PBC en de officier van justitie - van oordeel dat het opleggen van dezelfde voorwaarden in het kader van bijzondere voorwaarden die worden gekoppeld aan een voorwaardelijke straf, onvoldoende waarborgen biedt.

Een eerder voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden heeft verdachte er immers ook niet van weerhouden om soortgelijke delicten te begaan.

Ook blijkt uit de rapporten van de reclassering dat een proeftijd van drie jaren, zoals wettelijke gezien mogelijk is, naar alle waarschijnlijkheid onvoldoende zal zijn om de noodzakelijke klinische en ambulante behandeling in af te ronden: er wordt een langdurige behandeling voorspeld. Op dit moment bevindt verdachte zich nog in de fase waarin hij wordt geobserveerd en heeft de geschatte klinische behandeling van twee jaar nog geen aanvang genomen.

Een vervangende gevangenisstraf acht de rechtbank niet wenselijk, omdat verdachte dan onbehandeld weer vrij zou kunnen komen. De rechtbank acht het vangnet van de maatregel, zoals ook geschetst door het PBC, tevens noodzakelijk. Mocht verdachte zich eventueel tijdelijk niet aan de voorwaarden kunnen houden, dan kan dit binnen de maatregel beter worden opgevangen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en zal overeenkomstig zijn eis een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest opleggen, alsmede de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Gelet op de ernst van de problematiek van verdachte en het geconstateerde recidivegevaar zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden gelasten. De rechtbank zal tevens het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen, zodat de maatregel onmiddellijk een aanvang neemt.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/730121-14 onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de gestelde materiële schade overweegt de rechtbank het volgende.

De benadeelde partij stelt dat zij ten gevolge van het handelen van verdachte sinds 5 maart 2014 een aantal coachingsessies heeft doorlopen.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat uit de aangifte blijkt dat het vanaf 10 maart 2014 'mis ging' en dat daarom het causale verband tussen de handelingen van verdachte en de coachingsessies onvoldoende vaststaat.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de benadeelde partij eerder aangifte heeft gedaan van belaging. Dit zou al zijn begonnen in 2012. Ten aanzien van de ten laste gelegde periode acht de rechtbank bewezen dat de belaging een aanvang heeft genomen op 12 januari 2014. Er bevindt zich immers een e-mail van verdachte van die datum in het dossier (vanaf pagina 193).

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gestelde materiële schade - met uitzondering van de gevorderde BTW ad € 665,50, nu dit bedrag door de benadeelde verrekend kan worden - voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

[verbalisant 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/730012-15 onder 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van beide vorderingen af te zien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, nu verdachte zelf niet in staat is om zijn financiën te beheren en het gezien zijn wankele psyche niet wenselijk is dat verdachte op enig moment de vervangende hechtenis zou moeten ondergaan.

De rechtbank ziet in voorgaande geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De enkele onderbouwing dat verdachte wellicht niet in staat zal zijn om aan deze verplichting te voldoen en daardoor de vervangende hechtenis zal moeten ondergaan, is naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd. Bovendien staat daartegenover het belang van de benadeelde: het herstel van de rechtmatige toestand.

De rechtbank acht derhalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 57, 266, 267, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730121-14 onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730012-15 onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld voor de duur van twee jaren en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. de veroordeelde verleent, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

2. de veroordeelde zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

3. de veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland;

4. de veroordeelde zal in de [kliniek] of een soortgelijke instelling behandeld worden, zolang de reclassering dit in overleg met de instelling noodzakelijk acht;

5. de veroordeelde laat zich na de klinische opname behandelen door de Forensische Poli van de [instelling] Drenthe of Friesland of een soortgelijke instelling met een passende dagbehandeling van de [instelling] Drenthe of Friesland als de reclassering dit nodig acht;

6. tenzij de reclassering of de kliniek hiervoor toestemming geeft onthoudt de veroordeelde zich van contact (telefonisch, per post, per e-mail of in elkaars nabijheid) - voor zolang de reclassering dit nodig acht - met de volgende personen: medewerkers van [advocatenkantoor 1], medewerkers van de [instelling] Friesland, medewerkers van [advocatenkantoor 2] (waaronder [slachtoffer 2]), medewerkers van [notariskantoor] (waaronder de notaris [slachtoffer 3]), medewerkers van [instantie 1] Friesland (waaronder de medewerkers [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]), [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] (medewerker van [huisartsenpraktijk]), [slachtoffer 9], [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11].

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.900,00 (zegge: drieduizendennegenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 3.900,00 (zegge: drieduizendennegenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 49 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 3.150,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 4], te betalen een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 300,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. E.G.C. Groenendaal, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2015.

Mr. Groenendaal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

de Vries-Haitsma

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730121-14

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730012-15

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 6 februari 2015

Tegenwoordig:

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. E.G.C. Groenendaal, rechters, en

mr. E. de Vries-Haitsma, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. J. Houwink.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats],

thans verblijvende te [verblijfplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

Tevens is verschenen de deskundige K.J. Kooistra, reclasseringsmedewerker.

Daarnaast zijn verschenen de benadeelde partij [verbalisant 4], bijgestaan door [persoon 8] en de benadeelde partij [slachtoffer 3].

……

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 20 februari 2015 te 13:00 uur.

Verdachte doet afstand van zijn recht bij de uitspraak van het vonnis aanwezig te zijn.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.