Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:809

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
C/17/135460/HA ZA 14-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongerechtvaardigde verrijking van achtergebleven samenwonen m.b.t. bankrekeningen van erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/135460 / HA ZA 14-266

Vonnis van 25 februari 2015

in de zaak van

1 [eiseres 1],

wonende te Achlum,

2. [eiseres 2],

wonende te Amstelveen,

3. [eiseres 2],

wonende te Amstelveen,

eisers,

advocaat mr. A. van der Pol te Leeuwarden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Drachten,

gedaagde,

advocaat mr. D.P. van der Veer te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [cc] en [ccc] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres 1] is de dochter van [aaaa] (hierna: erflater) die op 9 maart 2005 is overleden. Erflater is getrouwd geweest met [bbb] die op 12 februari 1992 is overleden.

2.2.

Uit het huwelijk tussen erflater en [bb] zijn twee kinderen geboren, [eiseres 1] en [oo]. [eiseres 2] en [eiseres 2] zijn de kinderen van [oo]. [oo] is op 4 september 2004 overleden.

2.3.

Erflater heeft op 15 mei 1996 een samenlevingsovereenkomst gesloten met [gedaagde]. De samenlevingsovereenkomst bevat onder meer een verblijvensbeding ter zake van gemeenschappelijke bezittingen.

2.4.

Bij deze rechtbank is tussen partijen een procedure (met zaak-/rolnummer [mm]) aanhangig geweest met betrekking tot de uitkering die [ccc] op grond van het verblijvensbeding aan [cc] moest doen. In die procedure hebben partijen onder meer gedebatteerd over de vraag of de tot de nalatenschap van erflater behorende rekeningen al dan niet gemeenschappelijke rekeningen waren. Bij eindvonnis van 5 maart 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat het saldo ad € 5.215,- op de bankrekening bij de Postbank met nummer 462.1033 en het saldo ad € 71.380,- op de bankrekening bij de Rabobank met nummer 33.47.47.032 aan [cc] toekomen. Dit eindvonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.5.

[cc] hebben hierna [ccc] gesommeerd om tot betaling van het totaalbedrag van de banksaldi ad € 76.595,- over te gaan. Aan deze sommatie is geen gehoor gegeven.

3 De vordering

3.1.

[cc] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [ccc] veroordeelt tot betaling aan [cc] van het verschuldigde bedrag van € 76.595, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

2. [ccc] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, begroot op € 1.540,95;

3. [ccc] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

[ccc] voert verweer, met conclusie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [cc] niet-ontvankelijk verklaart, dan wel de vordering(en) afwijst, met veroordeling van [cc] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

[cc] legt - samengevat - het volgende aan de vordering ten grondslag.
[ccc] heeft zich de saldi van de onderhavige bankrekeningen, zijnde een bedrag van in totaal € 76.595,- toegeëigend, waardoor er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Van goede trouw aan de zijde van [ccc] is geen sprake. Al in 2006 is zij benaderd door de financieel adviseur van [cc] in verband met de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Vanaf dat moment diende zij rekening te houden met een eventuele vordering van [cc] en diende zij de gelden niet uit te geven. [ccc] heeft er voorts niet op mogen vertrouwen dat zij gerechtigd was tot het saldo van de en/of-rekening; zij heeft deze rekening zelf gevoed met pensioengelden van erflater en over de door [ccc] gedane stortingen is in de eerder gevoerde procedure al ten gunste van [cc] geoordeeld. Subsidiair stelt [cc] zich op het standpunt dat [ccc] inbreuk heeft gemaakt op het vermogensrecht van [cc], waardoor er sprake is van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).

4.2.

Volgens [ccc] is van een ongerechtvaardigde verrijking geen sprake. De bankrekening bij de Rabobank met nummer 33.47.47.032 stond op naam van zowel erflater als [ccc], zodat [ccc] zonder toestemming van erflater over het saldo kon beschikken. Gezien door haarzelf gedane stortingen op deze rekening mocht zij erop vertrouwen dat zij tot het saldo gerechtigd was. Daarnaast is in de samenlevingsovereenkomst bepaald dat de gemeenschappelijke bank- en/of girorekening mede-eigendom van haar en erflater is. [ccc] heeft de gelden van deze bankrekening ten behoeve van levensonderhoud gebruikt in een periode waarin zij geen rekening heeft hoeven houden met een vordering van [cc] Pas na 26 juli 2010 heeft zij van die vordering kennis genomen en eerst met het eindvonnis van 5 maart 2014 is duidelijkheid over de gegrondheid daarvan gekomen. De vermogensverschuiving is daarom gerechtvaardigd geweest. Volgens [ccc] is van een onrechtmatige daad geen sprake; door [cc] is niets gesteld over de toerekenbaarheid.

4.3.

De rechtbank constateert dat [ccc] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering met betrekking tot het saldo ad € 5.215,- op de bankrekening bij de Postbank met nummer 462.1033, welke rekening - blijkens r.o. 2.2.1 van het in de eerder gevoerde procedure gewezen eindvonnis van 5 maart 2014 - een rekening uitsluitend op naam van erflater was. In zoverre ligt de vordering reeds daarom voor toewijzing gereed.

4.4.

De rechtbank stelt bij de verdere beoordeling het volgende voorop. De grondslag van artikel 6:212 BW rust op het beginsel dat vermogensvermeerderingen die een rechtvaardiging missen door de rechtsorde, niet kunnen worden geduld en moeten worden teruggedraaid. Voor het toewijzen van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking moet aan een viertal eisen zijn voldaan. Er moet sprake zijn van een verrijking, van een verarming, er moet causaal verband bestaan tussen verrijking en verarming en de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.

4.5.

De verarming van [cc] is evident. Met de eerder gevoerde procedure is tussen partijen onherroepelijk vast komen te staan dat het saldo ad € 5.215,- op de bankrekening bij de Postbank met nummer 462.1033 en het saldo ad € 71.380,- op de bankrekening bij de Rabobank met nummer 3347.47.032 aan [cc] toekomen. Ook de verrijking van [ccc] is duidelijk, nu niet ter discussie staat dat zij met de saldi haar levensonderhoud heeft bekostigd. Ook bestaat er naar het oordeel van de rechtbank voldoende verband tussen verrijking en verarming. De rechtbank acht de verrijking van [ccc] tot slot ongerechtvaardigd, omdat daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. Op [cc] rust geen verplichting om de achtergebleven levenspartner, met wie zij geen bloed- of aanverwantschap hebben, financieel te onderhouden of te verzorgen. Voorts is [ccc] geen erfgenaam en heeft zij - zoals inmiddels onherroepelijk vaststaat - op grond van de samenlevingsovereenkomst ook geen recht op de saldi van de onderhavige rekeningen. Het enkele feit dat zij niettemin in de veronderstelling heeft verkeerd wel daartoe gerechtigd te zijn, behoort tot haar risicosfeer en maakt de verrijking nog niet gerechtvaardigd.

4.6.

Nu aan de vier gestelde eisen is voldaan, is [ccc] in beginsel verplicht [cc] diens schade te vergoeden. In dat kader zijn echter drie plafonds gesteld. De vergoeding gaat niet verder dan het bedrag van de verrijking en ook niet verder dan de verarming. Een derde grens is gelegen in de redelijkheid. De rechtbank vat het verweer van [ccc] ook zo op dat toewijzing van de gevorderde schadevergoeding niet redelijk zou zijn omdat zij vanwege haar pas achteraf onjuist gebleken veronderstelling, geen fondsen heeft opgebouwd. [ccc] heeft echter niet gesteld dat zij bij een gehele of gedeeltelijke toewijzing van de vordering in financiële problemen komt, noch heeft zij haar huidige vermogenstoestand met financiële gegevens en verifieerbare stukken onderbouwd, terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden. De rechtbank acht toewijzing van de gevorderde schadevergoeding dan ook redelijk. Ten overvloede wordt opgemerkt dat
volgens haar eigen stellingen hooguit tot de helft van de (gemeenschappelijke) rekeningen gerechtigd was. Kennelijk is er van de saldi niets meer over. In dat geval klopt de stelling van [ccc] dat zij helemaal geen rekening met een vordering van [cc] hoefde te houden, dus niet.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de hoofdsom zal worden toegewezen. De overige stellingen en weren van partijen kunnen gelet hierop onbesproken blijven.

4.8.

[cc] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en ter zake daarvan een bedrag gevorderd. [cc] heeft die kosten niet gespecificeerd terwijl evenmin is gebleken dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

4.9.

[ccc] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [cc] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 93,80

- vast recht € 868,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.749,80

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [ccc] om aan [cc] te betalen een bedrag van € 76.595,00 (zesenzeventig duizendvijfhonderdvijfennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 18 juni 2014, zijnde de dag der dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [ccc] in de proceskosten, aan de zijde van [cc] tot op heden vastgesteld op € 2.749,80;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.

588.