Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:738

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
18.820018-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal in vereniging; 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/820018-15 en 18/830231-13 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. Ariese.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2015, te [pleegplaats], althans in de gemeente

Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [straat]

weg te nemen een televisietoestel en/of andere goederen die van

zijn/hun gading zouden blijken te zijn, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te

nemen televisietoestel, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, bij de woning heeft

aangebeld en/of aangeklopt, teneinde na te gaan of de bewoner(s) zich in de

woning bevond(en) en/of

(vervolgens) heeft getracht een (boven)raam te openen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 30 januari 2015 afgelegd.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2015, opgenomen op pagina 63 e.v. van dossiernummer 2015015645, van Politie eenheid Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 16 januari 2015, te [pleegplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat] weg te nemen een televisietoestel geheel toebehorende aan [slachtoffer],

en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en dat weg te nemen televisietoestel, onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming,

met zijn mededader, bij de woning heeft aangebeld en aangeklopt, teneinde na te gaan of de bewoner(s) zich in de woning bevond(en) en (vervolgens) heeft getracht een (boven)raam te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf dienen de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en ambulante behandeling te worden verbonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een werkstraf dan wel een voorwaardelijke straf waaraan de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en behandeling bij de AFPN kunnen worden verbonden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander geprobeerd om via een bovenraam een woning binnen te komen met als doel de televisie die in de woning stond te stelen. Doordat de politie, na een melding daartoe, ter plaatse is gekomen, is het bij een poging gebleven. Verdachte is, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat verdachte al meer dan een jaar niet meer met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte, nu het naar zijn eigen zeggen goed met hem gaat, wederom een strafbaar feit pleegt. Met name nu hij de zorg voor zijn minderjarige dochter heeft die bij hem woont. Gezien het vorenstaande acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de na te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden. Bij het vaststellen van de bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank het door de deskundige ter terechtzitting gedane advies in aanmerking genomen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 november 2013, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 27 november 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 23 januari 2015 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd een maand van de tenuitvoerlegging om te zetten in een werkstraf en met betrekking tot de andere maand de proeftijd te verlengen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld zich te kunnen vinden in de door de officier van justitie ter terechtzitting gedane vordering. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het niet in het belang van verdachte is dat hij de gevangenis in gaat, aangezien het erg goed met hem gaat. Daar komt bij dat de dochter van verdachte bij hem woont en het niet wenselijk is dat zij ergens anders moet gaan wonen.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde feit door verdachte is begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 12 november 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig een taakstraf te gelasten in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven. Aangezien verdachte voor het bewezen verklaarde feit een voorwaardelijke gevangenisstraf krijgt opgelegd met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden, ziet de rechtbank aanleiding om -anders dan door de officier van justitie gevorderd- de volledige twee maanden om te zetten in een taakstraf van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 14g, 22c, 22d, 45, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen en zich hierna blijft melden zolang en zo frequent de reclassering dit tijdens de proeftijd noodzakelijk acht;

 dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van twee jaar onder behandeling zal stellen van de AFPN of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Assen d.d. 12 november 2013.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J.J. Schoemaker, rechters, bijgestaan door mr. L.J. van der Heide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2015.