Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:683

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 3656, 13_3659
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:215, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Omzetcorrecties en correctie vrijval schuld terecht. Omkering bewijslast. Boete terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0521
NTFR 2015/946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 13/3656 en 13/3659

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 februari 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2005 met dagtekening 26 juli 2013 aan eiseres een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.144 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.639. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 7.477 aan heffingsrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder gelijktijdig met dit besluit bij beschikking een verzuimboete van € 68 aan eiseres opgelegd en een vergrijpboete van € 4.168.

Voor het jaar 2007 heeft verweerder met dagtekening 3 augustus 2013 aan eiseres een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 539.443. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 55.934 aan heffingsrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder gelijktijdig met dit besluit bij beschikking een vergrijpboete van € 26.973 aan eiseres opgelegd.

Bij uitspraken op bezwaar van 11 november 2013 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen geregistreerd onder de zaaknummers 13/3656 (de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005) en 13/3659 (de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken en een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] en [naam].

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres, geboren op [dag-maand] 1946, is gehuwd met de heer [X] ([X]).

1.2.

Eiseres exploiteerde in de onderhavige jaren in de vorm van een eenmanszaak een onderneming onder de naam [Q] ([Q]). De ondernemingsactiviteiten bestonden uit beurshandel, handel in vuurwerk en winkelverkoop. De winkelverkoop vond plaats vanuit het pand [b-weg #] te [C] (pand [b-weg]) onder de handelsnaam [handelsnaam 1], zoals op de gevel van dit pand staat vermeld. Naar buiten toe trad ook [X] op namens [Q].

1.3.

Het pand [b-weg] is eigendom van [X]. [X] heeft dit pand bij notariële akte van 12 februari 2003 gekocht voor een bedrag van € 204.201,10.

1.4.

[Z] Holdings Limited ([Z]) heeft in 1982 het pand [a-weg #] te [C] (het pand [a-weg]) gekocht voor circa ƒ 400.000 (€ 180.000).

1.5.

[Z] is opgericht op 28 februari 1980 en geregistreerd op Isle of Man. [Z] had een aandelenkapitaal van 2.000 Engelse ponden, verdeeld over een tweetal aandelen van elk 1.000 pond. Deze aandelen waren in bezit van [A] en [B], beiden woonachtig op Isle of Man. Het aandeel van [B] is in 2005 overgenomen door [D]. Per 30 maart 2007 is dit aandeel overgegaan naar [R] Limited, gevestigd op Isle of Man. Na diens overlijden in 2007 is ook het aandeel van [A] overgedragen aan [R] Limited. [X] noch eiseres is aandeelhouder of formeel bestuurder geweest van [Z]. [Z] is in 2010 opgehouden te bestaan.

1.6.

[Z] heeft het pand [a-weg] na aankoop volgens een op 8 februari 1982 met [X] gesloten huurovereenkomst voor een periode van 25 jaar aan [X] verhuurd voor een bedrag van ƒ 1.500 per maand. Volgens artikel 9 van deze huurovereenkomst had [X] het recht om het pand [a-weg] op ieder moment van [Z] over te nemen tegen de oorspronkelijke aankoopprijs. [X] heeft nimmer van dit recht gebruik gemaakt.

1.7.

[X] heeft het pand [a-weg] tot het einde van de jaren ’80 gebruikt. Hoewel het onder 1.6 bedoelde huurcontract nimmer is opgezegd, heeft [Z] het pand vervolgens aan een ander verhuurd. Bij deze nieuwe huurder is brand ontstaan in het pand [a-weg].

1.8.

Bij notariële akte van 10 mei 2004 heeft [X] in zijn hoedanigheid van gevolmachtigd general manager van [Z] het pand [a-weg] verkocht aan de op dat moment zittende huurder [P] voor een bedrag van € 635.292. De boekwaarde van het pand was € 82.609.

1.9.

Op 7 februari 2007 heeft [X] met [A], handelend als lasthebber van [Z], een koopovereenkomst gesloten. Volgens deze koopovereenkomst heeft [X] het pand [b-weg] verkocht aan [Z] voor een koopsom van € 1.200.000. In de koopovereenkomst is [X] aangeduid als verkoper en [Z] als koper. Ten aanzien van de betaling van de koopsom is in de koopovereenkomst het volgende vermeld:

Een geldlening met koper als schuldeiser en verkoper en diens echtgenote [eiseres] als schuldenaren, met hypothecaire zekerheid gevestigd op het woon-/werkobject [c-weg #] te [C], pro resto groot, bedrag van € 265.460,-- (tweehonderdvijfenzestigduizendvierhonderdzestig euro), wordt bij het tot stand komen van de onderhavige overeenkomst geacht volledig te zijn afgelost, waarbij koper zich verplicht om de hypothecaire inschrijving ter zake door te halen.

Koper betaalt aan verkoper na het tot stand komen van de onderhavige overeenkomst contant een bedrag van € 180.000,-- (eenhonderdtachtigduizend euro) , zulks binnen één week na verzoek van koper.

Een geldlening met koper als schuldeiser en de echtgenote van verkoper, te weten [eiseres] ([Q]) als schuldenaar, pro resto groot, bedrag van € 354.540,-- (driehonderdvierenvijftigduizend vijfhonderdveertig euro) , wordt bij het tot stand komen van de onderhavige overeenkomst geacht volledig te zijn afgelost.

Het restant bedrag, groot € 400.000,-- (vierhonderdduizend euro) wordt door koper voldaan bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht.”.

Partijen zijn verder onder meer overeengekomen:

“9.5 Bij ontbinding van de koopovereenkomst door koper, kunnen de hiervoor vermelde reeds door koper vooruit betaalde bedragen ad € 265.460,--, € 180.000,-- en 354.540,-- niet door koper worden teruggevorderd en is verkoper evenmin gehouden deze bedragen aan koper terug te betalen.”.

Deze overeenkomst is zowel door [X] als door [A] ondertekend.

1.10.

In het kader van de Wet waardering Onroerende zaken is het pand [b-weg] ultimo 2007 gewaardeerd op € 440.000.

1.11.

[X] heeft het pand [b-weg] nimmer aan [Z] geleverd.

1.12.

In de jaarrekening voor het jaar 2004 van [Q] staat een schuld vermeld van
€ 593.988 aan [Z]. Vanaf 2005 staat deze schuld niet langer vermeld in de jaarrekening van [Q]. Eiseres’ accountant heeft deze schuld als een privé-storting weggeboekt. Voor het jaar 2006 heeft de accountant deze schuld in de aangifte van [X] bij het bepalen van diens inkomen uit sparen en beleggen als schuld in aanmerking genomen. Voor het jaar 2007 heeft de accountant dit ook zo gedaan, maar dan alleen bij de bepaling van [X] beginvermogen. In de jaarrekeningen voor de jaren 2005 en 2006 van [Z] was de schuld van [Q] aan [Z] nog wel steeds opgenomen. Deze schuld bedroeg ultimo 2005
€ 571.866 en ultimo 2006 € 614.033. In het jaar 2007 is deze schuld op basis van de onder 1.9 bedoelde overeenkomst kwijtgescholden.

1.13.

Eind 2008 heeft [L] B.V. een vuurwerkverkooppunt geëxploiteerd in (een deel van) de bedrijfsruimte van[Q] in het pand [b-weg]. [X] heeft tijdens de voorverkoop gedurende de jaarwisseling 2008/2009 hulp geboden bij de verkoop van vuurwerk door [L] B.V. De verkoopopbrengst is op de rekening van [X] gestort en zou achteraf naar de rekening van [L] B.V. worden overgemaakt. In de loop van januari 2009 heeft [X] een bedrag van € 35.000 overgemaakt naar de rekening van [L] B.V. Tussen [X] en [L] B.V. is onenigheid ontstaan over de hoogte van de door [X] af te dragen verkoopopbrengst. [L] B.V. heeft daartoe bij de civiele rechter gevorderd dat [X] wordt veroordeeld om aan haar te betalen een bedrag van € 92.727,45. In het kader van de civiele rechtszaak heeft [H] registeraccountants een rapportage opgesteld over de goederenbeweging van het vuurwerk. Volgens deze rapportage volgt dat de theoretische omzet vuurwerk
€ 92.300 bedraagt en de verantwoorde omzet vuurwerk € 70.085 bedraagt. De rechtbank heeft in deze zaak op 2 juni 2010 vonnis gewezen. In dit vonnis staat onder het kopje “2. De feiten” onder 2.1 vermeld:

“[X] (ook wel handelend onder de naam [Q]) is eigenaar van een pand staande en gelegen aan de [b-weg] 1 te [C]. [X] verkocht iedere jaarwisseling vanuit dit pand vuurwerk””.

1.14.

In het jaar 2000 is er een bedrag van € 265.000 vanuit Spanje gestort op [X] bankrekening bij de bank Bercoop. Dit bedrag is door de toenmalige accountant op de kapitaalrekening van [Z] verantwoord.

1.15.

Verweerder heeft 24 augustus 2010 boekenonderzoeken ingesteld bij eiseres, [X] en [Z] naar de “onroerend goed transacties [a-weg], “Spanje”, [c-weg] en [b-weg]”. Van deze boekenonderzoeken heeft verweerder op 10 augustus 2011 (concept)rapporten opgemaakt.

1.16.

Verweerder heeft tijdens het bij eiseres ingestelde boekenonderzoek geconcludeerd dat de administratie van eiseres niet voldoet aan de eisen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Verweerder heeft dit vastgesteld in een door hem ten aanzien van eiseres met dagtekening 7 september 2011 genomen informatiebeschikking met betrekking tot onder meer de aangiften IB/PVV voor de jaren 2005 en 2007. Hierin heeft verweerder vermeld:

“Naar aanleiding van het bij u ingestelde boekenonderzoek met betrekking tot uw aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting voor de jaren 2005 tot en met 2008 heb ik geconstateerd dat, gelet op de aard van de bedrijfsuitoefening, uw administratie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Vanuit de inkopen en verklaringen blijken er allerlei samenwerkingsverbanden voor diverse detailhandelsactiviteiten (fietsenhandel, beddenzaak, vuurwerk). De opbrengst en verdeling van deze verbanden zijn niet vastgelegd. Van uitgereikte facturen is geen aantekening gehouden zodat opbrengsten gemist zijn. Tevens ontbreekt een deugdelijke kasadministratie. Het kassaldo is regelmatig negatief en er is geen enkle vorm van kascontrole. In de reeds uitgereikte conceptrapporten heb ik aangegeven dat ik uw administratie verwerp en dat ik een theoretische omzetberekening heb gemaakt.”.

Het door eiseres tegen deze informatiebeschikking ingestelde bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 28 maart 2012 afgewezen. De rechtbank heeft het door eiseres tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.17.

Onder het kopje “4.1 Bedrijfsopbrengsten” staat in het rapport van het boekenonderzoek betreffende eiseres en [X] het volgende vermeld:

“De schuld van de eenmanszaak aan de Limited ad € 614.033 wordt in het jaar 2007 volledig kwijtgescholden op grond van een gesloten overeenkomst (zie ook hoofdstuk.3.3). Deze zakelijke schuld van € 614.033 te samen met de hiervoor genoemde hypotheekschuld aan de Limited van € 186.050 vormen samen de in de overeenkomst bedoelde “vooruitbetaling” van € 800.000.

Correctie ;vrijval schuld aan Limited € 614.033”

1.18.

In het door verweerder opgemaakte rapport van het boekenonderzoek betreffende eiseres en [X] staat onder het kopje “4.4 Vuurwerk” het volgende vermeld:

De heer [X] heeft duidelijk kunnen maken dat de verkoop van het vuurwerk veelal in samenwerking met een derde heeft plaatsgevonden. Tot en met het jaar 2004 samen met de heer [P], de uitbater van de sportschool in het pand aan de [a-weg]. De overeenkomst maakt melding van een voor gezamenlijke rekening en risico te houden verkoop met een gelijke verdeling van de opbrengst. Voor de jaren 2005 tot en met 2007 zou eveneens met een derde zijn samengewerkt. Opbrengsten zijn niet afzonderlijk zichtbaar in de administratie. Deze zouden moeten zijn begrepen in het totaal van de contante- en pinontvangsten. Opgemerkt wordt dat de heer [X], bij een voorgenomen verkoop van het pand aan de [b-weg], melding maakt van buitengewoon lucratieve verkopen vuurwerk in de jaren 2005 en 2006 en hij hoopt dan voor 2007 een net zo succesvol jaar te hebben. Hij doet de beoogde koper ook een toezegging over uitbreiding van de opslag van 10.000 kg naar 50.000 kg. Deze uitbreiding is er tot dusver overigens niet gekomen. In het jaar 2008 zou de verkoop geheel voor rekening van [O] ([handelsnaam 2]) plaatsvinden. Uit de rapportage van de verkoop in 2008 blijkt dat er theoretisch vanuit de locatie [b-weg] met een voorraad van 10.000 kg zeker € 100.000 omzet is te genereren.

Met laatstgenoemde partij ([O]) is onenigheid ontstaan over de opbrengst van het vuurwerk. Na een rechtszitting heeft de rechtbank partijen verzocht de opbrengst door een onafhankelijke partij te laten vaststellen. Partijen hebben zich gewend tot accountantskantoor [H] (hierna [H]). [H] heeft geconcludeerd dat de omzet 2008 theoretisch ruim € 90.000 is en dat de verantwoorde omzet ruim € 70.000 is. Van deze verantwoorde omzet zou ongeveer € 60.000 bij [Q] zijn binnengekomen. [Q] heeft van deze € 60.000 een bedrag van € 35.000 betaald aan [O] en het restant ad € 25.000 achtergehouden in verband met gemaakte kosten. Uit de rapportage blijkt dat de regie rond de verkopen in handen is van de heer [X] (hij regelt personeel en voorzieningen).

[H] maakt duidelijk dat er verder diverse onzekerheden blijven bestaan over de volledige omvang van de opbrengst.

De rechtbank heeft onlangs vonnis gewezen in deze zaak en concludeerde dat in de onderlinge verdeling van de gelden/vorderingen geen verschillen van betekenis zitten. In dit vonnis wordt als feit (zie punt 2.1) opgenomen dat de heer [X] (ook wel handelend onder de naam [Q]) vanuit dit pand iedere jaarwisseling vuurwerk verkocht .

In de administratie van [Q] zijn opbrengsten van vuurwerk niet zichtbaar. Deze zouden moeten zijn begrepen in de periodiek geboekte contante- en pinontvangsten. Voor het jaar 2008 is slechts € 900 omzet geboekt. Dit betreft enkele verkopen van beursartikelen zodat vaststaat dat er geen opbrengsten vuurwerk zijn verantwoord. Ook bij een voorgaande controle is reeds geconstateerd dat contante aankopen zijn gefinancierd uit niet geboekte vuurwerkontvangsten. Gezien de bevindingen van [H] zal de jaarlijkse omzet minimaal
€ 75.000,-- bedragen.

Als ook vast staat dat in elk geval van het jaar 2008 een belangrijk deel ad € 35.000 is afgestaan aan de mede-exploitant zal er altijd nog een omzet van € 40.000 per jaar resteren. Het niet afstaan van een deel van de opbrengst, omdat dit tegenover de kosten zou staan, zou moeten betekenen dat dit deel in de omzet had moeten komen dan wel dat de kosten zouden moeten worden gecorrigeerd. De kosten zijn namelijk, in elk geval deels, voor rekening van de onderneming geboekt. De stortingen rond deze dagen op de privé-rekening zijn meer dan waarschijnlijk een deel van de contante ontvangsten vuurwerk. Bij een gedeelde opbrengst zal hier toch minimaal een opbrengst van € 20.000 per jaar aan belastingplichtige zijn toe te rekenen. De heer [X] geeft aan dat hij voor het seizoen 2010 de exploitatie geheel voor eigen rekening en risico wil voeren.

Correctie voor de jaren 2005 t/m 2008 ieder jaar;

Privé € 20.000

Aan Omzetbelasting € 3.194

Aan omzet vuurwerk € 16.806”.

1.19.

Onder het kopje “4.5 Winkelverkoop [b-weg].” staat in het rapport van het boekenonderzoek betreffende eiseres en [X] het volgende vermeld:

“De handelsnaam, [handelsnaam 1], staat op de gevel van het pand [b-weg]. Dit pand is eigendom van de heer [X]. In de jaren 2005 tot heden hebben er vanuit dit pand, in diverse samenwerkingverbanden, winkelverkopen plaatsgevonden (onder meer matrassen en fietsen). Volgens verklaring werd dit volledig uitbesteed aan derden. De laatste jaren (vanaf 2008) zouden de winkelverkopen zijn gestopt en staat dit gedeelte van het pand leeg. In voorgaande jaren (2005 t/m 2007) zijn voor deze winkelactiviteiten inkopen via de onderneming van [Q] geboekt. Een camper zou zijn verkocht tegen ruil van een partij fietsen. Zowel voor de matrassen als de fietsenhandel zijn partijaankopen bij [Q] als inkoop geboekt. Van (door)verkoop hiervan is niets zichtbaar. Het is aannemelijk dat belastingplichtige heeft kunnen delen in de opbrengsten dan wel een vergoeding moet hebben ontvangen voor de door haar ingebrachte inkopen en/of arbeid. Ik zal dit aandeel voorzichtigheidshalve stellen op jaarlijks € 10.000,--

Correctie voor de jaren 2005 t/m 2008 ieder jaar;

Privé € 10.000

Aan Omzetbelasting € 1.596

Aan Omzet winkel € 8.404”

1.20.

Onder het kopje “4.6 Privé-stortingen” staat in het rapport van het boekenonderzoek betreffende eiseres en [X] onder meer het volgende vermeld:

“In het jaar 2005 zijn er verschillen in de kruisposten en verzekeringsuitkering als privé-storting geboekt. (…) Een verzekeringsuitkering ad € 47.500 als gevolg van inbraakschade is geheel geboekt als privé-storting. Bij de inbraak zijn zowel uit de bedrijfsloods(gereedschappen) als uit de woning(violen/postzegelverzameling) zaken gestolen. De schade-uitkering ziet dus zowel op zakelijke als privé-schade. Zonder verdere verdeling stel ik voor deze verdeling op 50/50 te schatten. Dit is een correctie van € 47.500 x 50% = € 23.750,--

Correctie 2005;

Privé € 23.750

Aan bijzonder bate € 23.750

(…)”.

1.21.

In het rapport van het boekenonderzoek betreffende eiseres en [X] heeft verweerder onder het kopje “Vergrijpboetes inkomstenbelasting” het volgende vermeld:

“Over de correcties genoemd onder punt 4.1 t/m 4.5 zullen wij naast de aanslag een vergrijpboete ingevolge artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 opleggen.

In zijn algemeenheid, en onder verwijzing naar het geconstateerde onder punt 4.2 t/m 4.5 van het rapport, kan worden gesteld dat er (wederom) een diversiteit aan gebreken in de administratie is aangetroffen. Deze gebreken zijn van een dergelijke aard en omvang dat de administratie niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. Belanghebbende had, gezien de gebrekkige administratieve organisatie, redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn handelswijze zou kunnen leiden tot het betalen van te weinig belasting. Als zodanig is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

Gezien het feit dat de beboetbare gedragingen voortvloeien uit eenzelfde feitencomplex, zal de boete voor de inkomstenbelasting worden gematigd van 25% naar 15%.

Bij de correctie genoemd onder 4.1 is sprake van grove schuld. De eenmanszaak van belanghebbende, mevrouw [eiseres], had ultimo 2006 een schuld van € 614.033 aan [Z] Holding Ltd. Op instructie van belanghebbende is door de adviseur deze schuld weggeboekt. Hierdoor is de verplichting aan de limited komen te vervallen, hetgeen als bijzondere bate in het resultaat had moeten worden opgenomen. De schuld is in 2006 echter overgeboekt naar box 3 bij de echtgenoot van belanghebbende, alwaar deze in 2007 is komen te vervallen, zonder dat er belastingheffing over heeft plaatsgevonden. Door voorgaande handelswijze, geïnitieerd door belanghebbende, is over een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag belastingheffing achterwege gebleven. Belanghebbende had dan ook redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat deze handelswijze tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden betaald. Gezien voorgaande, en mede onder verwijzing naar het uitvoerige feitenrelaas dienaangaande in dit rapport, is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Gelet op de wanverhouding tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete wordt de boete hier gematigd van 25 % naar 10 %.”.

1.22.

Verweerder heeft eiseres uitgenodigd om voor het jaar 2005 aangifte IB/PVV te doen. Ook nadat verweerder eiseres daartoe had aangemaand, heeft eiseres geen aangifte IB/PVV gedaan. Verweerder heeft daarom aan eiseres ambtshalve een aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegd. Verweerder heeft daarbij het verzamelinkomen vastgesteld op € 150.000. Eiseres heeft vervolgens alsnog een aangifte gedaan. Naar aanleiding van deze aangifte heeft verweerder de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.827 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.639.

1.23.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder aan eiseres een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegd. Hierbij heeft hij het bij de aanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met de in het rapport van het boekenonderzoek aangekondigde correcties (zie bij 1.18 tot en met 1.20) betreffende eiseres’ winst uit onderneming. Als gevolg van deze correcties heeft verweerder bij de navorderingsaanslag de zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag heeft verweerder aan eiseres de in het rapport van het boekenonderzoek aangekondigde vergrijpboete (zie bij 1.21) van € 4.168 opgelegd.

1.24.

Verweerder heeft bij beschikking van 20 mei 2014 de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegde vergrijpboete vernietigd, omdat deze buiten de wettelijke termijn is opgelegd.

1.25.

Eiseres heeft voor het jaar 2007 aangifte IB/PVV gedaan naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 40.061. Verweerder heeft deze aangifte bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 gevolgd.

1.26.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder aan eiseres een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegd. Hierbij heeft hij het bij de aanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met de in het rapport van het boekenonderzoek aangekondigde correcties (zie bij 1.17 tot en met 1.19) betreffende eiseres’ winst uit onderneming. Als gevolg van deze correcties heeft verweerder bij de navorderingsaanslag de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling gecorrigeerd. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag heeft verweerder aan eiseres, zoals in het rapport van het boekenonderzoek is aangekondigd aan eiseres een vergrijpboete opgelegd. Deze vergrijpboete bedraagt € 26.973, zijnde 10% van het bedrag van de navorderingsaanslag.

Geschil en beoordeling

2.1

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder voor de jaren 2005 en 2007 terecht het inkomen uit werk en woning heeft verhoogd met de bij 1.17 tot en met 1.20 bedoelde correcties. Tevens is in geschil of verweerder bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 terecht een vergrijpboete heeft opgelegd.

2.2

Ter zitting heeft eisers’ gemachtigde desgevraagd verklaard dat het beroep niet is gericht tegen de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegde verzuimboete.

Correctie omzet vuurwerk van € 16.806 voor 2005 en 2007

3.1

Eiseres stelt dat de omzetcorrectie inzake de verkoop van vuurwerk moet vervallen, omdat er geen sprake was van samenwerking, in de zin van deelgenootschap, was tussen eiseres en [X] enerzijds en [L] B.V. anderzijds.

3.2

Verweerder stelt dat op eiseres de last rust om overtuigend aan te tonen dat de navorderingsaanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, aangezien eiseres voor het jaar 2005 de vereiste aangifte niet heeft gedaan en verweerder bovendien voor de jaren 2005 en 2007 ten aanzien van eiseres een informatiebeschikking heeft genomen met betrekking tot deze navorderingsaanslagen. Verweerder stelt dat hij de navorderingsaanslagen in redelijkheid heeft vastgesteld en dat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende verzwaarde bewijslast.

3.3

Gelet op de bij 1.22 vastgestelde feiten stelt verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht dat eiseres voor het jaar 2005 de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Dit brengt mee dat de bewijslast ten aanzien van de juistheid van de navorderingsaanslag voor het jaar 2005 wordt verschoven naar eiseres en bovendien wordt verzwaard (zie artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

3.4

Naar het oordeel van de rechtbank brengt daarnaast, zoals verweerder terecht stelt, ook de omstandigheid dat verweerder ten aanzien van eiseres een informatiebeschikking heeft genomen met betrekking tot de op te leggen navorderingsaanslag voor het jaren 2005 en 2007 (zie bij 1.16) mee dat ten aanzien van de juistheid van de door verweerder bij de navorderingsaanslag voor het jaar 2005 vastgestelde winst uit onderneming op eiseres de verzwaarde bewijslast rust. Ditzelfde geldt ten aanzien van de juistheid van de bij de navorderingsaanslag voor het jaar 2007 vastgestelde winst uit onderneming. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de door verweerder in de informatiebeschikking geconstateerde gebreken van voldoende gewicht zijn om de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de rechtbank het door eiseres ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar gericht tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie bij 1.16). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres hiertegen hoger beroep heeft ingesteld, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de informatiebeschikking onherroepelijk vaststaat.

3.5

Hetgeen bij 3.3 en 3.4 is overwogen laat onverlet dat verweerder niet naar willekeur omzetcorrecties mag vaststellen. Alvorens de rechtbank toekomt aan de vraag of eiseres heeft voldaan aan de op haar rustende verzwaarde bewijslast, zal de rechtbank daarom eerst beoordelen of verweerder de omzetcorrectie inzake de verkoop van vuurwerk in redelijkheid heeft vastgesteld. Gelet op de door verweerder in het rapport van het boekenonderzoek voor deze omzetcorrectie gegeven motivering (zie bij 1.18) alsmede gelet op hetgeen bij 1.13 is vermeld, acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres in de jaren 2005 en 2007, al dan niet in samenwerking met derden, omzet heeft gegenereerd uit de verkoop van vuurwerk. Nu eiseres ter zake geen omzet heeft verantwoord, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht een omzetcorrectie toegepast. De hoogte van deze omzetcorrectie berust naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting. Eiseres heeft hier niets tegenin gebracht dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat hetgeen zij bij 3.1 stelt (afkomstig uit haar brief van 31 maart 2014 onder punt 28) kennelijk ziet op het jaar 2008, terwijl het hier om de jaren 2005 en 2007 gaat.

3.6

De rechtbank komt nu toe aan het antwoord op de vraag of eiseres heeft doen blijken (overtuigend aangetoond) dat en in hoeverre de door verweerder toegepaste omzetcorrectie inzake de verkoop van vuurwerk onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres op geen enkele wijze aan deze bewijslast voldaan. Eiseres heeft alleen bewijs aangedragen ter onderbouwing van haar onder 3.1 vermelde stelling. Deze stelling heeft, zoals de rechtbank zojuist heeft overwogen, echter betrekking op het jaar 2008, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

3.7

Uit het voorgaande volgt dat de door verweerder voor de jaren 2005 en 2007 toegepaste omzetcorrectie inzake de verkoop van vuurwerk in stand moet blijven. Eiseres’ beroepsgrond gericht tegen deze correctie faalt dus.

Omzetcorrectie winkelverkopen van € 8.404 voor 2005 en 2007

4.1

Eiseres stelt dat de omzetcorrectie inzake de winkelverkopen van fietsen moet vervallen, omdat voor wat betreft de fietsen geen sprake is van een deelgenootschap.

4.2

Verweerder stelt hetzelfde als bij 3.2 is vermeld.

4.3

Zoals de rechtbank onder 3.3 en 3.4 heeft overwogen, rust op eiseres de last om te doen blijken dat en in hoeverre de door verweerder toegepaste omzetcorrectie inzake de winkelverkopen onjuist is. Deze omzetcorrectie mag echter niet willekeurig zijn vastgesteld. Eiseres heeft niet bestreden dat zij omzet heeft behaald uit de winkelverkoop van matrassen. Gelet op de door verweerder in het rapport van het boekenonderzoek voor deze omzetcorrectie gegeven motivering (zie bij 1.19), acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres ook omzet heeft behaald uit de verkoop van fietsen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres met haar verwijzing in haar brief van 31 maart 2014 naar een tweetal vonnissen van de kantonrechter niet, althans onvoldoende, heeft bestreden dat eiseres in het geheel geen fietsen op eigen naam en voor eigen rekening heeft ingekocht. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat eiseres fietsen heeft ingekocht, acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres in de onderhavige jaren, al dan niet in samenwerking met derden, ook fietsen heeft verkocht. Nu eiseres ter zake van de winkelverkopen van matrassen en fietsen geen omzet heeft verantwoord, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht een omzetcorrectie toegepast. De hoogte van deze omzetcorrectie berust naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting.

4.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres op geen enkele wijze doen blijken (overtuigend aangetoond) dat en in hoeverre de door verweerder toegepaste omzetcorrectie inzake de winkelverkopen onjuist is. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat, zo geen sprake zou zijn van een deelgenootschap, eiseres niet heeft doen blijken dat zij niet op eigen naam en voor eigen rekening omzet uit de winkelverkopen heeft behaald.

4.5

Uit het voorgaande volgt dat de door verweerder voor de jaren 2005 en 2007 toegepaste omzetcorrectie inzake winkelverkopen in stand moet blijven. De rechtbank verwerpt daarom eiseres’ beroepsgrond gericht tegen deze correctie.

Winstcorrectie verzekeringsuitkering van € 23.750

5.1

Eiseres stelt, zoals haar gemachtigde ter zitting naar voren heeft gebracht, dat van de door eiseres ontvangen verzekeringsuitkering slechts een bedrag van € 1.500 exclusief btw ziet op de zakelijk geleden schade. Dit volgt volgens eiseres uit de specificatie van de verzekeringsmaatschappij.

5.2

Verweerder houdt vast aan zijn standpunt dat hij het zakelijke deel (€ 23.705) van de door eiseres ontvangen verzekeringsuitkering niet op een te hoog bedrag heeft ingeschat. Hij heeft deze schatting gebaseerd op eiseres’ aangifte van diefstal, waarin de gestolen zakelijke goederen stonden vermeld. Verweerder heeft geen specificatie van de verzekeringsmaatschappij gezien. Verder stelt verweerder hetzelfde als bij 3.2 is vermeld.

5.3

Zoals de rechtbank onder 3.3 en 3.4 heeft overwogen, rust ten aanzien van de juistheid van de hoogte van de door verweerder als een bijzondere bate in aanmerking genomen verzekeringspremie, op eiseres de verzwaarde bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoogte van het zakelijke deel van de verzekeringsuitkering in redelijkheid vastgesteld, nu hij zijn schatting heeft gebaseerd op eiseres’ aangifte van diefstal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres op geen enkele wijze doen blijken (overtuigend aangetoond) dat van de verzekeringsuitkering een lager bedrag ziet op de gestolen zakelijke goederen. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat zij de door haar gestelde specificatie van de zekeringsmaatschappij niet heeft overgelegd, terwijl het, zeker nu op haar de verzwaarde bewijslast rust, op haar weg lag om deze gestelde specificatie in het geding te brengen.

5.4

De rechtbank concludeert dat verweerder voor het jaar 2005 ten aanzien van de door eiseres ontvangen verzekeringsuitkering terecht een bedrag van € 23.750 als winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen. De door eiseres hiertegen aangevoerde beroepsgrond faalt dus.

Correctie vrijval schuld aan [Z] van € 614.033

6.1

Eiseres stelt dat de in de jaarrekening van [Z] vermelde schuld van [Q] aan [Z] van € 614.033 in feite haar eigen, althans [X], geld is. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. [X] kon wegens zijn faillissement in het begin van de jaren ’80 geen registergoederen op naam krijgen. Daarom heeft hij het pand [a-weg] in 1982 op naam van [Z], waarmee hij in het kader van een vriendendienst door een medewerker van [eiseres] in contact is gebracht, gekocht. [X] was echter van stonde af aan economisch eigenaar van het pand [a-weg]. Dit volgt uit het huurcontract, op grond waarvan [X] het recht had om het pand [a-weg] op ieder moment van [Z] over te nemen tegen de oorspronkelijke aankoopprijs (zie bij 1.6). Tevens volgt dit uit de omstandigheid dat [X] op diverse momenten geld en arbeid in het pand [a-weg] stak. Zo bleek na aankoop dat de kelders van het pand [a-weg] lek waren. [X] heeft op zijn kosten gezorgd voor de reparatie hiervan. Daarnaast heeft [X] op eigen kosten zorggedragen voor het herstel van de brandschade. In totaal heeft [X] met betrekking tot het pand [a-weg] een bedrag van € 175.000 aan kosten voor zijn rekening genomen. Verder heeft [X] zich jegens de bank aansprakelijk gesteld voor de door [Z] voor de aankoop van het pand [a-weg] aangegane financiering. Nu niet [Z], maar [X] economisch eigenaar was van het pand [a-weg], [X] een bedrag van € 175.000 aan kosten voor zijn rekening heeft genomen en hij zich jegens de bank aansprakelijk heeft gesteld voor de financiering van het pand [a-weg], kwam het met de verkoop van dit pand behaalde transactieresultaat toe aan [X] in plaats van aan [Z]. Dit transactieresultaat is in 2004 daarom ten onrechte bij [Z] gebleven en verantwoord. Om dit recht te trekken hebben [X] en [Z] bij de koopovereenkomst van 7 februari 2007 de koopsom voor het pand [b-weg] opgeblazen om [Z] op deze wijze bedragen aan [X] en eiseres uit te laten betalen cq kwijt te laten schelden. Tevens was het de bedoeling om met deze koopovereenkomst de door de toenmalige accountant in het jaar 2000 in [Z] geboekte kapitaalstorting uit Spanje van € 265.000 recht te trekken. Dit bedrag betrof namelijk de verkoopopbrengst van een privé-woning te Spanje en is dus ten onrechte op de kapitaalrekening van [Z] verantwoord. Het in het jaar 2007 op grond van de koopovereenkomst aan eiseres kwijtgescholden bedrag is dan volgens eiseres ook onbelast.

6.2

Verweerder weerspreekt dat het met de verkoop van het pand [a-weg] behaalde transactieresultaat aan [X] toekwam. [X] heeft juist geen gebruik gemaakt van zijn recht om dit pand te kopen, zodat hij hiervan geen (economisch) eigenaar is. Verweerder bestrijdt ook eiseres’ stelling dat [X] kosten voor zijn rekening heeft genomen ten behoeve van [Z]. Verder betwist verweerder dat de in 2000 geboekte kapitaalstorting uit Spanje van € 265.000 een privé-transactie betrof. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schuld van € 614.033 aan [Z] een zakelijke schuld betreft in het kader van de onderneming van eiseres. Deze schuld behoorde daarom in 2007 tot eiseres’ ondernemingsvermogen. Nu deze schuld in het jaar 2007 is kwijtgescholden, moet volgens verweerder ter zake vrijvalwinst in aanmerking worden genomen.

6.3

Naar de rechtbank partijen begrijpt, is niet in geschil dat de kwijtschelding van de schuld van € 614.033 door [Z] op grond van de onder 1.9 bedoelde koopovereenkomst van 7 februari 2007 geen verband houdt met de verkoop van het bij [X] in eigendom zijnde pand [b-weg]. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag hoe dit kwijtgescholden bedrag wel moet worden gekwalificeerd.

6.4

De rechtbank overweegt dat in de jaarrekening voor het jaar 2004 van eiseres’ onderneming [Q] een schuld staat vermeld van € 593.988 aan [Z] (zie bij 1.12) en dat deze schuld vanaf het jaar 2005 niet langer is opgenomen in eiseres’ jaarrekening. Eiseres heeft deze schuld overgeboekt naar haar privé-vermogen, terwijl in [Z]’s jaarrekening deze schuld ultimo 2006, inmiddels opgelopen tot een bedrag van € 614.033, nog steeds staat vermeld als een vordering op [Q]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen enkele omstandigheid aangevoerd op grond waarvan de overboeking van deze schuld naar eiseres’ privé-vermogen zou kunnen worden gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres deze schuld dan ook niet zonder fiscale afrekening mogen overbrengen naar haar privévermogen. Dit brengt mee dat verweerder eiseres’ ondernemingsvermogen per 1 januari 2007 terecht heeft gecorrigeerd met de schuld van
€ 614.033 aan [Z]. Nu [Z] deze schuld op basis van de onder 1.9 bedoelde koopovereenkomst heeft kwijtgescholden, acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres in het kader van haar onderneming tot een bedrag van € 614.033 vrijvalwinst heeft genoten.

6.5

Eiseres stelt dat de kwijtschelding van de schuld niet moet worden aangemerkt als belaste vrijvalwinst, maar moet worden gezien als een terugbetaling van de aan [X] als economisch eigenaar in 2004 toekomende verkoopopbrengst van het pand [a-weg]. De kwijtschelding is daarom, naar de rechtbank eiseres begrijpt, opgekomen in haar, althans [X], privé-sfeer. De rechtbank verwerpt deze stelling, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet [Z], maar [X] economisch eigenaar was van het pand [a-weg]. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat alleen het feit dat [X] volgens de huurovereenkomst het recht had om het pand [a-weg] van [Z] over te nemen tegen de oorspronkelijke aankoopprijs niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat [X] economisch eigenaar van dit pand was. Ook de overige door eiseres aangedragen omstandigheden kunnen niet tot deze conclusie leiden.

6.6

Eiseres stelt verder dat de kwijtschelding van haar schuld aan [Z] mede was bedoeld als een terugbetaling van de in 2000 ten onrechte in [Z] geboekte kapitaalstorting uit Spanje van € 265.000. Deze kapitaalstorting betrof volgens eiseres de aan haar, althans aan [X], toekomende verkoopopbrengst van een privé-woning te Spanje. Eiseres heeft echter geen concrete gegevens in het geding gebracht op grond waarvan de juistheid van deze stelling kan worden geverifieerd. De rechtbank acht daarom deze stelling niet aannemelijk en gaat dan ook hieraan voorbij.

6.7

Uit hetgeen bij 6.5 en 6.6 is overwogen volgt dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd het bij 6.4 vermelde oordeel van de rechtbank niet anders maakt. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder ten aanzien van de kwijtschelding van de schuld aan [Z] voor het jaar 2007 terecht een bedrag van € 614.033 als winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen. Hierbij wijst de rechtbank partijen erop dat ook ten aanzien van deze correctie op eiseres de verzwaarde bewijslast rust (zie bij 3.3 en 3.4), maar dat de rechtbank reeds op basis van de normale bewijslastverdeling tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank verwerpt dus eiseres’ beroepsgrond gericht tegen deze correctie.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres’ beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2005 en 2007 ongegrond zijn.

De boetes

8.1

Nu verweerder de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 gegeven vergrijpboete inmiddels heeft vernietigd (zie bij 1.24), heeft eiseres geen belang meer bij haar beroep gericht tegen de desbetreffende boetebeschikking. Eiseres’ beroep kan haar immers, ongeacht de gronden waarop het steunt, niet in betere positie brengen met betrekking tot de bestreden uitspraak op bezwaar. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.

8.2

Ter zitting heeft eiseres’ gemachtigde voor wat betreft de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegde vergrijpboete verklaard dat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerders correctie inzake vrijvalwinst van € 614.033 in stand moet blijven, de naar aanleiding van deze correctie opgelegde boete (zie bij 1.21) ook in stand kan blijven. Gelet op hetgeen de rechtbank bij 6.4 tot en met 6.7 heeft overwogen, alsmede gelet op hetgeen verweerder ter motivering van deze boete in het rapport van het boekenonderzoek heeft vermeld (zie bij 1.21), volgt de rechtbank eiseres’ gemachtigde in dit standpunt. Deze vergrijpboete is in overeenstemming met artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) alsmede met het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) opgelegd. Gezien de omstandigheden van het geval en de ernst van het feit acht de rechtbank de opgelegde vergrijpboete van 10% van de over de correctie nagevorderde IB/PVV passend en geboden.

8.3

Naar de rechtbank eiseres begrijpt, stelt zij dat de ter zake van de omzetcorrecties betreffende de verkoop van vuurwerk en de winkelverkopen opgelegde boete moet vervallen, omdat verweerder deze correcties onterecht heeft toegepast. Verweerder houdt vast aan zijn standpunt dat het aan eiseres’ grove schuld is te wijten dat zij ter zake van de verkoop van vuurwerk en de winkelverkopen te weinig omzet heeft verantwoord. Verweerder is van mening dat hij hiervoor terecht een vergrijpboete van 10% heeft opgelegd.

8.4

De rechtbank overweegt dat op verweerder de last rust om te bewijzen of er grond bestaat voor het opleggen van de vergrijpboete. Zoals volgt uit hetgeen bij 3.5 en 4.3 is overwogen, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiseres omzet heeft behaald uit de verkoop van vuurwerk en de winkelverkopen. Nu eiseres die omzet niet heeft verantwoord, terwijl tevens is komen vast te staan dat de administratie gebreken bevatte (zie bij 1.16), heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat daardoor de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Er is daarom sprake van een vergrijp zoals bedoeld in artikel 67e van de AWR. Verweerder heeft eiseres hiervoor op grond van dit artikel dan ook terecht beboet. Hierbij heeft verweerder zijn in het BBBB neergelegde beleid in acht genomen. Gezien de omstandigheden van het geval, de ernst van het feit en met inachtneming van de omstandigheid dat de hoogte van de ter zake nagevorderde IB/PVV is bepaald met toepassing van de omkering van de bewijslast, acht de rechtbank de opgelegde vergrijpboete van 10% van de over deze omzetcorrecties nagevorderde IB/PVV een passende en ook geboden sanctie.

8.5

De rechtbank overweegt ambtshalve dat de strafvervolging is aangevangen met de aankondiging van de vergrijpboete in het (concept)rapport van het boekenonderzoek van 10 augustus 2011. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de redelijke termijn (die in beginsel twee jaar bedraagt) als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, met een jaar en vijf maanden overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de vergrijpboete van
€ 26.973 te matigen met 15% tot € 22.927.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gericht tegen de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 gegeven boetebeschikking ongegrond is. Vanwege de ambtshalve door de rechtbank geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking vernietigen en de boete verminderen tot € 22.927.

De heffingsrente

10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikkingen heffingsrente. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de navorderingsaanslagen volgt.

Griffierecht

11. Omdat verweerder de bij navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegde boetebeschikking pas in de beroepsfase heeft vernietigd, ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen om het door eiseres in de zaak 13/3656 betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Proceskosten

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de zaak 13/3656 in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in de zaak 13/3659 geen aanleiding, omdat de beroepen in die zaak ongegrond zijn.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en de daarbij gegeven heffingsrentebeschikkingen ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 gegeven boetebeschikking niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegde vergrijpboete ongegrond.

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 gegeven boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- vermindert de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegde boete tot een bedrag van € € 22.927;

- draagt verweerder op het voor de zaak 13/3656 betaalde griffierecht van € 44 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de zaak 13/3656 in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. A. Heidekamp, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

fn 17