Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6455

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
18-830105-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging doodslag, bedreiging, vernieling, bedreiging en belaging tot een gevangenisstraf van 40 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren met dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830105-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

9 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 januari 2015. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te [pleegplaats]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet die [slachtoffer 1]

met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp,

(met kracht) een of meermalen op de slaap, althans op/tegen het hoofd, en/of

het lichaam heeft geslagen

(en/of (daarbij) heeft gezegd "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke

aard of streking),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te [pleegplaats]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 1]

met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp,

een of meermalen op de slaap, althans op/tegen het hoofd, en/of het lichaam

heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te [pleegplaats]

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ),

met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp,

een of meermalen op/tegen het hoofd, en/of het lichaam heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te [pleegplaats]

opzettelijk en wederrechtelijk een (in/op parkeerplaats onder/bij flat [straatnaam]

staande) auto (merk/type Kia [type] ), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt;

3.

hij in of omstreeks 6 tot en met 11 maart 2014 te [pleegplaats]

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

die [slachtoffer 3] een brief/(ansicht)kaart toegezonden/doen toekomen met de

tekst/woorden: "Hoer. Dood. Mes door je keel. Slet. Hoer. Met je gore bek",

althans tekst/woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 29 augustus 2013 in de

gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

(telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4] , in elk geval van een ander,

met het oogmerk die [slachtoffer 4] , in elk geval die ander, (telkens) te

dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft hij (telkens) ongewenst en/of hinderlijk

- ongeveer 50, althans een of meer, SMS-berichten aan die [slachtoffer 4]

gestuurd, met (onder meer) de teksten: "Volgens mij heb je weer last van een

borderline aanval, dat is wel duidelijk", "Je hebt er in ieder geval een

vijand bij, smerige klote hoer", "jij bent jood en ik ben nazi", althans

(telkens) woorden/teksten van gelijke beledigende en/of bedreigende aard of

strekking, en/of

- een of meer keren die [slachtoffer 4] gebeld en/of getracht te bellen,

en/of

- tegen die [slachtoffer 4] gezegd: "Als je me nog 1 keer aankijkt sla ik

je in elkaar, vuile kuthoer", althans woorden van gelijke beledigende en/of

bedreigende aard of strekking, en/of

- in de lift(en) van het appartementencomplex [straatnaam] , alwaar die [slachtoffer 4]

woont, geschreven: "gratis sex [telefoonnummer slachtoffer 4] " (zijnde het

telefoonnummer van die [slachtoffer 4] ), en/of

- ongeveer 40, althans een of meer, brieven verstuurd naar/bezorgd bij meerdere

bewoners van het appartementencomplex [straatnaam] , alwaar die [slachtoffer 4]

woont, met (onder meer) de tekst:"Op [adres] woont een

persoon dat bekent staat als manisch depressief. (...) In haar psychotische

buien heeft zij in het verleden zich al meerdere malen schuldig gemaakt aan

diverse dingen, zoals: brandstichting, vernieling van goederen, agressief

gedrag en het bestelen van andere mensen. (...) Ze heet [slachtoffer 4] .

Mag ik jullie bij deze gewaarschuwd hebben", althans tekst/woorden van

gelijke aard of strekking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 29 augustus 2013 te [pleegplaats]

opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer

en/of de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangerand door

telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om

daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte (telkens) met voormeld

doel (een) geschrift(en), te weten

- een tekst (op wand van lift(en) in/van het appartementencomplex [straatnaam] )

met woorden: "gratis sex [telefoonnummer slachtoffer 4] " (zijnde het telefoonnummer van die

[slachtoffer 4] ), en/of

- ongeveer 40, althans een of meer, brieven met (onder meer) de tekst: "Op

[adres] woont een persoon dat bekent staat als manisch depressief.

(...) In haar psychotische buien heeft zij in het verleden zich al meerdere

malen schuldig gemaakt aan diverse dingen, zoals: brandstichting, vernieling

van goederen, agressief gedrag en het bestelen van andere mensen. (...) Ze

heet [slachtoffer 4] . Mag ik jullie bij deze gewaarschuwd hebben",

althans tekst/woorden van gelijke aard of strekking;

verspreid;

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 29 augustus 2013 te [pleegplaats]

opzettelijk beledigend [slachtoffer 4] , in diens/dier tegenwoordigheid

via sms-berichten heeft toegezonden de woorden "Volgens mij heb je weer last

van een borderline aanval, dat is wel duidelijk", "Je hebt er in ieder geval

een vijand bij, smerige klote hoer", "jij bent jood en ik ben nazi", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 29 augustus 2013 te [pleegplaats]

(telkens) [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

(telkens) opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer 4] een of meer, SMS-berichten gestuurd, met (onder

meer) de teksten: "Je hebt er in ieder geval een vijand bij, smerige klote

hoer", "jij bent jood en ik ben nazi", althans (telkens) woorden/teksten van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- tegen die [slachtoffer 4] gezegd: "Als je me nog 1 keer aankijkt sla ik

je in elkaar, vuile kuthoer", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

5.

hij op of omstreeks 30 april 2014 te [pleegplaats 2] , gemeente Tynaarlo,

[slachtoffer 5] Of (begeleider/therapeut bij [organisatie] , zijnde een werknemer met een

publieke taak) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

zijn handen om zijn keel geplaatst en/of (daarbij) die [slachtoffer 5] Of dreigend de

woorden toegevoegd: "Ik wil wel in jou knijpen en ik je wurgen" en/of

(vervolgens op de vraag van die [slachtoffer 5] Of of dat een grap of een bedreiging

was), "Dit is wel een bedreiging, bel de politie maar", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte aangever doelbewust met de hamer heeft geslagen. Voorts kan op grond van de enkele medische verklaring die zich in het dossier bevindt, onvoldoende worden vastgesteld dat aangever gewond is geraakt doordat hij met de hamer is geslagen. Daarnaast zijn er onvoldoende aanwijzingen dat verdachte tegen aangever de woorden "Ik maak je dood" heeft gesproken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, op grond van het voorgaande, dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2014, opgenomen op pagina 36 e.v. van dossier nummer 2014025680 d.d. 23 april 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:

p. 36 Ik doe aangifte van poging tot zware mishandeling op 8 maart 2014. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte mij lichamelijk letsel, bestaande uit een hoofdwond ter hoogte van mijn slaap, een pijnlijke arm en 2 vleeswondjes op mijn torso.

Ik was bezig met mijn motor in de parkeergarage van mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . Toen hoorde ik ineens glasgerinkel. Ik keek en zag dat een manspersoon gekleed in een zwarte trui met capuchon bij een auto stond en dat van de auto het achterraam ingeslagen was.

Een proces-verbaal verhoor aangever d.d. 16 april 2014, opgenomen op pagina 146 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:

p. 147 Hij dreef mij in het nauw tegen de auto die hij ook kapot had geslagen.

Ik zag dat hij naar de deur rende en nu wel de deur door kwam. Ik zag dat hij de eerste deur links wilde nemen om de trap op te rennen. Ik ben hem achterna gerend en ik kwam binnen in de hal en ik zag dat hij mij zag. Ik zag dat hij weer met die dreigende houding op mij af kwam. Hij heeft mij toen ongeveer vier keer geslagen. Hij dreef mij weer in het nauw tegen de deur die afgesloten was. Hij sloeg mij ook tegen mijn hoofd. Ik voelde pijn, ik voelde een doffe dreun.

Ik hoorde dat hij zei" ik ga je vermoorden" of woorden van gelijke strekking. Hij had mij vast van achteren. Hij had beide armen om mij heen ik kon moeilijk bewegen.

Eigen waarneming rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de foto's van de verwondingen van aangever

[slachtoffer 1] die zich ten aanzien van feit 1 primair op de pagina's 38 tot en met 43 in het dossier bevinden. De rechtbank heeft waargenomen dat op de foto van aangever [slachtoffer 1] op pagina 39 een wondje is te zien vlakbij de slaap van aangever.

Een overig schriftelijk bescheid zijnde een rapportage letselschade betreffende [slachtoffer 1] d.d. 10 maart 2014, opgemaakt door J. Broer, forensisch arts, opgenomen op pagina 150 e.v., inhoudende, zakelijk weergegeven:

p. 150 Op de linker slaap zijn twee hechtingen aangebracht om de wondranden te sluiten.

p. 151 Conclusie: de onderzochte letsels kunnen passen bij de door de betrokkene vertelde toedracht waarbij uitwendig (afgeweerd) geweld met een hard voorwerp met ronde vorm (zoals bijvoorbeeld een klauwhamer) is toegepast.

Een proces-verbaal d.d. 10 maart 2014, opgenomen op pagina 103 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

p. 103 U vraagt mij of nog iets meer kan vertellen over het contact met de man in de garage. Tijdens de worsteling heb ik mij zelf verdedigd.

p. 104 Hij trok aan mijn hamer. Ik heb hem dus wel teruggeschopt en geslagen.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2014, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:

p. 44 Ik wil aangifte doen van vernieling van/ aan mijn auto. Ik heb een personenauto, merk Kia, type [type] , kleur grijs, met kenteken [nummer] . Op 8 maart 2014 omstreeks 17:00 uur heb ik de auto geparkeerd onder de flat, aan de [adres] . De auto had toen nog geen schade. Omstreeks 19:15 uur kwam er een agente bij mij aan de deur. Zij vroeg of ik de eigenaar was van een Kia. Toen ik dat bevestigde, hoorde ik van haar dat de achterruit van de auto was vernield. Ik zag inderdaad dat de achterruit vernield was.

Een proces-verbaal d.d. 11 april 2014, opgenomen op pagina 142 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

p. 143 Ja, het zou wel kunnen dat ik die autoruit heb ingeslagen ja.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van [slachtoffer 1] en de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 8 maart 2014 een auto heeft vernield die op dat moment stond geparkeerd op de parkeerplaats onder de flat aan de [adres] . Verdachte heeft erkend dat hij in de garage aanwezig was en uit de verklaring van aangever volgt dat naast verdachte en aangever geen andere personen aanwezig waren. Hoewel verdachte ter terechtzitting zijn bij de politie (min of meer) bekennende verklaring weer heeft ingetrokken, gaat de rechtbank gezien hetgeen hiervoor is overwogen aan voorbij.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte na de vernieling van de auto aangever [slachtoffer 2] met een klauwhamer met kracht op het hoofd, vlakbij de slaap en tegen het lichaam heeft geslagen. De rechtbank overweegt dat de aangifte van [slachtoffer 2] voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals de foto van het letsel van aangever en de rapportage letselschade.

Het handelen van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde gericht op de dood van aangever. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal deel is van het menselijk lichaam. Geweld tegen het hoofd heeft dan ook niet zelden fatale gevolgen. De rechtbank is van oordeel dat al bij één harde hamerslag tegen het hoofd de reële mogelijkheid aanwezig is op het intreden van de dood. Verdachte heeft, door aldus te handelen, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever ten gevolge van de krachtige hamerslag op zijn slaap zou komen te overlijden. Het opzet van verdachte was derhalve in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever gericht.

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tegen aangever heeft gezegd: 'Ik maak je dood'.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2014, opgenomen op pagina 69 e.v. van dossier nummer 2014025680 d.d. 23 april 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] . 1

Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 augustus 2013, opgenomen op pagina 18 e.v. van dossier nummer 2014025680 d.d. 23 april 2014, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 4] . 2

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2013, opgenomen als losse bijlage behorend bij dossier nummer 2014025680 d.d. 23 april 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] Of.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

1.

hij op 8 maart 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een klauwhamer met kracht tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en daarbij heeft gezegd: "Ik maak je dood", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 8 maart 2014 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een op de parkeerplaats onder de flat aan de [adres] staande auto (merk/type Kia [type] ) toebehorende aan

[slachtoffer 2] heeft vernield;

3.

hij in de periode van 6 maart 2014 tot en met 11 maart 2014 te [pleegplaats] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 3] een kaart toegezonden met de woorden: "Hoer. Dood. Mes door je keel. Slet. Hoer. Met je grote bek";

4.

hij in de periode van 21 augustus 2013 tot en met 29 augustus 2013 in de gemeente Groningen telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4] , met het oogmerk die [slachtoffer 4] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij ongewenst en hinderlijk

- ongeveer 50 Sms-berichten aan die [slachtoffer 4] gestuurd, met onder meer de teksten: "Volgens mij heb je weer last van een borderline aanval, dat is wel duidelijk", "Je hebt er in ieder geval een vijand bij, smerige klote hoer", "jij bent jood en ik ben nazi" en

- die [slachtoffer 4] getracht te bellen en

- tegen die [slachtoffer 4] gezegd: "Als je me nog 1 keer aankijkt sla ik je in elkaar, vuile kuthoer" en

- in de liften van het appartementencomplex [straatnaam] , alwaar die

[slachtoffer 4] woont, geschreven: "gratis sex [telefoonnummer slachtoffer 4] " (zijnde het

telefoonnummer van die [slachtoffer 4] ) en

- brieven verstuurd naar meerdere bewoners van het appartementencomplex [straatnaam] , alwaar die [slachtoffer 4] woont, met onder meer de tekst: "Op [adres] woont een persoon dat bekent staat als manisch depressief. (...) In haar psychotische buien heeft zij in het verleden zich al meerdere malen schuldig gemaakt aan diverse dingen, zoals: brandstichting, vernieling van goederen, agressief gedrag en het bestelen van andere mensen. (...) Ze heet [slachtoffer 4] . Mag ik jullie bij deze gewaarschuwd hebben";

5.

hij op 30 april 2014 te [pleegplaats 2] [slachtoffer 5] Of (begeleider/therapeut bij [organisatie] , zijnde een werknemer met een publieke taak) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn handen om zijn keel geplaatst en (daarbij) die [slachtoffer 5] Of dreigend de woorden toegevoegd: "Ik wil wel in jou knijpen en ik je wurgen" en

(vervolgens op de vraag van die [slachtoffer 5] Of of dat een grap of een bedreiging was,) "Dit is wel een bedreiging, bel de politie maar".

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer, omdat zowel aangever als verdachte hebben verklaard dat er een worsteling heeft plaatsgevonden en uit de verklaring van aangever volgt dat deze verdachte naar de grond heeft gewerkt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de feiten en omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht en moest verdedigen nu verdachte de aanval heeft ingezet nadat aangever hem had losgelaten en afstand van hem had genomen.

Oordeel van de rechtbank

Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft blijkens de verklaringen van aangever, aangever met een klauwhamer tegen het hoofd en tegen het lichaam geslagen nadat aangever verdachte had losgelaten en aangever afstand van verdachte had genomen. Nu geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, was van een noodweersituatie derhalve geen sprake. Dat brengt mee dat het beroep op noodweer niet slaagt. Het verweer van de raadsman wordt door de rechtbank verworpen.

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. primair poging doodslag;

2. vernieling;

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4. primair belaging;

5. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de rapportage Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 9 december 2014, opgemaakt door M.F. de Vries, psychiater en G.M. Jansen, psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis welke zich laat omschrijven als een Multi Complex Developmental Disorder (hierna: MCDD), hetgeen te beschouwen is als een subtype van autisme.. Daarnaast is er sprake van een aandachtstekortstoornis, gecombineerd type met hyperactiviteit (ADHD), een recidiverende depressieve stoornis, (momenteel) volledig in remissie, met seizoenspatroon en afhankelijkheid van verschillende middelen.

Een doorwerking vanuit verdachtes psychiatrische problematiek wordt aannemelijk geacht. Er is geadviseerd om verdachte ten aanzien van de feiten 3 en 4 als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en om verdachte ten aanzien van feit 5 als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 heeft verdachte niet gesproken met de deskundigen, zodat de deskundigen zich ten aanzien hiervan onthouden van een advies.

De rechtbank kan zich verenigen met deze conclusies en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het onder 3 en 4 bewezenverklaarde aan verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend en dat het onder 5 bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank ziet in de rapportage en de indruk die de rechtbank van verdachte op de terechtzitting heeft gekregen aanleiding om ook voor wat betreft de strafoplegging ten aanzien van de feiten 1 en 2 van een verminderde toerekeningsvatbaarheid uit te gaan.

De rechtbank acht derhalve verdachte strafbaar nu ook overigens niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar waarvan 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van de reclassering d.d. 19 januari 2015, te weten een meldingsgebod, het ondergaan van een klinische behandeling voor de duur van maximaal 12 maanden en een contactverbod met [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6]. Voorts heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd van de bijzondere voorwaarden.

Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie de drie onder parketnummer 18/830105-14 ad informandum gevoegde feiten meegenomen en dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de drie onder parketnummer 18/830105-14 ad informandum gevoegde feiten bij de strafbepaling kunnen worden meegenomen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van de reclassering d.d. 19 januari 2015. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat voor wat betreft de feiten 1 en 2 ook van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid moet worden uitgegaan.

Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezen- en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen de raadsman verdediging heeft aangevoerd.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de drie onder dagvaarding 18/830105-14 ad informandum gevoegde feiten.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een relatief kort periode schuldig gemaakt aan acht strafbare feiten waaronder poging tot doodslag, belaging, vernieling en bedreiging.

In de periode van 21 augustus 2013 tot en met 29 augustus 2013 heeft verdachte een medebewoonster van zijn flat onder andere vele sms-berichten van bedreigende en beledigende aard gestuurd en heeft hij brieven verstuurd naar alle inwoners van het flatgebouw met daarin persoonlijke - en (deels) onjuiste informatie over aangeefster, die mede daarom als ongewenst en hinderlijk is te beschouwen. Verdachte heeft ook in de liften van het appartementencomplex van aangeefster haar telefoonnummer met daarbij de woorden 'gratis sex' opgeschreven. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank leidt uit de bewezen verklaarde handelingen af dat verdachte aangeefster duidelijk geen keuze heeft gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met hem.

Op 8 maart 2014 is verdachte door aangever [slachtoffer 1] opgemerkt nadat hij een auto heeft vernield. Verdachte is vervolgens aangever met een klauwhamer te lijf gegaan, waarbij hij aangever met de hamer tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat het met betrekking tot de hamerslag tegen het hoofd het zeker niet aan verdachte is te danken dat het relatief gunstig is afgelopen voor aangever. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft gelet op een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d.

13 november 2014, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de feiten 1 primair, 2 en 5, respectievelijk de feiten 3 en 4 primair verdachte in verminderde, respectievelijk sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Tevens heeft de rechtbank gelet op het rapport van de reclassering d.d. 19 januari 2015 waarin de reclassering naar aanleiding van de inhoud van het rapport van het NIFP heeft geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte een klinische behandeling zal ondergaan. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, hoeveelheid en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.

Volgens het rapport van het NIFP is de uitgebreide, chronische psychopathologie van verdachte, en dan vooral zijn gebrekkige impulscontrole en emotieregulatie, in combinatie met zijn preoccupatie en middelenafhankelijkheid reden tot zorg en is een langdurige – aanvankelijk - klinische behandeling geïndiceerd. Gelet hierop en de door het NIFP en de reclassering gegeven adviezen, zal de rechtbank daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan gekoppeld de hierna te noemen bijzondere voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat verdachte, gelet op zijn problematiek, behandeling ondergaat. De rechtbank zal een proeftijd van 5 jaren aan de voorwaardelijke straf koppelen enerzijds om te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst zal onthouden van het plegen van strafbare feiten en anderzijds om te bewerkstelligen dat verdachte ook na de klinische behandelfase gedurende een langere tijd kan worden begeleid. Omdat de rechtbank er ernstig rekening mee houdt dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beslag

De officier van justitie heeft ten aanzien van het beslag aangevoerd dat de hamer, een enveloppe met inhoud op voorzijde met tekst [persoon] en een kaartje met daarop een condoom en de tekst "Hoer, dood, mes door je keel. Slet. Hoer. Met je grote bek" verbeurd dienen te worden verklaard.

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

Verbeurdverklaring

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de hamer, een enveloppe met inhoud op voorzijde met tekst [persoon] en een kaartje met daarin een condoom en de tekst "Hoer, dood, mes door je keel. Slet. Hoer. Met je grote bek" vatbaar voor verbeurdverklaring nu uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van voornoemde goederen zijn begaan.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Met betrekking tot feit 1 heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd

[slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] .

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.075,- aan immateriële schade.

Met betrekking tot feit 2 heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd

[slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] .

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 75,- aan materiële schade.

Met betrekking tot feiten 1 en 3 heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd [organisatie] , gevestigd te [plaats] .

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 32,35 aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig dienen te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de vordering van [organisatie] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van een uittreksel van de Kamer van Koophandel.

Standpunt van de verdediging

Nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en verdachte van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de vordering van [slachtoffer 1] te worden afgewezen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van [slachtoffer 2] dient te worden afgewezen nu hij ten aanzien van feit 2 vrijspraak heeft bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 2 ten laste gelegde, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering van [organisatie] niet-ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

[slachtoffer 1] door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.075,-. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

[slachtoffer 2] door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 75,-. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [organisatie] constateert de rechtbank dat een uittreksel van de Kamer van Koophandel ontbreekt, zodat de geldigheid van de machtiging niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het strafproces ten gevolge zou hebben.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partijen aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partijen ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 285, 285b, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2, 3, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 24 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 5 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich binnen twee weken na het onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch meldt bij Reclassering Nederland, [telefoonnummer] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- veroordeelde wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen voor de duur van maximaal 12 maanden in de FPK te Assen of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ), [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ) en [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart verbeurd:

- een hamer,

- een enveloppe met inhoud op voorzijde met tekst [persoon] ,

- een kaartje met daarin een condoom en de tekst "Hoer, dood, mes door je keel. Slet. Hoer. Met je grote bek".

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

(feit 1) Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] , toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.075,- (zegge: duizend vijfenzeventig euro). Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 1.075,- (zegge: duizend vijfenzeventig euro), ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.075,- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

(feit 2) Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] , toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 75- (zegge: vijfenzeventig euro). Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 75,- (zegge: vijfenzeventig euro), ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 75,- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

(feiten 1 en 3) Verklaart de benadeelde partij [organisatie], gevestigd te [plaats] , in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. F. de Jong, voorzitter, M. Brinksma en

D.M. Schuiling, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Fennema als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 februari 2015.

Mr. M. Brinksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie bijlage pagina 73 van dossier nummer 2014025680 d.d. 23 april 2014 met de tekst van de betreffende kaart: "Hoer. Dood. Mes door je keel. Slet. Hoer. Met je grote bek".

2 Zie bijlage pagina 23 e.v. van dossier nummer 2014025680 d.d. 23 april 2014 met de sms'jes van verdachte.