Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6397

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
18.730269-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een winkeldiefstal en een inbraak tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren, terwijl de rechtbank dit minder dan vier maanden eerder nog niet opportuun achtte. Korte tijd nadat verdachte was vrijgekomen, is hij opnieuw drugs gaan gebruiken en heeft hij de winkeldiefstal gepleegd. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt dat verdachte tijdens of na zijn detentie heeft geprobeerd contact te leggen met de reclassering of het FACT-team of dat hij op een andere wijze heeft geprobeerd hulp te zoeken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat nu sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de eerdere veroordeling. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat verdachte op vrijwillige basis adequate hulp zal zoeken voor zijn (verslavings)problemen, terwijl deze hulp wel noodzakelijk is om recidive te kunnen voorkomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2011-01-01
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2011-01-01
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2011-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730269-15

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/720333-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 november 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/730269-15 dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fust bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en in de zaak met parketnummer 18/720333-15 dat:

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te [pleegplaats 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen 3 horloges, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/730269-15 en het in de zaak met parketnummer 18/720333-15 ten laste gelegde;

- oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18/730269-15 ten laste gelegde feit, dat door verdachte is bekend, de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2015;

2. een formulier proces-verbaal aangifte, op 23 augustus 2015 ingevuld door [aangever] namens benadeelde [slachtoffer 1] .

De rechtbank past met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18/720333-15 ten laste gelegde feit, dat door verdachte is bekend, de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0612-2014117529-1, d.d. 2 september 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730269-15 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/720333-15 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/730269-15:

hij op 23 augustus 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fust bier, toebehorende aan het winkelbedrijf [slachtoffer 1] ;

en in de zaak met parketnummer 18/720333-15:

hij op 28 augustus 2014 te [pleegplaats 2] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen drie horloges, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/730269-15:

diefstal;

in de zaak met parketnummer 18/720333-15:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) oplegt voor de duur van twee jaren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dient te worden afgezien van het opleggen van de ISD-maatregel, omdat het opleggen daarvan niet noodzakelijk is om recidive te voorkomen en de veiligheid van personen of goederen dit niet eist. De verdediging heeft erop gewezen dat deze rechtbank in haar vonnis van 23 juli 2015 heeft geoordeeld dat het opleggen van de ISD-maatregel aan verdachte niet opportuun, zinvol en proportioneel was. De enkele winkeldiefstal die verdachte sindsdien heeft gepleegd, geeft volgens de verdediging geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. Verder is verdachte van mening dat hij in juli 2015 onvoldoende hulp heeft gekregen om de vicieuze cirkel te doorbreken. De periode van twee of drie weken die hem na het vonnis van de rechtbank ter beschikking stond om op vrijwillige basis hulp te regelen, was daarvoor veel te kort. Voorts is aangevoerd dat een behandeling van verdachte in het kader van een ISD-maatregel niet zal werken, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat de toestand van verdachte aan het eind van de in 2011 opgelegde ISD-maatregel slechter was dan aan het begin daarvan. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat indien de rechtbank verdachte voor beide ten laste gelegde feiten conform de landelijke oriëntatiepunten zou veroordelen tot een gevangenisstraf van zes maanden, hij ditmaal wel voldoende tijd zou hebben om vanuit detentie de benodigde maatregelen te treffen voor het moment dat hij weer vrijkomt. Deze maatregelen zouden volgens de verdediging moeten bestaan uit een goede woonplek, een Wajonguitkering, bewindvoering en psychische hulp via het FACT-team van de GGZ of een vergelijkbare instelling.

Bij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank in aanmerking genomen de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een fust bier uit een winkel en aan het medeplegen van een woninginbraak. Dit zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van zijn slachtoffers en heeft hij hen schade en overlast bezorgd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte sinds 1999 zeer vaak met justitie in aanraking is gekomen. In de periode van vijf jaar voorafgaand aan het plegen van de winkeldiefstal op 23 augustus 2015 is verdachte meer dan drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld, te weten:

- bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 28 januari 2015 wegens diefstal met braak tot een gevangenisstraf van vier maanden;

- bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland van 23 oktober 2014 wegens heling, mishandeling van een ambtenaar en belediging van een ambtenaar tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen;

- bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2014 wegens diefstal, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

- bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2014 wegens diefstal, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk;

- bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de voormalige rechtbank Leeuwarden van 10 juni 2011 wegens opzetheling tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen;

- bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de voormalige rechtbank Leeuwarden van 4 maart 2011 wegens opzetheling tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen;

- bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de voormalige rechtbank van 5 november 2010 tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van de voormelde gevangenisstraffen (voor zover deze onvoorwaardelijk zijn opgelegd).

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt verder dat in de periode van vijf jaar voorafgaand aan 23 augustus 2015 tegen verdachte processen-verbaal zijn opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, zodat is voldaan aan de extra voorwaarden die in de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het openbaar ministerie worden gesteld aan het vorderen van de ISD-maatregel.

De reclassering van het Leger des Heils (hierna: de reclassering) heeft in haar rapport van 16 oktober 2015 geadviseerd verdachte de ISD-maatregel op te leggen, omdat dit de enige mogelijkheid lijkt om hem langdurig uit zijn criminele levensstijl te halen. Het is daarbij van belang dat behandeling plaatsvindt in een klinische setting en dat na afloop van de maatregel voldoende zekerheden worden gewaarborgd om de kans op recidive zo ver mogelijk te reduceren. Verdachte heeft chronische en delict gerelateerde verslavingsproblemen. Hij is zeer verslavingsgevoelig en ondervindt problemen met soft- en harddrugs, alcohol en gokken. De verslavingsgevoeligheid is volgens verdachte altijd sterker geweest dan de drang tot gedragsverandering, waardoor nooit sprake is geweest van interne motivatie. Ook externe motivatie in de vorm van juridische kaders is onvoldoende gebleken en heeft niet geleid tot de gewenste gedragsverandering en recidivevermindering. Verdachte staat sinds 1 januari 2010 op de veelplegerslijst. Hij is tussen 2004 en 2008 zes maal opgenomen geweest in een verslavingskliniek. In alle gevallen is hij na korte tijd afgehaakt, omdat hij naar buiten wilde en weer drugs wilde gebruiken. In de periode van 20 december 2011 tot 20 december 2013 is verdachte geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders. Een opname op de forensisch psychiatrische afdeling in het kader van deze ISD-maatregel is mislukt en verdachte heeft kort na zijn vrijlating opnieuw strafbare feiten gepleegd. Ook heeft hij zich meerdere malen onttrokken aan verplichte reclasseringscontacten en een in 2014 opgelegde verplichting tot ambulante behandeling. Zolang verdachte verslaafd is, schat de reclassering de kans op recidive in als zeer hoog.

In het rapport van de reclassering is uitgebreid geciteerd uit een Pro-Justitia rapportage van 15 januari 2015. Blijkens deze rapportage is bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, borderline en narcistische trekken. Door de borderline trekken is verdachte onzeker. Deze gevoelens worden door hem slecht verdragen en overdekt door narcistische grootheidsgedachten en -gedragingen of weggemaakt door antisociaal gedrag, middelengebruik of pathologisch gokken. Door de antisociale en narcistische trekken is verdachte niet begaan met zijn slachtoffers en geneigd zijn delictgedrag te rechtvaardigen. Door zijn narcistische trekken is verdachte niet in staat hulp te vragen. Behandeling heeft tot op heden geen effect gehad en zal door de persoonlijkheidsstoornis een moeizaam proces worden. Verdachte heeft tot op heden elke behandeling beëindigd, omdat de essentie van behandeling bestaat uit controle op het probleemgedrag. Een juridisch kader helpt verdachte niet, omdat hij een detentie als periode van rust in een veilige plek ervaart. De conclusie van de Pro-Justitia rapportage is dat verdachte zonder behandeling zo goed als zeker zal recidiveren.

Gelet op het rapport van de reclassering, de Pro-Justitia rapportage en de vele veroordelingen is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw misdrijven zal begaan.

Zoals de verdediging heeft aangevoerd, heeft deze rechtbank in haar vonnis van 23 juli 2015 geoordeeld dat het opleggen van de ISD-maatregel op dat moment niet opportuun was. De rechtbank had de verwachting dat de maatregel zou uitmonden in twee jaar "kale" detentie, omdat meerdere klinische en ambulante behandelingen in het recente verleden geen resultaat hadden gehad, er relatief weinig tijd was verstreken sinds de eerder opgelegde ISD-maatregel en verdachte had aangegeven dat hij niet zou meewerken aan een behandeling. Daarom heeft de rechtbank destijds de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van de ISD-maatregel afgewezen. In plaats daarvan heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de rechtbank verdachte erop gewezen dat het aan hem was om vanuit of na zijn detentie contact te leggen met de reclassering en/of het FACT-team.

Korte tijd nadat verdachte was vrijgekomen, is hij opnieuw drugs gaan gebruiken en heeft hij de bewezenverklaarde winkeldiefstal gepleegd. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt dat verdachte tijdens of na zijn detentie heeft geprobeerd contact te leggen met de reclassering of het FACT-team of dat hij op een andere wijze heeft geprobeerd hulp te zoeken. Daarom is de rechtbank - anders dan de verdediging - van oordeel dat nu sprake is van een andere situatie dan ten tijde van het vonnis van 23 juli 2015. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat verdachte op vrijwillige basis adequate hulp zal zoeken voor zijn (verslavings)problemen, terwijl deze hulp wel noodzakelijk is om recidive te kunnen voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verleden uitgewezen dat verdachte niet in staat is zelf hulp te zoeken en dat, als er al door tussenkomst van de reclassering of in een verplicht kader een hulpverleningstraject of behandeling was opgestart, verdachte zich daar telkens na korte tijd aan onttrok en terugviel in zijn verslavingen en delictgedrag.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de ISD-maatregel de enige manier is om gedurende langere tijd te voorkomen dat verdachte strafbare feiten pleegt. Daarnaast kan in het kader van deze maatregel opnieuw worden geprobeerd verdachte te motiveren voor behandeling. Ook indien verdachte ervoor kiest de mogelijkheden voor behandeling die hem worden geboden niet te accepteren, zal de maatregel ervoor zorgen dat verdachte in ieder geval zolang de maatregel duurt geen strafbare feiten pleegt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en (vooral) goederen het opleggen van de ISD-maatregel vordert.

De rechtbank zal verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, omdat zij dit geboden acht ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730269-15 en het in de zaak met parketnummer 18/720333-15 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman, voorzitter, mr. L.G. Wijma en mr. A. Postma, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2015. Mr. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Koelman

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Wijma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Van Emst

locatie Leeuwarden,