Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:639

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
18.930236-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde poging tot doodslag en poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging door met een inwerking zijnde kettingzaag op aangever af te lopen. Het beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 2 tenlastegelegde poging tot doodslag. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het steken van een mes in de richting van het bovenlichaam van aangever. De rechtbank acht ten aanzien van het derde feit bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een auto. De rechtbank legt verdachte de maatregel ISD op voor de duur van twee jaren.

Artikelen 287 jo. 45, 302 jo. 45, 350 en 38m Wetboek van Strafrecht

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285, 302, 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/930236-14

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 3 februari 2015.

Verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 3 november 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een in werking zijnde motorkettingzaag op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of een slaande/zwaaiende beweging met die motorkettingzaag in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 november 2014, te [pleegplaats], [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers:

- is verdachte opzettelijk dreigend met een in werking zijnde motorkettingzaag op die [slachtoffer 1] afgelopen en/of

- heeft verdachte opzettelijk dreigend een slaande/zwaaiende beweging met een in werking zijnde motorkettingzaag in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] gemaakt en/of

- heeft verdachte opzettelijk dreigend een in werking zijnde motorzaag in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] gehouden,

waarbij hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 1] riep/zei “mijn huis uit”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 3 november 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een groot mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op die [slachtoffer 2] is afgelopen en/of (terwijl hij, verdachte, op korte afstand van die [slachtoffer 2] stond) met een groot mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand een of meerdere stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek en/of de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij hem wilde lostrekken, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 november 2014, te [pleegplaats], [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand op die [slachtoffer 2] afgelopen en/of heeft verdachte opzettelijk dreigend (terwijl hij, verdachte, op korte afstand van die [slachtoffer 2] stond) met dat mes een of meerdere stekende en/of zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van de nek en/of de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij hem wilde lostrekken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art. 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 03 november 2014 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A. M. Ariese acht hetgeen onder 1 subsidiair, onder 2 subsidiair en onder 3 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

- oplegging van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders;

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van de onder 1 primair tenlastegelegde poging doodslag, althans poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen, dat [verdachte] een zwaaiende beweging heeft gemaakt met de in werking zijnde motorkettingzaag richting het hoofd of lichaam van [slachtoffer 1]. Evenmin blijkt voldoende uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat [verdachte] opzet heeft gehad op het van het leven beroven of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1], op het moment dat hij de motorkettingzaag pakte en in de richting van [slachtoffer 1] heeft gehouden en vervolgens op hem is afgelopen. De rechtbank acht ook geen opzet in voorwaardelijke zin bewijsbaar. Verdachte heeft niet welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn handelen de dood of zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] zou intreden.

De verdachte dient van de onder 2 primair tenlastegelegde poging doodslag te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen, dat [verdachte] welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn stekende beweging met een mes in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 2], de heer [slachtoffer 2] van het leven zou worden beroofd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank onvoldoende vast stellen dat door de stekende beweging van [verdachte] met het mes in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 2] een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] is ontstaan.

Bewijsmotivering

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- het verhoor van aangever [slachtoffer 1]1 d.d. 4 november 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Op maandag 3 november 2014 omstreeks 18.30 uur kreeg ik een berichtje van [verdachte]. In dat berichtje stond dat ik naar hem toe moest komen omdat hij nog spullen had van mij, deze spullen zou hij naar buiten gegooid hebben. Ik ben op mijn scooter naar de woning van [verdachte] gegaan aan [adres 1]. Ik heb op het raam geklopt. Ik zei tegen [verdachte] dat hij de deur open moest doen. Ik hoorde dat [verdachte] zei “die deur gaat niet open”. Ik heb nogmaals gevraagd of hij de deur open wilde doen, en zag toen dat [getuige 1] de deur voor mij opende. Via de gang ben ik de keuken ingelopen. Ik hoorde op het moment dat ik in de keuken stond een motor aangaan. Ik liep vervolgens door richting de woonkamer. Ik zag dat [verdachte] een kettingzaag in zijn handen had, deze kettingzaag was al aan. Ik zag dat [verdachte] de kettingzaag met het zaagblad aan de bovenkant vasthield. Ik zag dat hij met zijn linkerhand de zaag vast hield aan de beugel die aan de kettingzaag zat. Met zijn rechterhand gaf [verdachte] gas met de zaag. Dit hoorde ik ook. Ik zag dat [verdachte] op dat moment op mij af kwam lopen. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei ‘mijn huis uit’. Ik dacht toen [verdachte] met de draaiende kettingzaag op mij af kwam, dat wanneer ik mij zou omdraaien ik hem in mijn rug zou hebben. Ik dacht toen dat het een gok zou zijn waar dat ding terecht zou komen op mij. [verdachte] richtte met de zaag richting mijn hoofd. Ik had het gevoel dat hij mij met dat ding wilde vermoorden. Het enige wat ik dacht was dat ik de kettingzaag moest wegdrukken. De kettingzaag heb ik weggeduwd richting de grond. Op dat moment vernam ik dat de kettingzaag in mijn jas terecht kwam, ter hoogte van mijn rechterschouder.

- de verklaring van [verdachte] d.d. 5 november 20142, inhoudende kort en zakelijk weergegeven:

Klaar… ik verander het verhaal. Ik heb het gedaan. Hij moest weg wezen, was klaar met hem. Ik wilde [slachtoffer 1] niet in mijn woning hebben. [getuige 1] heeft de deur geopend. [slachtoffer 1] kwam toch binnen in de woning. Ik voelde mij hierdoor bedreigd door [slachtoffer 1] en heb daarop de motorzaag gepakt en gestart. Ik stond op dat moment in onze keuken. Ik hield de motorzaag voor mij vast bij het handvat. Ik had hem met twee handen vast.

- de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 februari 2015, inhoudende kort en zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 1] was vlak achter mij toen ik de kettingzaag pakte. Hij ging terug toen ik de motorzaag aantrok en naar hem richtte. Ik liep hem achterna. Hij kwam op mij af en toen greep hij op de kettingzaag. Toen begon de kettingzaag te lopen. Ik wilde dat hij het huis uit ging. Ik wilde dat hij bang werd en mijn huis uit ging, maar in plaats daarvan greep hij naar de kettingzaag.

- de verklaring van [getuige 1] d.d. 4 november 20143, inhoudende kort en zakelijk weergegeven:

Gistermiddag, 3 november 2014, was ik bij [verdachte] en [vriendin]. Op een gegeven moment werd er aangeklopt. [verdachte] zei toen tegen mij dat ik niet open moest doen, want [slachtoffer 1] stond voor de deur. [vriendin] kwam toen naar beneden en zei dat ik de deur wel open kon doen, omdat [slachtoffer 1] nog spullen kwam ophalen. Ik deed de deur open. Ik zag toen dat [slachtoffer 1] als een wild zwijn naar binnen kwam. Ik stond bij de voordeur en hoorde het geluid van een kettingzaag. [vriendin] wou er tussen en [persoon] ook. Ik heb [persoon] naar buiten gedrukt. Ik zei tegen [slachtoffer 1] dat hij weg moest gaan. Ik zag toen dat [slachtoffer 1] zelf de kettingzaag vastpakte en toen ging het heel snel. [verdachte] liep door en [slachtoffer 1] is terug gelopen. Ik heb toen de deur dicht gedaan.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 3 november 2014 heeft [verdachte] een WhatsApp bericht verzonden naar [slachtoffer 1], waarin stond dat [slachtoffer 1] zijn spullen die bij [verdachte] stonden, moest komen ophalen. [slachtoffer 1] is hierop meteen naar de woning van [verdachte] in [pleegplaats] gegaan en heeft op de deur geklopt. In eerste instantie mocht [slachtoffer 1] niet de woning binnen. Nadat de vriendin van [verdachte], [vriendin], toestemming heeft gegeven aan [getuige 1], heeft [getuige 1] de deur geopend. [slachtoffer 1] heeft hierop de woning betreden en is doorgelopen naar de keuken en woonkamer. Toen hij in de woonkamer kwam zag en hoorde hij dat [verdachte] een in werking zijnde motorkettingzaag in zijn handen had. [verdachte] heeft de motorkettingzaag gestart en heeft gas gegeven. Hij draaide zich in de richting van [slachtoffer 1], waarop [slachtoffer 1] terug is gelopen. [verdachte] heeft gezegd dat [slachtoffer 1] zijn huis uit moest en is vervolgens op [slachtoffer 1] afgelopen. [slachtoffer 1] heeft hierop naar de motorkettingzaag gegrepen, waarop de rem van de motorkettingzaag eraf is gegaan. Door de worsteling heeft de motorkettingzaag de jas van [slachtoffer 1] geraakt. [slachtoffer 1] heeft hierna het huis van [verdachte] verlaten.

[verdachte] wilde [slachtoffer 1] het huis uit hebben en pakte een motorkettingzaag, starte deze, hield hem in de richting van [slachtoffer 1] en liep op hem af. Naar eigen zeggen wilde hij [slachtoffer 1] bang maken, zodat hij het huis zou verlaten. Door met een motorkettingzaag op [slachtoffer 1] af te lopen en de motorzaag in de nabijheid van [slachtoffer 1] te houden is bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees ontstaan dat hij zou overlijden.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de zinsnede in de tenlastelegging ‘in werking zijnde motorkettingzaag’. Uit de verklaring van [verdachte] bij de politie en ter terechtzitting en de verklaringen van [getuige 1] en [slachtoffer 1] blijkt dat de motor van de motorkettingzaag door [verdachte] is gestart. De motor draaide, waardoor de motorkettingzaag reeds in werking was. Dat de tanden van de motorzaag pas gaan ronddraaien doordat de rem van de motor wordt afgehaald doet daaraan niets af.

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel, heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 3 november 20144, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Op maandag 3 november 2014 omstreeks 20.05 uur ging ik samen met mijn vrienden in de auto naar [snackbar], aan [adres 2] in [pleegplaats]. Toen wij buiten waren hoorde ik op een gegeven moment iemand iets zeggen vanuit een andere groep. Ik weet niet wat er gezegd werd. Ik hoorde [getuige 2] zeggen ‘heb je het tegen mij?’ Ik heb het eten bij de auto gezet en ben naar [getuige 2] toegelopen en ben naast hem gaan staan. Ik zag dat de groep onze kant op kwam lopen. Dit was rechts voor de ingang. Toen de groep bij ons stond had ik mijn handen op de rug. Op een gegeven moment voelde ik dat iemand met de borst tegen mij aan duwde. Ik duwde deze jongen weg, ik weet niet meer met welke hand ik dit deed. Terwijl ik de jongen wegduwde voelde ik iets hards in zijn jas. Het deed mij denken aan een mes en ben een stap achteruit gegaan. De jongen die ik had weggeduwd pakte een mes. Ik geloof dat hij het mes met zijn linkerhand pakte. Ik zag dat hij het mes uit zijn binnenzak van zijn jas pakte. Ik zag dat het een groot mes was met een handvat. Ik denk dat het 25 cm groot was. Het leek op een dolk. Ik zag dat hij met het mes op me afkwam. Terwijl hij op mij afkwam hoorde ik hem zeggen dat hij me los wou trekken. Ik denk dat hij daarmee bedoelde dat hij me wou steken. Ik pakte de arm vast waar de jongen het mes in vast had en duwde hem van mij af. Hierna ben ik snel naar mijn auto gelopen en ben ik in de auto gaan zitten. Ik was bang dat als ik hem niet had vastgepakt dat hij dan had gestoken.

- de verklaring van [verdachte] d.d. 5 november 20155, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik was op maandag 3 november 2014 tussen 20.00 uur en 20.30 uur met [getuige 1], [persoon] en [vriendin] bij de Jumbo in [pleegplaats]. Ik kwam de winkel uit en liep richting de parkeerplaatsen. Daar zit ook een cafetaria, volgens mij [snackbar]. Ik zag een kameraad van mij staan en gaf hem een hand. Ik weet de naam van deze kameraad niet. Ik zag nog twee jongens, welke ik niet kende. Op dat moment zie ik jongens uit de cafetaria komen lopen. Ik heb wel een mes bij mij gehad. Deze had ik bij mij vanwege het gedoe met [slachtoffer 1].

- een verklaring van [getuige 3] d.d. 7 november 20146, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Maandagavond 3 november 2014 was ik samen met mijn vrienden [slachtoffer 2] en [getuige 2] bij cafetaria de [snackbar] te [pleegplaats]. Plotseling zag ik dat een van de jongens, gekleed in een soort Amerikaans honkbaljack, witte mouwen en blauw middenstuk, naar zijn binnenzak van zijn jas greep toen hij vlak bij [slachtoffer 2] was. Hij had niets in de hand toen zijn hand weer tevoorschijn kwam. Ik zag dat die jongen [slachtoffer 2] met de borst een duw gaf. [slachtoffer 2] gaf hem op dezelfde manier een duw terug. Toen greep die persoon weer in zijn binnenzak en zag ik dat hij een mes tevoorschijn haalde. Ik zag een mes met een groot glimmend snijdeel van ongeveer 25 centimeter lang. Ik stond op 1 meter afstand van beiden. Die persoon wilde een steekbeweging maken in de richting van [slachtoffer 2], maar [slachtoffer 2] kon door heel snel handelen dit direct afweren door met zijn hand een duw tegen de schouder van de jongen te geven. Door de duw raakte die persoon met het mes [slachtoffer 2] niet toen hij die stekende beweging maakte. Anders zou [slachtoffer 2] zeker gestoken zijn en geraakt zijn. Die jongen stak zijdelings en zou [slachtoffer 2] denk ik onder zijn ribben hebben geraakt.

- een verklaring van [getuige 2] d.d. 7 november 20147, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik sta bij de achterkant en ik zie vanuit mijn ooghoek dat de jongeman die vlak bij [slachtoffer 2] stond naar zijn binnenzak van zijn jas greep. Ze stonden hooguit op 30 cm van elkaar af. Ik hoorde [slachtoffer 2] roepen: pas op hij heeft een mes. Meteen daarop zie ik een groot mes in de hand van de persoon die dicht bij [slachtoffer 2] stond. Dat mes was zeker 25 cm groot. Dat ging allemaal heel snel. Ik zag dat die persoon een stekende beweging maakte in de richting van de nek van [slachtoffer 2]. Ik zag dat [slachtoffer 2] zijn pols vastpakte en het mes wegduwde, een halve slag draaide waardoor hij iets bij de persoon vandaan kwam en dat hij vervolgens die persoon een behoorlijke duw gaf. Het is aan [slachtoffer 2] zelf te danken dat hem verder niets is overkomen. Als hij wel was geraakt was dat zeker niet goed afgelopen en was hij ernstig gewond geraakt.

- een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 3 november 20148, inhoudende kort en zakelijk weergegeven:

Bij de aanhouding van [verdachte] rond 23.00 uur in zijn woning werd door [verbalisant 2] bij binnenkomst links bij de voordeur een groot mes aangetroffen welke voldeed aan de omschrijving zoals in de aangifte van meneer [slachtoffer 2]. Het mes is inbeslaggenomen.

- een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 november 20149, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Het mes dat in beslaggenomen is heeft een lemmet met een lengte van 21 centimeter en een totale lengte inclusief het handvat van 32 centimeter.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

In de avond van 3 november 2014 was [verdachte] bij [snackbar] in [pleegplaats]. Er ontstond een woordenwisseling tussen de groep van [verdachte] en de drie mannen die uit de cafetaria kwamen lopen. [verdachte] duwde met zijn borst tegen de borst van [slachtoffer 2] aan. [slachtoffer 2] duwde [verdachte] terug. [verdachte] pakte een mes uit de binnenzak van zijn jas en maakte vervolgens een stekende beweging met het mes in zijn hand in de richting van het bovenlichaam van [verdachte]. De afstand tussen beide mannen bedroeg ongeveer 30 centimeter, een korte afstand. [slachtoffer 2] duwde de arm van [verdachte] weg, waardoor hij niet door het mes werd geraakt.

In tegenstelling tot de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] het voorwaardelijk opzet had om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wanneer iemand met een mes wordt geraakt en gestoken in het bovenlichaam, ergens tussen de nek en de buik, kunnen organen, spieren en bloedvaten worden geraakt. De kans op zwaar lichamelijk letsel is daarbij aanmerkelijk. Door op korte afstand van [slachtoffer 2] een stekende beweging te maken met het mes in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 2], heeft [verdachte] welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Dat [slachtoffer 2] niet is geraakt door het mes is niet te danken aan [verdachte], maar doordat [slachtoffer 2] de arm van [verdachte] heeft weggeduwd.

Ten aanzien van feit 3.

Nu verdachte hetgeen de rechtbank onder 3 bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman ten aanzien van dit feit vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 3 november 201410

- de bekennende verklaring van [verdachte] d.d. 4 november 201411

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 16 januari 2015 dat hij het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de auto van [slachtoffer 2] heeft beschadigd.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, het onder 2 primair, impliciet subsidiair en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 3 november 2014 te [pleegplaats], [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers:

- is verdachte opzettelijk dreigend met een in werking zijnde motorkettingzaag op die [slachtoffer 1] afgelopen en

- heeft verdachte opzettelijk dreigend een in werking zijnde motorkettingzaag in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] gehouden.

2.

hij op 3 november 2014 te [pleegplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes op die [slachtoffer 2] is afgelopen en terwijl hij, verdachte, op korte afstand van die [slachtoffer 2] stond, met een mes in de hand een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij hem wilde lostrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op 3 november 2014 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft beschadigd.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het onder 1, 2 en 3 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 lid 1 jo. 45 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Door de verdediging is met betrekking tot het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde, een beroep gedaan op noodweer, subsidiair noodweerexces. Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] in zijn eigen woning werd aangevallen door een man met een groot postuur, aangever [slachtoffer 1], en dat hij geen kant meer op kon. Daarnaast was [verdachte] in de dagen ervoor reeds meermalen bedreigd door [slachtoffer 1]. [verdachte] was daarom bang en mocht zich tegen deze aanranding van zijn lijf verdedigen. Mocht geen sprake zijn van noodweer, omdat door [verdachte] de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn overschreden, is er sprake van noodweerexces, gelet op de hevige gemoedsbeweging die is ontstaan door de gehele situatie en door de dreigingen voorafgaand aan het incident.

De rechtbank overweegt het volgende:

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient sprake te zijn van een noodweersituatie. Van een noodweersituatie is sprake indien er een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.

De rechtbank gaat er van uit dat [slachtoffer 1] naar aanleiding van het WhatsApp bericht van [verdachte], waarin stond dat hij zijn spullen moest komen halen, naar de woning van [verdachte] is gegaan. [slachtoffer 1] is de woning binnen gegaan met toestemming van een van de bewoners, namelijk [vriendin]. [slachtoffer 1] is, vermoedelijk boos, de woonkamer ingelopen. [vriendin] en [persoon] hebben een eventuele aanval niet kunnen zien, aangezien zij, op het moment dat [slachtoffer 1] de woning binnenkwam, nog boven in de woning waren of op de trap stonden en daarbij geen zicht hadden op de woonkamer en de keuken. Overigens verklaren zij beiden bij de politie en de rechter-commissaris of op de zitting, dat zij het begin van de situatie niet hebben gezien, doch slechts hebben gehoord. [getuige 1] verklaart bij de politie dat [slachtoffer 1] “als een wild zwijn” naar binnen is gelopen, maar heeft het niet over een aanval op [verdachte]. [getuige 1] hoort namelijk op het moment dat [slachtoffer 1] naar binnen gaat en hij zelf nog bij de voordeur staat, dat de motorkettingzaag aan gaat in de woonkamer. [getuige 1] heeft een eventuele aanval in de woonkamer of keuken niet kunnen zien. De verklaring van [verdachte] bij de politie en ter zitting vormen de enige bron waaruit een mogelijke aanranding naar voren komt. Het enkele feit dat [slachtoffer 1] boos naar binnen is gegaan, is onvoldoende voor het aannemen van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Gelet op voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van [verdachte] waartegen een verdediging door [verdachte] noodzakelijk was. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat aangever [slachtoffer 1] op uitnodiging van [verdachte] naar de woning is gegaan. [verdachte] heeft de motorkettingzaag aangezet, vervolgens naar [slachtoffer 1] toe bewogen en geroepen “mijn huis uit”, waarna [slachtoffer 1] achteruit is gelopen. Terwijl [slachtoffer 1] bezig was om weg te gaan uit het huis, is [verdachte] op [slachtoffer 1] afgelopen. [slachtoffer 1] heeft de motorkettingzaag hierop vastgepakt.

Aangezien er geen sprake is geweest van een noodweersituatie behoeft het beroep op noodweerexces geen nadere bespreking. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweerexces.

Motivering maatregel

Verdachte heeft ernstige geweldsfeiten gepleegd onder invloed van alcohol, te weten een bedreiging met een motorkettingzaag, een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door met een mes stekende beweging te maken en een vernieling. De rechtbank rekent verdachte, met name die feiten, waarbij het menselijk leven en de lichamelijke integriteit worden bedreigd, ook ernstig aan, zeker nu een van de bewezen feiten door verdachte op de openbare weg, voor publiek zichtbaar, is gepleegd.

De rechtbank neemt bij het opleggen van na te noemen maatregel in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister, d.d. 14 januari 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de eis van de officier van justitie die vordert dat de rechtbank de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal opleggen, en met het pleidooi van de raadsman.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit geen ISD-maatregel op te leggen. Hij acht het opleggen van de maatregel niet aangewezen, aangezien er een alternatieve strafmodaliteit voorhanden is. Het alternatief is een voorwaardelijke gevangenisstraf, met daarbij als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling in [kliniek] te Groningen. Daarnaast stelt de raadsman dat het rapport van de reclassering niet voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 38m Wetboek van Strafrecht. In het rapport is geadviseerd op basis van informatie uit oudere rapporten.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de rapporten en adviezen van het Leger des Heils (LdH), d.d. 6 november 2014 en d.d. 1 januari 2015. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het trajectconsult van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 1 december 2014 en het Pro Justitia Rapport, inhoudende een psychologisch onderzoek, d.d. 6 juni 2012. Uit de rapportages blijkt dat de problematiek die in 2012 naar voren is gekomen, nog steeds actueel is. Er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, welke mogelijk beïnvloed wordt door ADHD problematiek. Daarnaast is sprake van problemen in middelengebruik. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat nog steeds sprake is van fors alcoholgebruik, waarvoor hij graag hulp wil aanvaarden. In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ondanks dat in de rapportage gebruik wordt gemaakt van oudere informatie, het rapport voldoet aan de vereisten zoals de wet deze stelt. Uit het trajectconsult blijkt dat de destijds geconstateerde problemen en diagnose ook nu nog actueel zijn. Uit de inhoud van deze stukken en de overige gedingstukken blijkt dat verdachte aldus voldoet aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.

Aan het genoemde alternatief van de verdediging tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde een behandeling in [kliniek] gaat de rechtbank voorbij. In het verleden zijn meerdere toezichten geretourneerd. Daarnaast is [verdachte] twee keer eerder in een kliniek opgenomen: een keer in een verslavingskliniek en een keer in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). Beide keren vertrok [verdachte] na korte tijd, terwijl de opname verplicht was opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. Ook een klinische opname in Hoeve Boschoord heeft [verdachte] in het verleden geweigerd. Een opname in een kliniek als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is in het verleden niet afdoende gebleken. Op basis van het advies van het Leger des Heils acht de rechtbank het van belang dat binnen een steviger kader dan een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf, verdachte de mogelijkheid krijgt om te werken aan zijn problemen. Uit het advies van het Leger des Heils blijkt dat reeds een begin van het behandelingsplan is gemaakt, namelijk een klinische opname in Hoeve Boschoord.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen, het opleggen van de ISD-maatregel eist. Met het oog op beëindiging van de recidive van verdachte, alsmede om hem alle kansen te geven om aan de oplossing van zijn problematiek te werken is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 38m, 38n, 38o, 38s, 45, 57, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde onder 1 subsidiair, onder 2 primair en onder 3, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter,

en mr. E. Läkamp en mr. M. van der Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lübbers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 17 februari 2015,

zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de daartoe gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 Pag. 28 van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-11;

2 Pag. 64 e.v. van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-21;

3 Pag. 41 e.v. van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-16;

4 Pag. 70 e.v. van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138086-1;

5 Pag. 62 e.v. van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-21;n

6 Pag. 84 e.v. van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Coevorden/Borger-Odoorn, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138086-8;

7 Pag. 87 e.v. van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Coevorden/Borger-Odoorn, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138086-9;

8 Pag. 32 van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-6;

9 Pag. 17 van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-8;

10 Pag. 71 van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Emmen, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138086-1;

11 Pag. 58 van het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland, district Zuidoost, basiseenheid Coevorden / Borger-Odoorn, met proces-verbaalnummer PL0100-2014138102-12;