Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6370

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
06-05-2016
Zaaknummer
18.187976-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 5 maanden gevangenisstraf voor zware mishandeling.

Officier van justitie ontvankelijk in vervolging. Geen schending redelijke termijn berechting. Tevens redelijke en billijke belangenafweging voor vervolging.

Verwerping beroep op noodweer(exces).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/187976-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 december 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 04 december 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 januari 2013 te [pleegplaats] aan een persoon genaamd [slachtoffer]
[slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (neusfractuur en/of scheurtjes in
oogkassen), heeft toegebracht, met dat opzet [slachtoffer] meermalen, althans
eenmaal met een boksbeugel, althans een hard voorwerp tegen het hoofd heeft
gestompt en/of geslagen;
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht


althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 januari 2013 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]
[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een boksbeugel, althans een hard voorwerp
tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht


althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 januari 2013 te [pleegplaats] opzettelijk mishandelend een
persoon (te weten [slachtoffer] ), (met een hard voorwerp) meermalen, althans eenmaal
tegen het hoofd, althans het lichaam heeft gestompt en/of geslagen, tengevolge
waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten bloeduitstortingen,
scheurwonden, ontvellingen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen
en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Namens verdachte is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vervolging van verdachte in strijd is met het strafvorderlijk beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.

De officier van justitie is van mening dat de vervolging van verdachte weliswaar onwenselijk lang heeft geduurd, maar dat het haar ontvankelijkheid niet raakt. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan vervolging van verdachte aangewezen is.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie slechts sprake kan zijn in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

In uitzonderlijke situaties is niet ontvankelijkheid als rechtsgevolg op overheidsoptreden ook mogelijk wanneer het gaat om handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet het geval.

De rechtbank overweegt hierbij dat de door de raadsman van verdachte aangevoerde berechtingstermijn niet leidt tot een zodanige overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de berechting van verdachte plaatsvindt, dat dat moet leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, gelet op een redelijke en billijke belangenafweging, tot een vervolgingsbeslissing van verdachte kon komen. De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte van een ernstig strafrechtelijk geweldsmisdrijf wordt verdacht, welk overdag op de openbare weg is gepleegd. Daaraan doet niet af dat verdachte kort na het onderhavige feit slachtoffer is geworden van een door [slachtoffer] ten opzichte van hem gepleegd geweldsdelict.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;

-gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag

van € 20.439,50, zijnde de materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade. Niet

ontvankelijk verklaring voor het overige.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is -evenals de officier van justitie en anders dan de raadsman van verdachte- van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

De raadsman van verdachte heeft niet betwist dat kan worden bewezen dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geslagen waardoor deze zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

De raadsman betwist wel dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu verdachte met zijn vuisten heeft geslagen, zonder gebruikmaking van één of meer boksbeugels. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen, nu verdachte zich uit noodweer heeft verdedigd tegen een voortdurende wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam door aangever.

De rechtbank kan zich niet in de zienswijze van de raadsman van verdachte vinden. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

De rechtbank acht, hetgeen door (de raadsman van) verdachte niet is betwist, bewezen dat verdachte aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de namens de benadeelde partij (aangever) ingebrachte stukken. Deze stukken, welke de raadsman -in het belang van de verdediging- met verdachte heeft kunnen bespreken en die op de terechtzitting aan de orde zijn gekomen, maken daarmee onderdeel uit van het dossier en kunnen aldus voor het bewijs worden gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de medische informatie, de verklaring van GGD arts en forensisch [deskundige] en de verklaring van aangever kan worden bewezen dat voormeld letsel door gebruikmaking van een boksbeugels met punten is veroorzaakt.

[deskundige] heeft ter terechtzitting verklaard dat het geconstateerde letsel is veroorzaakt door stomp botsend geweld met waarschijnlijk iets kantigs, ruws of scherps. Er zijn door hem twee verwondingen geconstateerd die kunnen passen bij het gebruik van een vier-puntige boksbeugel. Door de bolling ervan hoeven niet alle vier de punten het gezicht van aangever hebben geraakt. Daarnaast heeft verdachte verklaard geen ringen te dragen, die dergelijke verwondingen kunnen verklaren. Voorts heeft de deskundige verklaard dat de ontstane verwondingen niet passend zijn bij letsel dat ontstaat bij het slaan met een gebalde vuist.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte door meermalen met kracht met een boksbeugel in het gezicht, zijnde een kwetsbaar lichaamsdeel, te slaan opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gedane beroep op noodweer. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er tussen verdachte en aangever een handgemeen heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte met (bewust meegenomen) boksbeugels om zijn beide handen uit zijn auto is gestapt en de confrontatie met aangever heeft gezocht. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de kans heeft gehad om weg te rijden en dat hij zijn auto niet had moeten keren om naar aangever toe te rijden. De rechtbank is van oordeel dat onder dergelijke omstandigheden, waarbij verdachte de confrontatie met gebruikmaking van boksbeugels zoekt, terwijl er geen sprake is van een ogenblikkelijke aanranding van zijn lijf, er geen sprake is van een noodzakelijke verdediging.

De rechtbank verwerpt ook het subsidiair gevoerde noodweerexcesverweer, inhoudende ontslag van alle rechtsvervolging, nu zoals hiervoor is weergeven de rechtbank geen noodweersituatie aanwezig heeft geacht.

De rechtbank heeft voor het bewijs gebezigd dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan de navolgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer] verklaart -zakelijk weergegeven-1: Op 18 januari 2013 reed ik in een auto te [pleegplaats] . Wij kwamen [verdachte] tegen. Ik zag daarna dat hij ons inhaalde en klemreed. Hij stopte. Ik ben toen ook gestopt. [verdachte] stapte direct uit zijn auto. Ik zat achter het stuur en had mijn raam voor meer dan de helft open. Ik zag toen dat [verdachte] in beide handen een verchroomde boksbeugel had. Hij had ze in een gebalde vuist. Ze hebben vier scherpe punten. Je kunt ze als een ring om doen. Ik zag toen dat hij met zijn linker hand mij een klap op mijn linker oog gaf. Hij trok mij uit de auto. [verdachte] bleef doorgaan met geven van klappen. Ik zag en voelde dat hij mij sloeg op mijn ogen, op mijn hoofd en op mijn neus. Hij sloeg met die boksbeugels op zijn beide handen. Ik ben naar het ziekenhuis gebracht. De artsen vertelden mij daar dat mijn neus en beide oogkassen gebroken waren.

Foto van bij aangever geconstateerd letsel, waarbij de rechtbank klein rondvormig letsel boven het linkeroog waarneemt.2

[getuige] verklaart -zakelijk weergegeven-3: [slachtoffer] belde mij en zei mij dat hij in het ziekenhuis was. [slachtoffer] zei mij dat [verdachte] voor hem reed en hem tot stoppen dwong. [verdachte] sprong uit de auto en liep met een boksbeugel met priemen naar [slachtoffer] toe. [slachtoffer] had het raam van het portier open. [verdachte] sloeg [slachtoffer] in het gezicht, toen hij nog in de auto zat. Daarna trok [verdachte] [slachtoffer] uit de auto en sloeg hem rechts in het gezicht met de boksbeugel.

Verdachte heeft ter terechtzitting –zakelijk weergegeven- verklaard: Ik heb op 18 januari 2013 te [pleegplaats] [slachtoffer] tweemaal met een vuist tegen het hoofd geslagen.

[deskundige] voornoemd heeft ter terechtzitting verklaart -zakelijk weergegeven-:

Het geconstateerde letsel in het gezicht is veroorzaakt door stomp botsend geweld met waarschijnlijk iets kantigs, ruws of scherps. Er zijn door twee verwondingen geconstateerd die kunnen passen bij het gebruik van een vier-puntige boksbeugel.

Medische informatie betreffende aangever, door [kaakchirurg] , houdt in -zakelijk weergegeven-4: Patiënt liep in januari 2013 beiderzijds een orbitabodem fractuur op hij een handgemeen. Op de CT van 18-03-2013 is met name op het skeletale opname te zien dat er een groot orbitabodem defect is aan de rechterzijde. Aan de linkerzijde is een beperkte orbitabodem defect. Op 26-04-2013 werd via een tansconjunctivale

benadering een orbita implantaat aangebracht in de rechter orbitabodem.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 18 januari 2013 te [pleegplaats] aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, met dat opzet [slachtoffer] meermalen met een boksbeugel, tegen het hoofd heeft gestompt.

De verdachte zal van het primair meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman van verdachte.

Verdachte heeft op 18 januari 2013 te [pleegplaats] het slachtoffer opzettelijk meermalen met boksbeugels tegen het hoofd gestompt. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank betrekt bij de strafbepaling enerzijds dat het een zeer ernstig feit is, gepleegd met behulp van boksbeugels, overdag en op de openbare weg. Het slachtoffer heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mede dat het een relatief oud feit betreft en verdachte geen recente justitiële antecedenten heeft.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf geboden is. De rechtbank zal een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, met name gelet op eerdergenoemde duur tot de berechting.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 10, 27 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter,

mr. C.P. van Gastel en mr. M.A.A. van Capelle, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2015.

Mr. Van Gastel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 op pagina 15ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, nummer: PL032W 2013020585 (het PV)

2 op pagina 23 van het PV

3 op pagina 36ev van het PV

4 in dossier slachtofferzorg