Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6367

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
06-05-2016
Zaaknummer
17.925349-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 20 november 2015 een man veroordeeld voorin de uitoefening van een beroep of bedrijf medeplegen van het telen, bereiden en bewerken van hennep, het aanwezig hebben van hennen en het voorhanden hebben van munitie. De rechtbank heeft in de strafmaat rekening gehouden met het tijdsverloop en de man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/925349-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. van den Broek, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 en/of het jaar 2013 (op verschillende data en/of tijdstippen) (en op verschillende plaatsen) in de provincie Friesland, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(feit 1)

- ( in of omstreeks de periode omvattende de maand maart 2013 tot en met de maand augustus 2013 (tot en met 13 augustus 2013), in een pand gelegen aan of bij [adres 1] te [pleegplaats 1] (telkens) een hoeveelheid ongeveer ongeveer 71, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, en/of

(feit 2)

- ( in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 en/of het jaar 2013 (tot en met de maand augustus 2013)) in een pand gelegen aan of bij [adres 2] te [pleegplaats 2] (telkens) een hoeveelheid van ongeveer 699, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en/of

(feit 3)

- ( in of omstreeks de periode omvattende de maand januari 2013 tot en met de maand augustus 2013) in een pand gelegen aan of bij [adres 3] te [pleegplaats 3] , (telkens) een hoeveelheid van ongeveer 58, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en/of

(feit 4)

- ( in of omstreeks de periode omvattende de maand augustus 2012 tot en met de maand augustus 2013) in een pand gelegen aan of bij [adres 4] te [pleegplaats 3] , (telkens) een groot aantal henneptoppen, althans delen van hennepplanten, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en/of

(feit 5)

- ( in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 (vanaf de maand november 2012) en/of het jaar 2013 (tot en met 27 augustus 2013), in een pand gelegen aan of bij

[adres 5] en/of [adres 6] te [pleegplaats 4] , (telkens) een groot aantal henneptoppen, althans delen van hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 november 2011 tot en met 27 augustus 2013, te [pleegplaats 5] , in elk geval in de gemeente Harlingen, en/of te [pleegplaats 6] , in elk geval in de gemeente Franekeradeel, en/of (elders) in Nederland,

A.

van een voorwerp, te weten een (personen)auto van het merk Toyota, type Avensis, voorzien van het kenteken, [kenteken] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was of wie bovenomschreven

voorwerp voorhanden had, en/of

B.

dat/een voorwerp, te weten een (personen)auto van het merk Toyota, type Avensis, voorzien van het kenteken, [kenteken] , heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of van dat voorwerp, gebruik heeft gemaakt

terwijl hij (telkens) wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat voorwerp

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit het/een misdrijf (betaald met geld/inkomsten uit hennepteelt), immers heeft verdachte in voornoemde periode die (personen)auto gekocht,

betaald en in gebruik gehad, maar (daarentegen)

- het kenteken op naam laten zetten van een andere persoon ( [persoon] ) en/of

- die persoon een verzekering voor die (personen)auto laten afsluiten en/of

- die persoon de verzekeringsgelden voor die (personen)auto laten betalen en/of

- die persoon de wegenbelasting voor die (personen)auto laten betalen,

zulks terwijl verdachte de financiële verplichtingen ten aanzien het verzekeren en/of de wegenbelasting van die (personen)auto contant aan die persoon ( [persoon] ) heeft voldaan en zodoende de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld dat verdachte de rechthebbende op die (personen)auto was en deze voorhanden had;

3.

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 en/of het jaar 2013 (tot en met 27 augustus 2013) te [pleegplaats 3] , in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, en/of elders in Nederland, (in een garagebox, gelegen aan of bij [adres 7] ) voorhanden heeft gehad

- 8 centraalvuur kogelpatronen (van het merk PG (Pobjeda Sports) van het kaliber 9 x 19 mm en/of

- 3 centraalvuur kogelpatronen (van het merk Sellier & Bellot) van het kaliber 9 x 19 mm en/of

- 11 centraalvuur kogelpatronen (van het merk Sellier & Ballot) van het kaliber 9 mm Luger en/of

- 1 centraalvuur kogelpatroon (van het merk Dynamit Nobel) van het kaliber 9 mm Sintox,

in elk geval (telkens) munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsvrouw is bepleit dat de dagvaarding partieel nietig is, omdat het onder 2. tenlastegelegde niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het onder 2. ten laste gelegde onvoldoende duidelijk dan wel innerlijk tegenstrijdig is, omdat het onduidelijk is of de feitelijke invulling van het tenlastegelegde ziet op de onder A. of B. ten laste gelegde variant van witwassen.

Artikel 261 Sv schrijft voor dat de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd behelst met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatste het begaan zou zijn. Tevens behelst zij de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Het is vaste rechtspraak dat de tenlastelegging in samenhang met het dossier moet worden gelezen.

Onder 2. wordt verdachte cumulatief een A- en een B-variant van witwassen verweten. De steller van de tenlastelegging heeft beide varianten vanaf de zinsnede: "terwijl hij (telkens) wist of redelijkerwijs had.." gezamenlijk feitelijk uitgewerkt. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging een opgave van de feiten bevat onder vermelding omstreeks welke tijd en waar de feiten zouden zijn begaan. Tevens zijn de omstandigheden, waaronder de feiten zouden zijn begaan vermeld. De dagvaarding voldoet derhalve aan de eisen van artikel 261 Sv. De rechtbank verklaart de dagvaarding geldig en verwerpt het verweer.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde.

Uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte in elk geval in de periode vanaf januari 2012 tot en met 27 augustus 2013 samen met een ander of anderen drie hennepkwekerijen heeft gehad. Verdachte was verantwoordelijk voor de investeringen, het materiaal, de inrichting van de hennepkwekerijen, het teelproces en de verwerking en bereiding van de hennepopbrengst. Voor deze laatste processen had hij twee aparte locaties ingericht. Een locatie waar de hennepplanten werden geknipt en een locatie waar de hennep werd gedroogd. Wanneer de hennep was gedroogd verkocht verdachte de hennep en deelde hij de opbrengst met de andere telers. De rechtbank is van oordeel dat uit de periode en de organisatiestructuur een zodanige professionaliteit blijkt dat sprake is van hennepteelt, verwerken en bereiden in de uitoefening van een beroep of een bedrijf. Dit wordt bevestigd door de verklaring van verdachte bij de politie waaruit blijkt dat hij van de hennepteelt heeft geleefd en dat hij het als zijn werk zag.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde.

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van het onder 2. tenlastegelegde. Voor het onder A. ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte het doel had om te verhullen of te verbergen dat hij de rechthebbende van de auto was of dat hij de herkomst van de auto wilde verhullen of verbergen en voor het onder B. heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de auto is gekocht met geld dat is verdiend met hennepteelt.

De rechtbank overweegt dat voor zowel het onder A. als het onder B. ten laste gelegde van belang is dat wordt bewezen dat het voorwerp, de personenauto van het merk Toyota, type Avensis en voorzien van kenteken [kenteken] , onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit misdrijf.

Uit de stukken en ter terechtzitting is gebleken dat de personenauto op 21 november 2011 is gekocht en betaald door verdachte. Het kenteken is vervolgens gelijk op naam van [persoon] is gezet. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte in of voor november 2011, dus ten tijde van het kopen van de personenauto, hennep heeft geteeld of zich schuldig maakte aan andere misdrijven. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de personenauto onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit misdrijf. Verdachte zal daarom van het onder 2. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 6 november 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De hennepkwekerij aan [adres 1] in [pleegplaats 1] was van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en van mij. [medeverdachte 2] heeft de locatie gezocht en de flat gehuurd. Ik zorgde dat [medeverdachte 2] geld voor de huur kreeg. Ik heb de hennepkwekerij gefinancierd en samen met [medeverdachte 1] ingericht. Ik heb de hennepstekjes gekocht. [medeverdachte 2] gaf de hennepplanten water en [medeverdachte 1] en ik mengden de voedingsmiddelen. Ik was degene van ons drieën die wist hoe een hennepkwekerij werkte. We hebben één keer geoogst. Ik heb de hennepoogst verkocht en de anderen een deel van de opbrengst gegeven.

De hennepkwekerij aan [adres 2] te [pleegplaats 2] was van [medeverdachte 3] en van mij.

[medeverdachte 3] en zijn vrouw hadden geld nodig en we hebben vervolgens afgesproken dat we in zijn kelder een kweekruimte zouden maken om hennepplanten te kweken. [medeverdachte 3] heeft er later nog een aantal kweekruimten bij gebouwd. Ik heb de investering voor de kwekerijen gedaan en [medeverdachte 3] en ik hebben de hennepkwekerijen samen gebouwd. Ik heb de hennepstekjes geregeld en [medeverdachte 3] deed het onderhoud van de hennepplanten. Ik kwam regelmatig langs en mengde de voedingsmiddelen voor hem. Ik heb ook geoogst en de opbrengst verkocht. De opbrengst van de kwekerij deelden wij. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn wel met mij mee geweest naar deze kwekerij en hebben toen geholpen. Zij zijn voor hun diensten betaald.

De hennepkwekerij aan [adres 3] te [pleegplaats 3] in de woning van [medeverdachte 5] was van [medeverdachte 5] en van mij. Ik heb de inrichting van de hennepkwekerij gefinancierd.

Ik heb de hennepoogst van [straat 1] te [pleegplaats 2] een aantal keren in de woning van [medeverdachte 4] aan [straat 2] te [pleegplaats 3] gelegd om te drogen. Als het gedroogd was haalde ik het weer op en verkocht ik het. De drogen duurde ongeveer vier dagen.

Aan [adres 5] te [pleegplaats 4] hadden we een kniplocatie. Ik had met [medeverdachte 6] afgesproken dat ik een ruimte in zijn loods achter zijn garage mocht gebruiken voor het knippen van hennep. Wij knipten hier de hennep die afkomstig was uit de hennepkwekerij in [pleegplaats 2] . De reflecterende folie aan de muren is door [medeverdachte 6] bevestigd. Wij hebben een luchtfilter opgehangen in de ruimte waar geknipt werd. Er zijn daar verschillende mensen geweest om te knippen. Zij kregen 75 euro voor het knippen. Ik betaalde ze. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben daar ook hennep geknipt.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer DOS-002-01, gesloten op 11 maart 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2012054763, d.d. 16 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 13 augustus 2013 werd binnengetreden in de woning [adres 1] te [pleegplaats 1] . In de keuken stonden 176 kweekpotten welke eerder waren gebruikt. In de inwerking zijnde kwekerij stonden in totaal 71 hennepplanten. Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring dat het hennepplanten waren.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 12-068-V-012-02, d.d. 9 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2] :

Ik verzorgde de plantjes en betaalde de rekeningen. Ik ben huurder van het pand [adres 1] te [pleegplaats 1] . Dit is sinds maart 2013. Via [medeverdachte 1] zijn wij in contact gekomen met [verdachte] . [verdachte] kwam bij ons thuis, dit was ongeveer eind februari, begin maart 2013. Er is toen besproken over hoe en op welke wijze wij de boel zouden financieren. [verdachte] wilde de investering rond deze hennepkwekerij wel doen. Ik zou een woning zoeken. De huur werd voorgeschoten door [verdachte] . [verdachte] of [medeverdachte 1] kwamen dit langs brengen. We deden het met zijn drieën. Ik heb destijds de sleutel overhandigd aan [verdachte] of [medeverdachte 1] . Ik ben er pas geweest toen de hennepkwekerij klaar was en de eerste plantjes er stonden. Ik zou de planten verzorgen. We hebben één oogst gehad. Dit zou de tweede oogst worden.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02DH 2012054763-155, d.d. 10 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 27 augustus 2013 binnengetreden in een woning aan [adres 2] te [pleegplaats 2] . In de kelder werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er bleken meerdere afgeschermde ruimtes te zijn, waarin hennep werd gekweekt. Door mij werden ter plaatse 391 hennepplanten en 308 hennepstekken inbeslaggenomen.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V-002-02-12-068-002, d.d. 28 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 3] :

Ik heb een scheidingswand in de kelder aangebracht, waardoor de kelder in twee gedeelten werd gedeeld. [verdachte] heeft het materiaal betaald en ik heb het gemaakt. Dat zal ongeveer twee jaar geleden gebeurd zijn. Bij die kleine hennepkwekerij waren [verdachte] en ik betrokken. [verdachte] onderhield deze kwekerij en heeft hem ingericht. Hij knipte ook de planten en mengde de voeding. Ik gaf de planten water. In deze kwekerij stonden ongeveer 100 planten.

Toen de tweede kwekerij was aangelegd was [verdachte] soms met een andere jongen in de kwekerij. Dit was een jongen genaamd [medeverdachte 4] . Hij hielp [verdachte] met het onderhouden en het oogsten van de kwekerij. Zij hielpen ook de stekjes te planten. Ik denk dat [medeverdachte 4] gemiddeld een keer per maand met [verdachte] kwam. Ik denk dat hij ongeveer een jaar en een paar maanden bij ons is gekomen. Later was er nog een andere jongen genaamd [medeverdachte 5] die kwam helpen. Na enige tijd kwam [medeverdachte 4] niet meer mee. Toen kwam [medeverdachte 5] soms met [verdachte] mee.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02HH 2012054763-159, d.d. 11 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 27 augustus 2013 ben ik een woning aan [adres 3] te [pleegplaats 3] binnengetreden. Ik ben de trap naar boven opgegaan en ik zag een in werking zijnde kwekerij in de kamer. Ik zag dat in deze kamer een ruime hoeveelheid hennepplanten stonden, met daarboven verschillende assimilatielampen. Ik heb alle goederen geteld: 58 hennepplanten.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 12-068-V-001-03, d.d. 29 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb van de hennepteelt geleefd en zag het als mijn werk. Aan de hand van het briefje dat mij werd getoond, denk ik dat de kwekerij bij [medeverdachte 3] in november 2011 is begonnen. Ongeveer drie maanden later wilde hij al groter. Daarna zijn er nog twee ruimtes bijgekomen.

[medeverdachte 5] zat financieel zwaar omhoog. Het was een klein kwekerijtje. Het knippen en drogen van de plantjes van deze kwekerij deden we allemaal zelf bij [medeverdachte 5] . De oogst nam ik mee en verkocht ik. Volgens mij heeft dit kwekerijtje een klein jaar gedraaid en hebben we er drie oogsten uitgehaald.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 12-068-IBN-004-08, d.d. 5 december 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Tijdens de zoeking op 27 augustus 2013 werd in de schuur van de woning [adres 4] te [pleegplaats 3] een witte emmer met inhoud aangetroffen en in beslaggenomen. Op 4 december 2013 heb ik de emmer en de inhoud daarvan onderzocht. Ik zag en rook dat deze emmer was gevuld met hennep. Het totale gewicht van de hennep is 1117 gram.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 12-068-V-004-05, d.d. 29 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 4] :

De natte hennep kwam uit de kniplocatie vandaan. Ik bedoel daar [pleegplaats 4] (= [pleegplaats 4] ) mee.

De eigenaren van deze hennep waren [medeverdachte 3] en [verdachte] .

De drogerij bij mij is een jaar geleden begonnen. [verdachte] kwam ongeveer vijf tot zes keer met een ton bij mij. Ik weet dat wat uit [pleegplaats 2] kwam bij mij werd gedroogd. Een halve ton ongeveer. Na het oogsten in [pleegplaats 2] gingen wij naar de garage in [pleegplaats 4] en dan naar [straat 2] te [pleegplaats 3] .

Ik, [verdachte] , [medeverdachte 7] , de vriendin van [medeverdachte 6] ( [naam] ), we noemen haar [bijnaam] , [medeverdachte 8] en het broertje van [naam] knipten wel in [pleegplaats 4] .

Ik kwam met [verdachte] . [verdachte] pikte mij 's morgensvroeg op om de planten op te halen. Er werd ongeveer anderhalf jaar door [verdachte] geknipt op de locatie in [pleegplaats 4] bij [medeverdachte 6] .

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02R1 2012054763-68, d.d. 28 augustus 2013, inhoudende de verklaring van verbalisant;

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 02-2012054763, d.d. 20 januari 2014, inhoudende de verklaring van verbalisant.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de hiervoor in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen hierna bewezen is verklaard en de rechtbank heeft op grond daarvan heeft de overtuiging bekomen dat verdachte het hierna bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode omvattende het jaar 2012 tot en met 27 augustus 2013 op verschillende data en tijdstippen en op verschillende plaatsen in de provincie Friesland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad,

in de periode omvattende de maand maart 2013 tot 13 augustus 2013, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan [adres 1] te [pleegplaats 1] , telkens een hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld en

op 13 augustus 2013, in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan [adres 1] te [pleegplaats 1] een hoeveelheid van 71 hennepplanten aanwezig heeft gehad en

in de periode omvattende het jaar 2012 tot 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan [adres 2] te [pleegplaats 2] , telkens, een (groot) aantal hennepplanten heeft geteeld en

op 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan [adres 2] te [pleegplaats 2] , een hoeveelheid van 699 hennepplanten en/of hennepstekken aanwezig heeft gehad en

in de periode omvattende de maand januari 2013 tot 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met een ander, in een pand gelegen aan [adres 3] te [pleegplaats 3] , telkens, een hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld en

op 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met een ander, in een pand gelegen aan [adres 3] te [pleegplaats 3] , een hoeveelheid van 58 hennepplanten aanwezig heeft gehad en

in de periode omvattende de maand augustus 2012 tot 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met een ander, in een pand gelegen aan [adres 4] te [pleegplaats 3] , telkens, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep heeft bereid en

op 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met aan ander, in een pand gelegen aan [adres 4] te [pleegplaats 3] , delen van hennepplanten aanwezig heeft gehad en

in de periode vanaf de maand november 2012 tot 27 augustus 2013, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan [adres 5] te [pleegplaats 4] , telkens, een groot aantal hennepplanten, heeft bewerkt en aanwezig heeft gehad

zijnde hennep, telkens, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

zulks terwijl hij, verdachte, voormeld telen en bereiden en bewerken heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

3.

hij op 27 augustus 2013 te [pleegplaats 3] , in een garagebox gelegen aan [adres 7] , voorhanden heeft gehad

- 8 centraalvuur kogelpatronen van het merk PG (Pobjeda Sports) van het kaliber 9 x 19 mm en

- 3 centraalvuur kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot van het kaliber 9 x 19 mm en

- 11 centraalvuur kogelpatronen van het merk Sellier & Ballot van het kaliber 9 mm Luger en

- 1 centraalvuur kogelpatroon van het merk Dynamit Nobel van het kaliber 9 mm Sintox.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

ten aanzien van het telen, bereiden en bewerken:

in de uitoefening van een beroep of bedrijf medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en

ten aanzien van het aanwezig hebben:

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, zulks terwijl het een grote hoeveelheid van een middel betreft, meermalen gepleegd en

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3.

handelen in strijd met artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 16 mei 2014, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in de uitoefening van een beroep of bedrijf medeplegen van het opzettelijk telen van (een deels grote hoeveelheid) hennep en het aanwezig hebben van hennep en het voorhanden hebben van munitie.

Verdachte heeft een aantal keer bij personen die met financiële problemen kampten een hennepkwekerij ingericht. Het was de bedoeling dat deze personen met de opbrengst van de kwekerij hun schulden, vaak ook aan verdachte, zouden aflossen. De hennepkwekerijen werden opgezet bij de personen thuis of er werd voor dit doel een woning gehuurd. Verdachte investeerde in de hennepkwekerijen en zorgde dat de kwekerijen werden ingericht en de hennepplanten de juiste voeding kregen. De personen met de financiële problemen waren verantwoordelijk voor de dagelijkse verzorging van de planten. Wanneer de planten volgroeid waren dan werd er door onder meer verdachte geoogst en hij zorgde ervoor dat de planten werden geknipt en gedroogd. Voor de grote hennepkwekerij in [pleegplaats 2] had hij zelfs een knip- en een drooglocatie geregeld. Verdachte was ook verantwoordelijk voor de verkoop van de hennep en het verdelen van de opbrengst.

Verdachte is zelf niet door financiële problemen gestart met de hennepkwekerijen, maar hij werd door de werkzaamheden zodanig in beslaggenomen dat hij dit als zijn werk ging beschouwen en hij gebruikte de inkomsten om van te leven.

Het is algemeen bekend dat hennepteelt en de organisatie daar omheen overlast veroorzaakt door het illegale circuit waarmee het samengaat. Bij twee van de hennepkwekerijen van verdachte werd de elektriciteit illegaal verkregen. Dit veroorzaakt doorgaans een gevaarlijke situatie voor de bewoners en de omwonenden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich met deze illegale handel bezig hield en anderen daarin betrok.

De landelijke oriëntatiepunten voor hennepteelt gaan uit van een hennepkwekerij met één oogst en bieden derhalve onvoldoende houvast ter bepaling van een straf voor het onder 1. bewezenverklaarde strafbare feit. Door de officier van justitie is een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren geëist. De officier van justitie heeft in deze eis rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte nog niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Tevens heeft hij uitdrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat er sprake is van een zodanig tijdsverloop voordat verdachte is gedagvaard, dat, ook indien de verdediging dit jaar geen uitstel had verzocht, er sprake zou zijn geweest van undue delay.

De rechtbank zal de strafeis, met name gelet op de omvang en de duur van de hennepteelt en het grote aandeel van verdachte hierin en de persoon van verdachte, als uitgangspunt nemen. De rechtbank zal echter het onvoorwaardelijk deel van de straf met één maand matigen nu de rechtbank één feit minder bewezen acht en de rechtbank rekening houdt met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank in de gezondheidstoestand van verdachte geen aanleiding om de straf nog verder te matigen.

Inbeslaggenomen goederen

Door de raadsvrouw is verzocht de teruggave te gelasten van een inbeslaggenomen horloge en het beslag op de portcabin op te heffen.

De rechtbank overweegt dat op beide voorwerpen op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering conservatoir beslag is gelegd. Verhaal op voorwerpen die conservatoir in beslag zijn genomen geschiedt op de wijze zoals voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op grond van de onherroepelijke einduitspraak waarbij de ontnemingsmaatregel is opgelegd. Deze einduitspraak geldt dan als executoriale titel. Het is derhalve niet aan de rechtbank om bij de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak een beslissing omtrent het conservatoir beslag te nemen. Dit komt aan de orde bij de executie van een eventuele ontnemingsvordering. De verzoeken van de raadsvrouw worden derhalve afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de dagvaarding geldig.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2015.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Dölle

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Zandstra-Alkema

locatie Leeuwarden,