Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6366

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
06-05-2016
Zaaknummer
18.730272-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 20 november 2015 een man vrijgesproken van het voorhanden hebben van munitie en oplichting. De man is veroordeeld voor het medeplegen van het telen van hennep, het bereiden van hennep en het aanwezig hebben van hennep. In de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met "undue delay".

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730272-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.L. van Onna, advocaat te [pleegplaats 2] .

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 en/of het jaar 2013 (tot en met de maand augustus 2013) te [pleegplaats 1] , meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of bij [adres 1] ) (telkens) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 699, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan

en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de maand augustus 2012 tot en met de maand augustus 2013 te [pleegplaats 2] , in elk geval in de gemeente Franekeradeel, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of bij [adres 2] ), (telkens) een (grote) hoeveelheid henneptoppen, althans delen van hennepplanten, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (ten behoeve van het drogen en/of knippen, althans het bereiden en/of bewerken en/of verwerken, daarvan) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 (vanaf de maand november 2012) en/of het jaar 2013 (tot en met 27 augustus 2013) te [pleegplaats 3] , in elk geval in de gemeente Menameradiel, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3] en/of [adres 4] ) (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (delen van) hennep(planten), in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 en/of het jaar 2013 (tot en met 27 augustus 2013) te [pleegplaats 2] , in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, en/of elders in Nederland, (in een garagebox, gelegen aan of bij [adres 5] ) voorhanden heeft gehad

- 8 centraalvuur kogelpatronen (van het merk PG (Pobjeda Sports) van het kaliber 9 x 19 mm en/of

- 3 centraalvuur kogelpatronen (van het merk Sellier & Bellot) van het kaliber 9 x 19 mm en/of

- 11 centraalvuur kogelpatronen (van het merk Sellier & Ballot) van het kaliber 9 mm Luger en/of

- 1 centraalvuur kogelpatroon (van het merk Dynamit Nobel) van het kaliber 9 mm Sintox,

in elk geval (telkens) munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III;

5.

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2007 tot en met 31 januari 2007, in elk geval in het jaar 2007, te [pleegplaats 2] , in elk geval in de gemeente Franekeradeel, en/of te [pleegplaats 4] , en/of (elders) in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere medewerker(s) van [verzekeringsmaatschappij]

(gevestigd te [pleegplaats 4] ) heeft bewogen tot de afgifte van geld (te weten 859 euro), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- op 15 januari 2007 aangifte gedaan van diefstal van een (heren)fiets (van het merk Gazelle) tussen zondag 14 januari 2007 te 15.00 uur en maandag 15 januari 2007 te 00.30 uur, bij de politie Fryslân en/of

- valselijk een formulier Diefstal/Schadeaangifte Fietsverzekering opgemaakt op 17 januari 2007 en dit formulier (en een afschrift van de eerdere genoemde aangifte van diefstal van een fiets) vervolgens ingediend bij [verzekeringsmaatschappij] (gevestigd te [pleegplaats 4] ),

waardoor [verzekeringsmaatschappij] werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 4. ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3. en 5. ten laste gelegde;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en met een proeftijd van twee jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van een meldplicht bij Reclassering Nederland;

- oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis met aftrek van het voorarrest.

Beoordeling van het bewijs

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de munitie in de garagebox die door hem werd gehuurd. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte de munitie voorhanden heeft gehad en zal verdachte daarom van het onder 4. ten laste gelegde vrijspreken.

ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde.

Door de raadsvrouw is vrijspraak van het onder 5. ten laste gelegde bepleit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de fiets op het moment van de aangifte en het invullen en opsturen van het diefstal/schadeformulier naar de verzekeringsmaatschappij daadwerkelijk was vermist en verdachte derhalve niet valselijk, listiglijk, bedrieglijk dan wel in strijd met de waarheid de verzekeringsmaatschappij heeft bewogen tot afgifte van het geldbedrag.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de stukken blijkt dat verdachte op 15 januari 2007 aangifte van diefstal van zijn fiets heeft gedaan. Verdachte heeft vervolgens op 17 januari 2007 het diefstal/schadeformulier van de verzekeringsmaatschappij ingevuld en verzonden. De verzekeringsmaatschappij heeft naar aanleiding hiervan een geldbedrag overgemaakt aan het Nationale Fietsplan, zodat verdachte een nieuwe fiets kon worden verstrekt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen valse aangifte heeft gedaan en dat zijn fiets daadwerkelijk is gestolen. Hij heeft verklaard dat hij enige tijd nadat hij de nieuwe fiets had ontvangen, zijn gestolen fiets bij een kroeg in [pleegplaats 2] heeft aangetroffen en dat hij de fiets toen mee naar huis heeft genomen en vervolgens heeft verkocht.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat deze verklaring van verdachte, gelet op zijn verklaring bij de politie, ongeloofwaardig is en heeft tot bewezenverklaring geconcludeerd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte bij de politie de verklaring van verdachte ter terechtzitting niet uitsluit. Verdachte heeft bij de politie weliswaar bekend dat hij "het" heeft gedaan, maar hij heeft niet uitgelegd wat hij heeft gedaan. Zijn verklaring sluit niet uit dat hij met "het" enkel doelde op het verkopen van de fiets. Tevens heeft hij bij de politie verklaard dat hij weet dat het strafbaar is om valse aangifte te doen en een verzekeringsmaatschappij op te lichten, maar deze verklaring houdt niet in dat verdachte deze strafbare feiten ook heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de bewijsmiddelen de verklaring van verdachte, dat zijn fiets daadwerkelijk is gestolen en dat deze op een later moment teruggevonden is, niet uitsluiten. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte een valse aangifte heeft gedaan en zal verdachte van het onder 5. ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 6 november 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In mijn woning aan [adres 2] in [pleegplaats 2] werd op zolder de hennep afkomstig uit de hennepkwekerij in [pleegplaats 1] gedroogd. Dit is meerdere malen voorgekomen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren eigenaar van deze hennep. De hennep werd door [medeverdachte 2] in tonnen gebracht. De hennep werd vervolgens op droogbedden gelegd en ongeveer vijf dagen later weer opgehaald. Ik kreeg 100 euro per keer voor het drogen in mijn woning.

Op 27 augustus 2013 woonde ik feitelijk niet meer in de woning, maar er bevonden zich nog wel goederen van mij in de woning. Ik had de sleutel van de woning ook nog in mijn bezit. Er stond nog een emmer met hennep in de woning.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer DOS-002-01, gesloten op 11 maart 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 12-068-IBN-004-08, d.d. 5 december 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Tijdens de zoeking op 27 augustus 2013 werd in de schuur van de woning [adres 2] te [pleegplaats 2] een witte emmer met inhoud aangetroffen en in beslaggenomen. Ik heb de emmer en de inhoud daarvan onderzocht. Ik zag en rook dat deze emmer was gevuld met hennep. Het totale gewicht van de hennep is 1.117 gram.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 12-068-V-004-05, d.d. 29 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

De drogerij is een jaar geleden bij mij begonnen. Ongeveer vijf tot zes keer kwam [medeverdachte 2] met een ton bij mij. Ik weet dat dat wat uit [pleegplaats 1] kwam bij mij werd gedroogd. Een halve ton ongeveer. Na het oogsten in [pleegplaats 1] gingen wij naar de garage in [pleegplaats 3] (= [pleegplaats 3] ) en dan naar [straat] .

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1. en 3. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02DH 2012054763-155, d.d. 10 september 2013, inhoudende de verklaring van verbalisant;

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 12-068-V-001-03, d.d. 29 augustus 2013, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] ;

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 12-068-V-004-05, d.d. 29 augustus 2013, inhoudende de verklaring van verdachte.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de hiervoor in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen hierna bewezen is verklaard en de rechtbank heeft op grond daarvan heeft de overtuiging bekomen dat verdachte het hierna bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode omvattende het jaar 2012 tot 27 augustus 2013 te [pleegplaats 1] , meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld, in een pand gelegen aan [adres 1] , een hoeveelheid hennepplanten en hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode omvattende de maand augustus 2012 tot 27 augustus 2013 te [pleegplaats 2] , meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bereid, in een pand gelegen aan [adres 2] , telkens, een grote hoeveelheid delen van hennepplanten, ten behoeve van het drogen, en

op 27 augustus 2013 te [pleegplaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan [adres 2] , een grote hoeveelheid delen van hennepplanten,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode vanaf de maand november 2012 tot 27 augustus 2013 te [pleegplaats 3] , meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en

telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan [adres 3] , een grote hoeveelheid (delen van) hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. ten aanzien van het bereiden:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het aanwezig hebben:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel;

3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B en C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsadvies opgemaakt door het Leger des Heils op 31 juli 2015, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Op de dagvaarding staat ad informandum vermeld dat verdachte zich op 17 januari 2007 zou hebben schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van een formulier diefstal/schadeaangifte fietsverzekering. Verdachte heeft dit feit ter terechtzitting ontkend, derhalve zal de rechtbank bij de strafoplegging geen rekening houden met dit feit.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen, bewerken, bereiden en aanwezig hebben van hennep. Verdachte verrichtte werkzaamheden in een grote hennepkwekerij in [pleegplaats 1] . Hij was betrokken bij een deel van de inrichting van deze kwekerij en voor een periode van ruim een jaar heeft hij samen met anderen de hennep onderhouden en geoogst. Hij kreeg voor zijn werkzaamheden betaald. De oogst van deze kwekerij werd vervolgens op een andere locatie geknipt en verdachte heeft meerdere malen daar samen met anderen de hennep geknipt. Vervolgens werd -en dat gebeurde vanaf november 2012- de hennep na het knippen naar verdachtes woning gebracht om te drogen.

Het is algemeen bekend dat hennepteelt en de organisatie daar omheen overlast veroorzaakt door het illegale circuit waarmee het samengaat. Ten behoeve van de hennepkwekerij -waarbij verdachte betrokken was- werd de elektriciteit illegaal verkregen. Dit veroorzaakt doorgaans een gevaarlijke situatie voor de bewoners en de omwonenden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich met deze illegale handel bezig hield.

De landelijke oriëntatiepunten voor hennepteelt gaan uit van een hennepkwekerij met één oogst en bieden derhalve onvoldoende houvast ter bepaling van een op te leggen straf voor de strafbare feiten, zoals deze door verdachte zijn gepleegd. Door de officier van justitie is een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf van 140 uren geëist.

De rechtbank stelt evenals de officier van justitie vast dat er sprake is van undue delay. Verdachte is voor de delicten in verzekering gesteld en vervolgens zijn er meer dan twee jaren verstreken voordat verdachte werd gedagvaard. De officier van justitie heeft hiermee in zijn strafeis uitdrukkelijk rekening gehouden.

Tevens heeft hij in zijn strafeis rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte nog niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank acht de gevorderde taakstraf, gelet op de ernst van de strafbare feiten en het aandeel van verdachte bij deze feiten, passend en geboden. De rechtbank zal verdachte echter geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht één feit minder bewezen dan de officier van justitie. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en de rechtbank is van oordeel dat verdachte de afgelopen twee jaren heeft aangetoond dat hij geen voorwaardelijke straf en een meldplicht nodig heeft om hem te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht,

en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4. en 5. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 140 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 70 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2015.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Dölle

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Zandstra-Alkema

locatie Leeuwarden,