Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6354

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
18.720257-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een raam van de woning van zijn vader.

De officier van justitie had opleggen van de ISD-maatregel geëist. De rechtbank stelt vast dat verdachte aan de wettelijke criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet.

De rechtbank acht echter op dit moment het opleggen van de ISD-maatregel niet aan de orde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat dit feit, net als eerdere delicten, heeft plaatsgevonden in een kleine kring van personen, namelijk die van zijn ouderlijke gezin. Daarnaast is enkel een vernieling van een raam bewezen verklaard. De rechtbank acht op grond hiervan een ISD-maatregel een te zware maatregel. De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van het voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720257-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 november 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2015.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. M.H.H. Meulmeesters, advocaat te Utrecht, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 augustus 2015, te [pleegplaats] , gemeente Opsterland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam van de woning [adres] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2015 tot en met 25 augustus 2015, te [pleegplaats] , gemeente Opsterland, meermalen, althans eenmaal, zijn vader, genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "Ik wil je dood hebben" en/of

- een stuk dakpan van de grond gepakt en gedreigd deze in de richting van die [slachtoffer] te gooien en/of

- met een gewelddadige blik in zijn ogen, in de nabijheid en/of in de richting van die [slachtoffer] een schroevendraaier omhoog gehouden en/of getoond, althans

- die [slachtoffer] woorden of gebaren van gelijke dreigende aard of strekking toegevoegd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding partieel nietig verklaard dient te worden, omdat een deel van de tenlastelegging, te weten 'die [slachtoffer] woorden of gebaren van gelijke dreigende aard of strekking toegevoegd' zoals dit onder 2. is ten laste gelegd, onvoldoende concreet is, zodat het niet goed mogelijk is om daar een goede verdediging op te voeren.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in samenhang met het onderliggende dossier voldoende concreet en duidelijk is en ook overigens voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de raadsman.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het onder 2. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt hiertoe dat er onvoldoende steunbewijs is voor de aangifte van

[slachtoffer] , de vader van verdachte, daar waar het gaat om de ten laste gelegde bedreigingen. Voor zover het gaat om de verklaring van de [getuige] met betrekking tot de bedreiging met de schroevendraaier constateert de rechtbank dat er in zijn verklaring geen redenen van wetenschap op dit punt zijn vermeld, zodat ook dit deel van de tenlastelegging onvoldoende steun vindt in andere wettige bewijsmiddelen.

Verdachte zal op grond van het voorgaande van het onder 2. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, proces-verbaalnummer 2015249135, gesloten op 11 september 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015226308-1, d.d. 5 augustus 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer] :

Ik woon aan de [adres] te [pleegplaats] . Op 4 augustus 2015 zag ik dat [verdachte] ineens voor het raam aan de voorzijde van de woning stond. Ik zag dat [verdachte] iets tegen de ruit van de woning gooide. Ik zag en hoorde dat hierop het buitenste glas van het raam kapot ging. Ik hoorde glasgerinkel en zag dat er een gat in het raam zat. Het buitenste raam van mijn thermopane raam is vernield door [verdachte] . Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015226308-2, d.d. 4 augustus 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover

inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] :

Ik zag vandaag, 4 augustus 2015, [verdachte] met een voorwerp op het ruit begon te kloppen. Dit was het ruit waardoor ik [verdachte] kon zien staan. Ik zag en hoorde dat het raam kapot ging.

2. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015226308-6 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegd opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant] :

Op 4 augustus 2015 ben ik gegaan naar de [adres] te [pleegplaats] .

[slachtoffer] verklaarde tegenover mij dat zijn zoon [verdachte] de ruit van zijn woning had vernield en dat hij daar aangifte van wenste te doen. [slachtoffer] toonde mij de ruit die zojuist door [verdachte] was vernield. Ik zag dat er een ruit aan de voorzijde van de woning kapot was. Ik zag dat de ruit aan de voorzijde van de woning een thermopane ruit betrof. Ik zag dat in de buitenste ruit een gat zat.

Bewijsoverweging rechtbank

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van het raam van de woning van zijn vader [slachtoffer] .

Dat aangever en de getuige in andere bewoordingen hebben verklaard over de wijze waarop het raam door verdachte is vernield, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Dit kan immers te wijten zijn aan de emoties waaronder het delict is begaan. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Als geheel acht de rechtbank de verklaringen geloofwaardig en niet zodanig met elkaar in strijd dat deze verklaringen als onvoldoende betrouwbaar terzijde moeten worden gelaten.

Daarnaast heeft ook de verbalisant net als aangever waargenomen dat de thermopane ruit, zijnde een ander woord voor dubbelzijdig glas, is vernield.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 4 augustus 2015, te [pleegplaats] , gemeente Opsterland, opzettelijk en

wederrechtelijk een raam van de woning [adres] toebehorende aan [slachtoffer]

heeft vernield.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 17 november 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een raam van de woning van zijn vader. Verdachte heeft door zijn handelen schade en overlast veroorzaakt.

Verdachte is, zo blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder veroordeeld voor delicten gepleegd in de huiselijke sfeer. De rechtbank is voorts gebleken dat verdachte op de veelplegerslijst staat.

Over verdachte is een reclasseringsrapport uitgebracht. Hieruit is de rechtbank het volgende gebleken. Er is bij verdachte sprake van psychische- en verslavingsproblematiek. Mede gelet op het hoge recidiverisico en het feit dat eerdere hulpverleningstrajecten niet tot gedragsverandering hebben geleid, heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. De officier van justitie heeft zich op de zitting aangesloten bij dit advies en de oplegging van ISD-maatregel aan verdachte gevorderd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte aan de wettelijke criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van verdachte de afgelopen jaren een grote hoeveelheid overlast teweeg heeft gebracht.

De rechtbank acht echter op dit moment het opleggen van de ISD-maatregel niet aan de orde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat dit feit, net als eerdere delicten, heeft plaatsgevonden in een kleine kring van personen, namelijk die van zijn ouderlijke gezin. Daarnaast is enkel een vernieling van een raam bewezen verklaard. De rechtbank acht op grond hiervan een ISD-maatregel een te zware maatregel. De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van het voorarrest.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de dagvaarding geldig.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2015.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Lootsma-Oude Nijeweme

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Jansen

locatie Leeuwarden,

de Vries-Haitsma