Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6341

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
14/1329
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:3248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag overdrachtsbelasting; verlaagde tarief 2% overdrachtsbelasting; perceel grasland geen aanhorigheid bij woonboerderij; vertrouwensbeginsel; antwoorden Staatssecretaris MvF op vragen KNB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/728
FutD 2016-0863
NTFR 2016/1378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/1329

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [vestigingsplaats] , verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 2 september 2013 een naheffingsaanslag opgelegd in de overdrachtsbelasting ten bedrage van € 16.000. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 316 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 31 januari 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [gemachtigde] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [gemachtigde]

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres exploiteert een camping gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats]

( [gemeente] ).

1.2

Begin 2012 heeft eiseres een woonboerderij met inventaris en een perceel grasland

gekocht. De koopovereenkomst is getekend op of omstreeks februari 2012 . In de eveneens

door verkoper en eiser ondertekende "Algemene Bepalingen" bij deze koopovereenkomst is

onder artikel II, eerste lid opgenomen: 'Het risico van het Verkochte en de eventueel

meeverkochte roerende zaken gaat over bij het ondertekenen van de Leveringsakte."

1.3

Op 10 juli 2012 om 11.45 uur is de akte van de juridische levering van de

hiervoor onder 1.2 genoemde koop gepasseerd ten overstaan van [naam] , notaris

te [gemeente] en [gemeente] . In de leveringsakte staat onder meer vermeld:

"Verkoper heeft blijkens een onderhandse akte van verkoop en koop en een aanvullende

akte van koop verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die heeft gekocht en bij deze

aanvaardt:

a. de woonboerderij met schuur, erf en tuin, gelegen aan de [adres] [vestigingsplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [X] , groot acht are en vijfenvijftig centiare ( 8 a en 55 ca); hierna: de woonboerderij)

b. een perceel grasland gelegen achter de [adres] [vestigingsplaats] ,

kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [letter] nummer [Y] , groot eenenzestig are

en veertig centiare ( 61 a en 40 ca); (hierna: het perceel grasland)

c. de zich in het hiervoor sub a bevindende inventaris, zoals vermeld op een door de

comparanten voor akkoord getekende lijst, die aan deze akte zal worden gehecht;" (hierna:

de inventaris).

1.4

De totale koopsom van de woonboerderij, de inventaris en het perceel grasland

bedroeg € 895.000, waarvan € 860.000 is bestemd voor het hiervoor onder 1.3 sub a en b

vermelde en € 35.000 voor het hiervoor onder 1.2 sub c vermelde.

1.5

Eiseres heeft 2% overdrachtsbelasting voldaan over het hiervoor onder 1.4 genoemde

bedrag van € 860.000, zijnde € 17.200.

1.6

Het perceel grasland werd door de verkopers van eiseres gebruikt voor het

hobbymatig houden van enige paarden. Het perceel grasland is uitsluitend te

bereiken via de woonboerderij danwel via het perceel van de buren.

1.7

Het erf van de woonboerderij en het perceel grasland grenzen direct aan elkaar en zijn

van elkaar gescheiden door middel van een hekwerk met daarin een deur / doorgang.

1.8

De woonboerderij en het perceel grasland grenzen direct aan het campingbedrijf van

eiseres.

1.9

Op 12 juni 2012 heeft eiseres de woonboerderij met de inventaris, alsmede

een gedeelte van het perceel grasland ter grootte van 235 m² doorverkocht aan derden voor

een bedrag van totaal € 495.000.

1.10

Op 10 juli 2012 om 9.40 uur is de akte van de juridische levering van de

onder 1.9 genoemde verkoop gepasseerd ten overstaan van [naam] , notaris te [vestigingsplaats] . Deze akte is ingeschreven op het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers op 11 juli 2012 om 9.00 uur .

1.11

Op 26 april 2013 heeft de heer [naam] , taxateur bij de Belastingdienst, een

taxatie verricht van de woonboerderij en het perceel grasland teneinde de koopsom te

splitsen. In deze taxatie is de waarde van de woonboerderij vastgesteld op € 460.000 en de

waarde van het perceel grasland op € 400.000.

1.12

Verweerder heeft eiseres bij brief van 16 mei 2013 meegedeeld dat eiseres over het

perceel grasland 6% (geen 2%), overdrachtsbelasting verschuldigd is zodat een

naheffingsaanslag opgelegd zal worden van € 16.000 (4% van € 400.000), verhoogd met een verzuimboete van 10% en eventueel verschuldigde belastingrente.

1.13

Met dagtekening van 2 september 2013 is een naheffingsaanslag opgelegd van

€ 16.000 met € 316 aan heffingsrente. Er is geen verzuimboete opgelegd.

1.14

Vanuit het Koninklijk Notarieel Broederschap (hierna: KNB) zijn vragen gesteld aan de staatssecretaris van het Ministerie van Financiën over de tijdelijke verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting voor woningen. De vraag en antwoord luiden als volgt:

16. Overgedragen is een woonhuis met ondergrond alsmede een perceel grond en water. Het perceel grond en water is gelegen bij de woning en maakt onderdeel uit van de tuin van de woning doch heeft wel een eigen kadastraal nummer. Mag voor deze gehele transactie uitgegaan worden van het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting?

Reactie:

Tot de woning behoren eveneens de ondergrond en de tuin en aanhorigheden die zich

bevinden op hetzelfde perceel als de woning. Indien een aanhorigheid zich niet bevindt

op hetzelfde (kadastrale) perceel als de woning ontmoet het geen bezwaar om de

maatregel toch op het geheel toe te passen, indien aan de volgende cumulatieve

vereisten is voldaan:

• De (kadastrale) percelen grenzen aan elkaar;

• De percelen zijn naar verkeersopvatting te beschouwen als één geheel; en

• De percelen worden tegelijkertijd aan de koper geleverd door dezelfde verkoper.

Geschil en beoordeling

2.1

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het perceel grasland een tot

de woonboerderij behorende aanhorigheid is waardoor over de verkrijging van het perceel

grasland het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting verschuldigd is. Indien deze

vraag ontkennend wordt beantwoord is tussen partijen in geschil of eiseres

vertrouwen kan ontlenen aan de antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën op

vragen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB).

3.1

Verweerder stelt dat op 10 juli 2012 om 11.45 uur bij het passeren van de akte

genoemd onder 1.3 eiser in economische zin slechts het perceel grasland heeft verkregen,

daar de woonboerderij en de inventaris al zijn doorverkocht op 12 juni 2012 (zie 1.9) en op

10 juli 2012 om 9.40 uur zijn geleverd aan de uiteindelijke koper. Dit houdt naar de mening

van verweerder in dat er niet toe wordt gekomen aan de vraag of sprake is van een

aanhorigheid bij de woonboerderij.

3.2

Eiser is van mening dat er niet doorgeleverd kan zijn voordat de eigendom is

verkregen en dat er hoe dan ook sprake is van een aanhorigheid.

3.3

De rechtbank overweegt dat in de stelling van verweerder besloten ligt dat eiser op het moment van het passeren van de onder 1.10 genoemde akte van februari 2012 ten minste zou moeten kunnen beschikken over de 'economische' eigendom. Noch gesteld, noch uit de koopovereenkomst (zie 1.2) volgt dat toentertijd de economische eigendom op eiser is overgegaan. Uit de Algemene Bepalingen bij de koopovereenkomst (zie 1.2) volgt immers dat het risico eerst op eiser overgaat bij het ondertekenen van de leveringsakte, dus op 10 juli 2012 om 11.45 uur (zie 1.3). Het vorenstaande houdt in dat eiser op dit tijdstip ( 10 juli 2012 om 11.45 uur ) de economische en juridische eigendom van het geheel, de woonboerderij, het perceel grasland en de inventaris heeft verkregen.

3.4

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat eiser op 10 juli 2012 om 9.40

uur (zie 1.10) niet meer dan het recht op levering van de (economische en/of juridische)

eigendom, dat voortvloeit uit de koopovereenkomst genoemd bij 1.2, van de woonboerderij

met inventaris en een gedeelte van het perceel grasland, aan de koper heeft geleverd. De

rechtbank betrekt in haar overwegingen dat op grond van artikel 3:89, eerste lid, van het

Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de voor overdracht van onroerende zaken vereiste

levering geschiedt door een daartoe bestemde tussen partijen opgemaakte notariële akte,

gevolgd door inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Verder

overweegt de rechtbank dat gelet op de werking van artikel 3:89, eerste lid BW de akte

genoemd onder 1.3 eerst in het Kadaster moet zijn ingeschreven en de akte genoemd onder

1.10

daarna.

3.5

De rechtbank is daarom van oordeel dat het belastbare feit ingevolge artikel 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) voor de overdrachtsbelasting zich heeft voorgedaan op 10 juli 2012 , om 11.45 uur , gevolgd door het inschrijven van de akte van levering in het kadaster. Op dit tijdstip heeft eiser de economische en juridische eigendom verkregen van de woonboerderij, het perceel grasland en de inventaris. De stelling van verweerder dat eiser op dit moment in economische zin 'slechts' het gedeelte van het perceel grasland, dat niet is doorverkocht, heeft verkregen, houdt naar het oordeel van de rechtbank geen stand.

3.6

Eiseres stelt dat het perceel grasland aangemerkt kan worden als een aanhorigheid omdat voldaan is aan de vereisten van "behoren bij", "in gebruik bij" en "dienstbaar aan" zoals genoemd door de Hoge Raad in het arrest van 16 juli 1993 (Hoge Raad, 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412), alsmede dat voldaan is aan de cumulatieve vereisten zoals vermeld in de genoemde Memorie van Toelichting (zie 3.8). Eiseres voert daartoe aan dat de percelen aan elkaar grenzen en tegelijkertijd door dezelfde verkoper aan haar geleverd zijn. Voorts behoort het perceel grasland volgens eiseres bij de woning en is het daarbij in gebruik omdat het direct achter de woonboerderij is gelegen en altijd door de bewoners van de woonboerderij is gebruikt. Het vormt daarom naar verkeersopvattingen één geheel met de woonboerderij, aldus eiseres. Dat de percelen gescheiden zijn door een hekwerk kan daaraan volgens eiseres niet afdoen omdat in het hekwerk een deur/doorgang zit zodat het grasland vanaf het erf bij de woonboerderij kan worden bereikt.

3.7

Verweerder is van mening dat het perceel grasland ten tijde van de verkrijging niet is aan te merken als een aanhorigheid en daarom niet onder het verlaagde tarief voor de overdrachtsbelasting valt. Hij verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 29 april 10981, nr. 20.447, BNB 1981/176 waarin is beslist dat niet tot het erf behorende cultuurgrond in het algemeen niet kan worden aangemerkt als aanhorigheid bij een boerderij. Ook verwijst verweerder ter ondersteuning van zijn standpunt naar de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 december 2006, nr. 05/01145, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4983. Deze uitspraak geeft aldus verweerder aan dat tussen het gebruik van de percelen grasland voor het hobbymatig houden van vee en het gebruik van de eigen woning geen functioneel verband bestaat, laat staan dat geoordeeld zou kunnen worden dat de hobbyveehouderij dienstbaar is aan de woonfunctie van de woning. Volgens verweerder zou het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deze opvatting delen in de uitspraak van 2 juli 2013, nr. BK-11-00333, ECLI:NL:GHARL:2013:5464.

3.8

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 2 van de WBR, overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak. Ten tijde van de verkrijging op 10 juli 2012 om 11.45 uur was op grond van artikel 14, tweede lid, van de WBR een belasting verschuldigd van 2% voor de verkrijging van woningen en van rechten waaraan deze zijn onderworpen. In de Memorie van Toelichting is de invoering van het tarief van 2% voor woningen met ingang van 1 januari 2012 in de WBR onder meer als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3 (V-N 2011/45A.4)):

“Dit onderdeel regelt de verlaging van het tarief overdrachtsbelasting naar 2 procent voor de verkrijging van woningen of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Onder woningen wordt in dit kader verstaan onroerende zaken die op het moment van de juridische overdracht naar hun aard zijn bestemd voor bewoning (…).

Tot de woning behoren eveneens de ondergrond en de tuin en aanhorigheden, zoals garages, schuren, serres, aan- en uitbouwen, tuinhekken en dergelijke die zich bevinden op hetzelfde perceel als de woning. (…)

Indien een aanhorigheid zich niet bevindt op hetzelfde (kadastrale) perceel als de woning kan de maatregel toch toegepast worden als aan de volgende cumulatieve vereisten is voldaan: de percelen grenzen aan elkaar, de percelen zijn naar verkeersopvatting te beschouwen als één geheel en de percelen zijn tegelijkertijd aan de koper geleverd door dezelfde verkoper."

3.9

De rechtbank overweegt verder dat het perceel grasland zich niet bevindt op hetzelfde (kadastrale) perceel als de woonboerderij zodat voor toepassing van het verlaagde tarief de drie in de hiervoor in de Memorie van Toelichting genoemde cumulatieve vereisten, als richtsnoer kunnen dienen. Voorts overweegt de rechtbank dat voor het antwoord op de vraag of het perceel grasland als aanhorigheid aangemerkt kan worden relevant is het gebruik op het moment van de verkrijging. Vaststaat dat op dat moment het perceel grasland door de verkopers van eiseres gebruikt werd voor het hobbymatig houden van enige paarden, zodat de rechtbank van dit gebruik uitgaat.

3.10

De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres genoemde feiten en omstandigheden niet meebrengen dat het perceel grasland aangemerkt kan worden als een aanhorigheid die behoort bij de woonboerderij. De rechtbank overweegt dat het perceel grasland niet dienstbaar is aan de woonfunctie van de woning en daarbij ook niet in gebruik is. Dat verkoper op enig moment op het grasland hobbymatig enige paarden heeft gehouden doet daar niet aan af. Tussen het hobbymatig houden van enige paarden en het gebruik van de woonboerderij is geen functioneel verband aanwezig, laat staan dat geoordeeld zou kunnen worden dat het hobbymatig houden van enige paarden dienstbaar is aan de woonfunctie van de woonboerderij. De rechtbank betrekt verder ook in haar overwegingen dat cultuurgrond in haar algemeenheid niet een aanhorigheid vormt en hoezeer het perceel grasland ook bij de verkoper in gebruik is geweest, het perceel evengoed bij een ander in gebruik zou kunnen zijn. (vgl. Hoge Raad 29 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9573). Dat het perceel grasland bij een ander in gebruik kan zijn blijkt naar het oordeel van de rechtbank, niet alleen uit de grootte van het perceel grasland, maar ook uit de omstandigheid dat de woonboerderij separaat van het perceel grasland is doorverkocht, alsmede uit de grootte van het perceel. Hetgeen hiervoor is overwogen houdt dus ook in dat naar verkeersopvatting het perceel niet te beschouwen is als één geheel. Eiseres' beroepsgrond faalt.

4.1

Subsidiair beroept eiseres zich op het vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt dat zij vertrouwen mag ontlenen aan het antwoord van de staatssecretaris van het Ministerie van Financiën van de onder nummer 16 door het KNB gestelde vraag (zie 1.14).

4.2

Verweerder bestrijdt echter dat de vraag en ook de beantwoording zien op de situatie van eiseres zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel moet falen.

4.3

De rechtbank overweegt dat verweerder niet bestrijdt dat eiseres in beginsel aan de antwoorden op de door het KNB gestelde vragen het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen hierin niet te volgen. De staatssecretaris treedt bij de beantwoording van de vragen naar aanleiding van het gepubliceerde besluit immers op als uitvoerder van de Wet.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van de vraag gesteld onder nummer 16 redelijkerwijs niet kan worden gelezen als een toezegging van de zijde van de staatssecretaris als uitvoerder van de Wet welke is toegesneden op de concrete situatie van eiseres. De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat de bedoelde vraag ziet op een perceel grond en water gelegen bij de woning en die onderdeel uitmaken van de tuin van de woning. Ter zitting heeft eiser nu juist bevestigd dat het onderhavige perceel grasland geen deel uitmaakt van het erf of de tuin bij de woonboerderij. De rechtbank komt dus niet toe aan de vraag of eiseres in dit geval voldoet aan de in de beantwoording genoemde drie cumulatieve eisen. De beroepsgrond van eiseres faalt.

5.1

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond moet worden verklaard.

5.2

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking heffingsrente. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de aanslag volgt. Het beroep gericht tegen de beschikking heffingsrente is dus ook ongegrond.

5.3

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. Elias, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.

w.g. griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

fn 149