Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6321

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
18.272151-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 9 maand, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor het oplichten van een kabelexploitant

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/272151-14

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 04 december 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is, na verwijzing door de politierechter op 28 september 2015, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2015.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. P.C. van Diest, advocaat te Zuidlaren, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, bij dagvaarding, ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de
periode van 09 januari 2013 tot en met 11 februari 2014, te [pleegplaats 1] , gemeente
Emmen en/of te [pleegplaats 2] en/of te [pleegplaats 3] en/of elders in Nederland, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van
een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door
een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van
een decoder en/of smartcard en/of een modem (als onderdeel van een abonnement
"Alles-in-1 pakket"), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of
zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -
valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- (via het internet) (een) abonnement(en) (op een Alles-in-1 pakket)
afgesloten op naam van een of meer - voor verdachte en/of die
mededader(s) - onbekende perso(o)n(en) (wiens/wier huis te koop en/of leeg
stond), althans bij het invullen van een bestelling voor (een) abonnement(en)
(op een Alles-in-1 pakket) gebruik heeft gemaakt van (een) na(a)m(en) en/of
het/de adres(sen) en/of (een) bankrekeningnummer(s) die niet van verdachte
en/of medeverdachte(n) was/waren
en/of
- het (bestelde) pakket met decoder en/of modem en/of smartcard heeft
laten/laat bezorgen bij een leegstaande (te koop staande) woning, waardoor
(door de postbezorger) een afhaalbericht werd opgesteld/gegenereerd en/of
- het afhaalbericht (voor die/dat onbezorgde pakket(ten)) heeft bemachtigd
en/of
- met het afhaalbericht op het postkantoor het pakket (Alles-in-1 pakket,
inclusief de decoder en/of modem en/of smartcard) heeft/hebben opgehaald,
waardoor [slachtoffer] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht


althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 09 januari 2013 tot en met 19 november
2013, te [pleegplaats 1] , gemeente Emmen en/of te [pleegplaats 2] en/of te [pleegplaats 3] en/of
(elders) in Nederland, meermalen althans eenmaal, een voorwerp, te weten een
geldbedrag (van 5, 10 of 20 euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft
gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden dat
bovenomschreven voorwerp (telkens) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig
was uit enig misdrijf;
art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden

voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een

bedrag van € 3.483,72 (onderzoekskosten), met niet ontvankelijk verklaring voor het

overige, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling van het bewijs

Met betrekking tot hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet valt te bewijzen dat verdachte zich van de in de tenlastelegging vermelde oplichtingsmiddelen heeft bediend. Verdachte heeft alleen voor een persoon, waarvan verdachte de naam niet wil noemen, het “Alles-in-1-pakket” bij het postkantoor opgehaald. De raadsman heeft -nu medeplichtigheid aan oplichting niet is tenlastegelegd- voor vrijspraak gepleit.

De rechtbank kan zich niet in de zienswijze van de raadsman vinden en is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen meermalen [slachtoffer] heeft opgelicht.

De rechtbank overweegt hierbij dat van verdachte mag worden verwacht dat, nu hij stelt dat hij namens of in opdracht van een hem bekende persoon heeft gehandeld, hij opening van zaken met betrekking tot de identiteit van deze persoon zal geven zodat verdachtes verklaring verifieerbaar is, hetgeen thans niet het geval is. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig, nu uit het dossier naar voren komt dat verdachtes betrokkenheid niet is gebleven bij het enkel ophalen van pakketten.

De rechtbank overweegt in dit verband dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat er (via internet) abonnementen op een Alles-in-1-pakket bij [slachtoffer] zijn afgesloten. Daarbij werd gebruik gemaakt van namen, adressen en bankrekeningnummers die niet aan verdachte of zijn medeverdachten toebehoorden. De bestelde pakketten werden bezorgd bij leegstaande huizen, waarna de postbezorger -omdat de pakketten niet in ontvangst konden worden genomen- een afhaalbericht achterliet. Met gebruikmaking van deze afhaalbewijzen, die in bezit van verdachten kwamen, haalden verdachten op grote schaal door geheel Nederland de bestellingen op. Vervolgens blijkt dat door [slachtoffer] gecertificeerde decoders via Marktplaats in de [regio] werden aangeboden, waarbij de geplaatste advertenties in combinatie met de opgegeven telefoonnummers konden worden gelinkt aan de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Tevens kon worden vastgesteld dat op basis van de door [slachtoffer] verstrekte IP-adressen waarvan gebruik is gemaakt tijdens de online bestellingen viermaal het mobiele telefoonnummer van [verdachte] werd gebruikt. Tenslotte blijkt dat vrijwel alle via Marktplaats verkochte hardware werd opgehaald op het [adres 1] , zijnde het adres waar [medeverdachte 2] stond ingeschreven.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde en bewezenverklaarde de volgende bewijsmiddelen toe.

[aangever] verklaart -zakelijk weergegeven-1: Ik doe namens [slachtoffer] aangifte van oplichting. Eind 2012 kwam bij [slachtoffer] een melding binnen dat een woning te koop was aangeboden aan [adres 2] te [pleegplaats 1] . Op het betreffende adres was een factuur binnen gekomen van [slachtoffer] . Het bleek dat door iemand een abonnement bij [slachtoffer] was afgesloten. De naam van de aanvrager bleek [persoon 1] te zijn. Het pakket was door een pakketbezorger aangeboden op het genoemde adres, maar daar was uiteraard niemand thuis. De pakketbezorger heeft hierop een afhaalbericht achtergelaten. Met dit afhaalbericht zou iemand bij een afhaalpunt van PostNL het pakket kunnen ophalen. Bij het afhalen dient men zich wel te legitimeren. Het bleek dat het bestelde pakket op 3 november 2012 was afgehaald door een persoon die zich had gelegitimeerd als [medeverdachte 2] . Het tekendocument werd ondertekend met [initialen medeverdachte] We hebben onderzocht of er meer zaken waren waarbij pakketten met hardware niet werden afgegeven op het adres waarop ze besteld werden. In heel veel gevallen bleek de persoon, die het pakket had afgehaald, zich gelegitimeerd te hebben met [medeverdachte 2] . Tevens bleek het in bijna alle gevallen hardware te zijn voor een Alles-in-l pakket. De hardware bestond uit een decoder, smartcard en een modem. Omdat wij het idee kregen dat we mogelijk slachtoffer waren geworden van grootschalige oplichting, hebben we onderzoek laten doen door het onderzoeksbureau International Security Partners (ISP). Uit het onderzoek van ISP bleek dat op meerdere plaatsen in Nederland de pakketten waren opgehaald door personen, genaamd [verdachte en medeverdachte 2] . Met name [verdachte] kwam vaak voor op de tekenlijsten. Deze tekenlijsten vormden de verbinding tussen de diverse zaken. De pakketten werden namelijk afgehaald door de volgende personen: [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Uit inventarisatie bleek dat het om ongeveer 200 afgeleverde pakketten ging, welke geleverd zijn op meerdere plekken in het land.

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven-2: Gedurende lange tijd werden via internet zogenaamde Alles-in-l abonnementen afgesloten bij [slachtoffer] . De benodigde hardware (decoder, modem en smartcard) werden door pakketbezorgers afgeleverd. De pakketten werden afgeleverd op adressen waar 1. de woning te koop stond of 2. de woning leeg stond. Door de pakketbezorger werd een afhaalbewijs in de brievenbus gedaan zodat de persoon, die het abonnement had afgesloten, het pakket op liet postkantoor kon afhalen. Alle pakketten werden later opgehaald. Uiteindelijk bleek dat er nooit werd betaald voor de abonnementen en de pakketten, terwijl de pakketten wel waren afgehaald bij het postkantoor. Onderzoek van [slachtoffer] , via de smartcard, wees uit dat de hardware wel in gebruik was. [slachtoffer] heeft vervolgens contact opgenomen met de gebruikers van de hardware. Het bleek dat vrijwel alle personen de hardware via Marktplaats hadden gekocht. Tevens bleek dat vrijwel alle personen de hardware hadden opgehaald op het [adres 1] te [pleegplaats 2] . Uit onderzoek in het GBA bleek dat op het genoemde stond ingeschreven: [medeverdachte 2] . Bij het ophalen van de pakketten bij het postkantoor dient men zich te legitimeren en te tekenen voor ontvangst. Opvallend was dat op meerdere plaatsen in Nederland de pakketten werden opgehaald door personen die zich legitimeerden als “ [verdachte en medeverdachte 2] ”, met soms andere voorletters. De gebruikte namen betroffen: [medeverdachte 2] ,

[verdachte] , [verdachte (naam anders gespeld)] en [verdachte (naam anders gespeld)] . Vermoedelijk betreft [verdachte] een broer van [medeverdachte 2] , te weten: [verdachte] te [pleegplaats 1] . Uit gegevens van [slachtoffer] bleek dat er ook een pakket bij het postkantoor was afgehaald door een persoon die zich had gelegitimeerd en getekend als [medeverdachte 1] . Uit onderzoek bleek dat [medeverdachte 1] vermoedelijk betreft: [medeverdachte 1] .

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven- 3: Door mij werd op 13 februari 2014 een onderzoek ingesteld op de internetsite Marktplaats.NL. Ik heb op de site gezocht op de term “decoder”, op postcode “ [postcode] ” en op een afstand van 5 kilometer. Er bleken 3 advertenties te zijn waarbij een decoder van het merk Samsung (en type gecertificeerd door [slachtoffer] ) te koop werd aangeboden, alle drie in [pleegplaats 2] . Twee van de advertenties werden aangeboden door een adverteerder genaamd “samsung nieuw”, de andere door een adverteerder genaamd “ [gebruikersnaam] ”. Toen ik op de naam klikte van de aanbieder “samsung nieuw” zag ik dat ook de advertentie van “ [gebruikersnaam] ” in beeld kwam. Bij de advertentie van “ [gebruikersnaam] ” stond als telefoonnummer [mobiel telefoonnummer 1] vermeld. Het telefoonnummer geregistreerd bij [medeverdachte 1] te [pleegplaats 2] .

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven-4: Door mij werden de adressen die op de tekenberichten stonden, via Google geraadpleegd. Het betroffen appartementen die te koop stonden.

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven-5: Ik heb alle ondertekende afhaalbewijzen bekeken die door [slachtoffer] waren aangeleverd, betreffende periode 09 januari 2013 tot en met 18 november 2013. Op de afhaalbewijzen stonden onder andere de datum, barcode en de handtekening vermeld. Tevens stond de naam, die door de medewerker van het ID-bewijs van de afhaler was afgelezen, onder de handtekening vermeld. 61 afhaalbewijzen waren te linken aan [verdachte] . 3 afhaalbewijzen waren te linken aan [medeverdachte 2] . 2 afhaalbewijzen waren te linken aan [medeverdachte 1] .

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven-6: Betreffende periode 27 september 2013 tot en met 21november 2013 waren 8 afhaalbewijzen te linken aan [verdachte] .

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven-7: Betreffende periode 29 oktober 2013 tot en met 11 februari 2014 waren 4 afhaalbewijzen te linken aan [verdachte] , 2 aan [medeverdachte 2] en 1 aan [medeverdachte 1] .

[verbalisant] verklaart -zakelijk weergegeven-8: Op 18 april 2014 ontving ik de IP-adressen en bijbehorende gebruikersgegevens van [slachtoffer] . Het bleek dat 5 van de aangeleverde IP-adressen konden worden gelinkt aan afhaalberichten die de verdachten. Op 24 april 2014 werden 5 vorderingen 126na Sv naar T-Mobile verzonden. De vorderingen hadden betrekking op de mobiele telefoonnummers waarmee gebruik is gemaakt van de IP-adressen. Uit de resultaten van de 4 vorderingen bleek dat bij de gebruikers van alle 4 de IP-adressen hetzelfde mobiele telefoonnummer als gebruiker stond geregistreerd. Dit bleek het nummer [mobiel telefoonnummer] te zijn. Als houder staat geregistreerd: [verdachte] .

[medeverdachte 2] verklaart -zakelijk weergegeven-9:

V: Op 8 april 2013 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-l pakket. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 1] , [adres 3] . Dit pakket werd aangeboden op het bovengenoemde adres. De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 13 april 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor. Wij tonen jou nu het tekendocument van de bovenstaande transactie. De handtekening op dit tekendocument komt overeen met de handtekening op het voorgaande tekendocument. Wat kun je daarover verklaren?

A: Het lijkt wel weer op mijn handtekening. De keren dat ik een pakket heb opgehaald, had ik zo’n papiertje in handen en kon ik het gewoon ophalen.

V: Op 9 april 2013 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 2] , [adres 4] . Uit onderzoek is gebleken dat de woning op het moment van aflevering te huur stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres. Op 13 april 2013 werd het pakket opgehaald op liet postkantoor. Wij tonen jou nu het tekendocument van de bovenstaande transactie. Wat zie je op dit document?

A: Dat is weer hetzelfde als de vorige keren. Weer [medeverdachte 2] en mijn handtekening. Ik heb hem opgehaald.

V: Op 24 juli 2013 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. Dit pakket werd aangeboden op het een adres de [adres 5] . Het huis stond op het moment van aflevering te koop. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 2 augustus 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor. Wij tonen jou nu het tekendocument van de bovenstaande transactie.

A: Ik zie [medeverdachte 2] staan. Ik herken mijn handtekening.

V: Op 3 februari 2014 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-l pakket. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 3] , [adres 6] . Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten. Op 11 februari 2014 werd het pakket opgehaald op het postkantoor. Op het tekendocument staat als naam “ [medeverdachte 2] ” vermeld. Wat kun je daarover verklaren?

A: Het lijkt mijn naam.

V: Tevens is door deze [medeverdachte 2] het document digitaal getekend. Wat kun je

daarover verklaren?

A: Het lijkt mijn handtekening.

V: Op 30 januari 2014 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-l pakket. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 4] , [adres 7] . Wat kun je hierover verklaren?

A: De naam en adres zeggen mij niets. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres. Op 11 februari 2014 werd het pakket opgehaald op het postkantoor. De handtekening op het tekendocument komt overeen met de handtekeningen op de voorgaande tekendocumenten, uitgezonderd 1. Wat kun je daarover verklaren?

A: Het lijkt er wel op ja.

V: Wat is er met het pakket gebeurd?

A: Ik ben naar [plaats 1] gegaan.

V: Uit ons onderzoek is gebleken dat er diverse harddiscrecorders op Marktplaats te koop zijn aangeboden. Bij 2 van deze advertenties staat jouw mobiele nummer als contactnummer vermeld. Hoe kan dit?

A: Ik herken de beide advertenties. Ik zal ik wel op Marktplaats gezet hebben.

[verdachte] verklaart -zakelijk weergegeven- 10:

V: Op 14 oktober 2013 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-l pakket. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 5] , met [adres 8] . Dit pakket werd op 17 oktober 2013 aangeboden op het bovengenoemde adres. De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres. Op 24 oktober 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor. Wat kun jij hierover verklaren?

A: Ik heb wel zo’n pakketje opgehaald. Ik heb wel meerdere pakketten opgehaald.

V: Bij de PostNL geldt een protocol dat de afhaler van het pakket zich legitimeert met een legitimatiebewijs. De naam van de persoon wordt vervolgens ingevoerd in het computersysteem van PostNL. Daarna wordt er gevraagd een digitale handtekening te zetten door middel van een touchpad. Daarna krijgt de persoon het pakket pas mee. De bovenstaande procedure kan via het systeem van de PostNL worden opgevraagd en uitgeprint. Wij tonen jou nu het tekendocument van de bovenstaande transactie. Wat zie je op dit document?

A: Mijn handtekening en mijn naam. Dat is het eerste wat mij opvalt.

V: Dit is het tekendocument voor de transactie van [naam 5] , [adres 8] .

A: Ik heb geen idee hoe [naam 5] daarbij betrokken is geraakt.

[verdachte] verklaart -zakelijk weergegeven- 11:

V: Op 31 oktober 2013 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-l pakket.

A: Ik heb voor diverse pakketten opgehaald van postkantoren in het hele land. Met de afhaalberichten ging ik de bestelde pakketten afhalen van het postkantoor. Het waren in totaal zoiets van drieënzeventig afhaalberichten, waarop ik zag dat ik mijn handtekening heb gezet.

V: De bestelling werd gedaan op naam van [naam 6] , met [adres 9] . Dit pakket werd op 5 november 2013 aangeboden op het bovengenoemde adres. De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 8 november 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor.

A: Dat pakket heb ik toen opgehaald van een postkantoor in Groningen. Dat is mijn handtekening op het tekendocument, die ik heb geplaatst voor de ontvangst van het pakket.

Op het document staat als naam “ [verdachte] ” vermeld. Dat is mijn naam, die ze van mijn ID kaart hebben overgeschreven.

V: Tevens is door deze [naam verdachte] het document digitaal getekend. Wat kun je daarover verklaren?

A: Klopt. Dit is mijn handtekening.

V: Op 31 oktober 2013 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 7] , met [adres 10] . Dit pakket werd op 5 november 2013 aangeboden op het bovengenoemde adres. De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 11 november 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor.

A: Dat heb ik toen afgehaald. Ik heb daar getekend voor de ontvangst van het pakket.

V: Op 31 oktober 2013 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 8] , met [adres 11] . De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres. Op 12 november 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor.

A: Dat heb ik opgehaald van het postkantoor. De naam [verdachte] is van mijn ID-kaart overgenomen.

V: Op 12 november 2013 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 9] , met [adres 12]

[adres 12] . De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. Dp 18 november 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor.

A: Ik heb toen dat pakket opgehaald van een postkantoor in Assen. Mijn handtekening staat op het tekendocument. De naam “ [verdachte] ” is overgenomen van mijn ID kaart , die ik toen moest tonen bij het ophalen van het pakket.

V: Door [persoon 2] uit [plaats 2] werd op 28 november 2013 aangifte gedaan van oplichting. Het rekeningnummer van [persoon 2] werd gebruikt om een abonnement bij [slachtoffer] af te sluiten. Op 11 oktober 2013 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-1 pakket. De bestelling werd gedaan op naam van [persoon 2] , [adres 13] . Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop. Op 24 oktober 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor. A: Dat heb ik opgehaald van een postkantoor in Assen. Mijn handtekening en naam staat op het tekendocument. Die gegevens zijn overgenomen van mijn ID kaart, die ik moest tonen bij het afhalen van het pakket.

V: Hoe kom jij aan de personalia van [persoon 2] ?

A: Dat weet ik ook niet.

V: Hoe kom jij aan het rekeningnummer van [persoon 2] ?

A: Dat weet ik ook niet.

V: De bovenstaande 6 zaken zijn slechts een klein deel van het aantal zaken dat wij binnen hebben gekregen. Voor jou alleen al hebben we in totaal 73 tekendocumenten binnengekregen. Dit betekent dat jij minimaal 73 pakketten van het postkantoor hebt opgehaald. Wat kun jij over deze overige zaken verklaren?

A:Ik wist niet dat het zoveel was.

[medeverdachte 1] verklaart -zakelijk weergegeven-12:

V: Op 5 april 2013 werd bij [slachtoffer] online een bestelling geplaatst. Het betrof een bestelling van een Alles-in-l pakket. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 10] , [adres 14] . Dit pakket werd op 10 april 2013 aangeboden op het bovengenoemde adres. De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op het moment van aflevering te koop stond. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 11 april 2013 werd het pakket opgehaald op het postkantoor.

A: Ik heb dat pakketje opgehaald van het postkantoor ergens in Groningen. Ik had het afhaalbericht..

V: Bij de PostNL geldt een protocol dat de afhaler van het pakket zich legitimeert met een legitimatiebewijs. De naam van de persoon wordt vervolgens ingevoerd in het computersysteem van PostNL. Daarna wordt er gevraagd een digitale handtekening te zetten door middel van een touchpad. Daarna krijgt de persoon liet pakket pas mee. De bovenstaande procedure kan via het systeem van de PostNL worden opgevraagd en

uitgeprint. Wij tonen jou nu het tekendocument van de bovenstaande transactie.

A: Ik zie een bezorgadres in Groningen staan. Ik zie mijn handtekening staan, die ik voor ontvangst van het pakket geplaatst heb op die touchpad. Mijn naam is genoteerd vanaf het rijbewijs van mij. Dat moest ik tonen bij ontvangst van het pakket.

[medeverdachte 1] verklaart -zakelijk weergegeven-13:

V: Op 13 april 2013 werd bij het postkantoor, vermoedelijk in Zwolle, wederom een pakket afgehaald. Dit pakket was namens [slachtoffer] door PostNL aangeboden op het [adres 15] . Uit onderzoek bleek dat deze woning ten tijde van de bestelling te koop stond. De bestelling werd gedaan op [naam 11] .

A: Ik heb het pakketjes opgehaald van het postkantoor in Zwolle. Daar heb ik mijn digitale handtekening op het tekendocumant gezet voor ontvangst van het pakket. Mijn persoonsgegevens hebben ze er bij gezet, nadat ik mijn rijbewijs had getoond bij de ontvangst van het pakket.

V: De handtekening op dit tekendocument komt overeen met de handtekening op het

voorgaande tekendocument. Wat kun je daarover verklaren?

A: Dat klopt. Beiden zijn de handtekening van mij. Ik had het afhaalbericht.

V: Op 30 januari 2014 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 12] , [adres 16] . Dit pakket werd op 4 februari 2014 aangeboden op het bovengenoemde adres. De pakketbezorger kon het pakket daar niet afgeven. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op dit moment te koop staat.De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de

geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 6 februari 2014 werd het pakket opgehaald op liet postkantoor.

A: Toen heb ik dat pakket daar afgehaald van een postkantoor in Groningen. Mijn digitale handtekening en mijn naam staan op het tekendocument. Die handtekening heb ik er op gezet. Ik heb getekend voor de ontvangst van het pakket. Mijn naam werd genoteerd vanaf mijn rijbewijs.

V: Op 30 januari 2014 werd bij [slachtoffer] online wederom een bestelling geplaatst. De bestelling werd gedaan op naam van [naam 13] , [adres 17] . Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de woning op 29-12-2013 te koop was aangeboden.De pakketbezorger heeft op het genoemde adres niemand aangetroffen. De pakketbezorger heeft een afhaalbericht achtergelaten op het adres, zodat de geadresseerde het pakket kon afhalen op het postkantoor. Op 6 februari 2014 werd het pakket opgehaald op het postkantoor.

A: Dat pakket heb ik opgehaald van een postkantoor in Groningen. Mijn handtekening heb ik gezet voor ontvangst van het pakket. Mijn naam is verkeerd overgenomen van het rijbewijs. Ik heet geen [naam medeverdachte 1 (verkeerd gespeld)] maar [medeverdachte 1] .

V: Tevens is door deze [naam medeverdachte 1 (verkeerd gespeld)] het document digitaal getekend. Wat kun je daarover verklaren?

A: Dat is mijn handtekening.

V: De handtekening op dit tekendocument komt overeen met de handtekeningen op de

voorgaande tekendocumenten. Wat kun je daarover verklaren?

A: Dat klopt.

0: Wij tonen jou 2 prints van webpagina?s. Het betreffen 2 prints van Marktplaats.

Op deze prints zie je de 2 harddiscrecorders die aangeboden worden. Het betreffen bijlagen 5 en 6.

V: Je ziet dat bij de advertentie de naam “samsung nieuw” staat vermeld. Van wie is dit? Tevens staat bij de beide advertenties het [mobiel telefoonnummer 2] vermeld. Uit de gegevens van Marktplaats blijkt dat de beide advertenties op Marktplaats zijn gezet door een gebruiker met [gebruikersnaam] en met [emailadres] [emailadres]. Met hetzelfde account heb jij jouw Mercedes te koop gezet op Marktplaats. Wat kun je nu verklaren over de beide advertenties?

A: Dat klopt.

0: Bij onderstaande vraag wordt gebruik gemaakt van, bij Marktplaats gevorderde gegevens. Deze gegevens staan vermeld op bijlage 3. Ik toon bijlage 3 aan verdachte

V: Uit gegevens van Marktplaats blijkt dat op 13 februari 2014 eenzelfde merk en type harddiscrecorder te koop is aangeboden. Ook deze harddiscrecorder werd aangeboden via het account [gebruikersnaam] . Wat weet jij hiervan?

0: We tonen jou een print van de betreffende advertentie. Het betreft bijlage 7.

V: Zoals je ziet staat op deze advertentie de naam [gebruikersnaam] vermeld. Het mobiele telefoonnummer is hetzelfde als het nummer dat jij onder de advertentie van jouw Mercedes had gezet. Kunnen wij ervan uit gaan dat het jouw mobiele telefoonnummer is?

A: Ja het is wel mijn telefoonnummer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 09 januari 2013 tot en met 11 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en anderen
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van
een decoder en/of smartcard en/of een modem (als onderdeel van een abonnement
"Alles-in-1 pakket"), hebbende verdachte en zijn medeverdachten met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk
- (via het internet) abonnementen op een Alles-in-1 pakket afgesloten en bij het invullen van een bestelling voor abonnementen op een Alles-in-1 pakket gebruik heeft gemaakt van namen en de adressen en bankrekeningnummers die niet van verdachte en
medeverdachten waren en
- het bestelde pakket met decoder en/of modem en/of smartcard heeft laten bezorgen bij een leegstaande (te koop staande) woning, waardoor door de postbezorger een afhaalbericht werd opgesteld en
- het afhaalbericht voor die onbezorgde pakketten heeft bemachtigd en
- met het afhaalbericht op het postkantoor het pakket Alles-in-1 pakket, inclusief de decoder en/of modem en/of smartcard hebben opgehaald,
waardoor [slachtoffer] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De verdachte zal van het primair meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft, tezamen en in vereniging met anderen, gedurende ruim een jaar [slachtoffer] meerdere malen opgelicht tot een aanzienlijk benadelingsbedrag. Er werden abonnementen op een “Alles-in-1 pakket” afgesloten met gebruikmaking van identiteitsgegevens en bankrekeningnummers die niet van verdachten waren. De bestellingen (hardware) moesten worden bezorgd op adressen van willekeurige derden.

Hierbij is uitgekookt te werk gegaan doordat het onbewoonde huizen betroffen, waarna de postbezorger -omdat de pakketten niet in ontvangst konden worden genomen- een afhaalbericht achterliet. Met gebruikmaking van deze afhaalbewijzen, die in bezit van verdachten kwamen, haalden verdachten op grote schaal door geheel Nederland de bestellingen op. Gebleken is dat verdachte het overgrote deel van de hardware heeft opgehaald. De hardware werd door verdachten via Marktplaats verkocht aan niets vermoedende kopers, die door [slachtoffer] op het gebruik van de hardware werden aangesproken. Verdachte heeft door zo te handelen niet alleen [slachtoffer] ernstig gedupeerd maar ook veel overlast veroorzaakt aan de eerder genoemde huizenbezitters en de kopers van de hardware. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij bij zijn handelen enkel aan zijn eigen geldelijke gewin heeft gedacht en dat hij geen enkele rekening heeft gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerden. Bovendien schendt dergelijk handelen het vertrouwen in het handelsverkeer via internet.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tevens acht geslagen op het strafblad van de verdachte, d.d. 28 oktober 2015, waaruit blijkt dat hij meermalen eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

Vanwege voormelde ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade betreffende de onderzoekskosten voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en tot een bedrag van

€ 2.879,10, zijnde de kosten exclusief BTW, voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade.

De rechtbank is van oordeel dat zij voor het overige deel van de vordering, de geleverde hardware en diensten, over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 10, 14a,14b, 14c, 24c, 27, 36f, 47, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot hoofdelijke betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.879,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer] ., te betalen een bedrag van € 2.879,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 38 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter,

mr. C.P. van Gastel en mr. O.J. Bosker, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 04 december 2015.

1 op pagina 48ev van het proces-verbaal van politie Noord-Nederland, registratienummer: PL031W-2014043027 (het PV)

2 op pagina 101/102 van het PV

3 op pagina 104 van het PV

4 op pagina 128/129 van het PV

5 op pagina 131ev van het PV

6 op pagina 206ev van het PV

7 op pagina 218ev van het PV

8 op pagina 232/233 en 252 van het PV

9 op pagina 286ev van het PV

10 op pagina 325ev van het PV

11 op pagina 332ev van het PV

12 op pagina 377ev van het PV

13 op pagina 388ev van het PV