Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6293

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
LEE 14-1372
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering kinderopvangtoeslag. Schending hoorplicht. Schenkingsconstructie met gastouderbureau. Verplichting om deugdelijke administratie te voeren. Geen schending gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: LEE AWB 14/1372 KINDER

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te Leek, eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 februari 2014.

Bij dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het (primaire) besluit van 30 juli 2013, inhoudende dat zij over 2010 € 6523,00 aan (voorschotten) kinderopvangtoeslag moet terugbetalen, kennelijk ongegrond verklaard.

Het geschil is -gelijktijdig met soortgelijke zaken- behandeld op de zitting van

4 november 2014.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [betrokkene]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Steiginga en J. Chattou.

De behandeling ter zitting is geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen om de rechtbank de namen te melden van de -ter zitting- gestelde vergelijkbare gevallen, vergezeld van de op die aanvragers betrekking hebbende stukken.

Bij brief van 17 november 2014 heeft eiseres de rechtbank nadere gegevens gestuurd (over de definitieve berekening kinderopvangtoeslag 2009 van haarzelf).

Verweerder heeft gereageerd bij brief van 11 februari 2015.

Het geschil is opnieuw behandeld op de zitting van 2 september 2015.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [betrokkene].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. Arling.

Overwegingen

1. Eiseres is moeder van de kinderen [kinderen]


De opvang van deze kinderen werd in 2010 verzorgd door tussenkomst van achtereenvolgend gastouderbureau (gob) [naam] en (vanaf 1 augustus 2010)

gob ‘[naam]’.

1.1.

Bij besluit van 4 december 2009 is een voorschot kinderopvangtoeslag 2010 toegekend van € 6173,00. Bij besluit van 16 juli 2010 herzien in € 8488,00.

1.2.

Bij brief van 15 juli 2011 heeft verweerder eiseres verzocht om een overzicht te sturen van de door haar daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten over 2010.

Dit verzoek is herhaald bij brief van 2 september 2011.

Eiseres heeft verweerder de jaaropgave van gob ‘[naam]’ gestuurd.

1.3.

Bij het primaire besluit is de kinderopvangtoeslag 2010 definitief vastgesteld op

€ 1965,00. Dit resulteerde voor eiseres in een terugvordering van € 6523,00.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 22 november 2013 heeft verweerder eiseres schriftelijk verzocht om toezending van de jaaropgave van ‘[naam]’, alle facturen van de gastouderbureaus over 2010, de bijbehorende betalingsbewijzen en het contract tussen haar en de gastouderbureaus.

1.5.

Bij brief van 4 december 2013 heeft eiseres stukken overgelegd en een toelichting gegeven.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

2. De rechtbank stelt voorop dat het vaste jurisprudentie is dat in het algemeen met grote voorzichtigheid dient te worden besloten tot het achterwege laten van een hoorzitting op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank wijst erop dat, mede gelet op het karakter van de bezwaarprocedure waarbij onder andere een volledige heroverweging van het bestreden besluit op de grondslag van het ingebrachte bezwaar aan de orde is, met het gebruik van het woord "kennelijk" in onder andere het onderdeel b van artikel 7:3 tot uitdrukking is gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien als, wat betreft de in geding zijnde toepassing, in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het

oordeel dat het bezwaar ongegrond is.

Daarvan is, anders dan verweerder stelt, naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake, nu eiseres in bezwaar nadere stukken heeft overgelegd, die verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken. Bovendien heeft eiseres op het ‘Retourfomulier bezwaar’ aangegeven dat zij haar bezwaarschrift wilde toelichten.

2.1.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:2, 7:3, onder b en 7:12 van de Awb en daarom dient te worden vernietigd.

2.2.

Gezien de gedingstukken en gehoord het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het aangewezen na te gaan of er grond bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

3.1.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

3.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

3.3.

Op grond van artikel 7, eerste lid van de Wko is de hoogte van kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1° het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2° de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3° de soort kinderopvang.

3.4.

Ingevolge artikel 52 van de Wko geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

3.5.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

4. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting concludeert de rechtbank dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd dat

- eiseres geen jaaroverzicht van gob ‘[naam]’ heeft overgelegd of facturen met

betaalbewijzen;

- bewijs ontbreekt dat eiseres zelf kosten heeft gemaakt voor kinderopvang via gob

[naam]’.

4.1.

In beroep heeft eiseres erkend dat zij geen eigen bijdrage heeft betaald, maar zij vindt de terugvordering onterecht, omdat zij volledig te goeder trouw een overeenkomst is aangegaan met een gob waarvan verweerder al in 2008 zou hebben geweten dat dit een onbetrouwbaar gob was. Eiseres is daarom van mening dat de ontstane schade niet alleen op haar -de vraagouder- afgewenteld kan worden.

5. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:211), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten van zulke opvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd, nu zij niet een jaaropgaaf van het gob [naam]’ heeft overgelegd.

Verder heeft eiseres niet aan de -belangrijkste- voorwaarde voldaan dat zij aantoonbaar een eigen bijdrage heeft betaald voor kinderopvang via dat gob.

Volgens eveneens vaste jurisprudentie moeten de kosten (voor de gastouder) in zijn geheel zijn voldaan en als dit niet het geval is, bestaat er geen recht op kinderopvangtoeslag.

Dat de betalingen hebben plaatsgevonden op basis van een berekening van het gob waarbij rekening is gehouden met een schenkingsconstructie, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu eiseres op grond van het vereiste in artikel 18, eerste lid van de Awir, gehouden is zelf een deugdelijke administratie te voeren.

Daarbij komt dat het doen van een aanvraag en de invulling van de daaruit voortvloeiende voorwaarden, behoort tot de verantwoordelijkheid van eiseres. In dat licht bezien is naar het oordeel van de rechtbank niet te stellen dat verweerder een zorgplicht heeft, in die zin dat hij (al) moet waarschuwen als er verdenkingen ontstaan tegen een gob. De rechtbank onderschrijft hetgeen verweerder daarover heeft toegelicht in het verweerschrift en ter zitting.

5.2.

Voor zover een beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel slechts kan slagen indien er sprake is van identieke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de situatie van eiseres op basis van enkel een definitieve berekening (over een voorgaand jaar) zonder dat daarbij de voorliggende stukken zijn overgelegd niet als identiek worden aangemerkt.

Hierbij merkt de rechtbank op dat eiseres zich met haar brief van 17 november 2014, en de bijlagen, eerder heeft beroepen op het vertrouwensbeginsel dan op het gelijkheidsbeginsel.

Hetgeen verweerder over de toekenning van kinderopvangtoeslag over 2009 heeft gesteld in het verweerschrift en ter zitting wordt door de rechtbank onderschreven.

6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zullen blijven.

7. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45,00 aan haar te vergoeden.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt dat bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder eiseres het betaalde griffierecht van € 45,00 dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. W. de Jonge in aanwezigheid van L. Smidt, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2015.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

typ: ls