Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6261

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
18.720150-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tweemaal mishandelen van een bekende van hem en aan twee diefstallen. Drie van deze feiten hebben zich afgespeeld binnen een tijdsbestek van 4 dagen. Verdachte is al sinds jaar en dag bekend bij justitie en heeft de status van veelpleger. Oplegging ISD. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te bepalen dat er een tussentijdse toetsing zou moeten plaatsvinden zoals door de raadsvrouw verzocht. Artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht biedt niet de mogelijkheid van het in mindering brengen van het voorarrest op de duur van de ISD-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2011-07-02
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2011-07-02
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-02-01
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720150-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 juli 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Klunder, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 februari 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente

Leeuwarden,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter

(merk Peugeot, kleur blauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 10 april 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente

Leeuwarden,

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 3] , meermalen, althans eenmaal, (met een

tot vuist gebalde hand) in haar gezicht en/of tegen har hoofd te slaan en/of

te stompen;

3.

hij op of omstreeks 12 april 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente

Leeuwarden,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door [slachtoffer 4] (met een tot vuist gebalde hand)

in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of te slaan;

4.

hij op of omstreeks 8 april 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente

Leeuwarden,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

(dames)fiets (merk Batavus, kleur roze), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij in of omstreeks de periode van 26 april 2015 tot en met 1 mei 2015, te

[pleegplaats 1] , althans in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kentekenplaat met daarop het

kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 26 april 2015 tot en met 1 mei 2015, te

[pleegplaats 1] , althans in Nederland, een kentekenplaat met daarop het kenteken

[kenteken] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die

kentekenplaat wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden,

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 5. primair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4. en 5. subsidiair ten laste gelegde;

- oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;

- toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 750,00

met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag;

- niet-ontvankelijk verklaring van de [benadeelde partij 1] met betrekking tot het meer gevorderde;

- toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 361,70 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bewuste scooter op verzoek van een kennisje vanaf het schoolplein naar een naastgelegen flatgebouw heeft gebracht, waar dat kennisje zou wonen. Zij had gezegd dat de scooter van haar was maar dat zij last had van een blaar op haar voet of zoiets en dat zij daarom niet zelf de scooter kon verrijden.

De rechtbank is van oordeel dat diverse onderdelen van de verklaring van verdachte niet logisch en daarmee niet aannemelijk zijn. Dat betreft zoal de reden dat het kennisje niet zelf de scooter kon verrijden, het gegeven dat het kennisje haar scooter niet voor haar eigen flat geparkeerd heeft maar een tiental meters verderop op een schoolplein, het gegeven dat de scooter niet op slot stond en het gegeven dat het meisje -nadat de scooter al van het schoolplein gehaald was- met verdachte naar zijn eigen op het schoolplein geparkeerde scooter is meegelopen en achterop de scooter bij verdachte is weggereden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

De rechtbank past voor dit feit de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 10 februari 2015 heb ik in [pleegplaats 1] van een schoolplein een blauwe scooter meegenomen.

2. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015041807-1, d.d. 11 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 10 februari 2015 heb ik mijn scooter, merk Peugeot, type Kisbee, kleur blauw, geparkeerd op het schoolplein van [naam school] te [pleegplaats 1] . Toen ik weer uit school kwam, zag ik dat mijn scooter niet meer op de plek stond waar ik deze had achtergelaten. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Feit 2.

Verdachte heeft ontkend dit feit te hebben gepleegd en heeft ter terechtzitting gesteld dat het slachtoffer de verwondingen al had toen zij bij hem kwam. Hij geeft daarbij aan dat zij de verwondingen voor hem had verborgen onder een laagje make-up en dat zij de make-up verwijderd heeft voordat de getuige kwam zodat de verwondingen voor de getuige wel zichtbaar waren.

De rechtbank ziet in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen voldoende wettig en ook overtuigend bewijs dat verdachte deze mishandeling heeft gepleegd. De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden.

De rechtbank past voor dit feit de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 10 april 2015 was ik in mijn woning in [pleegplaats 1] toen [slachtoffer 3] bij mij op bezoek kwam.

2. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015103801-1, d.d. 12 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 10 april 2015 was ik in de woning bij [verdachte] te [pleegplaats 1] . 's Avonds kwam een meisje op visite, haar naam is [getuige] . Toen [getuige] weg was kreeg ik ruzie met [verdachte] . Ik zag dat hij met zijn rechtervuist een slaande beweging naar mij maakte. Ik voelde op mijn rechterjukbeen vervolgens hevige pijn. Ik voelde pijn omdat [verdachte] mij met zijn rechtervuist tegen mijn gezicht sloeg. [verdachte] slaat heel erg hard en ook onverwachts. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij vijf à zes keer tegen mijn gezicht sloeg. Ik voelde pijn op mijn mond en pijn aan de linkerkant van mijn gezicht. Zoals u kunt zien heb ik blauwe plekken op mijn gezicht. Deze blauwe plekken komen door de klappen die ik kreeg van [verdachte] .

Niet veel later zag ik dat [getuige] en [slachtoffer 4] voor de deur stonden.

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015103801-3, d.d. 14 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] :

Op 10 april 2015 omstreeks 20:00 uur bevond ik mij in de woning van [verdachte] te [pleegplaats 1] . Zijn vriendin was aanwezig en ik hoorde dat ze [slachtoffer 3] heette. Ik heb de woning verlaten. Op 11 april 2015 omstreeks 02:00 uur ben ik weer naar de woning van [verdachte] gegaan. Ik ben eerst weer naar huis gegaan. [slachtoffer 4] is vervolgens met mij mee gegaan. Aangekomen bij de woning van [verdachte] belde ik aan. Ik zag dat [slachtoffer 3] de voordeur open deed. Ik zag dat zij aan het huilen was en dat ze bont in haar gezicht was. Ik zag dat haar rechterwang gezwollen was. Ik weet zeker dat dit eerder die dag niet zo was. [slachtoffer 3] vertelde mij dat zij ruzie met [verdachte] had gehad en dat hij haar in elkaar geslagen had.

Feit 3.

Verdachte heeft ontkend dit feit te hebben gepleegd; hij heeft verklaard dat hij het slachtoffer alleen een duwtje heeft gegeven. De rechtbank ziet in de onderstaande bewijsmiddelen voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte deze mishandeling, samen met [medeverdachte] , heeft gepleegd. De rechtbank ziet in de gezamenlijke aankomst van verdachte en [medeverdachte] bij de woning van het slachtoffer en in het achtereenvolgens slaan van hetzelfde slachtoffer, voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] om medeplegen bewezen te kunnen verklaren.

De rechtbank past voor dit feit de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2015 ben ik, samen met [medeverdachte] , naar een woning in [pleegplaats 1] gegaan en daar naar binnen gelopen. [slachtoffer 4] zat op de bank. [slachtoffer 3] en [getuige] waren ook in die woning. [medeverdachte] heeft [slachtoffer 4] geslagen.

2. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015103769-1, d.d. 12 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 4] :

Op 12 april 2015 zat ik in de woning te [pleegplaats 1] met [getuige] en [slachtoffer 3] . Ik zag [verdachte] binnen komen lopen. Ik zag dat achter hem [medeverdachte] liep. [medeverdachte] en [verdachte] begonnen meteen te schreeuwen. Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] op mij af kwamen lopen en voor mij kwamen staan. Voordat ik ook iets kon zeggen zag ik dat [verdachte] mij opzettelijk en met kracht met een tot vuist gebalde hand tegen mijn hoofd sloeg.

Ik voelde op dat moment pijn aan de linker zijkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn linker slaap. Vervolgens zag ik dat [medeverdachte] opzettelijk en met nog meer kracht dan [verdachte] met zijn tot vuist gebalde hand tegen mijn hoofd sloeg. De eerste klap kwam tegen mijn linker oogkas aan. Dat deed erg pijn. Ik voelde bloed lopen bij mijn linker wenkbrauw.

Daarna kreeg ik zo'n zelfde klap van [medeverdachte] . Deze kwam onder mijn linkeroog tegen mijn neus. Dat deed pijn. Daarna voelde ik nog een vuistslag tegen de zijkant van mijn lichaam.

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015103769-3, d.d. 12 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 12 april 2015 zat ik in de huiskamer van de woning van [getuige] te [pleegplaats 1] . [getuige] en [slachtoffer 4] waren er ook. Ik zag dat [verdachte] binnenkwam samen met [medeverdachte] . Ik zag dat [medeverdachte] naar [slachtoffer 4] liep. Ik zag dat [verdachte] naar mij toe liep. In een soort flits zag ik, op het moment dat [verdachte] tegen mij praatte, achter [verdachte] wat handbewegingen. Ik kon niet zien wat er gebeurde maar later begreep ik dat [slachtoffer 4] door [medeverdachte] was geslagen. Ik besefte dat pas toen ik [slachtoffer 4] zag en ik zag dat [slachtoffer 4] een bebloed gezicht had.

4. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015103769-2, d.d. 12 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] :

Op 12 april 20115, was ik, samen met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] , in mijn woning te [pleegplaats 1] . Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] . Ik zag dat [verdachte] naar [slachtoffer 4]

toeliep. [slachtoffer 4] zat op de bank. [verdachte] haalde uit met zijn hand naar het gezicht van [slachtoffer 4] . Hij sloeg heel hard met een gebalde vuist op het gezicht van [slachtoffer 4] . Ik zag dat [medeverdachte] ook naar [slachtoffer 4] liep. Ik zag dat [medeverdachte] met gebalde vuist op [slachtoffer 4] afliep en hem met deze vuist direct keihard in het gezicht sloeg, op het oog. Hij sloeg hem wel drie of vier keer. Ik zag gelijk dat [slachtoffer 4] veel bloed had boven zijn linkeroog.

Feit 4.

Verdachte heeft ontkend dit feit te hebben gepleegd. De rechtbank ziet in de onderstaande bewijsmiddelen voldoende wettig en ook overtuigend bewijs dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

De rechtbank past voor dit feit de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 8 april 2015 was ik samen met [slachtoffer 3] op [locatie] in [pleegplaats 1] .

2. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015100039-1, d.d. 16 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 5] :

Op 8 april 2015 heb ik mijn fiets geparkeerd voor mijn winkel aan [adres] te [pleegplaats 1] . Omstreeks 18:05 uur ben ik naar buiten gelopen en zag ik dat mijn fiets weg was. Het betreft een Batavus Bub, roze van kleur. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015100039-3, d.d. 21 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Ik kreeg de melding te gaan naar [locatie] waar zojuist een roze damesfiets zou zijn gestolen. De getuige/meldster verklaarde mij: "Ik zag [verdachte] lopen, samen met zijn vriendin. Ik zag dat [verdachte] de roze fiets oppakte welke voor de winkel stond en in versnelde pas weg liep in de richting van [straatnaam] ."

4. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015100039-5, d.d. 1 mei 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3] :

Toen ik uit de Action kwam zag ik dat [verdachte] aan de andere kant van [locatie] liep en toen had hij een fiets bij zich. Ik zag vervolgens [verdachte] een straat inlopen met de fiets. Daar bij de 1ste flat aan de linkerkant heeft [verdachte] de fiets in de bosjes gelegd.

Feit 5.

Er is geen bewijs dat verdachte de betreffende kentekenplaat heeft gestolen; verdachte moet dan ook van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Subsidiair is heling van de betreffende kentekenplaat ten laste gelegd. Verdachte moet ook van dit feit worden vrijgesproken. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de kentekenplaat wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit goed van misdrijf afkomstig was.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 februari 2015, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter (merk Peugeot, kleur blauw),

toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

2.

hij omstreeks 10 april 2015, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 3] , meermalen met een tot vuist gebalde hand in haar gezicht te slaan;

3.

hij op 12 april 2015, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door [slachtoffer 4] , met een tot vuist gebalde hand,

in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of te slaan;

4.

hij op 8 april 2015, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een damesfiets (merk Batavus, kleur roze), toebehorende aan [slachtoffer 5] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal.

2. Mishandeling.

3. Medeplegen van mishandeling.

4. Diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tweemaal mishandelen van een bekende van hem en aan twee diefstallen. Drie van deze feiten hebben zich afgespeeld binnen een tijdsbestek van 4 dagen. Verdachte is al sinds jaar en dag bekend bij justitie en heeft de status van veelpleger. De officier van justitie heeft oplegging van de maatregel tot het plaatsen van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) geëist. De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat een eventuele ISD voorwaardelijk zou moeten worden opgelegd en subsidiair dat er rekening moet worden gehouden met het reeds ondergane voorarrest en meer subsidiair dat, als de ISD onvoorwaardelijk wordt opgelegd, bepaald moet worden dat een tussentijdse toetsing plaats zal vinden.

Motivering van de maatregel

Reclassering Nederland heeft in haar advies van 2 juli 2015 geadviseerd aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. Verdachte heeft al lange tijd problemen op meerdere leefgebieden en hij geeft nauwelijks inzicht in zijn functioneren en zijn drijfveren. Hij heeft een traumatische jeugd gehad en gebruikt tot op heden harddrugs. De aan verdachte in de afgelopen jaren geboden hulp en ondersteuning hebben tot nu toe niet kunnen voorkomen dat verdachte opnieuw misdrijven ging plegen. Verdachte heeft zich niet gehouden aan de voorwaarden van het toezicht door de reclassering van VNN Leeuwarden door zich niet te houden aan de meldplicht, aldus de reclassering.

De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan het eerst gepleegde misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verdachte voldoet daarnaast aan de definitie van zeer actieve veelpleger. Gezien de ongewijzigde of zelfs verslechterde leefomstandigheden van verdachte nu hij zijn woning is kwijtgeraakt, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan zodat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank ziet geen heil in oplegging van een voorwaardelijke ISD omdat gebleken is dat diverse voorwaardelijke straffen en jarenlange hulpverlening verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw misdrijven te plegen.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te bepalen dat er een tussentijdse toetsing zou moeten plaatsvinden zoals door de raadsvrouw verzocht.

Artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht biedt niet de mogelijkheid van het in mindering brengen van het voorarrest op de duur van de ISD-maatregel.

Benadeelde partijen

1. [slachtoffer 1] heeft zich, via haar vader [slachtoffer 2] , voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De vordering strekt tot vergoeding van het aankoopbedrag van de gestolen scooter ad

€ 995,00. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat op een van de bijlagen bij het voegingsformulier, te weten een brief over de afhandeling van diefstalschade gericht aan [slachtoffer 2] , met pen geschreven is "waardebep. € 750,00". Desgevraagd heeft [slachtoffer 2] ter toelichting op de opgave van de geleden schade ter terechtzitting verklaard dat het handgeschreven bedrag van € 750,00 op de brief van [bedrijf] d.d. 11 februari 2015 de waardebepaling van de scooter ten tijde van de diefstal is. De rechtbank acht de vordering daarom tot een bedrag van € 750,00 gegrond en toewijsbaar.

De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te beoordelen of de schade hoger is dan dit bedrag van € 750,00. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen een hoger schadebedrag aan te tonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom met betrekking tot het meer gevorderde niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

2. [slachtoffer 5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 361,70, bestaande uit de aankoopprijs van de fiets en het fietsslot op 8 maart 2012. De raadsvrouw heeft aangegeven dat rekening moet worden gehouden met de dagwaarde van de weggenomen fiets. De rechtbank kan de raadsvrouw hierin volgen en zal, rekening houdend met de datum van aankoop van de fiets, een bedrag van € 261,70 toekennen als rechtstreeks geleden schade waarvoor verdachte verantwoordelijk is.

De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te beoordelen of de schade hoger is dan dit bedrag. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen een hoger schadebedrag aan te tonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom met betrekking tot het meer gevorderde niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

3. In het dossier bevindt zich een door [slachtoffer 7] ingediend voegingsformulier in verband met schade geleden door diefstal, gepleegd op 1 augustus 2014 te [pleegplaats 2] . Dit feit is niet ten laste gelegd en evenmin ad informandum gevoegd. Hierdoor is er geen sprake van schade rechtstreeks voortvloeiend uit een bewezenverklaard (of ad informandum meegewogen) feit zodat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 47, 57, 63, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5. primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderd en vijftig euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderd en vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe als na te melden en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 261,70 (zegge: tweehonderd en éénenzestig euro en zeventig eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van € 261,70 (zegge: tweehonderd en éénenzestig euro en zeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 5] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. F. Sieders, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2015.

Mr. Eelsing en Komrij zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Sieders

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden,