Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6182

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
13/682 en 13/684 t/m 13/689
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8363, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inkomen buitenlandse bankrekening. Voortvarend gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1917
FutD 2016-2200
NTFR 2016/2289
NLF 2016/0062 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 13/682 en LEE 13/684 t/m LEE 13/689

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan eiser zijn de volgende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB) opgelegd:

1.2.

Gelijktijdig met het vaststellen van de hiervoor vermelde (navorderings)aanslagen heeft verweerder bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Voorts heeft verweerder op de voet van artikel 18 (oud), artikel 67d en 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) verhogingen en vergrijpboeten opgelegd van 100 percent van over de correctie verschuldigde vermogensbelasting respectievelijk inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1.3.

Eiser heeft tegen de in 1.1 en 1.2 vermelde (navorderings)aanslagen en beschikkingen bezwaarschriften ingediend.

1.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2013 heeft verweerder de navorderingsaanslag VB voor het jaar 1997 en daarbij gegeven beschikking inzake de verhoging en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.5.

Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de (navorderings)aanslagen voor de jaren 1996 en 2003 tot en met 2007 verminderd en de belastbare inkomens voor deze jaren als volgt nader vastgesteld:

De beschikkingen inzake een verhoging, boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.6.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 336 (= 8 x € 42).

1.7.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij de zijns inziens op de zaak betrekking hebbende stukken – deels in geanonimiseerde vorm – overgelegd. Daarbij heeft verweerder ten aanzien van een aantal stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versies van die stukken. Bij brief van 1 juli 2013 heeft verweerder deze integrale en ongeanonimiseerde stukken overgelegd aan de rechtbank en heeft hij zijn mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van deze versie nader gemotiveerd. Ook heeft verweerder een aantal nieuwe stukken in geanonimiseerde en ongeanonimiseerde vorm overgelegd.

1.8.

Bij een op 1 april 2014 gegeven tussenbeslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid Awb, heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat de door verweerder meegedeelde beperking van de kennisneming van de integrale en ongeanonimiseerde versies van de bij het verweerschrift ingediende stukken gerechtvaardigd is en de zaken verwezen naar een andere kamer van de rechtbank.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015 te Groningen. Aldaar zijn partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.10.

Na de mondelinge behandeling heeft tussen partijen en tussen de rechtbank en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Vervolgens heeft een tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad ter zitting van 24 november 2015, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.11.

Na de tweede mondelinge behandeling is van de zijde van verweerder een nader stuk ingekomen. De rechtbank ziet in de inhoud van dat stuk geen aanleiding het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

2.1.

Eiser is geboren op [geboortedag] 1944 en is gehuwd met mevrouw [echtgenote] .

2.2.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen gegevens (renseignementen) verstrekt aan de FIOD-ECD Team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen en zijn op 1 maart 2005 door de FIOD-ECD ontvangen.

2.3.

In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg SA (hierna: VLB). De bij de Nota behorende bijlagen bevatten onder meer gegevens over bank- en beleggingsrekeningen van ingezetenen van Nederland, standen van die rekeningen per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996, en namen van rekeninghouders.

2.4.

Naar aanleiding van de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens heeft de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld, welk onderzoek erop gericht was met voldoende mate van zekerheid vaststellen op welke individuele belastingplichtigen de gegevens betrekking hebben. Daartoe zijn de ontvangen gegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt.

2.5.

De aldus bewerkte gegevens zijn door de FIOD-ECD op 1 maart 2006 overgedragen aan een landelijke toezichtorganisatie van de Belastingdienst, waarna door de Belastingdienst – vanwege de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid –voor een projectmatige aanpak is gekozen en het project Bank Zonder Naam (hierna: het project) van start is gegaan.

2.6.

In maart 2007 zijn de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde rekeninghouders vrijgegeven voor behandeling op verschillende kantoren van de Belastingdienst, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen alsnog in de belastingheffing te betrekken. Eiser behoort tot deze eerste groep geïdentificeerde rekeninghouders.

2.7.

Uit de renseignementen volgt dat bij VLB een rekening werd aangehouden op naam van [X-Y] , met rekeningnummer [rekeningnummer] . Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam van eiser [X] en zijn echtgenote [Y] slechts eenmaal in het geautomatiseerde systeem Beheer van Relaties (BVR) voorkomt. Verweerder heeft eiser op grond daarvan als (mede)rekeninghouder geïdentificeerd. In zijn aangiften IB/PVV voor de onderhavige jaren heeft eiser geen inkomens- of vermogensbestanddelen vermeld die betrekking hebben op een rekening bij VLB.

2.8.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier "Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" (hierna: de verklaring) en een formulier "Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" (hierna: de opgaaf) gevoegd.

2.9.

Eiser heeft de verklaring en de opgaaf ingevuld, ondertekend en aan verweerder geretourneerd, die deze op 19 maart 2007 heeft ontvangen.

2.10.

Vervolgens heeft verweerder bij brieven van 22 september 2008 en 9 november 2009 aangekondigd dat hij voornemens is om voor de jaren 1996, 1997, 2003 en 2004 navorderingsaanslagen met verhogingen respectievelijk vergrijpboeten van 100 percent op te leggen.

2.11.

Bij brieven van 20 november 2008, 9 november 2009 en 25 oktober 2010 is eiser door verweerder in kennis gesteld van zijn voornemen om bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2005, 2006 en 2007 af te wijken van de door eiser ingediende aangiften IB/PVV en daarbij vergrijpboeten van 100 percent op te leggen.

2.12.

Ongeveer één maand na het verzenden van de in 2.9 en 2.10 vermelde kennisgevingen heeft verweerder de in 1.1 vermelde aanslagen en navorderingsaanslagen opgelegd en beschikkingen gegeven.

2.13.

De gemachtigde van eiser heeft in zijn pro forma bezwaarschrift van 13 januari 2009 tegen de navorderingsaanslagen voor de jaren 1996 en 1997 en de aanslagen voor de jaren 2003 en 2005 verzocht om uitstel voor indiening van de gronden van het bezwaar (hierna: het uitstelverzoek), totdat in het hoogste ressort onherroepelijk uitspraak is gedaan in het kader van het project. In de pro forma bezwaarschriften tegen de overige in geschil zijnde aanslagen, welke bezwaarschriften eiser op latere momenten heeft ingediend, heeft eiser eveneens verzocht om uitstel voor indiening van gronden van de bezwaren.

2.14.

Het uitstelverzoek is door verweerder bij brief van 1 juni 2010 afgewezen. Daarbij is eiser verzocht om binnen vier weken na dagtekening van die brief de gronden van het bezwaar toe te sturen.

2.15.

Bij brief van 8 februari 2011 heeft verweerder (schriftelijk) bevestigd dat de termijn voor motivering van de bezwaarschriften in onderling overleg is verlengd totdat rechtbank Haarlem en rechtbank Den Haag tussenuitspraken hebben gedaan in geheimhoudingszaken. Omdat op het moment van verzenden van voormelde brief reeds uitspraak was gedaan in de geheimhoudingszaken, heeft verweerder eiser (voor de laatste maal) in de gelegenheid gesteld om vóór 2 maart 2011 de bezwaarschriften nader te motiveren.

2.16.

Met dagtekening 24 februari 2011 heeft (de gemachtigde van) eiser aan verweerder een brief gezonden waarin de gronden van de bezwaarschriften staan vermeld.

2.17.

Vervolgens heeft verweerder de onderhavige uitspraken op bezwaar gedaan.

2.18.

Bij brief van 11 februari 2013, ingekomen bij de rechtbank op 12 februari 2013, heeft eiser tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.19.

Aanvankelijk heeft eiser steeds ontkend een rekening bij VLB te hebben aangehouden. Bij brief van 11 augustus 2015 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank bericht dat eiser openheid van zaken wil geven en dat de daarvoor benodigde bankbescheiden aan verweerder zijn gezonden.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

3.1.

Tussen partijen is thans uitsluitend in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de onderhavige (navorderings)aanslagen?

II. Zijn de boeten tot de juiste bedragen opgelegd?

III. Heeft eiser recht op vergoeding van de door hem geleden immateriële schade?

3.2.

Met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag heeft eiser het standpunt ingenomen dat verweerder een dermate gebrek aan voortvarendheid heeft getoond bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen dat verweerder geen gebruik mocht maken van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar ex artikel 16, vierde lid, Awr, zodat alle navorderingsaanslagen vernietigd dienen te worden.

3.3.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de tweede in geschil zijnde vraag ontkennend beantwoord moet worden. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom en op welke gronden de onderhavige boeten op 100 percent zijn vastgesteld. Het louter aanhouden van een buitenlandse bankrekening en het niet vermelden van die rekening in de aangifte, kan – aldus nog steeds eiser – niet gezien worden als een strafverzwarende omstandigheid. Bovendien dienen de boeten volgens eiser gematigd te worden omdat eiser openheid van zaken heeft gegeven en de redelijke termijn is overschreden.

3.4.

Eiser verzoekt tot slot tot toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Eiser heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat indien de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de geleden immateriële schade, deze vergoeding gemaximeerd kan worden tot € 5.000.

3.5.

Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken.

3.6.

Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

4.1.1.

Het beroep van eiser strekt primair tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de (navorderings)aanslagen, de heffingsrentebeschikkingen, de beschikkingen inzake een verhoging en de boetebeschikkingen, en tot veroordeling van verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade alsmede tot vergoeding van de proceskosten en restitutie van het betaalde griffierecht.

4.1.2.

Subsidiair concludeert eiser tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de (navorderings)aanslagen, dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrentebeschikkingen, de beschikkingen inzake een verhoging en boetebeschikkingen, en tot veroordeling van verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade alsmede tot vergoeding van de proceskosten en restitutie van het betaalde griffierecht.

4.2.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Belastbare inkomens

5.1.

Tijdens de tweede mondelinge behandeling van de zaak hebben partijen bij wijze van compromis overeenstemming bereikt over de hoogte van de correcties en het gemeenschappelijke standpunt ingenomen dat, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend zijn opgelegd, de belastbare inkomens voor de in geschil zijnde jaren op de volgende bedragen vastgesteld dienen te worden:

De rechtbank sluit zich aan bij dit gemeenschappelijke standpunt van partijen.

Voortvarendheid

5.2.

Eiser betoogt dat verweerder niet de vereiste voortvarendheid heeft betracht bij het opleggen en voorbereiden van de onderhavige (navorderings)aanslagen en dat die aanslagen derhalve niet in stand kunnen blijven.

5.2.1.

Bij de beoordeling van het standpunt van eiser moet worden vooropgesteld dat uit de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199 en nr. 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, BNB 2010/200 volgt dat voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, Awr in gevallen waarin het VWEU van toepassing is, de voorwaarde geldt dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, een navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. Dit betekent dat de eis van de redelijke voortvarendheid niet geldt voor de primitieve aanslagen die zijn opgelegd ten aanzien van de jaren 2005 tot en met 2007.

5.2.2.

Daarnaast volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het oordeel over de voortvarendheid waarmee een navorderingsaanslag met toepassing van artikel 16, vierde lid, Awr is opgelegd, betrekking dient te hebben op het tijdsverloop nadat de belastingautoriteiten van een lidstaat de beschikking hebben gekregen over aanwijzingen met betrekking tot in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. Dat aan de hand van de ontvangen gegevens nog niet met zekerheid vastgesteld kan worden om welke individuele belastingplichtigen het gaat, doet aan het vorengaande niet af. Wel dient het tijdsverloop dat noodzakelijkerwijs met het onderzoek daarnaar gemoeid is, in aanmerking te worden genomen bij het oordeel of de navorderingsaanslag met de vereiste voortvarendheid is opgelegd (zie HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137).

5.2.3.

Vaststaat dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 zijn opgelegd met dagtekening 23 december 2008 en 11 december 2009. Deze navorderingsaanslagen zijn derhalve opgelegd binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 16, derde lid, Awr. Voor zover het betoog van eiser de klacht behelst dat de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd en dat die aanslagen mitsdien niet in stand kunnen blijven, is deze klacht ongegrond. Uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 16, derde lid, Awr is af te leiden dat in een geval waarin de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt binnen de in deze bepaling gestelde termijn, maar niet zo voortvarend als mogelijk is, dit tot verval van de navorderingsbevoegdheid leidt. Het zorgvuldigheidsbeginsel leidt evenmin tot die gevolgtrekking (zie HR 14 augustus 2015, nr. 14/02491, ECLI:NL:HR:2015:2163). De rechtbank zal derhalve uitsluitend ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB voor de jaren 1996 en 1997 beoordelen of is voldaan aan de eis van redelijke voortvarendheid.

5.2.4.

Tussen het moment dat de gegevens door de Belgische autoriteiten aan de FIOD/ECD zijn verstrekt (18 februari 2005) en het moment dat voor het eerst met eiser contact is opgenomen door het zenden van een vragenbrief (7 maart 2007), is ongeveer twee jaar verstreken. Na ontvangst van de inlichtingen door de FIOD/ECD in maart 2005 is gestart met het verifiëren en analyseren van de ontvangen informatie. Vanwege de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid is gekozen voor een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak. De daarmee gemoeide projectwerkzaamheden zijn in drie verschillende fasen uitgevoerd (de onderzoeksfase, de besluit- en inrichtingsfase en de projectfase). De werkzaamheden die in een bepaalde periode casu quo fase uitgevoerd moesten worden, hebben niet allemaal tegelijk plaatsgevonden, doch steeds heeft volgtijdelijk ten minste één type projectwerkzaamheid plaatsgevonden. De gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde rekeninghouders zijn vervolgens in maart 2007 verstrekt aan de inspecteurs onder wie deze rekeninghouders ressorteerden. Eiser behoort tot deze eerste groep geïdentificeerde rekeninghouders.

5.2.5.

Voor zover het standpunt van eiser inhoudt dat in vorengenoemde fasen meer tijd is verstreken dan noodzakelijk is, moet dit standpunt verworpen worden. In een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, heeft als uitgangspunt te gelden dat de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat om vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. De Belastingdienst kon verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden waren. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die nodig is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn. De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van hun werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. De werkzaamheden mogen niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende is gewaarborgd (HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137). Opmerking verdient tot slot dat de vereiste voortvarendheid niet is betracht indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).

5.2.6.

Gelet op in hetgeen 5.2.4 en 5.2.5 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat in de fasen tot aan het vrijgeven van de gegevens voor behandeling op de verschillende kantoren van de Belastingdienst in maart 2007 de voortvarendheid is betracht die redelijkerwijs in acht moet worden genomen. Niet aannemelijk is geworden dat de (project)werkzaamheden dusdanig zijn georganiseerd en ingericht dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is dan wel dat in de projectfasen een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is opgetreden.

5.2.7.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of het tijdsverloop tussen het moment waarop de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde rekeninghouders, waartoe eiser behoorde, zijn verstrekt aan de inspecteurs onder wie die rekeninghouders ressorteerden, en het tijdstip waarop de navorderingsaanslagen voor de jaren 1996 en 1997 aan eiser zijn opgelegd, aanvaardbaar is.

5.2.8.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en VB 1997 niet voortvarend zijn voorbereid en opgelegd, heeft eiser aangevoerd dat deze aanslagen tegelijk met de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 opgelegd hadden kunnen worden, omdat verweerder op dat moment – op 31 december 2007 – reeds alle relevante gegevens tot zijn beschikking had die noodzakelijk zijn voor het opleggen van de in geschil zijnde navorderingsaanslagen.

5.2.9.

Verweerder heeft ter bestrijding van de stelling van eiser een aantal redenen voor het tijdsverloop aangevoerd. Ten eerste heeft verweerder het argument aangedragen dat ten aanzien van de jaren 1996 tot en met 2001 de aanslagen alleen opgelegd konden worden via een handmatige vaststelling en opmaak van de aanslag. Een dergelijke werkwijze is, aldus verweerder, zeer arbeidsintensief en specialistisch van aard, waardoor het praktisch onmogelijk was om alle resterende aanslagen nog in 2007 op te leggen. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat de projectleiding op 9 juni 2008 de opdracht heeft gegeven om geen aanslagen op te leggen aan weigeraars of ontkenners, in verband met een noodzakelijk geachte hercheck (een nader onderzoek naar de identiteit van rekeninghouders) bij de identificatie van dubbele namen. In zijn verweerschrift schrijft verweerder dat de hercheck in de zomermaanden van 2008 heeft plaatsgevonden en noodzakelijk werd geacht omdat bleek dat bij de start van het project een BVR-query 2005 was gebruikt om de identificatieslag te kunnen maken ten aanzien van bankrekeningen met dubbele namen, als gevolg waarvan bij rekeningen die op twee namen stonden een aantal belastingplichtigen mogelijk niet in de belastingheffing betrokken zou worden. Ter zitting heeft verweerder hier aan toegevoegd dat de hercheck in de zomer van 2008 ook is uitgevoerd om met betrekking tot de houders van rekeningen die op twee namen stonden meer zekerheid te krijgen over de juistheid van de identificatie, die had plaatsgevonden aan de hand van persoonsgegevens zoals die in het jaar 2005 waren geregistreerd. Verweerder heeft toegelicht dat dit verband hield met huwelijksontbindingen vóór 2005. Als gevolg daarvan zou uit de bevolkingsgegevens over het jaar 1995 kunnen blijken dat toen (ook) andere personen met dezelfde combinatie van namen (als gehuwden) geregistreerd waren dan in 2005.

5.2.10.

Eiser betwist dat in de zomermaanden van 2008 een hercheck heeft plaatsgevonden, omdat het procesdossier geen enkel document bevat waaruit blijkt dat ten aanzien van eiser een hercheck is uitgevoerd. Deze stelling faalt. De rechtbank heeft – mede op basis van hetgeen verweerder in het stuk van 13 november 2015 en de daarbij gevoegde bijlagen heeft aangevoerd – geen reden te twijfelen dat in de zomermaanden van 2008 een landelijke hercheck heeft plaatsgevonden, daaronder begrepen de situatie van eiser vanwege het feit dat de rekening waartoe eiser gerechtigd is op twee namen stond.

5.2.11.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 mei 2014, nr. 13/04723, ECLI:NL:HR:2014:1032, BNB 2014/139 geoordeeld dat toen in de loop van het project bleek dat mogelijk sprake was van onjuiste identificatie als gevolg van het hanteren van bevolkingsgegevens over het jaar 2005, de Belastingdienst ten aanzien van degenen die ontkenden rekeninghouder te zijn geweest uit een oogpunt van zorgvuldigheid besloten heeft tevens de bevolkingsgegevens uit voorgaande jaren te onderzoeken en heeft vervolgens overwogen dat dit een aanvaardbare verklaring vormt voor de door de hercheck opgeroepen vertraging van enkele maanden, gelet op de noodzaak om voldoende zekerheid te verkrijgen aangaande de identificatie van een belastingplichtige als rechthebbende op een (vele) jaren tevoren in het buitenland aangehouden tegoed alsmede dat de vertraging van enkele maanden die met de hercheck gemoeid is geweest redelijk is.

5.2.12.

Ook de omstandigheid dat, naar verweerder onbestreden heeft gesteld, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en VB 1997 handmatig opgelegd moesten worden omdat na de hercheck berekeningen gemaakt moesten worden teneinde de navorderingsaanslagen tot de juiste bedragen te kunnen opleggen, vormt een aanvaardbare verklaring voor het feit dat deze aanslagen niet reeds eind december 2007 zijn opgelegd.

5.2.13.

Uit de stukken van het geding volgt dat verweerder, nadat de uitkomsten van de hercheck in de zomer van 2008 bekend waren geworden, bij brief van 20 november 2008 heeft aangekondigd de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en VB 1997 te zullen opleggen, hetgeen vervolgens met dagtekening 31 december 2008 is gebeurd. De slotsom is mitsdien, gelet op hetgeen in 5.2.10 tot en met 5.2.12 is overwogen, dat de navorderingsaanslagen voor de jaren 1996 en 1997 voortvarend zijn opgelegd.

Immateriële schadevergoeding

5.3.1.

Eiser maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die hij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil.

5.3.2.

Op 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2014:1032, ECLI:NL:HR:2011:BO5080 en ECLI:NL:HR:2011:BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

5.3.3.

Als de bezwaar- en beroepsfase tezamen zolang hebben geduurd dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden dient te worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en beroepsfase. In belastingzaken heeft als regel te gelden (vgl. HR 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:HR:2013:BX6666) dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase onredelijk lang voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt, behoudens bijzondere omstandigheden.

5.3.4.

De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 13 januari 2009 in de zaken LEE 13/682, LEE 13/684, LEE 13/686 en LEE 13/689, op 8 januari 2010 in de zaak LEE 13/6865, op 19 januari 2010 in de zaak LEE 13/687 en op 6 januari 2011 in de zaak LEE 13/688. Op 24 februari 2011 is in de zaken LEE 13/682, LEE 13/684, LEE 13/685, LEE 13/686, LEE 13/687 en LEE 13/689 het bezwaarschrift gemotiveerd en op 30 maart 2011 in de zaak LEE 13/688. De zaken zijn daarna steeds gezamenlijk behandeld. De rechtbank zal gelet op de gezamenlijke behandeling van de zojuist vermelde zaken, voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift.

5.3.5.

Sedert de ontvangst door verweerder van het eerste bezwaarschrift en het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak zal doen (22 december 2015) zal ruim zes jaren, elf maanden en negen dagen verlopen zijn. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de bezwaren van eiser zijn aangehouden in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Passenheim-van Schoot (HvJ EU 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222). Het aanhouden van een zaak in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen in een vergelijkbare zaak vormt een omstandigheid die de redelijke termijn verlengt. Dat verweerder eiser niet in kennis heeft gesteld van zijn beslissing de bezwaren aan te houden, maakt dit niet anders (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636). De duur van de aanhouding bedroeg in het onderhavige geval vier maanden en 29 dagen. Anders dan verweerder betoogt, ziet de rechtbank geen reden de redelijke termijn te verlengen met de duur van de geheimhoudingsprocedure (vgl. HR 7 november 2014, nr. 13/04302, ECLI:NL:HR:2014:3119). Evenmin vormt de tijd die gemoeid is met het wijzen van arrest door de Hoge Raad na een prejudiciële beslissing van het HvJ EU een bijzondere omstandigheid die verlenging van de duur van de berechting in de bezwaarfase en de beroepsfase rechtvaardigen.

5.3.6.

Gelet op hetgeen in 5.3.5 is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de overschrijding van de redelijke termijn vier jaren, zes maanden en tien dagen bedraagt, afgerond derhalve tien halve jaren. Deze termijnoverschrijding wordt – conform de in 5.3.3 vermelde uitgangspunten – als volgt aan de bezwaar- en beroepsfase toegerekend.

5.3.7.

De bezwaarfase is geëindigd op 28 januari 2013 met de uitspraak op bezwaar. Het tijdsverloop tussen de indiening van het eerste bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar bedraagt vier jaren en 15 dagen. Rekening houdend met de duur van de aanhouding van de bezwaren in afwachting van een prejudiciële beslissing en de bezwaarbeslistermijn van een half jaar, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase drie jaren, één maand en zestien dagen, afgerond derhalve zeven halve jaren.

5.3.8.

De beroepsprocedure is aangevangen op 12 februari 2013 met de indiening van het beroepschrift. Dat betekent dat de redelijke termijn van anderhalf jaar voor beroep is overschreden met een jaar, vier maanden en tien dagen, afgerond derhalve drie maal een half jaar.

5.3.9.

Het vorenstaande brengt met zich dat op de voet van artikel 8:73 van de Awb verweerder veroordeeld zal worden tot het betalen van een schadevergoeding van zeven maal € 500, is € 3.500 voor overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar, alsmede dat de Staat der Nederlanden veroordeeld zal worden tot het betalen van een schadevergoeding van drie maal € 500, is € 1.500 voor de overschrijding van de redelijke termijn in beroep. Uit het dossier komen geen omstandigheden naar voren op grond waarvan de vergoeding op een hoger bedrag zou moeten worden vastgesteld. Aangezien de Staat zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behoeft zij niet in het geding betrokken te worden.

Verhogingen en boeten

5.4.

Aan eiser zijn over ieder van de in geschil zijnde jaren verhogingen en vergrijpboeten opgelegd van 100 percent. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de verhogingen en boeten verminderd dienen te worden tot 90 percent van de boetegrondslag, omdat eiser in de beroepsfase alsnog opening van zaken heeft gegeven. De omstandigheid dat in het onderhavige geval de redelijke termijn – als bedoeld in artikel 6 van het EVRM – met meer dan twee jaren is overschreden, vormt naar het oordeel van de rechtbank reden de boeten en verhogingen te verminderen met 20 percent. Aldus acht de rechtbank boeten en verhogingen van 72 percent passend en geboden. De rechtbank ziet geen reden de verhogingen en boeten verder te matigen.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.205 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase (3 punten à € 490 x 1 (gewicht van de zaak) x 1.5 (acht samenhangende zaken)) en € 366 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt à € 244 x 1 (gewicht van de zaak) x 1.5 (acht samenhangende zaken)), in totaal derhalve op € 2.571, waarvan te dezen de helft, derhalve € 1.285,50 in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere vergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig.

6.2.

Voorts dient aan eiser het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 336 te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de (navorderings)aanslagen tot aanslagen berekend naar de volgende belastbare inkomens: ƒ 145.965 (1996), € 80.073 (2003), € 81.873 (2004), € 86.047 (2005), € 100.579 (2006) en € 94.707 (2007);

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

- wijzigt de beschikkingen inzake de verhoging en de boetebeschikkingen aldus dat deze nader worden vastgesteld op 72 percent van de boetegrondslag;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.500;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 336 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.285,85.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. P.J.J. Vonk, voorzitter, W.M.G. Visser en Chr.Th.P.M. Zandhuis, leden, in aanwezigheid van drs. N. El Allaoui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.