Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6174

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 3170
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Eiseres heeft niet de vereiste aangifte gedaan. De aangegeven handelsinkoopwaarde wijkt significant af van het eigen aankoopcijfer van de auto. Eiseres heeft niet overtuigend aangetoond dat verweerder de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Geen redelijke schatting: in het taxatierapport van verweerders taxateur zijn geen referentieobjecten gehanteerd en de elementen waarop de taxatie berust zijn niet inzichtelijk gemaakt. Onafhankelijkheid verweerders taxateur. Geen strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 VWEU. Rechtbank stelt handelsinkoopwaarde in goede justitie vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0730
V-N Vandaag 2016/636
Mr. M.W.C. Soltysik annotatie in NTFR 2016/1074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 13/3170

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde eiseres] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 20 juni 2013 (nummer [nummer] ) een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 1.670.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Gelijktijdig met eiseres’ zaak zijn, met toestemming van partijen, behandeld de zaken met zaaknummers LEE 14/1638 en 14/3441. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. [bijstand] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [bijstand] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres heeft op 29 november 2012 een personenauto van het merk Volkswagen, type [type] (chassisnummer [chassisnummer] ) (hierna: de auto) gekocht voor een koopsom van € 19.400 (inclusief BTW). De auto is een margeauto. De cataloguswaarde van de auto inclusief accessoires bedraagt € 54.551.

1.2

De datum van eerste toelating van de auto is 15 mei 2008. De kilometerstand op 17 december 2012 was 56.979.

1.3

Op 21 december 2012 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. In de aangifte is bij de vraag voor welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM de methode “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [X] , werkzaam voor [A] b.v. (hierna: [A] ), opgemaakt op 18 december 2012. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto berekend op € 6.135 en de verschuldigde BPM op € 1.747. De handelsinkoopwaarde is volgens dit rapport berekend door op een koerslijstwaarde van Eurotaxglass’s van € 12.684 – Rb: bij de berekening van de handelsinkoopwaarde is in het rapport uitgegaan van een waarde van € 12.684, terwijl bij het rapport een berekening van de koerslijstwaarde is gevoegd waaruit blijkt van een waarde van € 12.864 – een bedrag aan schade van € 6.549 in mindering te brengen. De bruto BPM waarvan eiseres in haar aangifte is uitgegaan bedraagt € 15.536. Eiseres heeft € 1.747 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan.

1.4

Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft verweerder zich gebaseerd op een taxatie van de auto uitgevoerd op 3 januari 2013 door [Y] , werkzaam bij [B] B.V. (hierna: [B] ). Bij het taxeren van de waarde van de auto zijn geen vergelijkbare voertuigen aangetroffen. In het rapport van [B] is vermeld dat de herstelkosten van de geconstateerde schade circa € 4.000 bedragen. De handelsinkoopwaarde is volgens dit rapport bepaald op € 12.000 (inclusief BTW en BPM), waarbij rekening is gehouden met een bedrag van € 2.500 aan waardevermindering vanwege schade en een bedrag van € 3.500 aan handelsmarge.

1.5

Verweerder is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de handelsinkoopwaarde volgens het rapport van [B] van € 12.000. Dit betekent dat verweerder is uitgegaan van een vermindering (afschrijvingspercentage) van 78% ((€ 54.551 -/- € 12.000)/€ 54.551). De bruto BPM waarvan verweerder in zijn berekening van de naheffingsaanslag is uitgegaan bedraagt € 15.536.

1.6

Eiseres is geen vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM).

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich onder meer toe op de vraag of door eiseres de vereiste aangifte is gedaan.

3. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de naheffingsaanslag BPM ten onrechte (primair) dan wel tot een te hoog bedrag (subsidiair) is opgelegd, onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Het taxatierapport van [B] voldoet niet aan de eisen. Daarnaast handelt [B] in tweedehands auto’s. Daarmee is [B] niet onafhankelijk en kan het door haar opgemaakte taxatierapport niet dienen als onderbouwing voor de handelsinkoopwaarde van de auto.

- [B] heeft een bedrag van € 4.000 aan schade gecalculeerd. Verweerder houdt ten onrechte slechts rekening met een bedrag van € 1.500.

- Verweerder handelt in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) doordat onderscheid wordt gemaakt tussen vergunninghouders ex artikel 8 van de Wet BPM en niet-vergunninghouders, zoals eiseres.

4. Verweerder is de mening toegedaan dat de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe heeft verweerder onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Gezien het grote verschil tussen de in de aangifte BPM aangegeven handelsinkoopwaarde en de aankoopprijs van de auto, heeft eiseres bewust de vereiste aangifte niet gedaan.

- De door [B] gecalculeerde schade kan niet één op één in mindering komen op de

waarde van de auto, nu in de praktijk de schade door eiseres zelf goedkoper kan worden

hersteld. Ook zijn in de schadecalculatie van [A] ten onrechte bepaalde posten als

schade opgevoerd.

- Het door [B] opgemaakte taxatierapport kan wel degelijk dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde van de auto.

- Het gemaakte onderscheid tussen artikel 8 Wet BPM vergunninghouders en niet-

vergunninghouders is toegestaan op grond van de wet, zodat geen sprake is van

strijdigheid met artikel 110 WVEU dan wel het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van de (omkering en verzwaring van de) bewijslast

5. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

6. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

7. De rechtbank overweegt met betrekking tot de door eiseres gevolgde waarderingsmethode het volgende. Blijkens haar aangifte wenst eiseres, door het aankruisen van de methode “Taxatierapport” (zie 1.3), de handelsinkoopwaarde van de auto te bepalen door middel van een taxatierapport als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM en artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

8. De rechtbank stelt vast dat eiseres als professionele handelaar zelf een aanzienlijk hoger bedrag voor de auto heeft betaald (te weten € 27.125, het bedrag inclusief BTW en BPM, zo heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld) dan de door haar in de aangifte BPM aangegeven handelsinkoopwaarde (te weten € 6.135). Voor dit verschil heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen plausibele verklaring gegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat de auto zich ten tijde van de aankoop door eiseres reeds in beschadigde staat bevond.

9. Nu de aangegeven handelsinkoopwaarde significant afwijkt van het eigen aankoopcijfer van de auto, is de aan de hand van die (lagere) handelsinkoopwaarde berekende BPM in zowel absolute als relatieve zin aanzienlijk te laag. Naar het oordeel van de rechtbank was eiseres zich er ten tijde van het doen van de aangifte bovendien van bewust, althans zij moet zich ervan bewust zijn geweest, dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aan de auto toegekende handelsinkoopwaarde (van € 6.135), in de visie van eiseres de koerslijstwaarde (€ 12.684) minus de totale getaxeerde schade (€ 6.549), in een onrealistische verhouding staat tot het eigen aankoopcijfer dat mag worden verondersteld een reële marktwaarde te vertegenwoordigen nu deze tussen onafhankelijke marktpartijen tot stand is gekomen. Nu ervan uitgegaan mag worden dat eiseres als professionele autohandelaar weet dat de verschuldigde BPM direct verband houdt met de in de aangifte vermelde waarde van de auto, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de bewustheid bij eiseres van de veel te lage waarde van de auto in de aangifte tevens meebrengt dat zij zich bewust was dan wel moet zijn geweest van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden voldaan.

10. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank kon en mocht eiseres gezien haar kennis en ervaring als professioneel handelaar niet redelijkerwijs menen dat zij met de aangegeven handelsinkoopwaarde een juiste aangifte deed. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat verweerder ooit uitdrukkelijk de door haar gekozen systematiek, te weten koerslijst minus totale getaxeerde schade, (ten volle) heeft aanvaard of dat zij uit jurisprudentie of literatuur heeft mogen begrijpen dat deze systematiek wel aanvaardbaar zou zijn.

11. Het enkele feit dat er gevallen in de jurisprudentie bekend zijn waarin is geaccepteerd dat op de koerslijstwaarde een bedrag aan schade in mindering werd gebracht, acht de rechtbank evenmin voldoende om tot een pleitbaar standpunt te concluderen. Dat de volledige schade als waardevermindering van de auto wordt beschouwd en bovendien zonder verdiscontering van gebruikssporen op de koerslijstwaarde in mindering wordt gebracht is in de jurisprudentie niet geaccepteerd en deze aanpak levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen pleitbaar standpunt op.

12. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat eiseres in de onderhavige zaak niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit brengt mee dat eiseres, gelet op het bepaalde in artikel 27e van de AWR, moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar, en daarmee de naheffingsaanslag, onjuist zijn.

Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag

13. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI: NL:HR:2013:BX7184).

14. Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de taxatie van [B] (zie 1.4). Eiseres heeft de onafhankelijkheid van de taxateur van [B] betwist. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [B] in gebruikte auto’s handelt en daarom geen onafhankelijk oordeel kan geven over de waarde van de door haar getaxeerde auto’s. Eiseres verwijst daarbij mede naar de Nota van Toelichting bij artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de Uitvoeringsregeling), waarin onder meer is opgenomen dat van een taxateur wordt verwacht dat hij een deskundige en objectieve schatting maakt en dat daarvoor een onafhankelijke positie onontbeerlijk is. Zo mag een taxateur in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling geen deel uitmaken van, en evenmin direct of indirect verbonden zijn aan, een bedrijf dat handelt in gebruikte motorrijtuigen of dat voor eigen klanten of derden BPM-aangiften opmaakt of optreedt als gemachtigde bij bezwaar- en beroepsprocedures.

15. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om een deskundige van zijn keuze in te schakelen, nu artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van de onderhavige procedure beschouwt de rechtbank de deskundigen van beide partijen als partijdeskundigen, nu elk door één partij is aangezocht een oordeel te geven over de waarde van de auto’s. Bewijsrechtelijk bestaat daartegen geen bezwaar. Dat verweerder enige invloed zou hebben gehad op het taxatierapport of dat hij de taxateur (dwingend) zou hebben voorgeschreven wat het resultaat van de taxatie zou moeten zijn, is niet aannemelijk gemaakt, laat staan gebleken. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur een persoonlijk en/of zakelijk belang zou hebben bij de uitkomst van de procedure, anders dan het belang als ingehuurde deskundige. Dat (een ander onderdeel van) [B] in het kader van verkoop van auto’s meer doet dan het bij elkaar brengen van relaties is niet gemotiveerd. Niet valt in te zien dat [B] in die rol belang heeft bij hogere of lagere autoprijzen en dus bij de uitkomst van de taxaties. De stelling van eiseres treft dan ook geen doel.

16. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 van het VWEU handelt, door niet alsnog een vermindering toe te passen op de koerslijstwaarde wegens tijdsverloop tussen de aangifte en de registratie van de auto, terwijl aan vergunninghouders (ex artikel 8 van de Wet BPM) een dergelijke vermindering wel wordt verleend. De rechtbank overweegt daartoe dat het door eiseres aangehaalde beleid slechts geldt voor vergunninghouders en niet in geschil is dat eiseres geen vergunninghouder is. Afgezien daarvan geldt de goedkeuring alleen voor vergunninghouders die daarop bij de aangifte expliciet een beroep doen. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in het voorliggende geval reeds bij de aangifte een dergelijk beroep heeft gedaan. Eiseres heeft haar stelling dat als gevolg van het door verweerder gevolgde beleid ter zake van de auto een hoger bedrag aan BPM wordt geheven dan nog op met de auto vergelijkbare reeds in het binnenland geregistreerde gebruikte auto’s rust, niet geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat het niet toepassen van een vermindering geen strijd oplevert, ook in het licht van artikel 110 WVEU, met het gelijkheidsbeginsel of enige andere rechtsregel, reeds gelet op de bijzondere beleidscontext waarbinnen deze vergunninghouders (ex artikel 8 van de Wet BPM) de regeling in kwestie toepassen (vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:949).

17. De rechtbank overweegt dat in het taxatierapport van [B] geen referentieobjecten zijn gehanteerd. Daarnaast zijn de elementen waarop de taxatie berust niet inzichtelijk gemaakt. In het rapport is niet aangegeven waarop, bij gebreke aan referentieobjecten, de elementen van de taxatie zijn berekend. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen redelijke schatting van de handelsinkoopwaarde, en daarmee ook van de naheffingsaanslag, heeft gemaakt.

18. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij, naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

19. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande de handelsinkoopwaarde, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, zelf in goede justitie vast op een bedrag van € 10.000. Dit betekent dat voor de berekening van de verschuldigde BPM dient te worden uitgegaan van een afschrijvingspercentage van (afgerond) 81,67 % ((€ 54.551 -/- € 10.000)/€ 54.551). De verschuldigde BPM bedraagt dan € 15.536 (zie 1.3) minus € 12.689 (81,67 % van € 15.536) = € 2.847. Dit leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 1.100 (€ 2.847 -/- € 1.747, zie 1.3).

20. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert naheffingsaanslag BPM tot € 1.100.

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 244 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag BPM tot een bedrag van € 1.100;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op

bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.224.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van den Bosch, leden, in aanwezigheid van mr. T. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.

De griffier is verhinderd

mede te ondertekenen

griffier

w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.