Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6173

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1638
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Taxatierapport in beroepsfase overgelegd, geen schending motiveringsbeginsel. Eiseres heeft niet de vereiste aangifte gedaan. De aangegeven handelsinkoopwaarde wijkt significant af van het eigen aankoopcijfer van de auto. Eiseres heeft niet overtuigend aangetoond dat verweerder de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Redelijke schatting. Onafhankelijkheid verweerders taxateur. Geen strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 VWEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/637
FutD 2016-0751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/1638

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde eiseres] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 23 oktober 2013 (nummer [nummer] een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 1.523.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Gelijktijdig met eiseres’ zaak zijn, met toestemming van partijen, behandeld de zaken met zaaknummers LEE 13/3170 en 14/3441. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. [bijstand] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [bijstand] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres heeft een personenauto van het merk Volkswagen, type [type] (chassisnummer [chassisnummer] ) (hierna: de auto) gekocht voor een koopsom van € 25.000 (exclusief BTW en BPM). De cataloguswaarde van de auto inclusief accessoires bedraagt € 136.540.

1.2

De datum van eerste toelating van de auto is 5 maart 2008. De kilometerstand op 2 april 2012 was 104.505.

1.3

Op 3 april 2012 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. In de aangifte is bij de vraag voor welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM de methode “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [D] , werkzaam voor [A] b.v. (hierna: [A] ), opgemaakt op 3 april 2012. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto berekend op € 21.626 en de verschuldigde BPM op € 7.636. De handelsinkoopwaarde is volgens dit rapport berekend door op de koerslijstwaarde van XRAY van € 26.389 een bedrag aan schade van € 4.763 in mindering te brengen. De bruto BPM waarvan eiseres in haar aangifte is uitgegaan bedraagt € 48.213. Eiseres heeft € 7.618 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan.

1.4

Uit de koerslijst van AutoTelex Pro, zoals gevoegd bij het taxatierapport van [A] , blijkt van een waarde van de auto van € 46.279.

1.5

Bij brief van verweerder aan eiseres van 15 maart 2013 heeft verweerder aangekondigd voornemens te zijn een naheffingsaanslag BPM op te leggen ten bedrage van € 1.523. Deze brief bevat een onderbouwing van de totstandkoming van dit bedrag.

1.6

Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft verweerder zich gebaseerd op een taxatie van de auto uitgevoerd op 18 april 2012 door [Y] , werkzaam bij [B] B.V. (hierna: [B] ). Dit bedrag is bepaald door vergelijking van de auto met twee referentievoertuigen. De gemiddelde vraagprijs van deze referentievoertuigen is volgens dit rapport € 55.369 (inclusief BTW). In het rapport van [B] is vermeld dat de herstelkosten van de geconstateerde schade circa € 575 bedragen. De handelsinkoopwaarde is volgens dit rapport bepaald op € 43.000 (inclusief BTW en BPM), waarbij rekening is gehouden met een bedrag van € 500 aan waardevermindering vanwege schade en een bedrag van € 11.500 aan handelsmarge.

1.7

In afwijking van het onder 1.6 genoemde taxatierapport is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van XRAY van € 26.389. Hierop is door verweerder een bedrag in verband met schade van € 500 in mindering gebracht, zodat de handelsinkoopwaarde door verweerder is vastgesteld op € 25.889. Dit betekent dat verweerder is uitgegaan van een vermindering (afschrijvingspercentage) van (afgerond) 81,04% ((€ 136.540 -/- € 25.889)/€ 136.540). De bruto BPM waarvan verweerder in zijn berekening van de naheffingsaanslag is uitgegaan bedraagt € 48.213.

1.8

Eiseres is geen vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM).

Geschil en beoordeling

Vooraf ten aanzien van de door verweerder bij zijn pleitnota overlegde stukken

2. Bij zijn pleitnota heeft verweerder diverse stukken gevoegd, die volgens hem ter onderbouwing dienen van het rapport van [B] , maar die niet eerder zijn overgelegd. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte geen gelegenheid heeft gehad om deze stukken te bestuderen. De rechtbank overweegt dat in de brief van 8 juli 2015, waarin partijen zijn uitgenodigd voor de zitting, is vermeld dat de rechtbank nieuwe stukken uiterlijk de elfde dag vόόr de zitting moet hebben ontvangen. Als op een later tijdstip stukken worden ingediend, kan de rechtbank beslissen om bij de beoordeling van het beroep geen rekening te houden met die stukken. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder niet in een eerder stadium aan eiseres of de rechtbank melding heeft gemaakt van het bestaan van deze stukken of van zijn pogingen deze stukken te achterhalen. Verder heeft verweerder desgevraagd geen goede verklaring kunnen geven voor het feit dat hij deze stukken, die blijkbaar aan de reeds in april 2012 uitgevoerde taxatie van [B] ten grondslag hebben gelegen, zo laat heeft ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, door deze late indiening, in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde. In verband daarmee zal de rechtbank de door verweerder bij zijn pleitnota gevoegde stukken buiten beschouwing laten bij haar beoordeling van het beroep.

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich onder meer toe op de vraag of door eiseres de vereiste aangifte is gedaan.

4. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de naheffingsaanslag BPM ten onrechte (primair) dan wel tot een te hoog bedrag (subsidiair) is opgelegd, onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Vanwege het feit dat verweerder het taxatierapport dat ten grondslag ligt aan de naheffingsaanslag pas in de beroepsfase heeft overgelegd, is het motiveringsbeginsel van artikel 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden.

- Verweerder maakt gebruik van de diensten van [B] die handelt in tweedehands auto’s. Daarmee is [B] niet onafhankelijk en kan het door haar opgemaakte taxatierapport niet dienen als onderbouwing voor de handelsinkoopwaarde van de auto.

- Verweerder houdt ten onrechte geen rekening met de aanwezige schade ten bedrage van € 4.763.

- Verweerder handelt in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) doordat onderscheid wordt gemaakt tussen vergunninghouders ex artikel 8 van de Wet BPM en niet-vergunninghouders, zoals eiseres.

5. Verweerder is de mening toegedaan dat de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe heeft verweerder onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Gezien het grote verschil tussen de in de aangifte BPM aangegeven handelsinkoopwaarde en de aankoopprijs van de auto, heeft eiseres bewust de vereiste aangifte niet gedaan.

- Het door [A] gecalculeerde schadebedrag is niet reëel.

- Het door [B] opgemaakte taxatierapport kan wel degelijk dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde van de auto.

- Het gemaakte onderscheid tussen artikel 8 Wet BPM vergunninghouders en niet-

vergunninghouders is toegestaan op grond van de wet, zodat geen sprake is van

strijdigheid met artikel 110 WVEU dan wel het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van het motiveringsbeginsel

6. Ten aanzien van de door eiseres gestelde schending van het motiveringsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft weliswaar het taxatierapport van [B] pas in de beroepsfase overgelegd, maar dat maakt niet dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiseres voorafgaande aan de naheffingsaanslag een vooraankondiging (zie 1.5) heeft ontvangen. In deze vooraankondiging is de hoogte van de naheffingsaanslag onderbouwd en berekend. In de uitspraak op bezwaar van 18 maart 2014 is verweerder vervolgens uitgebreid ingegaan op de door eiseres in bezwaar aangevoerde gronden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder – los van de vraag tot welke gevolgen een eventuele strijdigheid zou leiden – reeds om deze reden niet in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld.

Ten aanzien van de (omkering en verzwaring van de) bewijslast

7. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

8. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

9. De rechtbank overweegt met betrekking tot de door eiseres gevolgde waarderingsmethode het volgende. Blijkens haar aangifte wenst eiseres, door het aankruisen van de methode “Taxatierapport” (zie 1.3), de handelsinkoopwaarde van de auto te bepalen door middel van een taxatierapport als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM en artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

10. De rechtbank stelt vast dat eiseres als professionele handelaar zelf een aanzienlijk hoger bedrag voor de auto heeft betaald (te weten € 46.761, het bedrag inclusief BTW en BPM, zo heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld) dan de door haar in de aangifte BPM aangegeven handelsinkoopwaarde (te weten € 21.626). Voor dit verschil heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen plausibele verklaring gegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat is gesteld, noch aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte in een slechtere staat verkeerde dan ten tijde van de aankoop.

11. Nu de aangegeven handelsinkoopwaarde significant afwijkt van het eigen aankoopcijfer van de auto, is de aan de hand van die (lagere) handelsinkoopwaarde berekende BPM in zowel absolute als relatieve zin aanzienlijk te laag. Naar het oordeel van de rechtbank was eiseres zich er ten tijde van het doen van de aangifte bovendien van bewust, althans zij moet zich ervan bewust zijn geweest, dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de door eiseres in haar aangifte aan de auto toegekende handelsinkoopwaarde (van € 21.626), in de visie van eiseres de koerslijstwaarde (€ 26.389) minus de totale getaxeerde schade (€ 4.763), in een onrealistische verhouding staat tot het eigen aankoopcijfer dat mag worden verondersteld een reële marktwaarde te vertegenwoordigen nu deze tussen onafhankelijke marktpartijen tot stand is gekomen. Nu ervan uitgegaan mag worden dat eiseres als professionele autohandelaar weet dat de verschuldigde BPM direct verband houdt met de in de aangifte vermelde waarde van de auto, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de bewustheid bij eiseres van de veel te lage waarde van de auto in de aangifte tevens meebrengt dat zij zich bewust was dan wel moet zijn geweest van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden voldaan.

12. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank kon en mocht eiseres, gezien haar kennis en ervaring als professioneel handelaar, niet redelijkerwijs menen dat zij met de aangegeven handelsinkoopwaarde een juiste aangifte deed. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat verweerder ooit uitdrukkelijk de door haar gekozen systematiek, te weten koerslijst minus totale getaxeerde schade, (ten volle) heeft aanvaard of dat zij uit jurisprudentie of literatuur heeft mogen begrijpen dat deze systematiek wel aanvaardbaar zou zijn.

13. Het enkele feit dat er gevallen in de jurisprudentie bekend zijn waarin is geaccepteerd dat op de koerslijstwaarde een bedrag aan schade in mindering werd gebracht, acht de rechtbank evenmin voldoende om tot een pleitbaar standpunt te concluderen. Dat de volledige schade als waardevermindering van de auto wordt beschouwd en bovendien zonder verdiscontering van gebruikssporen op de koerslijstwaarde in mindering wordt gebracht is in de jurisprudentie niet geaccepteerd en deze aanpak levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen pleitbaar standpunt op.

14. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat eiseres in de onderhavige zaak niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit brengt mee dat eiseres, gelet op het bepaalde in artikel 27e van de AWR, moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar, en daarmee de naheffingsaanslag, onjuist is.

Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag

15. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI: NL:HR:2013:BX7184).

16. Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de taxatie van [B] en XRAY (zie 1.6 en 1.7). Eiseres heeft de onafhankelijkheid van de taxateur van [B] betwist. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [B] in gebruikte auto’s handelt en daarom geen onafhankelijk oordeel kan geven over de waarde van de door haar getaxeerde auto’s. Eiseres verwijst daarbij mede naar de Nota van Toelichting bij artikel 8 van de Uitvoeringsregeling, waarin onder meer is opgenomen dat van een taxateur wordt verwacht dat hij een deskundige en objectieve schatting maakt en dat daarvoor een onafhankelijke positie onontbeerlijk is. Zo mag een taxateur in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling geen deel uitmaken van, en evenmin direct of indirect verbonden zijn aan, een bedrijf dat handelt in gebruikte motorrijtuigen of dat voor eigen klanten of derden BPM-aangiften opmaakt of optreedt als gemachtigde bij bezwaar- en beroepsprocedures.

17. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om een deskundige van zijn keuze in te schakelen, nu artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van de onderhavige procedure beschouwt de rechtbank de deskundigen van beide partijen als partijdeskundigen, nu elk door één partij is aangezocht een oordeel te geven over de waarde van de auto’s. Bewijsrechtelijk bestaat daartegen geen bezwaar. Dat verweerder enige invloed zou hebben gehad op het taxatierapport of dat hij de taxateur (dwingend) zou hebben voorgeschreven wat het resultaat van de taxatie zou moeten zijn, is niet aannemelijk gemaakt, laat staan gebleken. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur een persoonlijk en/of zakelijk belang zou hebben bij de uitkomst van de procedure, anders dan het belang als ingehuurde deskundige. Dat (een ander onderdeel van) [B] in het kader van verkoop van auto’s meer doet dan het bij elkaar brengen van relaties is niet gemotiveerd. Niet valt in te zien dat [B] in die rol belang heeft bij hogere of lagere autoprijzen en dus bij de uitkomst van de taxaties. De stelling van eiseres treft dan ook geen doel.

18. [B] heeft in haar rapporten melding gemaakt van referentievoertuigen, maar daarvan geen nadere gegevens vermeld. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat er in het kader van de toetsing of verweerder de naheffingsaanslag heeft gebaseerd op een redelijke schatting geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de gegevens die door [B] aan haar taxatie ten grondslag zijn gelegd.

19. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 van het VWEU handelt, door niet alsnog een vermindering toe te passen op de koerslijstwaarde wegens tijdsverloop tussen de aangifte en de registratie van de auto, terwijl aan vergunninghouders (ex artikel 8 van de Wet BPM) een dergelijke vermindering wel wordt verleend. De rechtbank overweegt daartoe dat het door eiseres aangehaalde beleid slechts geldt voor vergunninghouders en niet in geschil is dat eiseres geen vergunninghouder is. Afgezien daarvan geldt de goedkeuring alleen voor vergunninghouders die daarop bij de aangifte expliciet een beroep doen. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in het voorliggende geval reeds bij de aangifte een dergelijk beroep heeft gedaan. Eiseres heeft haar stelling dat als gevolg van het door verweerder gevolgde beleid ter zake van de auto een hoger bedrag aan BPM wordt geheven dan nog op met de auto vergelijkbare reeds in het binnenland geregistreerde gebruikte auto’s rust, niet geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat het niet toepassen van een vermindering geen strijd oplevert, ook in het licht van artikel 110 WVEU, met het gelijkheidsbeginsel of enige andere rechtsregel, reeds gelet op de bijzondere beleidscontext waarbinnen deze vergunninghouders (ex artikel 8 van de Wet BPM) de regeling in kwestie toepassen (vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:949).

20. De combinatie van de eigen aankoopprijs van € 46.761 en de taxatie van [B] van de handelsinkoopwaarde van € 43.000 maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een handelsinkoopwaarde van € 25.889 (gebaseerd op de door eiseres overgelegde koerslijst van XRAY minus een aftrek wegens schade), een redelijke schatting, want zeker niet te hoog, heeft gemaakt.

21. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat verweerder de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

22. Nu de naheffingsaanslag is gebaseerd op een redelijke schatting en eiseres niet heeft doen blijken dat deze te hoog is vastgesteld, blijft de naheffingsaanslag in stand. Aan de overige inhoudelijke argumenten komt de rechtbank niet toe.

23. Het beroep is ongegrond.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van den Bosch, leden, in aanwezigheid van mr. T. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.

De griffier is verhinderd

mede te ondertekenen

griffier

w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.