Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6172

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3441
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Eiseres heeft niet de vereiste aangifte gedaan. De aangegeven handelsinkoopwaarde wijkt significant af van het eigen aankoopcijfer van de auto. Eiseres heeft niet overtuigend aangetoond dat verweerder de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verweerder handelt niet in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 VWEU. De aanslag is gebaseerd op een redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0730
V-N Vandaag 2016/582

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/3441

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde eiseres] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 7 maart 2014 (nummer [nummer] ) een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 2.705.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Gelijktijdig met eiseres’ zaak zijn, met toestemming van partijen, behandeld de zaken met zaaknummers LEE 13/3170 en 14/1638. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. [bijstand] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [bijstand] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres heeft op 18 januari 2013 een personenauto van het merk Porsche Cayenne, type [type] (chassisnummer [chassisnummer] ) (hierna: de auto) gekocht voor een koopsom van € 28.000 (exclusief BTW en BPM). De cataloguswaarde van de auto inclusief accessoires bedraagt € 115.892.

1.2

De datum van eerste toelating van de auto is 27 april 2007. De kilometerstand op 19 april 2013 was 138.636.

1.3

Op 23 april 2013 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. In de aangifte is bij de vraag voor welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM de methode “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [X] , werkzaam voor [A] b.v. (hierna: [A] ), opgemaakt op 20 april 2013. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto berekend op € 7.620 en de verschuldigde BPM op € 2.050. De handelsinkoopwaarde is volgens dit rapport berekend door op de koerslijstwaarde van XRAY van € 17.712 een bedrag aan schade van € 10.092 in mindering te brengen. De bruto BPM waarvan eiseres in haar aangifte is uitgegaan bedraagt € 31.176. Eiseres heeft € 2.058 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan.

1.4

Uit de koerslijst van AutoTelex Pro, zoals gevoegd bij het taxatierapport van [A] , blijkt van een waarde van de auto van € 25.472.

1.5

Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft verweerder zich gebaseerd op een taxatie van de auto uitgevoerd op 26 april 2013 door [Y] , werkzaam bij [B] B.V. (hierna: [B] ). Dit bedrag is bepaald door vergelijking van de auto met vijf referentievoertuigen. De gemiddelde vraagprijs van deze referentievoertuigen bedraagt volgens dit rapport € 31.450 (inclusief BTW). In het rapport van [B] is vermeld dat de herstelkosten van de geconstateerde schade circa € 3.500 (inclusief BTW) bedragen. De handelsinkoopwaarde is volgens dit rapport bepaald op

€ 19.500 (inclusief BTW en BPM), waarbij rekening is gehouden met een bedrag van

€ 2.500 aan waardevermindering vanwege schade en een bedrag van € 5.500 in verband met handelsmarge.

1.6

In afwijking van het onder 1.5 genoemde taxatierapport is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van XRAY van € 17.712 (zie 1.3). Dit betekent dat verweerder is uitgegaan van een vermindering (afschrijvingspercentage) van afgerond 84,72% ((€ 115.892 -/- € 17.712)/€ 115.892). Hierop is door verweerder geen bedrag in verband met schade of anderszins in mindering gebracht. De bruto BPM waarvan verweerder in zijn berekening van de naheffingsaanslag is uitgegaan bedraagt € 31.176 (de historische BPM).

1.7

Eiseres is geen vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM).

Geschil en beoordeling

Vooraf ten aanzien van de door verweerder bij zijn pleitnota overlegde stukken

2. Bij zijn pleitnota heeft verweerder diverse stukken gevoegd, die volgens hem dienen ter onderbouwing van het rapport van [B] , maar die niet eerder zijn overgelegd. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte geen gelegenheid heeft gehad om deze stukken te bestuderen. De rechtbank overweegt dat in de brief van 8 juli 2015, waarin partijen zijn uitgenodigd voor de zitting, is vermeld dat de rechtbank nieuwe stukken uiterlijk de elfde dag vόόr de zitting moet hebben ontvangen. Als op een later tijdstip stukken worden ingediend, kan de rechtbank beslissen om bij de beoordeling van het beroep geen rekening te houden met die stukken. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder niet in een eerder stadium aan eiseres of de rechtbank melding heeft gemaakt van het bestaan van deze stukken of van zijn pogingen deze stukken te achterhalen. Verder heeft verweerder desgevraagd geen goede verklaring kunnen geven voor het feit dat hij deze stukken, die blijkbaar aan de reeds in april 2013 uitgevoerde taxatie van [B] ten grondslag hebben gelegen, zo laat heeft ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, door deze late indiening, in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde. In verband daarmee zal de rechtbank de door verweerder bij zijn pleitnota gevoegde stukken buiten beschouwing laten bij haar beoordeling van het beroep.

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich onder meer toe op de vraag of door eiseres de vereiste aangifte is gedaan.

4. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de naheffingsaanslag BPM ten onrechte (primair) dan wel tot een te hoog bedrag (subsidiair) is opgelegd, onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Op grond van artikel 10b van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) kan gekozen worden voor berekening van het bedrag van de bruto BPM voor het jaar 2009, te weten € 28.786.

- Op de waarde volgens de koerslijst X-Ray van € 17.712 mag een schadebedrag van ten

minste € 3.500 wegens schade in mindering worden gebracht.

- Uit het hertaxatierapport van [B] blijkt van € 3.500 aan schade, terwijl ten onrechte slechts een bedrag van € 2.500 aan schade in aanmerking wordt genomen.

- Verweerder handelt in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) doordat onderscheid wordt gemaakt tussen vergunninghouders ex artikel 8 van de Wet BPM en niet-vergunninghouders, zoals eiseres.

5. Verweerder is, zoals ter zitting is gebleken, met eiseres van mening dat met inachtneming van artikel 10b van de Wet BPM, de naheffingsaanslag dient te worden verminderd door uit te gaan van een bruto BPM van € 28.786. Voor het overige is verweerder de mening toegedaan dat de naheffingsaanslag BPM terecht en – met inachtneming van het hiervoor vermelde – tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe heeft verweerder onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- Gezien het grote verschil tussen de in de aangifte BPM aangegeven handelsinkoopwaarde en de aankoopprijs van de auto, heeft eiseres bewust de vereiste aangifte niet gedaan.

- De door [B] gecalculeerde schade kan niet één op één in mindering komen op de

waarde van de auto, nu in de praktijk de schade door eiseres zelf goedkoper kan worden

hersteld. Ook zijn in de schadecalculatie van [A] ten onrechte bepaalde posten als

schade opgevoerd.

- Verweerder is uit coulance uitgegaan van de koerslijstwaarde van X-Ray van € 17.712 en niet van de door [B] vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 19.500, zodat al voldoende rekening is gehouden met de aanwezige schade.

- Het gemaakte onderscheid tussen artikel 8 Wet BPM vergunninghouders en niet-

vergunninghouders is toegestaan op grond van de wet, zodat geen sprake is van

strijdigheid met artikel 110 WVEU dan wel het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van de (omkering en verzwaring van de) bewijslast

6. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

7. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

8. De rechtbank overweegt met betrekking tot de door eiseres gevolgde waarderingsmethode het volgende. Blijkens haar aangifte wenst eiseres, door het aankruisen van de methode “Taxatierapport” (zie 1.3), de handelsinkoopwaarde van de auto te bepalen door middel van een taxatierapport als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM en artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres als professionele handelaar zelf een aanzienlijk hoger bedrag voor de auto heeft betaald (te weten € 28.000) dan de door haar in de aangifte BPM aangegeven waarde (te weten € 7.620). Voor dit verschil heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen plausibele verklaring gegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat de auto zich ten tijde van de aankoop door eiseres reeds in beschadigde staat bevond. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking, los van de vraag of de door eiseres voorgestane methode van berekening (koerslijst minus schade) juist is, dat uit de bij het taxatierapport van [A] gevoegde schadecalculatie weliswaar blijkt van een bedrag van € 10.092 aan schade, maar dat zij in haar beroepschrift en ter zitting heeft gesteld dat rekening zou moeten worden gehouden met een schadebedrag van “ten minste € 3.500”.

10. Nu de aangegeven handelsinkoopwaarde significant afwijkt van het eigen aankoopcijfer van de auto, is de aan de hand van die (lagere) handelsinkoopwaarde berekende BPM in zowel absolute als relatieve zin aanzienlijk te laag. Naar het oordeel van de rechtbank was eiseres zich er ten tijde van het doen van de aangifte bovendien van bewust, althans zij moet zich ervan bewust zijn geweest, dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de door eiseres in haar aangifte aan de auto toegekende handelsinkoopwaarde (van € 7.620), in de visie van eiseres de koerslijstwaarde (€ 17.712) minus de totale getaxeerde schade (€ 10.092), in een onrealistische verhouding staat tot het eigen aankoopcijfer dat mag worden verondersteld een reële marktwaarde te vertegenwoordigen nu deze tussen onafhankelijke marktpartijen tot stand is gekomen. Nu ervan uitgegaan mag worden dat eiseres als professionele autohandelaar weet dat de verschuldigde BPM direct verband houdt met de in de aangifte vermelde waarde van de auto, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de bewustheid bij eiseres van de veel te lage waarde van de auto in de aangifte tevens meebrengt dat zij zich bewust was dan wel moet zijn geweest van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden voldaan.

11. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank kon en mocht eiseres, gezien haar kennis en ervaring als professioneel handelaar, niet redelijkerwijs menen dat zij met de aangegeven handelsinkoopwaarde een juiste aangifte deed. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat verweerder ooit uitdrukkelijk de door haar gekozen systematiek, te weten koerslijst minus totale getaxeerde schade, (ten volle) heeft aanvaard of dat zij uit jurisprudentie of literatuur heeft mogen begrijpen dat deze systematiek wel aanvaardbaar zou zijn.

12. Het enkele feit dat er gevallen in de jurisprudentie bekend zijn waarin is geaccepteerd dat op de koerslijstwaarde een bedrag aan schade in mindering werd gebracht, acht de rechtbank evenmin voldoende om tot een pleitbaar standpunt te concluderen. Dat de volledige schade als waardevermindering van de auto wordt beschouwd en bovendien zonder verdiscontering van gebruikssporen op de koerslijstwaarde in mindering wordt gebracht, is in de jurisprudentie niet geaccepteerd en deze aanpak levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen pleitbaar standpunt op.

13. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat eiseres in de onderhavige zaak niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit brengt mee dat eiseres, gelet op het bepaalde in artikel 27e van de AWR, moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar, en daarmee de naheffingsaanslag, onjuist is.

Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag

14. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI: NL:HR:2013:BX7184).

15. Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de taxatie van [B] en XRAY (zie 1.5 en 1.6). [B] heeft in haar rapport melding gemaakt van referentievoertuigen, maar daarvan geen nadere gegevens vermeld. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat er in het kader van de toetsing of verweerder de naheffingsaanslag heeft gebaseerd op een redelijke schatting geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de gegevens die door [B] aan haar taxatie ten grondslag zijn gelegd.

16. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder in strijd met het nationale gelijkheidsbeginsel dan wel artikel 110 van het VWEU handelt, door niet alsnog een vermindering toe te passen op de koerslijstwaarde wegens tijdsverloop tussen de aangifte en de registratie van de auto, terwijl aan vergunninghouders (ex artikel 8 van de Wet BPM) een dergelijke vermindering wel wordt verleend. De rechtbank overweegt daartoe dat het door eiseres aangehaalde beleid slechts geldt voor vergunninghouders en niet in geschil is dat eiseres geen vergunninghouder is. Afgezien daarvan geldt de goedkeuring alleen voor vergunninghouders die daarop bij de aangifte expliciet een beroep doen. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in het voorliggende geval reeds bij de aangifte een dergelijk beroep heeft gedaan. Eiseres heeft haar stelling dat als gevolg van het door verweerder gevolgde beleid ter zake van de auto een hoger bedrag aan BPM wordt geheven dan nog op met de auto vergelijkbare reeds in het binnenland geregistreerde gebruikte auto’s rust, niet geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat het niet toepassen van een vermindering geen strijd oplevert, ook in het licht van artikel 110 WVEU, met het gelijkheidsbeginsel of enige andere rechtsregel, reeds gelet op de bijzondere beleidscontext waarbinnen deze vergunninghouders (ex artikel 8 van de Wet BPM) de regeling in kwestie toepassen (vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:949).

17. De combinatie van de eigen aankoopprijs van € 28.000 en de taxatie van [B] van de handelsinkoopwaarde van € 19.500 maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag uit te gaan van een handelsinkoopwaarde van € 17.712 (gebaseerd op de door eiseres overgelegde koerslijst van XRAY), een redelijke schatting, want zeker niet te hoog, heeft gemaakt.

18. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat verweerder de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

19. Nu de naheffingsaanslag is gebaseerd op een redelijke schatting en eiseres niet heeft doen blijken dat deze te hoog is vastgesteld, dient de naheffingsaanslag – afgezien van het hierna onder 20. en 21 overwogene – in stand te blijven.

20. Ter zitting is vast komen te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat op grond van artikel 10b van de Wet BPM, de naheffingsaanslag verminderd zou moeten worden in verband met het hanteren van de (lagere) bruto BPM uit het jaar 2009 ten bedrage van € 28.786. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. Dit leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 2.340, uitgaande van een vermindering (afschrijving) van € 24.388 (84,72% (zie 1.6) van € 28.786) en het op aangifte voldane bedrag van € 2.058 (zie 1.3).

21. In verband met het hiervoor bepaalde is het beroep gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.340.

22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank op de voet van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

23. Ter zake van eiseres’ verzoek om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft pas in de beroepsfase een beroep gedaan op toepassing van artikel 10b van de Wet BPM. Voor verweerder bestond er bij het opleggen van de naheffingsaanslag BPM geen verplichting om dit artikel zelf toe te passen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb proceskosten van de bezwaarfase uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het onderhavige geval wordt de naheffingsaanslag (in beroep) slechts verminderd als gevolg van het feit dat eiseres in de beroepsfase een beroep heeft gedaan op toepassing van artikel 10b van de Wet BPM – in haar aangifte is eiseres uitgegaan van de historische bruto BPM – zonder dat bij verweerder de verplichting bestond dit artikel ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag uit eigen beweging toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank is in een dergelijk geval geen sprake van een herroeping die kan worden aangemerkt als een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. In verband daarmee wordt verweerder niet veroordeeld tot vergoeding van eiseres’ proceskosten in de bezwaarfase.

24. Ter zake van de door eiseres in de beroepsfase gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem of haar in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag slechts worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende (zie Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, BNB 2006/270). In het onderhavige geval heeft eiseres beroep ingesteld omdat haar bezwaar tegen de opgelegde naheffingsaanslag is afgewezen. De in haar bezwaarschrift vermelde gronden heeft eiseres, grotendeels, herhaald in haar beroepschrift. In dat geval kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van eiseres. De omstandigheid dat de gegrondverklaring van het beroep uitsluitend voortvloeit uit de toepassing van artikel 10b van de Wet BPM, en de overige beroepsgronden van eiseres zijn verworpen, is, naar het oordeel van de rechtbank, niet voldoende om af te wijken van de hiervoor genoemde hoofdregel. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.340;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak

op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 980;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van den Bosch, leden, in aanwezigheid van mr. T. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.

De griffier is verhinderd

mede te ondertekenen

griffier

w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.