Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6156

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
AWB - 13-32619
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1168, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat eiseres de Somalische nationaliteit heeft en afkomstig is uit Mogadishu. Zij heeft aan haar asielaanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Mogadishu door Al-Shabaab als terugkeerder zal worden herkend en om die reden een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden van eiseres over de geloofwaardigheid van haar asielrelaas falen. Verweerder heeft evenwel in het bestreden besluit geen deugdelijk gemotiveerd standpunt ingenomen over het door eiseres gestelde risico om door Al Shabaab als terugkeerder te worden herkend. Daarom is het beroep gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat een aangekondigd ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken met daarin voor de zaak van eiseres relevante informatie nog niet is verschenen.

Bij uitspraak van 22 april 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 201600098/1/V2, is deze uitspraak vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand zijn gelaten en bevestigd voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/32619 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M. Don).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 16 december 2013 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 24 december 2013 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 13/32619. Eveneens op 24 december 2013 heeft eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer AWB 13/32623.


De gronden van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn ingediend bij faxbericht van 14 januari 2014, en aangevuld bij faxbericht van 15 januari 2014.

Bij faxbericht van 16 januari 2014 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

Daarop heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 28 januari 2014 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, als verzocht.

Bij faxbericht van 9 maart 2015 heeft eiseres de gronden van beroep nader aangevuld.

Bij brief van 10 maart 2015 heeft verweerder gereageerd op de (nadere) beroepsgronden van 14 januari 2015 [de rechtbank leest: 2014] en 15 januari 2015 [de rechtbank leest: 2014].

Bij faxbericht van 12 maart 2015 heeft verweerder gereageerd op de nadere beroepsgronden van 9 maart 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.M. Luik. De rechtbank heeft, gehoord partijen, het onderzoek ter zitting op de voet van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst.

Verweerder heeft bij brief van 30 november 2015 een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 17 december 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordiging door zijn gemachtigde mr. R.M. Don.

Overwegingen


1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraken van 9 april 2015 in zaken nrs. 201501148/1/V2 en 201501445/1/V2 geoordeeld dat de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling geen wijziging van beleid is als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, en dus geen wijziging van recht.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting van 17 december 2015 verklaard dat voor zover de beroepsgronden betrekking hebben op de rechtsvraag die is beantwoord in voornoemde uitspraken van 9 april 2015, die gronden niet langer worden gehandhaafd.

2.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute, nu zij haar reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte grensoverschrijdingsdocument, noch voldoende andere reisbewijzen, noch met enig ander al dan niet indicatief bewijs in de zin van Verordening (EG) nr. 343/2003. Ter motivering van dit standpunt heeft verweerder aangegeven dat het niet aannemelijk is dat eiseres geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Immers, eiseres heeft verklaard dat zij met het vliegtuig van Nairobi (Kenia) via Egypte naar Nederland is gereisd. In redelijkheid mag worden verondersteld dat deze reizen met documenten zijn te staven, aldus verweerder.
Eiseres heeft verklaard dat zij het gebruikte paspoort en het vliegticket na de controles in Kenia en Egypte heeft afgestaan aan de reisagent. Voor verweerder is in deze verklaring geen aanleiding gelegen om het ontbreken van documenten niet aan eiseres toe te rekenen omdat niet is gebleken dat hierbij sprake was van dwang van de zijde van de reisagent. Verder heeft eiseres verklaard dat zij op de luchthaven van aankomst niet is gecontroleerd. Verweerder merkt daarover op dat eiseres volgens haar verklaring met een directe vlucht vanuit Egypte kwam. Daarom acht verweerder haar verklaring dat zij op de luchthaven van aankomst niet is gecontroleerd, niet geloofwaardig.
Daarnaast acht verweerder de verklaringen van eiseres over haar reisroute niet consistent, geloofwaardig, gedetailleerd en verifieerbaar. Verweerder overweegt daartoe dat van een persoon die verklaard heeft van Somalië, via Kenia en Egypte, naar Nederland te zijn gereisd, in alle redelijkheid mag worden verwacht dat zij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als op welke luchthaven in Egypte zij is overgestapt, op welke luchthaven in Europa of Nederland zij is aangekomen, met welke luchtvaartmaatschappij zij van Egypte naar Europa is gevlogen en hoe laat de vlucht arriveerde. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten die haar reisverhaal onderbouwen niet aan haar is toe te rekenen.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres haar gestelde reis van Somalië naar Nederland met geen enkel stuk heeft onderbouwd. Verweerder heeft zich, met de motivering neergelegd in het bestreden besluit en het daarin vervatte voornemen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontbreken van enig (bewijs)stuk betreffende de gestelde reis aan eiseres is toe te rekenen. Verweerder heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd waarom hij artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de
Vw 2000 - zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde - aan eiseres kan tegenwerpen.

Hetgeen eiseres in beroep daartegen heeft ingebracht, is onvoldoende voor een ander oordeel.

3.1.

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert. Daartoe heeft verweerder onder meer overwogen dat de verklaringen van eiseres over de handelwijze van de vijf gewapende mannen die het op haar hadden gemunt - de mannen die haar wilden ontvoeren en doden -, ongerijmd zijn. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat de soldaten/de bewaking in haar wijk in Mogadishu erg bedacht zijn op mensen van Al-Shabaab. Verweerder vindt het dan ongerijmd dat, desondanks, deze vijf gewapende mannen - volgens de verklaring van eiseres - zich drie keer in haar wijk hebben gewaagd om haar vandaaruit te ontvoeren, hetgeen telkens zou zijn mislukt. Verweerder wijst er op dat - zo zou worden uitgegaan van de verklaring van eiseres daarover - deze vijf gewapende mannen eiseres kennelijk belangrijk genoeg vonden om het risico te nemen dat zij door de soldaten/de bewaking in haar wijk zouden worden aangezien voor Al-Shabaab leden. Ervan uitgaande dat deze mannen eiseres zó belangrijk vonden, is het volgens verweerder ongerijmd dat deze mannen zich telkens, op eenvoudige wijze, van hun voornemen om eiseres te ontvoeren (om haar daarna te doden) hebben laten afbrengen. Hierdoor moesten deze mannen zich immers - na elke poging eiseres in haar wijk aan te treffen - telkens weer opnieuw aan het risico blootstellen die wijk in te gaan waar - volgens eiseres - de soldaten/de bewaking erg bedacht zijn op mensen van Al-Shabaab.

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, (reeds) met zijn hiervoor onder 3.1. vermelde motivering, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de verklaringen van eiseres over de directe redenen van haar vertrek uit Somalië geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Hetgeen eiseres in beroep daartegen heeft ingebracht, is onvoldoende voor een ander oordeel.

4.1.

Eiseres heeft in het kader van haar beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ter zitting verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 27 juli 2015 in zaak nr. 201500573/1/V2 waarin de vraag voorlag naar de risico’s bij terugkeer van Somaliërs die afkomstig zijn uit gebieden die onder de controle staan van Al-Shabaab en die hebben aangevoerd door Al-Shabaab als terugkeerder te zullen worden herkend. Eiseres wijst er op dat zij in haar beroepsgronden van 9 maart 2015 dit heeft aangevoerd.

4.2.

Niet in geschil is dat eiseres afkomstig is uit Mogadishu.

4.3.

De AbRS heeft in voornoemde uitspraak van 27 juli 2015, onder 3., als volgt overwogen:

“Zoals hiervoor onder 1.2. is vermeld, heeft de staatssecretaris de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd een nieuw ambtsbericht uit te brengen waarbij hij specifiek aandacht heeft gevraagd voor de passages over de terugkeer naar gebieden die onder controle staan van Al-Shabaab en de risico’s die daarmee verbonden zijn. Mede gelet op de passage in het ambtsbericht van 2014 dat Al-Shabaab in sommige buitenwijken van Mogadishu in alle openheid kan opereren, is vooralsnog onvoldoende duidelijk in hoeverre deze informatie van belang is voor terugkeer naar Mogadishu van Somaliërs die, zoals de vreemdeling, hebben aangevoerd door

Al-Shabaab als terugkeerder te zullen worden herkend. Evenmin is thans duidelijk in hoeverre daarbij gewicht toekomt aan de - door de staatssecretaris eerst ter zitting van de Afdeling in dit verband aangevoerde - omstandigheden van het grote aantal inwoners van Mogadishu en het grote aantal terugkeerders naar die stad. Het door de staatssecretaris gevraagde ambtsbericht zal, naar de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling heeft gemeld, naar verwachting aan het einde van de zomer van 2015 verschijnen. (…)”

4.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geen afdoende gemotiveerd standpunt ingenomen over het risico dat eiseres, bij terugkeer naar Somalië, stelt aldaar te lopen als “terugkeerder”. Daarom is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

4.5.

In zijn nadere reactie van 30 november 2015 heeft verweerder alsnog een standpunt ingenomen over - kort gezegd - het risico voor eiseres, bij terugkeer naar Somalië, als “terugkeerder”.

4.6.

Ter zitting van 17 december 2015 heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat, voor zover haar bekend, het door de staatsecretaris aan de minister van Buitenlandse Zaken gevraagde nieuwe ambtsbericht, waarover de staatsecretaris ter zitting [van 30 april 2015] bij de ABRvS heeft gemeld dat dit naar verwachting aan het einde van de zomer van 2015 zal verschijnen, nog niet is verschenen.
Voorts heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat zij niet weet, waarom het aangekondigde ambtsbericht nog niet is verschenen.

4.7.

De rechtbank ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij heeft de rechtbank gelet op het hiervoor onder 4.3. vermelde. Voorts heeft de rechtbank laten wegen dat het aangekondigde ambtsbericht met daarin voor de zaak van eiseres relevante informatie, nog niet is verschenen. Het standpunt van verweerder, neergelegd in zijn nadere reactie van 30 november 2015, acht de rechtbank op dit moment onvoldoende om niettemin de rechtsgevolgen in stand te laten.

5. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zijnde een bedrag van € 1470,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 20 maart 2015 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 17 december 2015; waarde per punt € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 23 december 2013;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvraag van
16 december 2013, met inachtneming van het hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1470,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2015.

De griffier is buiten staat De rechter,
deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de datum van verzending ervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.