Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6155

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
18.105597-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Ongegrondverklaring bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, waarvan het bevel tot afname vijf jaren na de veroordeling is gegeven.

Wetsverwijzingen
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden 2, 1e lid
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

rekestnummer RK 15-005448

parketnummer 18/105597-10

Beslissing van de enkelvoudige raadkamer d.d. 26 oktober 2015 op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, ingediend door:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

domicilie kiezende (ten kantore van zijn raadsman) te [adres] ,

hierna te noemen "veroordeelde".

Procesverloop

Het bezwaarschrift is op 8 oktober 2015 ingekomen ter griffie en richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2015, waarbij zijn gehoord de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde, mr. A. Allersma. Veroordeelde is niet in persoon verschenen.

Motivering

Veroordeelde is ontvankelijk in zijn bezwaarschrift nu dit binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 16 december 2010 is veroordeelde ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Veroordeelde is derhalve veroordeeld wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering waarbij hem een gevangenisstraf, jeugddetentie of taakstraf is opgelegd zodat kan worden overgegaan tot afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel.

In het bezwaarschrift en de toelichting daarop is gesteld dat het openbaar ministerie de redelijke termijn heeft overschreden door eerst vijf jaren na voornoemde veroordeling het bevel tot afname heeft gegeven. Het bevel is daarmee in strijd met de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde. Verder is er sprake van schending van het vertrouwensbeginsel nu veroordeelde er op mocht vertrouwen dat een dergelijk bevel na zoveel jaren niet meer zou worden gegeven. Indien deze handelwijze van het openbaar ministerie zou worden toegestaan ontstaat het gevaar voor willekeur, immers het openbaar ministerie gaat dan zelf bepalen van wie het DNA-profiel alsnog in de databank zal worden opgenomen en van wie niet. Het persoonlijk belang van veroordeelde dient gelet hierop dan ook te prevaleren boven de belangen van algemene veiligheid. Voorts vindt de voorkoming, opsporing, vervolging en/of berechting van feiten als het onderhavige de facto nimmer plaats met behulp van DNA-gegevens.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de bevindingen van de onderzoekscommissie " [naam] " ertoe hebben geleid dat alle tot dan toe ten onrechte niet opgeroepen veroordeelden dienen te worden opgeroepen teneinde hun DNA-profielen in de DNA-databank voor strafzaken te laten opnemen. Door de omstandigheid dat het onderhavige bevel daartoe niet zo spoedig mogelijk na de veroordeling is gegeven, zijn niet de belangen van veroordeelde geschonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden beveelt de officier van justitie dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, tenzij:

a. van deze persoon reeds een DNA-profiel is verwerkt;

b. redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op

de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is

gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en

berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt dat hij op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in dit geval, nu geen sprake is van een uitzonderingssituatie als genoemd in de wet, verplicht is om van de veroordeelde te bevelen dat celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Dat het bevel pas is gegeven nadat ontwikkelingen in de maatschappij daartoe aanleiding voor het openbaar ministerie hebben gegeven, maakt dit niet anders. Zo al bij veroordeelde -door het niet geringe tijdsverloop- het vertrouwen is gewekt dat de officier van justitie niet tot het geven van zodanig bevel zou overgaan, kan dit er niet tot leiden dat de officier van justitie in strijd met zijn rechtsplicht daarvan zou moeten afzien.

Het justitiële belang dient derhalve te prevaleren boven het persoonlijk belang van veroordeelde.

De rechtbank verwerpt daarom de door de raadsman gevoerde verweren en komt tot het oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven op 26 oktober 2015 door mr. F.J. Agema, rechter, in tegenwoordigheid van W. Brandsma, griffier.