Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6149

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
18.720201-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland veroordeelt een man wegens een bedrijfsinbraak op een recreatiepark te pleegplaats 1. Nu vaststaat dat de man samen met de reeds veroordeelde mededaders naar pleegplaats 1 is gereisd en hij zich bovendien midden in de nacht in en bij het opengebroken pand bevond, acht de rechtbank zijn aandeel bij de inbraak wettig en overtuigend bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720201-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 16 oktober 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 augustus 2014 te [pleegplaats 1] , in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een gebouw aan/nabij [straatnaam] en/of uit een in dat gebouw aanwezige kluis weg te nemen geld, in elk geval enig goed van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat gebouw en/of die kluis te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een ruit en/of een kozijn van dat gebouw heeft vernield/geforceerd en/of (vervolgens) dat gebouw is binnengegaan en/of met een breekijzer en/of anderszins aan de deur van de aldaar aanwezige kluis heeft gewrikt en/of (zodoende) de kluis heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 24 augustus 2014 en 25 augustus 2014 te [pleegplaats 2] , in elk geval in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan of bij [adres 1] heeft weggenomen een hoeveelheid (munt- en papier)geld (ongeveer 7000 euro) en/of een paar (ober)handschoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of de Firma [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling van verdachte voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van het voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] tot een bedrag van € 1.877,39 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit nu, kort gezegd, niet zou kunnen worden bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage aan de inbraak heeft geleverd. Als verdachte al een bijdrage heeft geleverd, zoals op de uitkijk staan, dan is die bijdrage van onvoldoende gewicht geweest om van medeplegen te kunnen spreken. De raadsman heeft verder verzocht om [getuige 1] wederom te horen.

Op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

In de nacht van 24 op 25 augustus 2014 wordt melding gemaakt van een inbraak bij [bedrijf 1] ' in [pleegplaats 1] . [getuige 2] hoort vallend ijzer en ziet drie personen op het terrein lopen. Een ter plaatse gearriveerde politieagent ziet een man in het pand van [bedrijf 1] staan, die wegrent en achter het gebouw verdwijnt zodra hij de agent ziet. Vervolgens ziet de agent aan de achterzijde van het pand dat zich nog twee mannen in het pand bevinden. Kort daarna ziet hij een man vanaf het pand wegrennen richting een doodlopende steiger. De man springt daar in het water. Later wordt een spoor van natte voetstappen gevolgd, dat vanaf de steiger richting bosschages loopt. Verdachte wordt in natte kleding in deze struiken aangetroffen. Op het terrein blijken zich verder de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te bevinden.

Namens [bedrijf 1] is aangifte gedaan van poging tot inbraak. Er blijken een ruit en een kozijn te zijn vernield. Verder is de in het pand aanwezige kluis zwaar beschadigd.

Verdachte heeft erkend dat hij samen met de voornoemde medeverdachten vanuit [plaats 1] naar [pleegplaats 1] is gereden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij, samen met verdachte en [medeverdachte 2] , bij de poging tot inbraak betrokken was. Nu de overige hiervoor genoemde bevindingen passen bij deze verklaring en de bewezenverklaring derhalve niet in beslissende mate steunt op de verklaring van [medeverdachte 1] , acht de rechtbank deze verklaring redengevend voor het bewijs.

Met betrekking tot het medeplegen overweegt de rechtbank het volgende.

Vanwege de ontkennende dan wel zwijgende houding van verdachte en diens medeverdachten op dit punt is niet helder geworden hoe de exacte taakverdeling bij de poging tot inbraak is geweest. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat verdachte als medepleger moet worden aangemerkt. Verdachte is met twee anderen van [plaats 1] naar het terrein van [bedrijf 1] in [pleegplaats 1] gereden. In de betreffende nacht is getracht om de in het pand aanwezige kluis te forceren. In en om het pand zijn drie personen waargenomen, waaronder verdachte. Een plausibele alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van drie uit de randstad afkomstige personen rond 3 uur 's nachts in [pleegplaats 1] heeft geen van hen kunnen geven. Bij het grootschalige politieoptreden, waarbij onder meer een helikopter met warmtebeeldcamera is ingezet, zijn er geen andere personen op het afgezette terrein aangetroffen. Gelet op dit alles kan het naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet anders dan dat het feit door deze drie verdachten in gezamenlijkheid is gepleegd en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat de rechtbank verdachte aanmerkt als medepleger.

Met betrekking tot het verzoek om [medeverdachte 1] als getuige te horen, overweegt de rechtbank als volgt. De verdediging is eerder in de gelegenheid gesteld [medeverdachte 1] te bevragen bij de rechter-commissaris in deze rechtbank. Blijkens het van dit verhoor opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman ook gebruikgemaakt van deze gelegenheid. Door de verdediging is niet onderbouwd hoe het wederom horen van deze getuige van belang zou kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. Gelet hierop acht de rechtbank het horen van deze getuige niet noodzakelijk en wijst zij het verzoek af.

De rechtbank betrekt daarbij ook het feit dat [medeverdachte 1] , na op zijn verschoningsrecht te zijn gewezen, heeft aangegeven niets meer te willen verklaren.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een poging tot inbraak heeft gepleegd.

Feit 2

Voorafgaand aan de poging tot inbraak in [pleegplaats 1] heeft in [pleegplaats 2] een inbraak plaatsgevonden bij [bedrijf 2] . In dit pand zijn schoensporen aangetroffen die zo goed als zeker afkomstig zijn van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Nu verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is meegereden richting het noorden, kan het redelijkerwijs niet anders dan dat hij eveneens in [pleegplaats 2] is geweest. Of hij een rol heeft gespeeld bij de daar door de medeverdachten gepleegde inbraak, kan op basis van het dossier echter niet worden vastgesteld. Van enig direct bewijs van verdachtes betrokkenheid bij die inbraak is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 16 oktober 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was op 25 augustus 2014 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het [bedrijf 1] in [pleegplaats 1] . Ik was met hen meegereden vanuit [plaats 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben een inbraak gepleegd op [bedrijf 1] . Ik was daar bij. Toen ging het alarm af. Toen ik de politie zag, ben ik weggerend.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014093069, gesloten op 9 oktober 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014093069-5, d.d. 25 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als hun bevindingen (p. 46 e.v.):

Op 25 augustus 2014 omstreeks 02:55 uur waren wij in uniform gekleed en belast met de noodhulpsurveillance in [plaats 2] . Wij werden door de meldkamer van politie Noord Nederland gestuurd naar [bedrijf 1] in [pleegplaats 1] , waar een getuige drie mannen had gezien die vermoedelijk wilden inbreken. Hierop ten spoedigste ter plaatse gegaan en bij het pand aangekomen hoorde ik, eerste verbalisant, stemmen vanuit de richting van het pand komen. Ik zag dat het pand een receptie/kantoorpand betrof. Ik zag dat een persoon in het zwart gekleed in een tussenruimte aan de rechterzijde van het pand stond. Ik zag op ongeveer 100 meter afstand dat deze persoon in mijn richting keek en riep: “politie”. Ik zag dat deze persoon vervolgens wegrende en achter het gebouw uit mijn gezichtsveld verdween. Ik had meerdere stemmen gehoord en ben naar de plaats gerend waar de man stond. Ik zag dat daar een bovenlicht geopend was en dat de ruit verbroken was en dat op de grond een grote hoeveelheid glas lag. Ik keek naar binnen en zag twee mannen, welke eveneens in het donker gekleed waren. Ik zag dat één van deze personen in mijn richting keek en dat zij vervolgens wegrenden verder het pand in. Ik stond toen op ongeveer vijf meter afstand van deze twee mannen. Ik heb deze persoon goed kunnen zien. Ik zag dat zij ook uit mijn gezichtsveld verdwenen en ben naar de linkerzijkant om het pand heen gerend om zicht te krijgen op de plaats, waar de mannen naartoe renden. Ik zag vervolgens de eerste persoon op een afstand van ongeveer twintig meter vanaf mij wegrennen. Ik zag dat deze persoon vanaf het pand rende en een steiger, waarvan ik wist dat deze doodliep, oprende. Ik ben achter deze persoon aangerend en zag dat hij donkere kleding droeg, ongeveer 1.80 meter lang was en een tenger postuur had. Ik heb deze persoon aangeroepen dat hij moest blijven staan, echter de man keek om en sprong het water in en zwom naar de overzijde waar mijn [collega 1] stond. Ik zag dat de man zich verstopte tussen de daar aangemeerde boten. Ik heb hierop mijn [collega 1] aangeroepen en deze heeft zicht gehouden op de plaats waar ik de man het laatst had gezien. Ik ben hierop terug gerend naar het kantoorpand en heb dit in het zicht gehouden, terwijl meerdere eenheden aanrijdend waren. Het terrein waar het kantoor staat is een soort schiereiland omgeven met water. Ik heb positie ingenomen op de enige toegangsweg naar het kantoor. Het kon echter niet anders dan dat de twee weggelopen verdachten zich op het door ons afgezette terrein bevonden, omdat ik hen nog niet voorbij had zien komen. Omstreeks 03:38 uur, kwam [collega 2] , ter plaatse op [straatnaam] en liep via de steiger in de richting van de plaats waar de collega’s zich bevonden. Hij zag de collega’s staan en zag dat er achter de collega’s vanaf de steiger een spoor van natte voetstappen liep naar bosschages naast een schutting. Hij keek in deze bosschages en zag dat daar een voor hem onbekende man in de bosschages lag. Hij zag dat deze man helemaal nat was en donkere kleding droeg. Hij heeft deze man vervolgens omstreeks 03:40 uur aangehouden.

Deze persoon gaf later op te zijn genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Toen de politiehelikopter arriveerde heeft deze met behulp van de aanwezige warmtebeeldcamera op het door ons afgezette terrein gezocht en zag in de bosschages nabij de waterkant een warmtebron. Hierop heeft deze de collega’s [collega 3] en [collega 4] naar deze plaats geleid. Hierbij werd een persoon aangehouden die opgaf te zijn genaamd:

[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] te [geboorteplaats] .

Hierop heb ik deze persoon overgenomen en ik herkende deze direct als de man die ik in het bedrijfspand tijdens de inbraak in zijn gezicht had gezien. Vervolgens werd door de ter plaatse aanwezige [collega 5] in het zoekgebied een auto aangetroffen. Hierop ben ik, verbalisant achtergebleven en heb ik de aangetroffen auto onopvallend in het zicht gehouden.

Ongeveer vijf minuten nadat de collega’s waren weggegaan hoorde ik dat het portier van de auto geopend en gesloten werd. Ik ben direct in de richting van de auto gelopen en zag dat op de bijrijderszijde een persoon zat. Ik heb het bijrijdersportier geopend en zag dat de persoon natte onderbenen en schoenen had en dat hij meerdere delen van takken en bladeren op zijn kleding had. Ik heb hierop de persoon aangehouden. Deze persoon gaf mij op te zijn genaamd: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 2] te [geboorteplaats] .

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02JS-2014093069-1, d.d. 25 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [aangever] :

Ik doe namens de benadeelde [bedrijf 1] , [adres 2] te [pleegplaats 1] (Gemeente Súdwest-Fryslân) aangifte van inbraak. Op maandag 25 augustus 2014 omstreeks 03:30 uur, werd ik gebeld door onze sleutelhouder met de mededeling dat er was ingebroken in het kantoor van het hoofdgebouw van [bedrijf 1] . Toen ik hier kwam zag ik dat in het nisje tussen het kantoor en het douchegebouw een ruit en het kozijn vernield waren. Dit betreft de ruimte waar de kluis opgesteld staat. In het gebouw aangekomen zag ik dat in deze ruimte twee breekijzers stonden en dat de kluis zwaar beschadigd was.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R3-2014093069-28, d.d. 25 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3] :

Momenteel verblijf ik op mijn boot in [bedrijf 1] te [pleegplaats 1] . Mijn boot ligt ongeveer hemelsbreed 60-70 meter vanaf het havenkantoor van [bedrijf 1] . Vanmorgen omstreeks 02:35 uur lag ik te slapen in mijn boot. Ik hoorde toen ineens het geluid van vallend ijzer. Ik ben uit bed gegaan en zag vanuit mijn boot drie personen aankomen lopen vanuit de richting van het havenkantoor. Ik heb mij vervolgens aangekleed en ben van de boot gegaan. Ik ben een paar meter in de richting van het havenkantoor gelopen. Ik hoorde het breken van hout vanuit het nisje.

2.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R3-2014093069-58, d.d. 8 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

V: [medeverdachte 1] , ken je die.

A: Ja, hij is een aangetrouwd familielid.

2.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R3-2014093069-18, d.d. 25 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik heb deelgenomen aan de inbraak. Ik heb op de uitkijk gestaan.

Het maakt niks uit of ik nou binnen of buiten ben geweest. Ik ben evenveel schuldig.

2.6.

een proces-verbaal van verhoor inverzekeringstelling en inbewaringstelling bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 1] , d.d. 28 augustus 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

De jongens die samen met mij daar waren, waren [verdachte] en [medeverdachte 2] .

2.7.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014093069-59, d.d. 8 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1] :

We zijn van [plaats 1] naar [pleegplaats 1] gereden. In [pleegplaats 1] zijn we opgepakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 25 augustus 2014 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Súdwest-Fryslân, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een gebouw aan [straatnaam] en uit een in dat gebouw aanwezige kluis weg te nemen geld, in elk geval enig goed van hun gading, toebehorende aan [bedrijf 1] en zich daarbij de toegang tot dat gebouw en die kluis te verschaffen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders een ruit en een kozijn van dat gebouw heeft geforceerd en vervolgens dat gebouw is binnengegaan en met een breekijzer aan de deur van de aldaar aanwezige kluis heeft gewrikt en zodoende de kluis heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem door Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 9 september 2014 opgemaakte, beknopte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in vereniging in een bedrijfspand. Dit heeft geleid tot schade en overlast voor de gedupeerde ondernemer. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.


Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij veelvuldig eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Van recente recidive is echter geen sprake. De rechtbank zal bij de strafoplegging afwijken van de eis van de officier van justitie, nu zij tot een andere beoordeling van het bewijs is gekomen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest acht de rechtbank passend. Verder zal zij aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opleggen, met een proeftijd van twee jaren.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag bestaande uit bankbiljetten ter waarde van € 745,00, moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partij

[persoon] heeft zich namens [bedrijf 3] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Nu onvoldoende is gebleken dat indiener [persoon] gemachtigd is om [bedrijf 1] te vertegenwoordigen, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in diens vordering.

De rechtbank zal conform het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen aan de verdachte om aan de staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] een bedrag, groot € 500,00.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 745,00.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3]

niet-ontvankelijk is.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] , te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. M. Brinksma en

mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. J.C. Huizenga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2015.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wijma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Brinksma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Huizenga

locatie Leeuwarden,