Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6132

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
18.730188-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval op de Rijksweg A7, door met hoge snelheid en onder invloed van alcohol achter op de auto van het

slachtoffer te rijden, waarbij deze persoon om het leven is gekomen.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren opleggen. Voorts krijgt verdachte reclasseringstoezicht, wordt hem een alcoholverbod opgelegd en moet hij meewerken aan ambulante behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14
Wegenverkeerswet 1994 175, 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730188-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Boonstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 juni 2015, in de gemeente Smallingerland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, merk BMW, voorzien van het [kenteken 1] ), daarmede

rijdende over de weg, de Rijksweg A7 (komende uit de richting Groningen en

gaande in de richting Drachten),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam,

nadat hij, verdachte,

- een (forse) hoeveelheid alcohol had genuttigd en/of

- met een snelheid van (respectievelijk) 232 km/u en/of (respectievelijk)

185 km/u, althans met (aanmerkelijke) hogere snelheid dan de ter plaatse voor

motorrijtuigen geldende maximum snelheid van 130 km per uur, in elk geval

met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- - in plaats van tijdig en/of voldoende snelheid te verminderen en/of zoveel

mogelijk rekening te houden met een voor verdachte op die Rijksweg A7

rijdend ander motorrijtuig, te weten: een personenauto, merk Volkswagen,

type Jetta en voorzien van [kenteken 2] tegen dat andere motorrijtuig

is aangereden of opgebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 (uitslag ademanalyse 715 ug/l);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente

Smallingerland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW,

voorzien van het [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg

A7, (komende uit de richting Groningen en gaande in de richting Drachten),

- dat voertuig heeft bestuurd na voorafgaand inwendig gebruik van

alcoholhoudende drank en/of

- met een snelheid van (respectievelijk) 232 km/u en/of (respectievelijk)

185 km/u, althans met (aanmerkelijke) hogere snelheid dan de ter plaatse voor

motorrijtuigen geldende maximum snelheid van 130 km per uur, in elk geval

met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- in plaats van tijdig en/of voldoende snelheid te verminderen en/of zoveel

mogelijk rekening te houden met een voor verdachte op die Rijksweg A7

rijdend ander motorrijtuig, te weten: een personenauto, merk Volkswagen,

type Jetta en voorzien van [kenteken 2]

tegen dat andere motorrijtuig is aangereden of opgebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

B.

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente

Smallingerland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk BMW,

voorzien van het [kenteken 1] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij

een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 715 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest

bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente

Smallingerland, op de Rijksweg A7, op of omstreeks 10 juni 2015 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood, dan wel letsel en/of schade was toegebracht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht door de VNN;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling door de GGZ of een soortgelijke instelling;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren met aftrek.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1 primair

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 oktober 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen nr. PL0100-2015164817-45, d.d. 18 juni 2015;

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalanalyse nr. 10.06.15.0445.2543, d.d. 11 augustus 2015;

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalanalyse nr. 10.06.15.0445.2672, d.d. 12 augustus 2015;

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2015.06.11.233 d.d. 14 juni 2015 opgemaakt door A. Maes, patholoog, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.

Feit 2. Vrijspraak

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte door de politie op ongeveer twee kilometer van de plaats van het ongeval is aangehouden. Verdachte reageerde niet meteen toen de politie hem riep en liep pas terug toen de politie dreigde de hond los te laten. Er kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachtes auto een stuk verder is aangetroffen dan de auto van het slachtoffer. Hij stond na het ongeval alleen langs de kant van de snelweg en wist niet dat hij iemand had aangereden. Niemand weet wat precies de toestand van verdachte op dat moment was. Hij kwam bij toen de politie kwam. Naar de mening van de raadsman kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte willens en wetens de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zowel ter zitting als bij het verhoor door de politie verklaard dat hij niet wist wat er was gebeurd en ook dat hij niet wist dat hij een andere auto had aangereden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat, als gevolg van de aanrijding, enige afstand heeft bestaan tussen de plaats waar het door verdachte bestuurde voertuig respectievelijk het door het slachtoffer bestuurde voertuig tot stilstand is gekomen. Ook blijkt uit de verklaringen van getuigen niet dat verdachte (kort) na het ongeval heeft gesproken over een aanrijding met een andere auto. De rechtbank kan daarom met onvoldoende zekerheid vaststellen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 10 juni 2015, in de gemeente Smallingerland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, merk BMW, voorzien van het [kenteken 1]

, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7, komende uit de richting Groningen en gaande in de richting Drachten, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam, nadat hij, verdachte,

- een forse hoeveelheid alcohol had genuttigd en

- met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor motorrijtuigen geldende maximumsnelheid van 130 km per uur

- in plaats van tijdig en voldoende snelheid te verminderen en zoveel mogelijk rekening te houden met een voor verdachte op die Rijksweg A7 rijdend ander motorrijtuig, te weten: een personenauto, merk Volkswagen, type Jetta en voorzien van [kenteken 2] tegen dat andere motorrijtuig is aangereden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, uitslag ademanalyse 715 ug/l.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage en het psychiatrisch onderzoek, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval op de Rijksweg A7, door met hoge snelheid en onder invloed van alcohol achter op de auto van het

slachtoffer te rijden, waarbij deze persoon om het leven is gekomen.

Verdachte was de dag ervoor om 5.45 uur in de ochtend naar zijn werk gegaan. Verdachte heeft aangegeven dat hij gedurende die dag weinig had gegeten, dat hij aan het einde van zijn werkdag op de zaak was gebleven, en daar ’s avonds alcohol had genuttigd. Op het moment dat verdachte zich in staat achtte om naar huis te rijden, is hij in zijn auto gestapt. Vervolgens heeft omstreeks 4.00 uur in de nacht het ongeval plaatsgevonden. Verdachtes ademalcoholgehalte bedroeg meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid. De rechtbank merkt op dat het gemeten alcoholgehalte van 715 ug/l duidt op het nuttigen van meer alcoholische consumpties dan de vier flesjes bier die verdachte volhoudt te hebben gedronken. Verder is uit de verkeersongevalsanalyse gebleken dat verdachte op een onverlichte snelweg met zeer hoge snelheid heeft gereden op het moment dat hij met de voorzijde van zijn BMW tegen de achterzijde van de Volkswagen van het slachtoffer is gebotst. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het door hem veroorzaakte ongeval bijna 24 uur niet had geslapen. Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook tot het oordeel gekomen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van roekeloosheid in de juridische betekenis van het woord - die afwijkt van het begrip roekeloosheid in het dagelijks taalgebruik - geen sprake is geweest.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zijn handelen ertoe geleid heeft dat een persoon is overleden en dat groot en onherstelbaar leed aan de nabestaanden is toegebracht, zoals ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken.

Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat verdachte in de periode voorafgaande aan het ongeval leed aan stress met enkele depressieve kenmerken, maar dat dit niet van zodanige aard was dat het ten laste gelegde daaruit voortvloeit. Verdachte was sinds enkele maanden onder behandeling van Verslavingszorg Noord Nederland voor problematisch alcoholgebruik. Uit het onderzoek is echter niet van een ziekelijke drang naar alcohol gebleken. Hij heeft die avond willens en wetens alcohol genuttigd en hij was in staat een weloverwogen keuze te maken ten aanzien van zijn gedrag. Daarvan getuigt dat verdachte naar eigen zeggen heeft gewacht met autorijden tot het moment dat hij zich daartoe in staat achtte.

Uit het reclasseringsadvies komt naar voren dat verdachte zijn toevlucht zocht naar alcohol als zijn draagkracht was verstoord. Het recidiverisico wordt laag gemiddeld ingeschat. Wanneer verdachte stopt met het gebruik van alcohol, meewerkt aan een ambulante behandeling van de GGZ en de medicatie continueert, zal de kans op recidive verder afnemen. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt niet van veroordelingen voor soortgelijke feiten.

De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting nemen voor een feit zoals bewezenverklaard een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 jaren als uitgangspunt.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren opleggen.

Met het oog op de duur van de gevangenisstraf merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd nu zij verdachte van het tweede tenlastegelegde feit vrijspreekt. Voorts geldt dat de rechtbank het van belang acht dat verdachte na ommekomst van het onvoorwaardelijk strafdeel ambulante behandeling en reclasseringstoezicht krijgt, zoals door de reclassering is geadviseerd, teneinde te voorkomen dat verdachte in herhaling valt. Om die reden acht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel van 6 maanden met een proeftijd van drie jaren aangewezen. Binnen dat kader kunnen toezicht en behandeling vorm krijgen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van 18 maanden meer recht doet aan de ernst van het feit dan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden die de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting tot uitgangspunt neemt. In dat verband merkt de rechtbank het volgende op. De regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is van toepassing wanneer een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden zou worden opgelegd. Die regeling leidt ertoe dat een veroordeelde in een dergelijk geval na ommekomst van 16 maanden voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. De regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is echter niet van toepassing op gevallen waarin de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden een voorwaardelijk strafdeel kent, zoals de rechtbank in onderhavige zaak oplegt. Voor onderhavige zaak betekent dit dat verdachte na 18 maanden in vrijheid zal worden gesteld. Het voorwaardelijk strafdeel van 6 maanden met de proeftijd van drie jaren fungeert in dit geval als stok achter de deur voor de periode na invrijheidstelling van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 7 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, Oostergoweg 6 in Leeuwarden. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen van de GGZ of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Daarnaast moet veroordeelde meewerken aan een ambulante behandeling, uit te voeren door Verslavingszorg Noord Nederland, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

3. dat veroordeelde wordt verboden om alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hierbij zullen de gangbare controlemiddelen worden ingezet.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde feit voorts:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 4 jaren.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. A. Postma, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2015.

Mr. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Dölle

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Gosselaar

locatie Leeuwarden,