Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6130

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
18.930098-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Inrijden met vrachtwagen op file; vrijspraak art. 6 WVW94, veroordeling voor art. 5 WVW94.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 23, 24
Opiumwet 5, 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930098-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

28 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 september 2015.

De verdachte is verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. van Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 februari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Midden-Drenthe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over rechter rijstrook van de uit 2 rijstroken bestaande weg, de A28, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij, verdachte, op korte afstand een stilstaande, althans langzaam rijdende file, was genaderd, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur tegen een voor hem, verdachte over die rechter rijstrook rijdend motorrijtuig (personenauto) is gebotst, in elk geval is aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een op twee plaatsen gebroken schouder (rechts) en/of een gekneusde borst en/of een gekneusde kuit en/of een gekneusde hak en/of gekneusde tenen en/of een gekneusde arm en/of een gekneusde rug, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 februari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Midden-Drenthe, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de A28, terwijl hij, verdachte, op korte afstand een stilstaande, althans langzaam rijdende, file was genaderd, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (aldus) met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur tegen een voor hem, verdachte, rijdend motorrijtuig is gebotst, althans is aangereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft aangegeven zich in het standpunt van de officier van justitie te kunnen vinden.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de hierna te noemen bewijsmiddelen niet is gebleken dat er sprake is geweest van roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag door verdachte.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;

- een verkort proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 25021417301112, d.d.

23 maart 2015, inhoudende de relatering van verbalisanten;

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2015, opgenomen op pagina 2 van dossier, nummer PL0100-2015056694-1, d.d. 25 februari 2015, inhoudende de relatering van verbalisant.

Bewezenverklaring

Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 februari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Midden-Drenthe, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de A28, terwijl hij, verdachte, op korte afstand een langzaam rijdende file was genaderd, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en aldus met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur tegen een voor hem, verdachte, rijdend motorrijtuig is gebotst, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair : Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft aangegeven dat hij in plaats van een werkstraf de voorkeur geeft aan een geldboete.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door te handelen als bewezenverklaard gevaar op de weg veroorzaakt waardoor hij achter op een personenauto is gebotst en de bestuurder van die personenauto zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor het plegen van strafbare feiten, in het bijzonder verkeersovertredingen, is veroordeeld.

Gelet verder op de aard en ernst van het feit acht de rechtbank een geldboete passend.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij sinds het ongeval nog voorzichtiger is gaan rijden dan hij voordien al deed. Om verdachte te stimuleren zijn sindsdien gewijzigde rijgedrag voort te zetten, zal zij een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 1.000,00 bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte, groot € 500,00, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2015.