Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6096

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
96.051665-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bij de samenloop van ongeldigverklaring van het rijbewijs door het CBR op basis van ongeschiktheid en een strafrechtelijke vervolging is geen sprake van dubbele bestraffing en evenmin is sprake van schending van de beginselen van een goede procesorde, zodat het OM ontvankelijk is in de vervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14, 23, 24
Wegenverkeerswet 1994 8, 176
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 96/051665-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter d.d. 28 mei 2015, waarna de zaak is verwezen naar de meervoudige strafkamer, en van het onderzoek ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer d.d. 6 oktober 2015. Op beide zittingen is verdachte verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 maart 2013 te [pleegplaats] , gemeente Slochteren als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het volgende aangevoerd. Bij verdachte is het rijbewijs door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) ongeldig verklaard nadat uit een onderzoek naar de rijgeschiktheid is gebleken dat hij niet geschikt zou zijn. Daarna is door de officier van justitie strafrechtelijke vervolging ingesteld. De raadsman verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) omtrent het alcoholslotprogramma waarin is geoordeeld dat, ondanks dat geen sprake is van meerdere onherroepelijke uitspraken van de strafrechter, er sterke gelijkenissen bestaan met een strafrechtelijke vervolging. De Hoge Raad heeft ten aanzien van het alcoholslotprogramma geoordeeld dat zich hier een met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht vergelijkbare situatie voordoet, waarin is bepaald dat een verdachte niet tweemaal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. Het openbaar ministerie is om die reden niet-ontvankelijk verklaard. De raadsman heeft betoogd dat, hoewel in onderhavige zaak geen sprake is van het alcoholslotprogramma, zich toch een soortgelijke situatie voordoet. Naar analogie van voornoemde uitspraak van de Hoge Raad kan gesteld worden dat de maatregel van het CBR om het rijbewijs ongeldig te verklaren zijn oorsprong vindt in hetzelfde feit als ten laste is gelegd, de gedragingen zijn identiek en betreffen hetzelfde beschermde rechtsgoed, te weten bescherming van de verkeersveiligheid, en de gevolgen komen in hoge mate overeen omdat in beide procedures inperking van de rijbevoegdheid en een wezenlijke betalingsplicht kan worden opgelegd. De raadsman is van mening dat de strafvervolging in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van een dubbele bestraffing in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Het alcoholslotprogramma wordt van rechtswege opgelegd nadat een bepaald alcoholpromillage is vastgesteld, zodat deze maatregel direct is gerelateerd aan het strafbare feit. Het rijbewijs kan ongeldig worden verklaard, nadat het CBR een geschiktheidsonderzoek is opgestart naar aanleiding van een vermoeden van alcoholmisbruik gebaseerd op het rijden onder invloed van alcohol. De procedure van de ongeldig verklaring van het rijbewijs is niet direct verbonden met het strafbare feit en het betreft een individuele beoordeling. Ook is het mogelijk om een rijbewijs opnieuw aan te vragen wanneer het geschiktheidsonderzoek positief beoordeeld wordt en zijn de kosten aan dit onderzoek verbonden aanzienlijk lager. Er is geen schending van de behoorlijke procesorde, zodat zij ontvankelijk is in haar strafvervolging, aldus de officier van justitie

Het oordeel van de rechtbank

Uit het arrest van de Hoge Raad, waaraan de raadsman heeft gerefereerd, volgt dat artikel 68 Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is maar dat bij de huidige Nederlandse wetgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd is met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd. Die beginselen kunnen immers meebrengen dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft. De Hoge Raad heeft hierbij geoordeeld dat een sterke gelijkenis bestaat tussen de strafrechtelijke vervolging en de procedure die leidt tot oplegging van een alcoholslotprogramma en daarbij overwogen dat de procedure die leidt tot oplegging van het alcoholslotprogramma en de strafrechtelijke vervolging hun oorsprong vinden in hetzelfde feit. De verweten gedraging is identiek, te weten rijden onder invloed, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid. Daarnaast komen de gevolgen in hoge mate met elkaar overeen nu beide kunnen leiden tot een beperking van de rijbevoegdheid en een betalingsverplichting.

De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 6 mei 2015 geoordeeld dat een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM kan worden aangemerkt, en dat dit ook geldt voor een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs. Het betreft een bestuurlijke maatregel die erop is gericht de deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen en daarmee strekt tot bevordering van de verkeersveiligheid. Hierbij is van belang geacht dat de kwalificatie die de wetgever aan de maatregel geeft, het met de maatregel beoogde doel, de aard en de zwaarte van de maatregel en het ontbreken van een punitief karakter ervan, maken dat de maatregel niet is aan te merken als een straf of een sanctie.

De rechtbank heeft voorts in ogenschouw genomen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2015, waarin een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bij samenloop van ongeldigverklaring van het rijbewijs en strafrechtelijke vervolging voor rijden onder invloed van alcoholhoudende drank is verworpen (ECLI:NL:GHARL:2015:4910). Het hof overweegt dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs in de desbetreffende zaak uitsluitend voortvloeit uit de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid van de verdachte om een motorrijtuig te besturen. Het hof komt tot de conclusie dat de ongeldigverklaring derhalve geen direct gevolg is van het rijden onder invloed zoals ten laste gelegd, noch van een bewezenverklaring en veroordeling ter zake van dat feit. Het hof komt derhalve tot het oordeel dat de ongeldigheid van het rijbewijs, opgelegd naar aanleiding van een onderzoek naar de geschiktheid om motorrijtuigen te besturen geen 'criminal charge' is in de zin van artikel 6 EVRM, zodat geen sprake is van een dubbele bestraffing.

In onderhavige zaak is de aanhouding van verdachte ter zake het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank voor het CBR aanleiding geweest tot het besluit om aan verdachte een onderzoek naar de geschiktheid van de rijvaardigheid op te leggen. De verplichting tot deelname aan dit onderzoek is een individuele beoordeling en een discretionaire bevoegdheid van een bestuursorgaan.

De uitkomst van dit onderzoek van verdachte was dat bij hem sprake was van een alcoholafhankelijkheid en om die reden werd hij niet geschikt geacht om motorrijtuigen te besturen. Daarop is het CBR tot het besluit gekomen om het rijbewijs van verdachte ongeldig te verklaren. De rechtbank stelt vast dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs weliswaar voortkomt uit de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid van verdachte om een motorvoertuig te besturen, maar geen direct gevolg is van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, noch van een bewezenverklaring en veroordeling ter zake van dat feit. Indien bij de verdachte geen alcoholafhankelijkheid zou zijn vastgesteld dan zou de uitkomst van het onderzoek naar de rijgeschiktheid anders hebben kunnen uitvallen.

De rechtbank is van oordeel dat de vergelijking met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015 inzake het alcoholslotprogramma, zoals de raadsman dit naar voren heeft gebracht, niet opgaat. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat het in de zaak waar de raadsman naar heeft verwezen ging om de vraag of de omstandigheid dat het CBR aan een bestuurder een alcoholslotprogramma heeft opgelegd omdat hij heeft gereden onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcoholhoudende drank, gevolgen heeft voor de strafrechtelijke vervolgbaarheid van diezelfde gedraging.

Net als in zaken waarin het gaat om het alcoholslotprogramma dient in het onderhavige geval te worden vastgesteld dat artikel 68 niet van toepassing is, omdat geen sprake is van meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter.

Vervolgens zal de rechtbank in de lijn van de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, beoordelen of sprake is van een zodanige gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging in gevallen als het onderhavige en de procedure die heeft geleid tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, dat dit zou moeten leiden tot de conclusie dat strafvervolging in strijd zou zijn met de beginselen van een goede procesorde die meebrengen dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.

De rechtbank stelt vast dat oplegging van de maatregel van het alcoholslot in tegenstelling tot de ongeldigverklaring naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek naar de geschiktheid van de verdachte om een motorvoertuig te besturen direct gerelateerd is aan het feit waarvoor de bestuurder wordt aangehouden. Indien bij de aangehouden bestuurder een alcoholgehalte wordt gemeten tussen 570 en 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, legt het CBR – zonder dat het daarbij beschikt over een discretionaire bevoegdheid – de maatregel van het alcoholslotprogramma op. In dat geval komt de geldigheid van het rijbewijs van rechtswege te vervallen.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor beschreven verschil essentieel is en maakt dat niet gezegd kan worden dat er sprake is van een sterke gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging en de bestuursrechtelijke maatregel. De rechtbank merkt daarbij op dat de procedure die heeft geleid tot ongeldigverklaring van het rijbewijs weliswaar evenals de strafrechtelijke vervolging zijn oorsprong vindt in hetzelfde strafbare feit, maar dat het strafbare feit slechts aanleiding is geweest voor het onderzoek naar de geschiktheid om motorvoertuigen te besturen en de resultaten van dat onderzoek ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, waarbij het CBR ook nog een discretionaire bevoegdheid had. Er is bovendien geen sprake van een identieke aan betrokkene verweten gedraging zoals bij het alcoholslotprogramma wel het geval is. Het rijbewijs van verdachte is niet ongeldig verklaard omdat hij onder invloed van alcohol heeft gereden, maar omdat uit het onderzoek naar de geschiktheid is gebleken dat sprake was van alcoholafhankelijkheid.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de samenloop van ongeldigverklaring van het rijbewijs door het CBR op basis van ongeschiktheid en een

strafrechtelijke vervolging niet leidt tot dubbele bestraffing en dat evenmin sprake is van schending van de beginselen van een goede procesorde, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een geldboete van € 850,00, subsidiair 17 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 350,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 7 maanden met aftrek.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van misdrijf nr. PLO1KC 2013023525-1, d.d. 7 maart 2013.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 7 maart 2013 te [pleegplaats] , gemeente Slochteren als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol in een auto. Het alcoholgehalte van de verdachte was op dat moment beduidend hoger dan de toegestane 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, te weten 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van rijden onder invloed, te weten op 22 april 2010. Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt een geldboete van € 850,00 en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zeven maanden.

De rechtbank constateert dat onderhavige zaak om onduidelijke redenen pas op 28 mei 2015 bij de politierechter is aangebracht. De rechtbank stelt vast dat sprake is van de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Dit zal leiden tot strafvermindering.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft aangegeven dat hij beschikt over een geringe financiële draagkracht. Ook is gebleken dat hij kosten heeft moeten maken voor het onderzoek naar de rijgeschiktheid van het CBR. De rechtbank acht een voorwaardelijke geldboete van € 850,00 passend en geboden. Een ontzegging van de rijbevoegdheid, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen toegevoegde waarde nu verdachte al een aanzienlijke periode niet over een geldig rijbewijs heeft kunnen beschikken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 850,00 (zegge: achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. E.G.C. Groenendaal, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2015.

Mr. Groenendaal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

De Wit

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Gosselaar

locatie Leeuwarden,