Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:6045

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
18.930203-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig fraudecomplex van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. Door onder meer het valselijk opmaken van een inkomensverklaring heeft verdachte de beschikking gekregen over een hypotheek met bouwdepot. Ook heeft verdachte op oneigenlijke wijze geldbedragen uit het bouwdepot ter beschikking gekregen en witgewassen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225, 236, 420bi
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930203-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 24 december 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 december 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 t/m 30 september 2011 te [pleegplaats 1] en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, zijn ouders [ ouder 1] en/of [ouder 2] heeft bewogen tot het aangaan van een of meer schuld(en) en/of de afgifte(n) van geld, te weten,

- een hypotheekovereenkomst met de [bank N.V.] met betrekking tot een geldlening ter hoogte van 375.000 euro (inclusief bouwdepot) en/of met een hypotheekrecht op een perceel bouwterrein aan [adres 1] te [plaats 1] en/of (vervolgens) de afgifte van (in totaal) 375.000 euro (document dossierpagina 766),

en/of

- een hypotheekovereenkomst met de heer [persoon 1] met betrekking tot een geldlening ter hoogte van 37.500 euro en/of met een hypotheekrecht op een perceel bouwterrein aan [adres 1] te [plaats 1] en/of de woning aan [adres 2] te [pleegplaats 1] (document dossierpagina 793),

en/of

- een hypotheekovereenkomst met [bedrijf 1] , handelende onder de naam [naam 1] , met betrekking tot een geldlening van maximaal 200.000 euro en/of met een hypotheekrecht op de woning aan [adres 2] te [pleegplaats 1] (document dossierpagina 801),

in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [ ouder 1] en/of [ouder 2]

- gezegd dat verdachte met zijn toenmalige partner op een perceel bouwgrond aan [adres 1] te [plaats 1] een woning en/of schuur wilde(n) bouwen, en/of

- gevraagd om dat perceel tijdelijk op naam te willen nemen, en/of

- gevraagd om verdachte te helpen, onder meer door een tijdelijke borgstelling of een tijdelijke banklening, althans een tijdelijke financiële ondersteuning, en/of

- gezegd dat zij geen (administratieve en/of financiële) last zouden krijgen van die hulp of ondersteuning en/of dat verdachte de aanvraag en/of administratie en/of de kosten van die tijdelijke financiële hulp of ondersteuning op zich zou nemen, en/of,

- gevraagd om hem daartoe te machtigen, en/of

- bij die [ ouder 1] en/of [ouder 2] de indruk gewekt dat het ging om een borgstelling gedurende twee jaren, en/of die [ ouder 1] en/of [ouder 2] niet gezegd en/of niet duidelijk gemaakt dat de lening(en), die ten gunste zouden komen van verdachte en/of diens partner, een of meer hypothecaire lening(en) betrof(fen) op naam van die [ ouder 1] en/of [ouder 2] en/of waarbij het perceel [adres 1] te [plaats 1] en/of ook de woning van die [ ouder 1] en/of [ouder 2] aan [adres 2] te [pleegplaats 1] als onderpand(en) zou(den) dienen, en/of

- die [ ouder 1] en/of [ouder 2] (aldus) misleid en/of niet volledig en/of duidelijk op de hoogte gesteld van het doel en/of de aard en/of de strekking van de door verdachte gewenste en/of de door die [ ouder 1] en/of [ouder 2] af te sluiten financiële verplichtingen en/of goed te keuren bouwdepotuitkeringen,

en/of

- ( aldus) jegens die [ ouder 1] en/of [ouder 2] een situatie geschapen en/of in stand gehouden waarin die [ ouder 1] en/of [ouder 2] niet goed overzag(en) en/of kon(den) overzien hoe zijn/haar/hun financiële positie in werkelijkheid was en/of zou worden ten gevolge van de handelwijze van verdachte ten laste van die [ ouder 1] en/of [ouder 2] , en/of

- ( aldus) zich voorgedaan als bona fide contactpersoon en/of (financieel) bemiddelaar en/of gevolmachtigde,

waardoor die [ ouder 1] en/of [ouder 2] (telkens) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovengenoemde hypothecaire schuld(en) en/of bovenomschreven afgifte(n).

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 t/m 23 oktober 2009 te [pleegplaats 1] , in elk geval in Nederland, een inkomensverklaring, gedateerd 16 juni 2009, en/of een offerte, gedateerd 4 september 2009, (elk) gesteld op naam van [ ouder 1] en/of [ouder 2] ,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk

- op die inkomensverklaring een onjuist jaarinkomen van [ ouder 1] en/of [ouder 2] vermeld of doen/laten vermelden en/of die inkomensverklaring van een of meer valse handtekening(en) voorzien of doen/laten voorzien (document dossierpagina 757/1113),

en/of

- die offerte van een of meer valse ondertekening(en) voorzien of doen/laten voorzien (document dossierpagina 748/1115),

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 t/m 23 oktober 2009 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of elders Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) inkomensverklaring en/of offerte, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat/die geschrift(en) heeft (doen/laten) toekomen aan het bedrijf [bank N.V.] ten behoeve van een hypotheekaanvraag op naam van [ ouder 1] en/of [ouder 2] ,

en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- die inkomensverklaring van een onjuist jaarinkomen van [ ouder 1] en/of [ouder 2] was voorzien en/of van een of meer valse ondertekening(en) was voorzien (document dossierpagina 757/1113),

en/of

- die offerte van een of meer valse ondertekening(en) was voorzien (document

dossierpagina 748/1115),

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 t/m 23 oktober 2009 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of elders in Nederland met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer medewerker(s) van het bedrijf [bank N.V.] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een hypotheekovereenkomst, en/of de afgifte van (in totaal) 375.000 euro (inclusief bouwdepot), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in het kader van een hypotheekaanvraag op naam van [ ouder 1] en/of [ouder 2] en/of al dan niet door tussenkomst van een financieel tussenpersoon -

(die medewerker(s) van) dat bedrijf doen toekomen

- een inkomensverklaring met onjuiste jaarinkomensgegevens van [ ouder 1] en/of [ouder 2]

[ouder 2] en/of voorzien van (een) valse handtekening(en) en/of

- een offerte die voorzien was van (een) valse handtekening(en)

waardoor (die medewerker(s) van) dat bedrijf werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en/of tot bovenomschreven afgifte.

4.

hij op of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 t/m 4 januari 2011, te [pleegplaats 1] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een voorwerp, te weten telkens een geldbedrag, te weten

- een geldbedrag van 9096,35 euro (bijschrijving [bedrijf 2] op 8 december 2010), en/of

- een geldbedrag van 25.525,50 euro (bijschrijving bedrijf [naam 1] op 2 november 2009), en/of

- een geldbedrag van 11.780 euro (bijschrijving [bedrijf 3] op 23 oktober 2008),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie


Namens verdachte is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1 moet worden verklaard, omdat dit feit een klachtdelict betreft en de eerder door [ ouder 1] en [ouder 2] ingediende klacht door hen bij de rechter-commissaris is ingetrokken. De raadsman heeft betoogd dat [ ouder 1] en [ouder 2] door de rechter-commissaris als getuigen zijn gehoord en dat daarbij helder naar voren is gekomen dat zij de aangifte en de klacht wilden intrekken. Op grond van de waarborgen die gelden bij een verhoor door de rechter-commissaris en de wijze van verhoren door deze rechter-commissaris dient daaraan volgens de raadsman doorslaggevende betekenis te worden toegekend.

Voorts betoogt de raadsman dat de officier van justitie tevens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten nu het onder 1 ten laste gelegde feit de basis vormt voor deze overige feiten, waardoor de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 ook doorwerkt naar de overige feiten.

De officier van justitie is van mening dat de klacht tijdig en nadrukkelijk door [ ouder 1] en [ouder 2] is ingediend. De stelling dat zij nooit een klacht hebben willen indienen, acht de officier van justitie ongeloofwaardig, omdat zij blijkens de aangifte vrij lange tijd op het politiebureau hebben doorgebracht om hun verhaal uit de doeken te doen. Het later intrekken van de klacht heeft volgens de officier van justitie geen consequenties voor de vervolging voor feit 1, omdat de klacht op grond van artikel 67 Wetboek van Strafrecht binnen zeven dagen na het indienen van de klacht had moeten worden ingetrokken. Voorts stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat alleen feit 1 een klachtdelict is en dat de feiten 2 tot en met 4 van de tenlastelegging los staan van de aangifte en klacht van [ ouder 1] en [ouder 2] . Bovendien gaat het bij feit 1 om een relatief klachtdelict waardoor het klachtvereiste is beperkt tot een oplichting gepleegd in de relatie tussen de dader en een familielid. Als het feit ook een derde raakt, zoals bij de feiten 2 tot en met 4, geldt het vereiste van een klacht niet. De politie en het openbaar ministerie mochten uitgaan van de klacht die er lag tot aan de verhoren bij de rechter-commissaris. Het onderzoek dat daaruit voortkwam kan gebruikt worden als bewijs bij de overige ten laste gelegde feiten.

Concluderend stelt de officier van justitie zich primair op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van alle feiten. Subsidiair is het openbaar ministerie volgens de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de feiten 2 tot en met 4 van de tenlastelegging.

Naar het oordeel van de rechtbank is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor alle feiten die zijn opgenomen in de tenlastelegging. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De klacht is rechtsgeldig ingediend door [ ouder 1] en [ouder 2] , de ouders van verdachte. Niet gebleken is dat zij onder druk zijn gezet bij of gedwongen zijn tot het indienen van de klacht, noch dat zij de strekking en gevolgen van de door hen ingediende klacht niet konden overzien. Op grond van (onder meer) de ingediende klacht kon de officier van justitie tot het verrichten van het nader onderzoek overgaan op grond waarvan vervolgens de vervolging tegen verdachte is ingesteld. De veel latere intrekking van de klacht door [ ouder 1] en [ouder 2] ten overstaan van de rechter-commissaris stuit deze vervolging niet. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de intrekking niet binnen de door artikel 67 van het Wetboek van Strafrecht gestelde termijn heeft plaatsgevonden. In dit verband wijst de rechtbank erop dat vervolging voor een klachtdelict eerst mogelijk is wanneer er een klacht is ingediend. Een zekere ‘bedenktijd’ is daarbij, gezien de grote gevolgen die het indienen van een klacht heeft of kan hebben, noodzakelijk. Na ommekomst van deze ‘bedenktijd’ echter moet het openbaar ministerie tot het verrichten van een onderzoek en het instellen van de vervolging over kunnen gaan. Met deze regeling is beoogd te voorkomen dat een klacht wordt ingetrokken nadat het onderzoek en de vervolging reeds geruime tijd zijn aangevangen, en zich allerhande nieuwe situaties voorgedaan kunnen hebben. Aan het nadien intrekken van de klacht kunnen derhalve, vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, geen rechtsgevolgen worden verbonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en dat het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot feit 1 van de tenlastelegging overweegt de officier van justitie dat [ ouder 1] en [ouder 2] wisselende verklaringen hebben afgelegd over de vraag of zij zich voldoende hebben gerealiseerd dat er leningen op hun naam en met hun woning als onderpand werden afgesloten. Daarmee is volgens de officier van justitie zoveel twijfel gerezen dat vrijspraak moet volgen.

Met betrekking tot feit 2 acht de officier van justitie bewezen dat valsheid in geschrift is gepleegd ten aanzien van de handtekening van [naam 2] en met betrekking tot de inkomstengegevens van [ ouder 1] en [ouder 2] , maar dat niet is komen vast te staan dat de handtekeningen van [ ouder 1] en [ouder 2] onder de hypotheekofferte van de [bank] vals zouden zijn.

Met betrekking tot feit 3 acht de officier van justitie bewezen dat door de hiervoor genoemde valsheid in geschrift de [bank] is bewogen tot de afgifte van een hypotheek met bouwdepot.

Met betrekking tot feit 4 overweegt de officier van justitie dat de hypotheek met bouwdepot van de [bank] uit een door verdachte zelf begaan misdrijf is verkregen, en dat het gebruiken, overdragen dan wel omzetten van de gelden uit dit bouwdepot als witwassen kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de gelden uit het bouwdepot van [bedrijf 5] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 heeft hij aangevoerd het eens te zijn met de door de officier van justitie gevorderde vrijspraak. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft erkend dat hij de naam van [naam 2] zelf heeft ingevuld, maar dat dit conform de gebruikelijke werkwijze bij [Adviesbedrijf] was. Verdachte ontkent dat hij de stempel ter bevestiging van de handtekening heeft gezet. Voorts was verdachte op het moment van het invullen van de inkomensverklaring van mening dat hij geen onjuiste inkomensgegevens opgaf. Van opzettelijk verkeerd invullen is dus geen sprake. Hieruit volgt dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 en van het daarmee nauw verweven feit 3.

Met betrekking tot feit 4 merkt de raadsman op dat slechts gesteld kan worden dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de civielrechtelijke afspraken die gelden voor geoormerkt geld uit een bouwdepot. Verdachte heeft de aldus verworven gelden niet in eigen zak gestoken, maar aangewend voor de bouw. Van witwassen is dan ook geen sprake, aldus de raadsman

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

[ ouder 1] en [ouder 2] zijn daadwerkelijk bij de notaris aanwezig geweest voor het passeren van twee van de in de tenlastelegging genoemde hypotheekovereenkomsten. Bij een dergelijke gelegenheid wordt de inhoud van de te passeren stukken aan de betrokkenen voorgehouden. Bij de notaris hebben zij beide overeenkomsten zelf ondertekend. De rechtbank acht in dit verband van belang dat degene die een verstrekkende financiële verplichting als een hypothecaire lening aangaat, ook zelf een onderzoeksplicht heeft. Voor zover de reikwijdte van hetgeen zij hadden getekend hen ook na het passeren van de notariële akte nog niet duidelijk was, is dat een omstandigheid die niet zonder meer aan verdachte kan worden toegerekend.

Voorts hebben [ ouder 1] en [ouder 2] bij de politie en bij de rechter-commissaris wisselende verklaringen afgelegd over de gang van zaken met betrekking tot alle drie de hypotheekovereenkomsten en over de mate waarin zij wetenschap hadden van de (inhoud van de) hypotheekovereenkomsten en de reikwijdte van de door hen beoogde borgstelling.

Op grond daarvan kan niet worden geconcludeerd dat verdachte een opzettelijke oplichtingshandeling heeft verricht of een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en evenmin dat [ ouder 1] en [ouder 2] juist daardoor werden bewogen tot het aangaan van de hypotheekovereenkomsten.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Feit 2

Een verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2015:

Ik heb de inkomensverklaring getekend met [naam 2] . De op de verklaring genoemde inkomens heb ik ingevuld. Ik zie dat het mijn handschrift is op de inkomensverklaring van de [bank] .

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 april 2012, opgenomen op pagina 252 e.v. van het dossier nummer 2013081243 d.d. 29 oktober 2013 van Regiopolitie Drenthe, Regionaal Fraudeteam, inhoudende de verklaring van [ouder 2] :

U toont mij de ondertekende inkomensverklaring d.d. 19 juni 2009 ten behoeve van de hypotheekaanvraag bij de [bank N.V.] . Die jaarinkomens, dat kan natuurlijk niet. Dat is volstrekt buiten de werkelijkheid. Wij hebben beiden AOW en een klein pensioen. Wij hebben samen netto per maand ongeveer € 2.000,- te besteden.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 april 2013, opgenomen op pagina 270 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 2] :

De handtekening onder de inkomensverklaring [bank] (bijlage [verdachte] 9) is niet van mij. Deze heb ik niet geplaatst. Ik heb niemand toestemming gegeven om deze handtekening te plaatsen.

(…)

lk heb het formulier ook niet gecontroleerd. lk heb dit formulier niet eerder gezien dan bij de politie. De adviseur moet de inkomstenverklaring ondertekenen.

Een inkomensverklaring hypotheek van de [bank] d.d. 19 juni 2009, opgenomen op pagina 808 van voornoemd dossier.

Meerdere jaaropgaven 2010 ten name van [ ouder 1] , opgenomen op pagina 836 e.v. van voornoemd dossier.

Een jaaropgave 2010 ten name van [ouder 2] , opgenomen op pagina 840 van voornoemd dossier.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank allereerst dat, nu niet buiten redelijke twijfel staat dat verdachte de offerte heeft voorzien van handtekeningen die moesten doorgaan voor de handtekeningen van zijn ouders, de rechtbank dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen acht.

Verder overweegt de rechtbank dat verdachte heeft erkend dat hij op de inkomensverklaring onder het kopje ‘naam adviseur’ heeft ingevuld “ [naam 2] , [Adviesbedrijf] , [pleegplaats 1] ” en dat hij onder het kopje ‘handtekening adviseur’ een handtekening heeft geplaatst die door moest gaan voor de handtekening van [naam 2] . Uit de verklaring van [naam 2] komt duidelijk naar voren dat hij aan verdachte geen toestemming heeft gegeven om de inkomensverklaring in zijn naam te ondertekenen. De rechtbank merkt voornoemde handelswijze van verdachte aan als het valselijk ondertekenen van de inkomensverklaring als ware hij [naam 2] . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat er bij [Adviesbedrijf] sprake was van een vaste werkwijze waarbij iedere adviseur de naam en de handtekening van [naam 2] alvast op de inkomensverklaring plaatst, waarna [naam 2] dit bekrachtigde door het plaatsen van een stempel van het bedrijf op de inkomensverklaring. Deze verklaring van verdachte acht de rechtbank, mede gelet op de door [naam 2] afgelegde verklaring, niet geloofwaardig.

Voorts overweegt de rechtbank dat de door verdachte op de inkomensverklaring vermelde inkomensbedragen niet juist zijn. In de verklaring wordt gevraagd naar het inkomen van [ ouder 1] en [ouder 2] vanaf de pensioendatum, maar de ingevulde bedragen kloppen niet. De inkomens van [ ouder 1] en [ouder 2] zijn in werkelijkheid veel lager dan de op de inkomensverklaring opgenomen bedragen. Verdachte heeft wisselend verklaard omtrent de redenen voor het opnemen van die hogere bedragen. Zo heeft hij aangevoerd dat hij de mogelijk toekomstige inkomsten uit verhuur van paardenstallen en uit paardrijlessen heeft meegenomen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij het geld dat zijn ouders van hem ontvingen als terugbetaling van de door hen aan de bank betaalde rentetermijnen heeft opgegeven als inkomsten. De rechtbank acht deze verklaringen niet geloofwaardig. Uit geen enkel stuk, anders dan de verklaring van verdachte, blijkt van in de toekomst te genereren inkomsten uit de (verhuur van de) paarden(stal). Bovendien zouden deze inkomsten, ware zij echt, niet toekomen aan de ouders van verdachte, maar aan verdachte zelf of aan zijn ex-partner. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte net als ieder ander weldenkend persoon wist dat de terugbetaling van de rente van de hypotheek in alle redelijkheid niet kan worden gezien als inkomen van zijn ouders.

Gezien voorgaande overwegingen acht de rechtbank het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewijsbaar.

Feit 3

De hierboven onder feit 2 genoemde bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal van aangifte van [bank] d.d. 7 november 2012, opgenomen op pagina 409 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2] :
Namens [bank] ben ik uit hoofde van mijn functie gerechtigd tot het doen van aangifte van strafbare feiten die gepleegd zijn ten nadele van [bank] . [bank] wenst aangifte te doen ter zake overtreding van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en overtreding van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Op 3 september 2009 heeft [bank] een aanvraag ontvangen via [bedrijf BV] te [pleegplaats 1] , ingediend op naam van de heer [ ouder 1] , en mevrouw [ouder 2] , beide wonende aan de [straat] , [pleegplaats 1] .

[bank] heeft de volgende documenten ontvangen:

(…)

• Inkomensverklaring opgemaakt op 19 juni 2009 en ondertekend door [naam 2] in de functie van hypotheekadviseur en de aanvragers. Volgens deze inkomensverklaring heeft de heer [ ouder 1] een inkomen van € 41.317,00 en mevrouw [ouder 2] een inkomen van

€ 34.712,00.

Op basis van de gegevens is [bank] overgegaan tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening van € 375.000,00.

Op 27 maart 2012 is aangifte gedaan door [persoon 3] , namens de benadeelden [ ouder 1] en [ouder 2] , zijn ouders. Uit de aangifte maak ik op dat [ ouder 1] en [ouder 2] niet voldoende inkomsten hadden om de aangevraagde lening te kunnen verkrijgen. De bij [bank] ingeleverde inkomensverklaring is dan ook vals. Ook was het [bank] niet bekend dat gelden die uit het depot zijn overgeboekt ten gunste van aannemers, na ontvangst door de aannemer zijn teruggeboekt naar een rekening van [verdachte] . Indien een aannemer bedragen op zijn rekening ontvangt afkomstig uit een depotrekening van een cliënt, in dit geval op naam gesteld van [ ouder 1] en [ouder 2] , en de werkzaamheden worden niet uitgevoerd, dan dient de ontvanger deze ontvangen bedragen terug te boeken naar de rekening waar de bedragen vandaan komen. Het doorboeken naar een rekening van een derde is onrechtmatig.

[bank] had de hypothecaire geldlening nooit verstrekt als zij had geweten dat er sprake was van het opgeven van onjuiste gegevens/bescheiden.

Een hypotheekakte (nummer 20525) ondertekend door comparanten en de notaris op 23 oktober 2009, opgenomen op pagina 766 e.v. van voornoemd dossier.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de rechtbank reeds overwogen dat er sprake is van een door verdachte valselijk opgemaakte inkomensverklaring. Deze verklaring heeft verdachte, al dan niet middels een tussenpersoon, aan de [bank] doen toekomen. Hierdoor heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank (een) medewerker(s) van de [bank] bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 375.000 euro.

Feit 4

[bedrijf 2] en [naam 1] :

Een proces-verbaal van aangifte van [bank] d.d. 7 november 2012, opgenomen op pagina 414 en 415 van voornoemd dossier:

bedrag naar [depotrekening] € 223.568,38.

Naar [notaris] € 147.568.38.

Een mutatieoverzicht waaronder een storting op 7 december 2010 van € 9121,35 naar [rekeningnummer 1] .

Een overeenkomst van bouwdepot, opgenomen op pagina 820 e.v. van voornoemd dossier, gesloten tussen [ ouder 1] , [ouder 2] en [bank N.V.] onder meer inhoudende dat de schuldenaar uitsluitend over het tegoed op de depotrekening kan beschikken voor betalingen in verband met de bouw of de verbouwing van het registergoed. De schuldenaar dient hierbij nota’s aan de bank te overleggen die de bank conveniëren.

Een bouwdepotdeclaratie ten behoeve van [bedrijf 2] ad € 9121.36, ondertekend door [ ouder 1] , opgenomen op pagina 278 van voornoemd dossier.

Een nota van afrekening van [notaris] , waaronder een bedrag van € 29.750,- ten behoeve van ‘1e termijn [naam 1] ’, opgenomen op pagina 781 e.v. van voornoemd dossier.

Een factuur van [naam 1] d.d. 2 oktober 2009 voor betaling van de ‘1e termijn’ ad € 29.750, opgenomen op pagina 1020 van voornoemd dossier.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 november 2012, opgenomen op pagina 275 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 1] :

Medio november 2010 vroeg [verdachte] aan mij of hij een orderbevestiging kon krijgen voor een nieuw te bouwen woning met paardenboxen in [plaats 2] . [verdachte] vertelde dat hij krap bij kas zat en geld nodig had voor iets in [pleegplaats 1] omdat hij daar ook aan het bouwen was. [verdachte] vertelde mij dat hij een orderbevestiging nodig had om geld uit het bouwdepot te halen. Hij vertelde dat hij in het voorjaar wilde gaan beginnen met bestraten en zou voor die tijd contact met mij op gaan nemen. lk zou de bestrating e.d. gaan leveren en ook de werkzaamheden gaan uitvoeren. De orderbevestiging werd vervolgens door mijn vrouw opgemaakt en door mij ondertekend. Hierna heb ik van [verdachte] niets meer gehoord. De goederen zoals omschreven in de orderbevestiging zijn niet afgeleverd.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2012, opgenomen op pagina 303 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten:

Mevrouw [benadeelde partij 2] heeft ons het bankafschrift getoond waarop wij zagen dat op 7 december 2010 op de rekening met het [rekeningnummer 1] ten name van het [bedrijf 4] via telebankieren € 9121,35 was bijgeboekt. Een dag later namelijk op 8 december 2012 werd een bedrag van € 9096,35 van de rekening van het straatmakerbedrijf overgemaakt op de rekening met het [rekeningnummer 2] van [persoon 4] .

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 april 2013, opgenomen op pagina 294 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 3] :
Ik ben mede-eigenaar van bouwbedrijf [naam 1] . Er is een overeenkomst aanneming werk opgemaakt tussen de ouders van [verdachte] en [naam 1] . [verdachte] vroeg of hij een contractnota kon krijgen van overeenkomst. Deze nota's hebben betrekking op de kosten voor de start van de bouw. Als reden gaf hij op dat de hypotheekgever had gevraagd om een nota. Deze nota groot € 29.750,= inclusief btw is verstuurd op 2 oktober 2009 en deze werd op 27 oktober 2009 betaald vanaf de derdenrekening van [notaris] . Later hebben wij deze nota gecrediteerd omdat de hypotheek nog niet rond was en het contract niet getekend kon worden. Tevens waren we niet begonnen met de start van de bouw. [verdachte] gaf aan dat de nota gecrediteerd moest worden. Eind oktober, begin november 2009 kwam [verdachte] op het kantoor en gaf dit aan. Wij hebben een creditnota gestuurd en daar 2 facturen d.d. 15-09-2009 groot € 773,50 en d.d. 20-10-2009 groot € 3.451,= mee verrekend. Het openstaande geldbedrag, na verrekening, groot € 25.525,50 is op aangeven van [verdachte] overgeboekt naar [rekeningnummer 3] t.n.v. [verdachte] .

[bedrijf 3]

Een overzicht bouwdepotrekening [bedrijf 5], gericht aan [persoon 5] , onder meer inhoudende de uitbetaling bouwdepot € 11.780 d.d. 22-10-2008, opgenomen op pagina 868 van voornoemd dossier.

Een declaratie nieuwbouwdepot ten behoeve van een vloer ad € 11780,-, opgenomen op pagina 880 van voornoemd dossier.

Een rekeningoverzicht [persoon 5] [rekeningnummer 4] , opgenomen op pagina 1305 van voornoemd dossier, bestaande onder meer uit de volgende overboekingen:

15 oktober 2008 [bedrijf 3] spoedopdracht [persoon 5] €11780 (af), 16 oktober 2008 v.o.f. [bedrijf 3] foutieve betaling [persoon 5] €11760 (bij), 17 oktober 2008 stichting [bedrijf 5] ontvangst zie brief d.d. 22-10-2008 €11780 (bij), 23 oktober 2008 [persoon 5] eigen overboeking €11780 (af).

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2012, opgenomen op pagina 283 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 4] :
lk ben eigenaar van [bedrijf 3] . Omstreeks 30 september 2008 kwam een man alleen in mijn zaak. Volgens mij stelde hij zich voor als [naam 3] of [naam 4] . Hij vertelde dat hij een huis aan het bouwen was. Hij wilde een vloer van mijn bedrijf. Mijn vrouw heeft de factuur gemaakt en ik denk dat deze iets later dan de factuurdatum is opgestuurd of dat deze is opgehaald. Ongeveer 2 weken later werd een bedrag van 11.780,= euro op mijn zakelijke rekening werd gestort. Dit was voor die tijd niet afgesproken. Volgens mij diezelfde dag kwam deze persoon [naam 3] of [naam 4] bij mij langs. Hij vertelde mij dat het bedrag naar een verkeerde bankrekening was overgeboekt. Hij had een briefje bij zich met volgens mij zijn naam en een rekeningnummer daarop geschreven. Hij vroeg of ik het geld op dat rekeningnummer terug wilde boeken. Dit was een ander rekeningnummer dan waarvan het bedrag afkomstig was. Hij vertelde dat ik 20 euro minder mocht terugboeken omdat ik er werk van gehad had. Hij wilde wel dat het geldbedrag zo spoedig mogelijk werd teruggeboekt. Omdat ik het een apart verhaal vond, heb ik met mijn vrouw overlegd en heeft mijn vrouw het geldbedrag teruggeboekt op diezelfde rekening waar het vandaan was gekomen. De vloer heb ik nooit geleverd en ik heb daarna ook niets meer van hem gehoord.

Een verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2015:

Ik heb de facturen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] en de overeenkomst met [naam 1] ingediend bij de bank. De bank heeft naar aanleiding hiervan een uitbetaling gedaan uit het bouwdepot. Omdat ik geen gebruik heb gemaakt van de overeengekomen goederen en diensten, heb ik het geld aan mij terug laten storten. Het geld is niet eerst retour gegaan naar het bouwdepot en is niet gebruikt voor de goederen en diensten zoals die op de bij de bank ingediende facturen en overeenkomst stonden vermeld.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat de hypotheek bij [bank] is verkregen door middel van de door verdachte gepleegde oplichting, zoals hierboven bij feit 2 en 3 is verwoord. Verdachte heeft derhalve door eigen misdrijf de beschikking gekregen over de hypotheek van [bank] , inclusief een bouwdepot. Vervolgens heeft verdachte de betalingen aan [bedrijf 2] en [naam 1] vanuit het bouwdepot (doen) laten verrichten en later terug laten storten naar een andere rekening dan de rekening van het bouwdepot.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte een betaling uit het bouwdepot behorende bij de hypotheek van [bedrijf 5] verkregen heeft door middel van verduistering. Dit geldbedrag heeft verdachte immers niet besteed conform de factuur van [bedrijf 3] . Hij heeft het geld besteed aan een ander doel en/of bij een ander bedrijf dan waarvoor het geld ter beschikking was gesteld, terwijl hij bij het niet besteden conform de factuur de geldbedragen had moeten (doen) terugstorten in het bouwdepot. Dat verdachte volgens zijn zeggen het aldus onttrokken geld zou hebben besteed aan de bouw, doet daaraan niet af, nog los van de omstandigheid dat dat in het geheel niet aannemelijk is geworden

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank alle in de tenlastelegging vermelde geldbedragen, die gezien het voorgaande onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig waren, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet.

Op de vraag of het bewezenverklaarde het misdrijf witwassen kan opleveren, zal de rechtbank hieronder nader ingaan

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2 primair.

hij in de periode van 1 juni 2009 t/m 23 oktober 2009 te [pleegplaats 1] , een inkomensverklaring, gedateerd 16 juni 2009, gesteld op naam van [ ouder 1] en [ouder 2] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk op die inkomensverklaring een onjuist jaarinkomen van [ ouder 1] en [ouder 2] vermeld en die inkomensverklaring van een valse handtekening voorzien, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3.

hij in de periode van 1 juni 2009 t/m 23 oktober 2009 te [pleegplaats 1] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep een of meer medewerkers van het bedrijf [bank N.V.] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) 375.000 euro inclusief bouwdepot, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- in het kader van een hypotheekaanvraag op naam van [ ouder 1] en [ouder 2] en al dan niet door tussenkomst van een financieel tussenpersoon -

(die medewerker(s) van) dat bedrijf doen toekomen een inkomensverklaring met onjuiste jaarinkomensgegevens van [ ouder 1] en [ouder 2] en voorzien van een valse handtekening, waardoor (die medewerker(s) van) dat bedrijf werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

4.

hij in de periode van 1 oktober 2008 t/m 4 januari 2011, in Nederland, meermalen een geldbedrag, te weten

- een geldbedrag van 9096,35 euro (bijschrijving [bedrijf 2] op

8 december 2010), en

- een geldbedrag van 25.525,50 euro (bijschrijving bedrijf [naam 1] op 2 november 2009), en

- een geldbedrag van 11.780 euro,

heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij telkens wist dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde in het bijzonder het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie ten aanzien van witwassen bepaald dat voor het ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ van onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen handelingen die erop zijn gericht de criminele herkomst van deze voorwerpen te verhullen vereist zijn teneinde een bewezenverklaring te kunnen kwalificeren als witwassen. Met betrekking tot het ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ van de in de onderhavige bewezenverklaring genoemde geldbedragen zou op grond van die jurisprudentie van de Hoge Raad twijfel omtrent de kwalificatie als witwassen kunnen ontstaan. Echter de rechtbank is van oordeel dat deze twijfel niet bestaat ten aanzien van het tevens in de bewezenverklaring opgenomen ‘overdragen’ en het ‘omzetten’ van de geldbedragen, omdat daarbij geen sprake is van de door de Hoge Raad bedoelde situatie waarbij de verweten gedragingen die het misdrijf witwassen opleveren, samenvallen met de gedragingen die het grondmisdrijf vormen. De rechtbank ziet dan ook in het onderhavige geval geen beletsel om het onder 4 bewezenverklaarde te kwalificeren als witwassen.

Gezien voorgaande overweging levert het bewezen verklaarde op:

2. primair : valsheid in geschrift;

3. : oplichting;

4. : witwassen, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport van 28 mei 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig fraudecomplex van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. Door het valselijk opmaken van een inkomensverklaring en door het vervolgens (doen) indienen van deze inkomensverklaring bij [bank] heeft verdachte de beschikking gekregen over een hoog bedrag aan hypotheek met bouwdepot. Ook heeft verdachte op oneigenlijke wijze geldbedragen uit het bouwdepot bijgeschreven gekregen op bankrekeningen waarover hij de beschikking had. De aldus verkregen geldbedragen heeft verdachte vervolgens witgewassen. Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen van de betrokken personen en de betrokken geldverstrekkers geschaad. Het handelen van verdachte heeft negatieve financiële sporen nagelaten, bestaande (onder meer) uit een hoge openstaande vordering bij [bank] .

De door verdachte gepleegde fraude rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een forse gevangenisstraf. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in de onderhavige zaak aanleiding om hiervan af te zien. Daartoe overweegt de rechtbank dat er sprake is van een groot tijdsverloop tussen het moment waarop de aangifte is gedaan en het moment van de behandeling van de zaak ter zitting. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit tijdsverloop niet aan de verdediging kan worden geweten, nu het horen als getuigen van [ ouder 1] en [ouder 2] door de rechter-commissaris weinig tijd in beslag genomen heeft. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de hoge vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zoals hierna zal worden uiteengezet. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte door het moeten ondergaan van een gevangenisstraf hoogstwaarschijnlijk zijn baan zal verliezen waardoor hij niet in staat is om deze vordering te voldoen, hetgeen de rechtbank ongewenst acht.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte in de afgelopen jaren niet nogmaals met justitie in aanraking is gekomen.

Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend.

Vordering van de benadeelde partij

[bank] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 270.726,66 aan vergoeding van materiële schade. Daarnaast heeft [bank] de vergoeding van onderzoekskosten, te bepalen door de rechtbank, gevorderd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de vervangende hechtenis op 365 dagen wordt gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering moet worden afgewezen nu hij voor vrijspraak heeft gepleit. Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen dan dient de vordering te worden afgewezen, omdat het onduidelijk is wat de bedoeling van [bank] is. [bank] stelt nog steeds een vordering op ‘cliënten’ te hebben, maar heeft de rekening van de ouders van verdachte op nul afgewaardeerd. Ook is verdachte zelf niet aangeschreven door [bank] over het openstaande bedrag. Tenslotte is de raadsman van mening dat de vordering moet worden afgewezen omdat [bank] zelf verwijtbaar fout heeft gehandeld door aan bejaarde mensen als de ouders van verdachte een dergelijk hoge hypotheek te verstrekken.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij toewijzing van de vordering af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade in verband met de hypothecaire geldlening voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank stelt vast dat uit het door de raadsman overgelegde rekeningoverzicht Restschuld Hypotheek blijkt dat de restschuld van [ ouder 1] en [ouder 2] € 0,00 bedraagt. Uit een zich bij de gedingstukken bevindend e-mailbericht van 9 december 2015 van [bank] blijkt echter dat dit saldo verkregen is door het aanzuiveren van het saldo door [bank] teneinde opheffing van de rekening mogelijk te maken. Dat laat onverlet dat, blijkens ditzelfde e-mailbericht, [bank] nog steeds een vordering heeft op [ ouder 1] en [ouder 2] . Deze vordering is het rechtstreekse gevolg van het handelen van verdachte.

In het voorgaande ziet de rechtbank echter geen aanleiding de onderhavige vordering hoofdelijk toe te wijzen, aangezien zij thans alleen heeft te oordelen over de strafrechtelijke zaak van verdachte en [ ouder 1] en [ouder 2] niet als medeverdachten zijn aangemerkt.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de door [bank] gevorderde onderzoekskosten dat dit deel van de vordering niet is onderbouwd en dat derhalve [bank] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de schadevergoedingsmaatregel niet dient te worden opgelegd, omdat een professionele partij als [bank] in staat moet worden geacht de vordering zelf te incasseren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bank] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 270.726,66 (zegge: tweehonderdzeventigduizend zevenhonderdzesentwintig euro en zesenzestig eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter, mr. J. van Bruggen en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 december 2015.

Mr. Sikkema is buiten staat dit vonnis te tekenen.