Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5817

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
18/730192-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De rechtbank heeft een beroep op vrijwillige terugtred afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730192-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te [verblijfadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Houwink, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte op of omstreeks 4 juni 2015, omtreeks 06.30 uur, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, te weten een woonark gelegen aan [adres] , aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, meermalen, in elk geval eenmaal, op de deur van die woonark van [slachtoffer] geklopt en nadat [slachtoffer] de deur had geopend, [slachtoffer] heeft/hebben beetgepakt of vastgegrepen en/of in/tegen gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) [slachtoffer] door die woonark naar de slaapkamer heeft/hebben gesleurd en/of [slachtoffer] op de grond heeft/hebben gegooid en/of [slachtoffer] daarbij meermalen, in elk geval eenmaal, heeft/hebben toegevoegd:

"Overval! Geld, geld!" en/of "Geld! Geld! Ik schiet je dood!", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

of

verdachte op of omstreeks 4 juni 2015, omstreeks 06.30 uur, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, te weten een woonark gelegen aan [adres] , aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevooroordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed,

(alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), meermalen, in elk geval eenmaal, op de deur van de woonark van [slachtoffer] geklopt en nadat [slachtoffer] de deur had geopend, [slachtoffer] heeft/hebben beetgepakt of vastgegrepen en/of in/tegen gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) [slachtoffer] door die woonark naar de slaapkamer heeft/hebben gesleurd en/of [slachtoffer] op de grond heeft/hebben gegooid en/of [slachtoffer] daarbij meermalen, in elk geval eenmaal, heeft/hebben toegevoegd: "Overval! Geld, geld!" en/of "Geld! Geld! Ik schiet je dood!", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: 1. een meldplicht bij de reclassering, 2. elektronisch toezicht, 3. een contactverbod met [slachtoffer] en 4. een locatieverbod voor de plaats waar [slachtoffer] woont met een straal van drie kilometer daaromheen;

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 2.770,71 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 29 september 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op 4 juni 2015 in [pleegplaats] de woonark van [slachtoffer] binnengedrongen. Deze woonark ligt aan [adres] in [pleegplaats] . Ik was voornemens om wederrechtelijk geld weg te nemen, met het oogmerk om mezelf en [medeverdachte] te bevooroordelen.

Ik heb eerst op de deur van de woonark geklopt. Hierop deed [slachtoffer] de deur open. Ik riep dat het een overval was. Ik probeerde toen mijn hand op haar mond te leggen. Zij kan dit ervaren hebben als een klap in haar gezicht. Hierna is zij door de worsteling die er tussen ons beiden ontstond in haar slaapkamer terecht gekomen. Ik heb haar daarna op de grond gedrukt. Ook dit kan zij als een klap hebben ervaren. Ik heb de woonark verlaten zonder geld.

Ik heb met [medeverdachte] het plan gemaakt om deze overval te plegen. Ik had hem verteld dat ik schulden had en toen vertelde hij mij dat hij eerder het plan had gehad om een overval te plegen.

Hij vertelde voorts dat hij had vernomen dat er bij [slachtoffer] tussen de € 200.000,00 en

€ 300.000,00 zou liggen.

[medeverdachte] liet me ook een plastic tas zien die onder de bijrijdersstoel van de auto lag. Hierin zat onder andere de broek, jas en bivakmuts. Deze tas heb ik meegenomen naar de overval. Ik heb de broek, jas en bivakmuts gedragen tijdens de overval.

[medeverdachte] heeft me de ochtend van de overval opgehaald van huis. Ik heb mijn fiets bij hem in de auto gedaan en we zijn achter elkaar aan naar de wijk [wijknaam] gereden. Daar heb ik mijn auto achtergelaten en ben ik met hem meegereden naar [straat] . Daar ben ik uitgestapt en heb ik mijn fiets op het terrein verstopt. Vervolgens ben ik naar de woonark gegaan.

We hadden samen het plan gemaakt dat ik die ochtend de overval zou plegen, omdat hij dan door zou gaan naar het werk op het moment dat ik de overval pleegde. Zo had ik een alibi, omdat ik normaal altijd met hem meerijd naar het werk.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015158193 gesloten op 17 augustus 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer Pl0100-2015158193-1, d.d. 4 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als aangifte van [slachtoffer] :

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord aangeefster

A: Ik woon in een woonboot op [adres] te [pleegplaats] .

V: Wat was het eerste wat u hoorde vanmorgen, 4 juni 2015?

A: Er werd drie keer kort op de deur getikt. Ik draaide het slot van de deur open en in een vloeiende beweging deed ik de deur open. Ik zag een manspersoon staan met een bivakmuts op.

V: Wat werd er gezegd?

A: Het eerste was: “Overval. Geld, geld....” Hij duwde mij naar binnen en hij gaf mij gelijk een klap in mijn gezicht tegen mijn kaak aan.

V: Wat gebeurde er vervolgens?

A: Hij pakte me vast bij mijn pyjama en sleurde me mee naar de slaapkamer. Ik zei: ”Laat me los, laat me los.” Hij gooide me toen op de grond in de slaapkamer. Hij zei weer: ”Geld, geld.” Ik zei: ”Ik heb geen geld, ik zit in de sanering.” Hij zei weer:” Geld, geld. Ik schiet je dood.” Ik had hem toen vast bij zijn broek. De man ging hierna weg.

V: Wanneer heeft hij u geslagen?

A: Eén keer bij de voordeur en ook in de slaapkamer heeft hij me nog een klap in mijn gezicht gegeven, tijdens het geworstel. Dit deed hij terwijl ik op de grond lag.

Ik probeerde overeind te komen en toen kreeg ik een klap tegen mijn borst aan. Als gevolg van deze klappen ligt mijn ondergebit in tweeën en heb ik erg veel pijn aan mijn borst.

V: In het ziekenhuis heeft u het ook over een gordijn gehad. Wat gebeurde daar mee?

A: Ik was zo benauwd. Ik wilde naar het raam toe om hulp te roepen. Ik was met die man in gevecht. Ik heb toen het gordijn voor het raam vandaan getrokken.

V: U heeft ook verwondingen aan uw handen?

A: Ja, drie vingers zijn verbonden. 2 van de vingers hadden “flappen” zeiden ze in het ziekenhuis. 1 van de vingers is genaaid, de andere is met hechtpleisters gedicht.

In mijn gezicht heb ik ook diverse wondjes.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015158193-V01-02, d.d. 18 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Het is 4 juni 2015. Ik heb aangeklopt. Dan gaat de deur open. Ik had de tape bij mij om haar handen vast te tapen. Het slachtoffer deed de deur open, ik riep toen 'ik wil geld'. Ik kreeg op dat moment direct een klap in mijn gezicht. Ik stond toen in de hal. Ik wilde mijn rugzak pakken om de tape eruit te halen, maar dat lukte niet. De vrouw pakte mijn tas af, ik wilde de tas weer terug en probeerde de tas weer te pakken. Wij kwamen al worstelend in de slaapkamer terecht. De vrouw liet de tas niet los. Ik schreeuwde nogmaals dat ik geld wilde en dan weg zou gaan. Ik wilde mijn tas terug. De vrouw lag op dat moment op de grond op haar buik. Zij draaide haar om en ik heb haar met mijn rechterhand weer terug naar de grond geduwd. Op dat moment liet ze mijn tas los en ben ik de woning uitgerend. Ik ben richting mijn fiets gerend die ik verderop in de bosjes had achtergelaten. Ik ben richting de wijk [wijknaam] gefietst en toen ben ik onder de brug van de rondweg gestopt en heb ik mijn fiets in het water gegooid. Ik ben toen naar mijn auto gelopen. Toen ik bij mijn auto was heb ik mij omgekleed. De kleding en de schoenen die ik tijdens de overval droeg heb ik los in de kofferbak van mijn auto gegooid. Ik ben in mijn auto gestapt en weggereden.

De volgende dag heb ik de kleding die ik had gedragen tijdens de overval mee naar mijn werk genomen en de blauwe Marne college rugzak. Ik moest die dag in [plaats] werken.

[medeverdachte] heeft de kleding op de steiger kapot gesneden; de pet, de schoenen, de bivakmuts, de handschoenen, de jas de broek en de trui. Het was [medeverdachte] zijn idee om de kleding kapot te snijden en in de container te gooien. Ik heb de kleding in een afvalbak gegooid die daar in de grond staan.

De dag van de overval heeft [medeverdachte] mij nog gebeld op mijn mobiele telefoon.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 4 juni 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Súdwest-Fryslân, in een woning, te weten in een woonark gelegen aan [adres] , aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevooroordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan [slachtoffer] , meermalen, in elk geval eenmaal, op de deur van de woonark van [slachtoffer] geklopt en nadat [slachtoffer] de deur had geopend, [slachtoffer] heeft beetgepakt of vastgegrepen en in het gezicht heeft geslagen en vervolgens [slachtoffer] door die woonark naar de slaapkamer heeft gesleurd en [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, heeft toegevoegd: "Overval! Geld, geld!" en "Geld! Geld! Ik schiet je dood!", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting een gemotiveerd beroep op vrijwillige terugtred gedaan en daarmee bepleit dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft bestreden dat er sprake was van een vrijwillige terugtred, nu er niet alleen sprake was van een voltooide poging maar dat ook onvoldoende aannemelijk is dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van de wil van de dader.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voorop, dat op grond van rechtspraak voor de beoordeling van een beroep op vrijwillige terugtred mede bepalend is of er sprake is geweest van een, geheel of in overwegende mate tot de spontane wil van de verdachte te herleiden, besluit. Indien en voor zover externe factoren aan dit besluit hebben bijgedragen komt betekenis toe aan de onderlinge verhouding tussen deze factoren en de besluitvorming van de verdachte, in die zin dat de mate waarin deze nog over beslisruimte beschikte, bepalend is voor het vrijwillige karakter van diens terugtred.

Voorts komt betekenis toe aan de aard en de intensiteit van de bewezen verklaarde uitvoeringshandelingen. Deze kunnen een zodanig karakter hebben dat van enige vorm van terugtred geen sprake meer kan zijn, dan wel dat eisen gesteld moeten worden aan de wijze waarop de verdachte intreding van de gevolgen of voltooiing van het delict verhindert.

De rechtbank is uit bovenstaande bewijsmiddelen gebleken dat verdachte niet al bij de deur het voornemen heeft geuit om de poging tot de overval te doen stoppen. Uit de verklaring die verdachte heeft afgelegd bij de politie en de aangifte blijkt immers dat verdachte ook nog op het moment dat hij zich met het slachtoffer in de slaapkamer bevond heeft geroepen 'geld, geld!'. Op het moment dat hij merkte dat hij het geld niet van het slachtoffer kreeg, maar dat zij verzet bleef plegen heeft hij ervoor gekozen om weg te gaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onvoltooid blijven van het delict niet zozeer geheel of in overwegende mate is te danken aan een tot de spontane wil van de verdachte te herleiden besluit, maar vooral aan de rol van het slachtoffer te danken is. Dit brengt met zich mee dat een beroep op vrijwillige terugtred faalt.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op:

Primair: Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage door het Leger des Heils, Jeugdbescherming en reclassering d.d. 7 augustus 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. De verdachte heeft samen met de medeverdachte een plan gemaakt om de buurvrouw van de medeverdachte af te persen, omdat in haar woonark veel geld zou liggen. Verdachte is naar de woonboot gegaan en is de woonboot binnengedrongen nadat het slachtoffer de deur had open gedaan, omdat hij op de deur had geklopt. In de woonboot heeft verdachte door middel van geweld en bedreiging met geweld geprobeerd om het slachtoffer ertoe te bewegen om geld aan hem te geven. Dit laatste is hem niet gelukt.

De verdachte heeft door zijn handelen geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van het slachtoffer. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen geldelijke gewin en daarbij een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid dat het slachtoffer in haar eigen woning zou moeten hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hier nog lang lichamelijke en psychische klachten van ondervinden. Dat dit ook het onderhavige geval zo is, is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring en het voegingsformulier van het slachtoffer. Hieruit blijkt dat haar vertrouwen in de medemens ernstig is geschaad en zij nog steeds gevoelens van angst ervaart. Met name de omstandigheid dat haar eigen buurman één van de daders is, heeft voor veel angst bij haar gezorgd.

De rechtbank zoekt voor de strafoplegging aansluiting bij het oriëntatiepunt van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) voor een overval in een woning. Het uitgangspunt betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat de afpersing niet is voltooid, maar dat desondanks de impact bij het slachtoffer niet minder is geweest omdat er wel licht geweld is gebruikt. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat de uitvoering door één persoon heeft plaatsgevonden.

De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat verdachte volgens het uittreksel van de justitiële documentatie geen relevante documentatie heeft.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de volgende straf. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal zij niet zoals is geëist door de officier van justitie bijzondere voorwaarden koppelen. Zij ziet hier, evenals is geadviseerd door de reclassering, geen aanleiding toe. Daarbij is van belang dat verdachte het slachtoffer niet kent, niet bij haar in de buurt woont en niet van zins lijkt het slachtoffer tegen haar wil te zullen benaderen alsmede dat het slachtoffer zelf heeft aangegeven vooral angst te ervaren van het feit dat haar buurman betrokken was bij het onderhavige strafbare feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal voorts bepalen dat verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.770,71 (zegge: tweeduizendzevenhonderdenzeventig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.770,71 (zegge: tweeduizendzevenhonderdenzeventig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 395,71 aan materiële schade en € 2.375,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2015.

w.g.

Wiersma

Jansen de Wit

de Vries-Haitsma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,locatie Leeuwarden,