Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5816

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
18.850070-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachte vrij van drugshandel, export van drugs en deelname aan een criminele organisatie. Verdachte wordt ter zake medeplegen van afpersing veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63, 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850070-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 14 december 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 november 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2014 tot en met 23 september 2014, in de gemeente Groningen en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland (onder meer naar Duitsland) heeft gebracht, (een)

hoeveelheid/hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties

zijn toegevoegd en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2014 tot en met 23 september 2014, in de gemeente Groningen en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet in de uitoefening van een

beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt,

verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, (een)

hoeveelheid/hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties

zijn toegevoegd en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

3.

hij in omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 september 2014,

in de gemeente Groningen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en (onder

meer) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in

artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, te weten:

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk

telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of

vervoeren van hoeveelheden hennep, en/of

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van grote

hoeveelheden, althans hoeveelheden, hennep, en/of

- het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep;

4.

hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2013 tot en met 17 mei 2013, in de

gemeente(n) Menterwolde en/of Oldambt en/of Groningen, althans in het

arrondissement Groningen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of

meer personenauto's (merk: Renault, type: Clio en/of merk: Audi, type: A3)

en/of een telefoon en/of kentekenbewijzen, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat (zakelijk weergegeven) hij met

de Renault Clio naar [plaats 1] moest komen, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] een vuurwapen heeft/hebben getoond, en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd dat hij de

kentekenbewijzen van de Renault moest ophalen en als hij dat niet zou doen

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn moeder zou(den) vermoorden, en/of

- die [slachtoffer 1] mee heeft/hebben genomen in een auto en/of (vervolgens) uit

die auto heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens) met een stroomstootwapen

een of meer stroomstoten heeft/hebben gegeven en/of meermalen, althans

eenmaal, heeft/hebben geschopt en/of geslagen, en/of

- een of meer vuurwapens heeft/hebben gericht op en/of getoond aan die van

[slachtoffer 1] , en/of

- met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "we willen

20.000 euro of anders schieten we je dood" en/of "we willen 20.000 euro of

anders vermoorden we je moeder", althans (telkens) woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 ten laste gelegde en dat het onder 2 en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Uit de combinatie van de in het dossier aanwezige tap- en OVC-gesprekken is het bewijs te destilleren voor de handel in softdrugs in de periode van 1 juni tot 23 september 2014. Op grond van de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de medische verklaring betreffende [slachtoffer 1] , de analyse van de telefoonnummers en de camerabeelden van [hotel] kan de onder 4 ten laste gelegde afpersing met geweld en bedreiging met geweld worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat uit de inhoud van de tap- en OVC-gesprekken niet blijkt dat er sprake is van concrete verkoop, aflevering of vervoer van drugs. Er wordt veel gesproken over de verkoop van spullen, maar nergens blijkt dat men die spullen heeft gehad. Uit niets blijkt van een concrete handeling. De stemherkenningen deugen bovendien niet.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangever [slachtoffer 1] ongeloofwaardig is. Het verhaal dat [slachtoffer 1] rond zijn aanhouding heeft verteld over het ontstaan van zijn schuld en de manier waarop hij aan de wiet komt, is overduidelijk uit zijn dikke duim gezogen. Kennelijk zit [slachtoffer 1] zelf in de wiet en heeft hij op een hele andere wijze grote schulden opgebouwd. Mogelijk moest hij aan zijn moeder verklaren waarom hij haar auto's had afgestaan. Bovendien is het opvallend dat in het eerste verhoor na zijn aanhouding spontaan de vraag wordt gesteld "Wie is [verdachte] ?". Die vraag komt op dat moment volledig uit de lucht vallen. Op dat moment is voor [slachtoffer 1] duidelijk dat de politie geïnteresseerd is in verdachte en dat, als hij ooit in de problemen komt en met informatie over verdachte kan komen, hij op gewillige toehoorders kan rekenen en de aandacht van zichzelf zou kunnen afleiden.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht ook het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen, nu op grond van de tap- en OVC-gesprekken niet is vast te stellen dat er gedurende de ten laste gelegde periode een concrete handeling met betrekking tot softdrugs, zoals ten laste gelegd, heeft plaatsgevonden.

Dit betekent dat verdachte ook van dit feit zal worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 4 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 18 mei 2013 opgenomen op pagina 99 e.v. van dossier nummer 2013049123 (onderzoek Marenne) d.d. 30 oktober 2013 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

Gisteren heeft [verdachte] contact met mij opgenomen. Of ik die avond naar [plaats 1] kon komen. Ik ben toen met de witte Audi van mijn moeder naar de carpoolplaats gereden. Dat was om ongeveer 00.30 uur/01.00 uur. Er kwamen twee auto's aan rijden, een zwarte Golf 6 en een donkerkleurige Seat. Achter het stuur van de Golf zat [persoon 1] (een hele lange Marokkaanse jongen) en [verdachte] zat op de bijrijdersstoel. [verdachte] zei mij in te stappen in de Golf. Naast mij, achterin, zat een donkere negroïde man. In de Seat zaten drie mannen. Ik weet dat [persoon 2] in die auto zat. Wij zijn een landweggetje in gereden, richting [plaats 2] . Daar zijn ze gestopt. [persoon 1] trok mij uit de auto en gaf mij twee keer een stroomstoot met een stroomstootwapen in mijn linkerzij. Ik werd getrapt en geslagen door wel vijf man. Daarbij waren in ieder geval [verdachte] , de negroïde jongen en [persoon 1] . Ik moest 20.000 euro betalen anders gingen ze mijn moeder vermoorden. Tussendoor werd ik bedreigd met drie pistolen. [verdachte] had een pistool, [persoon 1] had een pistool en volgens mij de negroïde man. Ik heb ook met een pistool een klap achter mijn rechteroor gekregen. Daar heb ik nu een fractuur in mijn schedel.

Ik heb kennelijk de sleutels van de Audi losgelaten. Ze hebben zeker een kwartier naar die sleutels lopen zoeken. Ik moest helpen zoeken. Dit ging gepaard met weer behoorlijk slaan en schoppen, met bedreigen met het pistool. Ik kreeg het pistool weer tegen mijn hoofd aan. Dat hebben ze zeker 6 à 7 keer gedaan. Ze zeiden daarbij dat wanneer het geld niet kwam ze mij zouden doodschieten.

[persoon 1] heeft de Audi meegenomen. Ik zou die terug krijgen wanneer ik die 20.000 euro aan hun geef. Zodra ik de 20.000 euro had moest ik hun sms'en. Ik heb van hun een telefoon gekregen waarmee ik dan moet sms'en.

Een schriftelijk stuk, te weten een formulier "opvragen medische informatie" betreffende

[slachtoffer 1] , opgenomen op pagina 139 en 140 van voornoemd dossier, op 29 mei 2013 ingevuld door een chirurg van het UMCG, inhoudende:

Welk(e) letsel(s) dan wel afwijking(en) heeft u op 17 mei 2013 bij betrokkenen geconstateerd?

1. fractuur in neus bij holte links, doorlopend in zenuw kanaal → gevoelsstoornissen in

bovenlip en tanden;

2. trommelvliesperforatie met gehoorverlies;

3. vele kneuzingen hoofd + borst.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 17 mei 2013, opgenomen op pagina 141 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] :

[slachtoffer 1] is mijn zoon. Gistermiddag kwam [slachtoffer 1] de auto halen, de Audi. Omstreeks drie uur, vier uur vannacht hoorde ik [slachtoffer 1] bij de achterdeur schreeuwen "Mam, mam!" Ik hoorde dat er paniek was. Hij zei: "Sorry mama, sorry. Ze willen twintigduizend. Ze hebben wapens. Ze hebben geweren." Toen zei hij: "Ze hebben me in elkaar geslagen. Ze hebben de auto!" Toen zat hij weer te huilen. Ik vroeg hoe. [slachtoffer 1] zei: "Ze waren met twee auto's, vol met Marokkanen." Hij moest bij hun in de auto en toen hebben ze direct bij hem met zo'n schokding gedaan en in elkaar getrapt.

[slachtoffer 1] heeft aan de agenten verteld dat hij in [plaats 1] was en bedreigd werd met pistolen. Hij kende twee van naam, twee Marokkanen. En er was een neger bij.

V: Welke namen heeft hij genoemd?

A: [verdachte] [naam 1] ? [naam 2] ? Zoiets. En [persoon 2] . Maar dat was zijn bijnaam. En [persoon 3] (fonetisch) stond erbij.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 17 mei 2013, opgenomen op pagina 236 e.v. van dossier II, inhoudende de verklaring van [persoon 4] :

Ik was op 16 mei 2013 bij mijn vriendin [slachtoffer 2] . Tegen half drie of drie uur maakte [slachtoffer 2] mij wakker. Ze zei dat [slachtoffer 1] mishandeld was. Ik zag dat [slachtoffer 1] rode vlekken in zijn gezicht had, dat hij een dikke lip had en dat hij aangeslagen en dizzy was. Er lag een washandje waar bloed aan zat. [slachtoffer 1] zei tegen zijn moeder dat haar auto weg was. Hij had deze van zijn moeder geleend. [slachtoffer 1] zei dat die jongens de auto hadden meegenomen. [slachtoffer 1] zei tegen zijn moeder dat hij een telefoontje gekregen had waarmee hij kon sms'en. Hij moest een bedrag van volgens mij 20.000 euro betalen aan die jongens. Hij kon daarover een afspraak maken met dat telefoontje.

[slachtoffer 1] zei tegen [slachtoffer 2] dat zij de politie niet mocht bellen omdat de jongens gedreigd hadden dat zij [slachtoffer 1] zijn moeder zouden doodschieten als de politie ingeschakeld werd. Ik zag dat [slachtoffer 1] erg bang was. Dat zag ik aan zijn houding en aan zijn praten. Ik zag dat hij een stevig pak slaag had gehad.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2013, opgenomen op pagina 189 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Ik heb contact gezocht met [hotel] te [plaats 1] teneinde de camerabeelden van de bewakingscamera op het parkeerterrein te kunnen verkrijgen.

Op 22 mei 2013 heb ik de camerabeelden bekeken. Het betrof hier beelden van de camera die gericht is op de inrit naar de parkeerplaats gelegen voor het [hotel] .

Op de beelden van 17 mei 2013 zag ik dat om 00:56 uur een tweetal voertuigen de inrit van het [hotel] op komt rijden. Het voorste voertuig is een donker kleurige Volkswagen Golf en het tweede voertuig is een donker kleurige Seat Ibiza. Deze voertuigen rijden de parkeerplaats van het [hotel] op en rijden uit het zicht van de camerabeelden. Om 01:01 uur verlaten deze voertuigen de parkeerplaats van het [hotel] weer en rijden zij linksaf in de richting van de carpoolplaats.

Om 01:28 uur rijdt een donker kleurige Volkswagen Golf de inrit van het [hotel] op, rijdt hier een paar meter in, keert het voertuig en rijdt weer weg de inrit af in de richting van de carpoolplaats te [plaats 1] .

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2013, opgenomen pagina 664 e.v. van dossier II, inhoudende de relatering van verbalisant:

In het onderzoek Marenne zijn meerdere historische verkeersgegevens opgevraagd. Onder meer zijn de historische verkeersgegevens opgevraagd van de volgende telefoonnummers:

- [telefoonnummer 1] , in gebruik bij aangever [slachtoffer 1]

- [telefoonnummer 2] , in gebruik bij verdachte [slachtoffer 1] (door de verdachten overhandigde

telefoon)

- [telefoonnummer 3] , in gebruik bij de verdachten (nummer “T”)

Hieronder volgt de analyse van de verschillende telefoonnummers. Hieruit blijkt ook wie gebruik maakt van de hierboven genoemde telefoonnummers. Voor de leesbaarheid van dit proces-verbaal zijn de geanalyseerde telefoonnummers gevolgd door de gebruiker. Hiervoor zijn de volgende afkortingen gebruikt:

[initialen slachtoffer 1] = [slachtoffer 1] [slachtoffer 1]

X = telefoonnummer door de verdachten overhandigd aan [slachtoffer 1]

T = telefoonnummer welke door X gebeld moest worden

De aangever [slachtoffer 1] verklaarde dat hij op 17 mei 2013 op of rond 01.00 uur van de verdachten die hem beroofden een mobiele telefoon had gekregen. Uit onderzoek van deze telefoon bleek dat deze was voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In deze telefoon stond een nummer voorgeprogrammeerd onder de letter “T”. Na onderzoek bleek achter de letter “T” het telefoonnummer [telefoonnummer 3] te zitten.

Uit de historische verkeersgegevens van beide nummers blijkt dat ze op 14 mei 2013 voor het eerst in gebruik zijn genomen. “T” om 15.47 uur en “X” om 15.49 uur. Beiden stralen dan de Cellid KPN-12049 aan. Deze Cellid bevindt zich op de mast, die gevestigd is aan [adres 1] te Groningen. Deze Cellid geeft dekking aan onder meer de [adres 2] te [plaats 3] (woning van de moeder van verdachte [verdachte] ).

Ten tijde van de ingebruikname van de telefoonnummers “T” en “X” bevindt het telefoonnummer “ [initialen slachtoffer 1] ” zich in de directe nabijheid van deze telefoonnummers.

Uit de historische verkeersgegevens van “ [initialen slachtoffer 1] ” en X” blijkt dat beide telefoonnummers vanaf 14 mei 2013 te 15.49 uur tot aan 17 mei 2013 omstreeks 01.00 uur voortdurend in elkaars nabijheid zijn. Beide telefoons begeven zich langere tijd in het gebied waar [slachtoffer 1] woont en waar zijn vriendin woont.

Vanaf 14 mei 2013 te 16.40 uur zijn de telefoonnummers “T” en “X” niet meer in elkaars nabijheid. Het telefoonnummer “T” verplaatst zich naar [plaats 4] en [plaats 5] .

Op 16 mei 2013 om 23.22 uur stralen nummer “X” en nummer ”T” beiden een mast aan, gevestigd aan [adres 3] te [plaats 6] . Om 23.40 uur stralen beide nummers een mast aan gelegen aan de [adres 4] te [plaats 6] . Vervolgens straalt nummer “T” op 17 mei 2013 te 00.39 uur een mast aan, gevestigd aan het [adres 5] te [plaats 3] , terwijl nummer “X” op dat moment een mast aanstraalt aan [adres 6] te [plaats 7] .

Daarna stralen beide telefoonnummers op 17 mei 2013 te 00.57 uur de mast aan gevestigd aan [adres 7] te [plaats 1] . Hierbij stralen zij ook beide dezelfde Cellid aan.

Om 01.01 uur is de laatste activiteit van nummer “T”. Op 15 mei 2013 om 23.20 uur straalt het telefoonnummer “T” Cellid KPN-47992 gevestigd aan [adres 8] te [plaats 5] aan. Deze Cellid geeft dekking aan de opnamestudio’s van [programma] . Uit beschikbare beelden van [programma] van 15 mei blijkt dat [verdachte] inderdaad aanwezig is bij [programma] . Uit bovenstaande blijkt dat [verdachte] in het bezit was van het telefoonnummer “T”.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten door geweld en bedreiging met geweld aangever [slachtoffer 1] hebben gedwongen tot de afgifte van een Audi A3.

Dat [slachtoffer 1] ook is gedwongen tot afgifte van een Renault Clio, een telefoon en kentekenbewijzen, acht de rechtbank niet bewezen, nu de verklaring hieromtrent van [slachtoffer 1] niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaring die [slachtoffer 1] heeft afgelegd omtrent de afgifte van de Audi A3 acht de rechtbank betrouwbaar, nu die wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

4.

hij op 17 mei 2013 in het arrondissement Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto (merk: Audi, type: A3), toebehorende aan [slachtoffer 2] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- die [slachtoffer 1] mee hebben genomen in een auto en vervolgens uit die auto hebben

getrokken en vervolgens met een stroomstootwapen stroomstoten hebben gegeven en

meermalen hebben geschopt en geslagen, en

- vuurwapens hebben gericht op en/of getoond aan die [slachtoffer 1] , en

- met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben geslagen, en

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden hebben toegevoegd: "We willen 20.000 euro of anders

schieten we je dood" en "We willen 20.000 euro of anders vermoorden we je moeder".

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

4. medeplegen van afpersing.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in verband met de door hem bepleite vrijspraak geen standpunt omtrent de strafoplegging ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben aangever door geweld en bedreiging met geweld gedwongen om een auto van zijn moeder af te geven. Daarbij zijn vuurwapens gebruikt en is aangever zodanig mishandeld, dat hij onder meer een gebroken neus en een trommelvliesperforatie heeft opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarnaast versterken zulke feiten niet alleen de gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit feit ernstig aan en acht het opleggen van een aanzienlijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, laatstelijk op 10 juni 2015 onherroepelijk is veroordeeld. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor drugs gerelateerde strafbare feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd van na te noemen duur. Omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, zal zij een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 december 2015.