Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5661

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
18.730093-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 312 Wetboek van Strafrecht.

Geen toepassing artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt tot de conclusie dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet vastgesteld kan worden dat het bewezenverklaarde verdachte niet kan worden toegerekend, zodat verdachte als een strafbare dader moet worden beschouwd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730093-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 juli 2015 en 29 september 2015.

Verdachte is ter terechtzitting van 2 juli 2015 verschenen en heeft afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting van 29 september 2015 te verschijnen.

Bij de terechtzitting van 2 juli 2015 is verdachte bijgestaan door mr. W. Boonstra, advocaat te Leeuwarden. Bij de zitting van 29 september 2015 heeft voornoemde raadsman verklaard uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 29 september 2015 vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 maart 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Leeuwarden, op of aan de openbare weg [straat] , althans een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets en/of een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- plotseling op [slachtoffer] is afgelopen en/of (vervolgens)

- [slachtoffer] (stevig) bij haar arm heeft vastgepakt en/of (vervolgens)

- ( daarbij) [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ga van die fiets af, vieze hoer" en/of "Geef hier die fiets" en/of (vervolgens)

- aan het stuur van de fiets van [slachtoffer] heeft getrokken waardoor [slachtoffer] ten val kwam, althans [slachtoffer] ten val heeft gebracht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte;

- opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0100-2015086653-1, d.d. 26 maart 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 maart 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Leeuwarden, op of aan de openbare weg de [straat] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets en een tas toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte

- plotseling op [slachtoffer] is afgelopen en vervolgens

- [slachtoffer] (stevig) bij haar arm heeft vastgepakt en vervolgens

- daarbij [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ga van die fiets af, vieze hoer" en "Geef hier die fiets" en vervolgens

- aan het stuur van de fiets van [slachtoffer] heeft getrokken waardoor [slachtoffer] ten val kwam.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, nu het feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. Dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar verklaard dient te worden baseert de officier van justitie op de diverse rapporten in samenhang bezien met het gedrag van verdachte zoals dat uit het dossier naar voren komt.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel rechtbank

In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald dat hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, niet strafbaar is.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij verdachte sprake is van forse psychische- en verslavingsproblematiek. Hierin kan aanleiding worden gevonden voor de veronderstelling dat mogelijk sprake is van (gedeeltelijke) ontoerekeningsvatbaarheid. Ter terechtzitting van 2 juli 2015 heeft de rechtbank bepaald dat er een rapport moet worden opgemaakt door twee gedragsdeskundigen, in het licht van een mogelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft vervolgens geweigerd om mee te werken aan een onderzoek door de psychiater en de psycholoog.

Als gevolg van de weigering van verdachte medewerking te verlenen aan het onderzoek zijn de deskundigen niet in staat gebleken om een eventuele gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens vast te stellen. Dat daar sprake van is kan de rechtbank in deze zaak ook niet vaststellen op grond van eerder opgemaakte rapportages, het proces-verbaal van politie of andere informatie die over de persoon van de verdachte ter terechtzitting naar voren is gekomen. De inhoud van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen biedt daartoe onvoldoende grondslag.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet vastgesteld kan worden dat het tenlastegelegde en bewezenverklaarde verdachte niet kan worden toegerekend, zodat verdachte als een strafbare dader moet worden beschouwd.

Gelet op de relatief bezien geringe ernst van het feit en het strafvorderlijk belang bij afdoening van de zaak, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het laten uitvoeren van klinische observatie en diagnostiek. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken dat verdachte tot nu toe heeft geweigerd mee te werken aan onderzoek door deskundigen, alsmede dat zijn raadsman ter terechtzitting heeft aangegeven dat verdachte gebaat is bij afdoening.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar nu haar niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de rapportage d.d. 2 september 2013 van het psychologisch onderzoek van drs. J.A.M. Gresnigt, de rapportage d.d. 15 september 2015 van het psychiatrisch onderzoek van drs. P. Bokšan, het trajectconsult d.d. 5 juni 2015, het beknopte reclasseringsadvies d.d. 7 april 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof met licht geweld. Hij heeft hiermee gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen blijkt uit de rapportages die omtrent de persoon van verdachte zijn opgemaakt, dat er bij verdachte sprake is van forse psychische- en drugsproblemen.

De rechtbank zal niet gelasten dat verdachte voor de termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst zoals dit is geëist door de officier van justitie.

Artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat de rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar, indien hij gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

Zoals hiervoor is overwogen, kan de rechtbank niet vaststellen dat het bewezenverklaarde verdachte niet kan worden toegerekend vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Dit brengt mee dat het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, zoals gevorderd door de officier van justitie, niet tot de mogelijkheden behoort.

De rechtbank ziet op grond van de rapporten geen passende strafrechtelijke oplossing voor de psychische en verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank acht een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor een straatroof met licht geweld. Deze oriëntatiepunten houden een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden in. Strafvermeerderend is dat verdachte volgens het uittreksel van de justitiële documentatie eerder is veroordeeld voor diefstallen. Strafverminderend acht de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf conform de oriëntatiepunten passend en zal zij verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd die hij heeft doorgebracht in voorarrest.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2015.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

de Wit

locatie Leeuwarden,

de Vries-Haitsma