Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5660

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
18.830187-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf, grotendeels voorwaardelijk, en maximale taakstraf voor uitgaansgeweld en het beledigen van politieambtenaren. Verdachte heeft in ruim een maand tijd een drietal mensen in het uitgaansleven van (pleegplaats) mishandeld. Eén van hen heeft hij zeer hard, van achteren, onverhoeds tegen het hoofd geslagen, waardoor hij op de grond viel en enige tijd buiten bewustzijn was, hetgeen een poging tot zware mishandeling oplevert. Verdachte krijgt onder meer een verplichte behandeling, een alcoholverbod en een gebiedsverbod voor het uitgaansgebied in de nachtelijke uren opgelegd als bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 266,267,300,302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/830187-15 en 18/151134-14 (vordering tenuitvoerlegging)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

5 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 september 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.I. de Ruiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

een persoon, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] (onverhoeds en/of van achteren) (met

kracht) op/tegen het hoofd en/of gezicht heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 juni 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] (onverhoeds en/of van

achteren) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of gezicht te stompen of te slaan;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2015 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Groningen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte:

- [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt en/of

- [slachtoffer 3] tegen het (linker)been geschopt en/of getrapt

en/of

- [slachtoffer 4] in/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt;

3.

hij op of omstreeks 14 mei 2015 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Groningen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (agent van politie),

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in

zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem (meermalen) de

woorden toe te voegen: "Flikker" en/of "Kankerlijer" en/of "Klootzak", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daarbij met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat er gezien de omstandigheden waaronder verdachte de klap uitdeelde sprake is van een poging tot zware mishandeling.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde aangevoerd dat er voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling een aanmerkelijke kans moet worden vastgesteld dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel op zou lopen door het handelen van verdachte. En die aanmerkelijke kans is er niet zonder meer. Voorwaardelijk opzet kan daarom niet worden bewezen.

Beoordeling van het bewijs

FEIT 1

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde acht geslagen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

De door verdachte op de terechtzitting van 21 september 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt wat ik heb verklaard bij de politie. Ik ben te zien op die beelden en heb die man geslagen.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2015, opgenomen op p. 21 e.v. van dossier nummer PL0100-2015174803 d.d. 26 juni 2015, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik was vannacht, vrijdag 19 juni 2015, op stap in [pleegplaats] . Ik kan mij niets herinneren van wat er gebeurd is. Op de camerabeelden die de politie mij laat zien zie ik mijzelf lopen. Ik draag een wit hemd, een lichtblauw vest en een donkerblauw jack. Ik zie dat er een jongen met een rode trui achter mij loopt. Ik zie dat hij op mij af rent en mij vervolgens een zeer harde klap van achteren op mijn hoofd geeft. Ik zie dat zijn vuist mij aan de rechterzijde van mijn hoofd raakt. Ik zie dat ik daarna hard op de andere kant van mijn hoofd op de grond val. Nu weet ik waarom ik in het ziekenhuis was.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2015, opgenomen op p. 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op vrijdag 19 juni 2015 heb ik camerabeelden uitgekeken van het incident van afgelopen nacht. Op de beelden is te zien dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] samen met twee andere mannen in de [straat] staat om 5:05 uur. Ik zie dat er twee personen langslopen, nader te noemen slachtoffer en zijn neef. Om 5:06 uur zie ik dat er twee collega's langsfietsen. Op het moment dat de politieagenten geen zicht meer hebben op [verdachte] zie ik dat [verdachte] zijn glas overgeeft aan een van de andere mannen. Vervolgens zie ik dat hij in de richting van het slachtoffer loopt en zijn capuchon op zet. Vervolgens zie ik dat hij begint te rennen en met zijn rechterhand zeer hard tegen het hoofd van het slachtoffer aan slaat. Ik zie dat door de harde klap het slachtoffer hard op de andere kant van zijn hoofd ten val komt op straat en blijft liggen.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank overweegt daartoe dat in het algemeen het geven van een enkele harde klap of vuistslag niet zonder meer kan worden aangemerkt als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bij de beoordeling van de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, dienen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht te worden betrokken. De gedraging betreft in dit geval een zeer harde vuistslag tegen het hoofd. Een dergelijke vuistslag kán zwaar lichamelijk letsel veroorzaken nu het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is. De omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht zijn in dit geval aldus dat het slachtoffer nietsvermoedend op straat liep en plotseling door verdachte, zonder dat hij dit kon zien aankomen, van achteren zeer hard tegen zijn hoofd werd geslagen. Verdachte nam daarbij zelfs, zo is op de beelden te zien, nog een korte aanloop. Ten gevolge van die zeer harde slag viel het slachtoffer onmiddellijk tegen de harde straat. Onder deze omstandigheden bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Doordat verdachte zo heeft gehandeld heeft hij die kans ook bewust aanvaard.

FEIT 2

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2015, opgenomen op p. 3 e.v. van dossier nummer PL0100-2015140413 d.d. 28 mei 2015 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2015, opgenomen op p. 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] ;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2015, opgenomen op p. 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

FEIT 3

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 22 mei 2015, opgenomen op p. 11 e.v. van dossier nummer PL0100-2015140413 d.d. 28 mei 2015 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] .

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 19 juni 2015, te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet [slachtoffer 1] (onverhoeds en van achteren) met kracht tegen het hoofd heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 14 mei 2015 te [pleegplaats] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte:

- [slachtoffer 2] in het gezicht geslagen en

- [slachtoffer 3] tegen het (linker)been geschopt en

- [slachtoffer 4] in het gezicht geslagen;

3.

hij op 14 mei 2015 te [pleegplaats] , opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (agent van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem meermalen de woorden toe te voegen: "Flikker" en "Kankerlijer" en "Klootzak".

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. primair: poging tot zware mishandeling;

  2. mishandeling, meermalen gepleegd;

  3. eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 222 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte dienen bijzondere voorwaarden te worden verbonden, inhoudende een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een alcoholverbod en een gebiedsverbod voor de [pleegplaats] binnenstad, een en ander in combinatie met elektronisch toezicht voor de duur van vier maanden. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat het recidiverisico hoog is en dat verdachte zich goed heeft gedragen gedurende de tijd dat de voorlopige hechtenis is geschorst. Het is daarom goed dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Een werkstraf behoort volgens de officier van justitie niet tot de mogelijkheden nu artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) daar aan in de weg staat.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf die voor wat betreft het onvoorwaardelijk gedeelte de duur van het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat. Verdachte is nu intrinsiek gemotiveerd voor behandeling en begeleiding en als hij opnieuw de gevangenis in moet, raakt hij hoogstwaarschijnlijk zijn woning kwijt. Er bestaat geen bezwaar tegen een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering. Verdachte wil zich daar aan houden. De raadsman heeft verzocht geen elektronisch toezicht als voorwaarde op te leggen en om het gebiedsverbod te beperken tot de nachtelijke uren. Ook kan er volgens de raadsman wel een werkstraf worden opgelegd, waarbij hij zich voor wat betreft het aantal uren gerefereerd heeft aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, in het uitgaansleven van [pleegplaats] , uit het niets een man hard op zijn hoofd geslagen, waardoor deze man op de straat viel en enige tijd bewusteloos bleef liggen. De man werd daarna afgevoerd naar het ziekenhuis en verdachte mag van geluk spreken dat de man geen ernstiger letsel heeft overgehouden aan de harde klap en de val die daarvan het gevolg was. Daarnaast heeft verdachte op een ander moment, eveneens in het uitgaansleven, drie andere personen mishandeld. Toen hij naar aanleiding daarvan werd aangehouden, schold hij een politieagent uit, hetgeen belediging oplevert. Verdachte heeft daarmee aangetoond zich niet te bekommeren om de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen.

De rechtbank acht voor dergelijke feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend. Echter, door de reclassering is aangegeven dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft gedragen, dat hij een meewerkende houding heeft en dat hij gemotiveerd is om zijn leven een andere wending te geven. Verdachte heeft bovendien tijdens een eerder door de rechtbank opgelegd toezicht laten zien dat hij zich goed weet te gedragen wanneer hij wordt begeleid door de reclassering. De reclassering acht het recidiverisico hoog, met name wanneer verdachte alcohol nuttigt. Verdachte heeft zelf ook bevestigd dat zijn problemen vaak voortkomen uit het gebruik van alcohol. De rechtbank acht het voor het voorkomen van recidive, al deze omstandigheden in aanmerking nemend, van belang dat verdachte doorgaat met het nu ingezette behandelings- en begeleidingstraject. Om dit traject niet te onderbreken, zal de rechtbank het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf beperken tot de duur van het door hem reeds ondergane voorarrest, en de rest in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk gedeelte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, met uitzondering van het elektronisch toezicht. Door de reclassering is ter terechtzitting aangegeven dat dit geen toegevoegde waarde meer heeft en dat het verdachte onnodig beperkt in het contact met zijn dochter. De rechtbank zal, naast de geadviseerde voorwaarden, ook een gebiedsverbod opleggen, nu verdachte zich al meerdere malen heeft misdragen in de binnenstad waarvan het overige uitgaanspubliek de dupe is. Dit verbod houdt in dat verdachte zich gedurende de uren waarin zich het uitgaansleven van [pleegplaats] gewoonlijk afspeelt niet in de binnenstad van [pleegplaats] mag begeven. Verdachte heeft aangegeven zich aan al deze voorwaarden te willen houden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten een poging tot zware mishandeling en het meermalen plegen van mishandeling. Gelet op de inschatting van de reclassering dat het recidiverisico hoog is, dat verdachte zich al eerder heeft schuldig gemaakt aan het plegen van agressieve delicten, en dat hij ook nu weer tot twee keer toe in ruim een maand tijd meerdere personen heeft mishandeld, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Tevens zal de rechtbank om deze reden een langere proeftijd dan te doen gebruikelijk aan verdachte opleggen, te weten vijf jaren.

De rechtbank overweegt tot slot dat zij de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld zodanig ernstig acht, waarbij met name de poging tot zware mishandeling veel gewicht in de schaal legt, dat daarvoor niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest. De rechtbank zal daarom daarnaast een taakstraf opleggen voor de maximale duur. Dit is, anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, ook op grond van artikel 22b Sr toegestaan, nu naast de taakstraf ook een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 15 oktober 2014, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 30 oktober 2014.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 16 september 2015 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf en heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij deze vordering. De raadsman heeft betoogd dat deze vordering moet worden afgewezen, dan wel dat de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf. Voorkomen moet worden dat verdachte opnieuw de gevangenis in moet, nu dat het hulpverleningstraject dat hij doorloopt, onnodig zou onderbreken.

De rechtbank overweegt als volgt. De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 15 oktober 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 45, 57, 266, 267, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 222 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op vijf jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de verslavingszorg op het adres Canadalaan 1 te Groningen en zich hierna meldt zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de forensische poli van de VNN of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 dat de veroordeelde meewerkt aan een dagbestedingstraject bij Werkpro, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dat traject worden gegeven;

 dat de veroordeelde zich onthoudt van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

 dat de veroordeelde zich niet zal bevinden binnen de [locatie] van de binnenstad van [pleegplaats] tussen 22:00 uur en 8:00 uur.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Groningen d.d. 15 oktober 2014, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. J.J. Schoemaker en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 oktober 2015.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.