Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5632

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
4632699\AR VERZ 15-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding op 'd-grond', conform verzoek; 'g-grond' niet ten grondslag gelegd aan verzoek, dus niet relevant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1298
AR 2015/2629
Prg. 2016/50

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4632699 \ AR VERZ 15-51

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 30 november 2015

inzake

de stichting

STICHTING TJONGERWERVEN, CHRISTELIJK PRIMAIR ONDERWIJS,

gevestigd te Donkerbroek,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M. De Vita,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. Duijn.

Partijen zullen hierna de werkgever en de werknemer worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

De werkgever heeft een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 25 november 2015.

1.2

De werknemer heeft een verweerschrift ingediend.

2 De beoordeling

2.1.

De werkgever verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden.

Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat het functioneren van de werknemer in de functie van leerkracht niet voldoet aan de eisen die daaraan door de werkgever zijn gesteld. De vaardigheden van de werknemer om invulling en uitvoering te geven aan de functie van leerkracht komen niet overeen met de eisen die de werkgever aan de functie van leerkracht stelt. Partijen hebben hierover diverse gesprekken gevoerd, zulks echter zonder resultaat. De ongeschiktheid is niet het gevolg van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer. Herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn is niet meer mogelijk en van enig opzegverbod is geen sprake. Voorts stelt de werkgever dat geen van partijen van de ontstane situatie een verwijt kan worden gemaakt.

2.2.

De werkgever verzoekt om ontbinding per 1 maart 2016. De werkgever voert voorts aan dat er op basis van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding geen transitievergoeding verschuldigd is nu de werknemer op grond van de CAO Primair Onderwijs uitzicht heeft op een bovenwettelijke uitkering op grond van de bovenwettelijke uitkeringsregeling bij werkeloosheid (WOPO). De werkgever heeft de werknemer een outplacementvergoeding van € 4.000,- exclusief btw op declaratiebasis aangeboden, alsmede een beëindigingsvergoeding van € 6.000,- bruto. Daarnaast is werknemer tot de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst vrijgesteld van werkzaamheden.

2.3.

De werknemer heeft niet weersproken dat haar vaardigheden om invulling en uitvoering te geven aan de functie van leerkracht niet overeenkomen met de eisen die de werkgever aan deze functie stelt en mag stellen en dat dit niet het gevolg is van onvoldoende zorg voor haar scholing of voor haar arbeidsomstandigheden. De werknemer erkent dat er geen mogelijkheden voor herplaatsing meer zijn. Er is geen sprake van een opzegverbod en bij een ontbinding per 1 maart 2016 wordt de volledige opzegtermijn in acht genomen. Tevens bestrijdt de werknemer niet dat geen transitievergoeding verschuldigd is. De werknemer refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter en verzoekt de verzochte ontbinding toe te wijzen met ingang van 1 maart 2016.

2.4.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een redelijke grond in de zin van artikel 7:699 lid 3 onder d BW overweegt de kantonrechter als volgt. Nu partijen het er over eens zijn dat sprake is van disfunctioneren van de werknemer waarin ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld geen verbetering is gekomen, dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht en dat geen sprake is van enig opzegverbod, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d, BW, is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn en gelden geen opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettig voorschrift, zodat aan de voorwaarden van artikel 7:671b lid 2 BW is voldaan.

De werkgever voert voorts weliswaar aan dat de arbeidsverhouding is verstoord en dat die verstoring onherstelbaar is, waardoor een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst onmogelijk is, maar nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is verzocht op de 'd-grond' en niet op de 'g-grond', kan hetgeen omtrent de verstoorde arbeidsverhouding is aangevoerd buiten beschouwing worden gelaten.

2.5.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van partijen dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2016 de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672 BW in acht wordt genomen, zodat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onder a BW zal worden ontbonden per 1 maart 2016.

2.6.

Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2016;

3.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2015 door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 471