Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5627

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
18.730171-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegd van 18 maanden op voor "De voortgezette handeling van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel is toegebracht".

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 56
Wegenverkeerswet 1994 6, 175, 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730171-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 december 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

23 november 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Mook.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 mei 2015, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Heerenveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto: merk Alfa Romeo, [kenteken] ), daarmede rijdende over de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl toen aldaar de duisternis was ingetreden en/of het door verdachte bereden weggedeelte niet was verlicht door wegverlichting- tijdens het besturen van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig handelingen te verrichten aan zijn autoradio en/of gebruik te maken van zijn (mobiele) telefoon, waarbij/waardoor verdachte een aantal voetgangers, die toen aldaar zich bevonden op/aan de rechterzijde van de door hem, verdachte, bereden rijbaan, niet heeft opgemerkt en/of ten gevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan,

door welke botsing/aanrijding [slachtoffer 1] werd gedood en/of aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 mei 2015, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Heerenveen, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Alfa Romeo, [kenteken] ), daarmee rijdende op de [weg] ,

- terwijl toen aldaar de duisternis was ingetreden en/of het door verdachte bereden weggedeelte niet was verlicht door wegverlichting- tijdens het besturen van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig handelingen heeft verricht aan zijn autoradio en/of gebruik heeft gemaakt van zijn (mobiele) telefoon, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een aantal voetgangers, die zich toen aldaar bevonden aan de rechterzijde van de door verdachte bereden weg, niet heeft opgemerkt, waarna een botsing/aanrijding met die voetgangers is

ontstaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt

en/of het verkeer op die weg werd gehinderd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde, waarbij sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen, wettig en overtuigend te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich in het standpunt van de officier van justitie te kunnen vinden.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het primair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting:

Ik reed met mijn auto op de [weg] . Het is juist dat het ongeval plaatsvond toen ik met mijn mobiele telefoon aan het whatsappen was met [persoon 1] . Daarvoor was ik tijdens het rijden bezig geweest om vanaf mijn usb-stick die in mijn autoradio zit een favoriet nummer op te zoeken en heb ik ook nog whatsappberichten naar [persoon 2] gestuurd. Ik reed met dimlicht. Het is juist dat ik mijn aandacht niet op de weg had. Op het moment dat ik [persoon 1] aan het typen was gebeurde het ongeluk. Op het moment dat ik de klap hoorde keek ik op van mijn telefoon.

Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, nummer 13.05.15.2305.2229, d.d. 25 juni 2015, opgenomen op pagina 9 e.v. van dossier, nummer PL0100-2015136773-1, d.d. 8 juli 2015, inhoudende de relatering van verbalisanten:

1.4

Beknopte ongevalsbeschrijving

Het ongeval had plaats op 13 mei 2015, omstreeks 22:25 uur, op de [weg] , ter plaatse gelegen buiten de bebouwde kom onder [pleegplaats] , in de gemeente

Heerenveen. Vijf voetgangers liepen aan de rechter zijde van de rijbaan van de [weg] . De bestuurder van de personenauto, merk Alfa Romeo, [kenteken] (de rechtbank begrijpt: verdachte) reed met zijn voertuig de vijf voetgangers aan, waarbij de achterste voetganger (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) als eerste werd geraakt. De man overleed ter plaatse ten gevolge van dit ongeval. De tweede voetganger (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) raakte zwaar gewond.

6 Onderzoek zichtomstandigheden

Het ongeval had plaatsgevonden tijdens duisternis. Ter hoogte van de ongevalslocatie was geen openbare verlichting aanwezig.

9 Eindconclusie

Het ongeval is te wijten geweest aan bestuurdersafhankelijke factoren van de bestuurder

van de Alfa. Ten tijde van het ongeval lette hij onvoldoende op om de voetgangers waar te nemen en adequaat te kunnen reageren.

Een schriftelijk stuk d.d. 14 mei 2015, opgemaakt door M. Landheer, forensisch arts GGD Fryslȃn, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende zakelijk weergegeven:

Een verslag betreffende een niet natuurlijke dood van [slachtoffer 1] . Overleden aan gevolgen letsels aan nek, schedel-/ hersenletsel, borstkas en benen na aangereden te zijn door achterop komende auto.

Een schriftelijk stuk d.d. 5 juni 2015, opgenomen op pagina 61 van voornoemd dossier, inhoudende zakelijk weergegeven:

Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] . Uitwendig waargenomen letsel: Multi-trauma met verscheidene post-traumatische afwijkingen. Overige informatie: een humerusfractuur rechts en knieoperatie beiderzijds in verband met bandletsel.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 8 juni 2015, opgenomen op pagina 86 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] :

Vraag: Wat voor letsel heeft je moeder (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) door die aanrijding gekregen?

Antwoord: Twee gebroken ribben, een bloeding in de lever, een bloeding de maag, een gebroken rechterarm, de beide knieën zijn verbrijzeld en ze had 7 breukjes in haar linkervoet. Ook kreeg ze drie dagen na de opname een longembolie. Ze ziet met beide ogen dubbel. Dat zou met een halfjaar weer over moeten zijn.

Vraag: Is er nog enig uitzicht wanneer ze weer naar huis kan?

Antwoord: Ze wordt komende maandag aan haar knieën geopereerd. Waarschijnlijk gebeurt dat tegelijk. Mogelijk kan ze dan binnenkort naar een revalidatiecentrum.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de inhoud van de bewijsmiddelen en de hiervoor weergegeven standpunten als volgt.

Bij het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte als bestuurder van zijn auto in het donker op een onverlichte weg, rijdend met dimlicht, tijdens het rijden muziek op de autoradio heeft opgezocht en vervolgens met zijn mobiele telefoon aan het whatsappen is geweest. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus in ernstige mate is tekortgeschoten in zijn verplichting om bij voortduring zijn aandacht bij de weg en het verkeer op die weg te houden. De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte, anders dan de officier van justitie en de raadsman van verdachte, als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Deze handelwijze heeft geleid tot een ongeval waarbij één van de slachtoffers, [slachtoffer 1] , is overleden en een ander slachtoffer, [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 13 mei 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Heerenveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto: merk Alfa Romeo, [kenteken] ), daarmede rijdende over de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

- terwijl toen aldaar de duisternis was ingetreden en het door verdachte bereden weggedeelte niet was verlicht door wegverlichting- tijdens het besturen van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig handelingen te verrichten aan zijn autoradio en gebruik te maken van zijn mobiele telefoon, waardoor verdachte een aantal voetgangers, dat toen aldaar zich bevond op de rechterzijde van de door hem, verdachte, bereden rijbaan, niet heeft opgemerkt en ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan, door welke aanrijding [slachtoffer 1] werd gedood en aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

primair

De voortgezette handeling van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel is toegebracht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde tot het volgende wordt veroordeeld:

- een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van

1. jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangegeven zich in beginsel in de strafeis van de officier van justitie te kunnen vinden, doch heeft ervoor gepleit om de helft van de rijontzegging in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen volstrekt onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef getoond ten opzichte van andere weggebruikers, door met zijn personenauto in volle vaart een echtpaar en een drietal jongvolwassenen aan te rijden terwijl hij geheel onnodige en onwenselijke handelingen pleegde aan zijn autoradio en mobiele telefoon. Ter terechtzitting heeft verdachte beaamd goed op de hoogte te zijn van de overheidscampagnes waarin de aandacht wordt gevestigd op de enorme risico's die het gebruik van mobiele telefoons tijdens het autorijden voor andere verkeersdeelnemers meebrengt. Op de vraag waarom verdachte zich desondanks heeft gewaagd aan het ontvangen en versturen van whatsappberichten bleef verdachte het antwoord schuldig. De vrouw van het echtpaar heeft door het zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen dat operatief ingrijpen vereiste, waardoor zij veel pijn en lichamelijk ongemak heeft ondervonden. De man van het echtpaar is door het handelen van verdachte ter plaatse (- voor de ogen van hun zoon -) aan zijn verwondingen overleden. Verdachte heeft daarmee bij de nabestaanden van dit slachtoffer onbeschrijflijk leed veroorzaakt. De rechtbank acht gelet hierop, alsmede op de oriëntatiepunten die de rechterlijke macht hanteert bij de bestraffing van feiten als deze, in beginsel de oplegging van een vrijheidsstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid, beide in onvoorwaardelijke zin, passend en geboden.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d.

29 oktober 2015 niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Verder heeft verdachte zowel tegenover de politie als ter terechtzitting volledig openheid van zaken gegeven omtrent zijn rol bij het ongeval en heeft hij daarvoor de volledige verantwoordelijkheid genomen. Voorts is zowel uit het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 5 november 2015 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gebleken dat verdachte ook zelf zwaar gebukt gaat onder de gevolgen van het ongeval en dat hij daarvoor thans nog regelmatig contact heeft met een praktijkondersteuner van de GGZ. De noodzaak tot nadere behandeling in het kader van traumaverwerking wordt door de reclassering niet uitgesloten.

De reclassering raadt gelet op het emotionele welzijn van verdachte de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, waardoor verdachte tevens zijn baan zal gaan verliezen, af. De rechtbank zal daar, gelet hierop, dan ook niet toe overgaan.

De rechtbank zal, naast een taakstraf van na te noemen duur, een ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur dan door de officier van justitie is geëist opleggen. De rechtbank ziet geen reden om een deel van de rijontzegging voorwaardelijk op te leggen, zoals door de raadsman bepleit, met name nu van enig recidivegevaar niet is gebleken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 56 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 18 maanden.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mr. M. Haisma en mr.

A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 december 2015.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.