Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5518

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
14/5474
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM; art. 10 Wet BPM; vermindering BPM op basis taxatierapport; schadecalculatie gebaseerd op herstel van alle schade en gebruikssporen; samenhangende zaken; nagenoeg identieke werkzaamheden; afzonderlijke taxatierapporten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2606
V-N 2016/11.2.2
mr. M.H. Schoonhoven-Aukema annotatie in NTFR 2016/561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/5474

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [vestigingsplaats] , verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 1 september 2014 een naheffingsaanslag opgelegd voor de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (BPM) ten bedrage van € 842 en een beschikking heffingsrente ten bedrage van € 9.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de beschikking heffingsrente vernietigd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Ter zitting zijn tevens de beroepen behandeld die door de gemachtigde van eiser zijn ingediend met de zaaknummers: AWB LEE 13/3183, LEE 13/3192 en LEE 14/5473.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Op 25 april 2014 heeft eiser aangifte gedaan van de registratie van een motorrijtuig van het merk [merk] (de auto), naar een bedrag aan verschuldigde BPM van € 2.371. Bij deze aangifte is een “Berekening BPM” gevoegd. In deze berekening is uitgegaan van een historische bruto BPM van € 11.343. In de berekening is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM “Taxatierapport” aangekruist.

1.2

Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd, opgemaakt op 25 april 2014 door [naam] , [beroep] . Als datum van eerste toelating wordt in het taxatierapport 24 februari 2010 vermeld en de kilometerstand bedraagt 159.198. Als oorspronkelijke cataloguswaarde inclusief accessoires, op basis van de AutoTelex Pro, wordt € 56.598 genoemd en de “waarde op basis van inkoop handel” (hierna: handelsinkoopwaarde) wordt gecalculeerd op € 11.818. De handelsinkoopwaarde wordt berekend door op de handelswaarde conform de koerslijst van AutoTelex Pro van € 16.034 een bedrag aan schade van € 4.216 in mindering te brengen.

1.3

De schade van € 4.216 (zie 1.2) is volgens het taxatierapport van [naam] als volgt opgebouwd:

Nevenwerkzaamheden

arbeid

materiaal

NL onderhoudsboekenpakket

85,00

Expertisekosten

84,00

Interieur reinigen (stof)

252,00

25,00

Arbeid

252,00

Materiaal

194,00

Totaal Nevenwerkzaamheden

446,00

Spuiter

(…)

Totaal Spuiter

2.958,99

Klein- en verbruiksmateriaal (6,00%)

11,64

Totaal reparatiekosten

3.416,63

Milieubijdrage (0,23/AW)

67,85

Reparatiekosten excl. BTW

3.484,48

BTW (21,00%)

731,74

Reparatiekosten incl. BTW

4.216,22

1.4

Verweerder heeft een bedrag van € 842 nageheven, vermeerderd met heffingsrente ten bedrage van € 9. Hierbij is de handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijst AutoTelex Pro vastgesteld op € 16.034. Dit betekent dat verweerder is uitgegaan van een vermindering (afschrijvingspercentage) van 71,67% ((€ 56.598 -/- € 16.034)/€ 56.598). De bruto BPM waarvan verweerder bij de berekening van de naheffingsaanslag is uitgegaan bedraagt € 11.343.

1.5

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag in stand gelaten en de beschikking heffingsrente vernietigd, omdat deze ten onrechte in rekening is gebracht. Aan eiser is voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding toegekend van 0,25 punt van € 243 is € 60,75.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens is het bedrag van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in geschil.
Grond voor naheffing

3. Eiser heeft aangevoerd dat de grond voor naheffing ontbreekt omdat verweerder onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door geen expert in te schakelen. Deze expert van de Dienst Domeinen had kunnen bevestigen dat de schade, zoals vermeld in het bij de aangifte overgelegde taxatierapport, tot het juiste bedrag is opgevoerd. Daarmee heeft verweerder eiser de mogelijkheid ontnomen om ontlastend bewijsmateriaal te vergaren. Verweerder handelt volgens eiser daarnaast onrechtmatig door het standpunt in te nemen dat er geen sprake is van enige waardevermindering wegens schade, omdat geen reparatienota’s zijn overgelegd en omdat de schade volgens de foto’s uit eisers taxatierapport alleen normale gebruikssporen betreft. Eiser beroept zich bij de vaststelling van de hoogte van de schade op het arrest van de Hoge Raad (civiele kamer) van 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357, waarin is bepaald dat recht op vergoeding bij zaakbeschadiging ook bestaat indien de schade niet of niet ten volle wordt gerepareerd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij weliswaar de mogelijkheid heeft tot het laten uitvoeren van een hertaxatie, maar daartoe niet verplicht is. Op basis van de door eiser verstrekte informatie, de foto’s bij het taxatierapport en de leeftijd en de kilometerstand van de auto kan worden geconcludeerd dat enkel sprake is van normale gebruikssporen en slijtage. De volledige kosten van herstel kunnen daarom niet in mindering worden gebracht op de koerslijstwaarde, zoals in het taxatierapport van eiser is geschied. Omdat het in deze zaak om de waardebepaling van een auto gaat, is de door eiser aangehaalde civiele jurisprudentie inzake de verplichting tot schadevergoeding volgens verweerder niet van toepassing.

5. Ten aanzien van de grond voor naheffing overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft op aangifte BPM voldaan. Op grond van artikel 10, zevende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wordt bij de aangifte een opgaaf gedaan van de gegevens die zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs. Die afschrijving vormt de vermindering van de BPM. Eiser heeft bij de aangifte gekozen voor vaststelling van de vermindering BPM op basis van een taxatierapport (zie 1.1). De daarbij gehanteerde methode bestaat uit het bepalen van de handelsinkoopwaarde aan de hand van een koerslijst, waarna een bedrag aan schade van € 4.216 op die waarde in mindering is gebracht (zie 1.2). Het bedrag van de schade is onderbouwd in het taxatierapport van eiser. De daarin opgenomen schadecalculatie is gebaseerd op herstel van alle schade en gebruikssporen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat deze systematiek, waarbij de volledige kosten van herstel in mindering wordt gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst, niet juist is. Weliswaar is de hoogte van de schade na een fysieke opname van de onderhavige auto door een deskundige getaxeerd, maar door de volledige herstelkosten in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde is ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat elke auto na verloop van tijd wel enige gebruikssporen vertoont. Dit zal zeker gelden voor de onderhavige auto, die ten tijde van de taxatie immers ruim vier jaar oud was en meer dan 150.000 kilometer had gereden. De rechtbank acht aannemelijk, zoals door verweerder is gesteld, dat in de koerslijstwaarde reeds enige gebruiksschade is verdisconteerd. Door de volledige kosten van herstel, inclusief de kosten die zien op het herstel van gebruikssporen, in mindering te brengen op de koerslijstwaarde treedt in zoverre dubbele aftrek van de schade op.

6. De rechtbank acht daarnaast niet aannemelijk dat er een recht evenredig verband zou bestaan tussen de waarde van de auto en de kosten van schadeherstel. Niet elke euro die aan schadeherstel wordt besteed, leidt tot een waardevermeerdering van de auto met een euro en omgekeerd geldt eveneens niet dat elke euro aan kosten tot een waardevermindering van de auto met een euro leidt. Daarnaast zijn de kosten voor nevenwerkzaamheden (zie 1.3), zoals onder andere de kosten van een Nederlands onderhoudsboekenpakket en interieurreiniging, naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als schade. De door eiser gemaakte vergelijking met civiele jurisprudentie inzake schadevergoedingen gaat niet op, nu voor de BPM niet (de hoogte van de vergoeding van) de schade aan de auto, maar de waarde van de auto dient te worden vastgesteld. Bij de waardering van een auto met schade, spelen meer aspecten een rol dan enkel de nominale kosten van volledig schadeherstel met nieuwe onderdelen.

7. Eiser heeft nog aangevoerd dat de naheffing dient te vervallen omdat verweerder onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door geen expert van de Dienst Domeinen in te schakelen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het verweerder op zich vrij zijn standpunt al dan niet met een hertaxatie te onderbouwen. Dat deze keuze eventueel consequenties voor de bewijskracht van verweerders stellingen heeft, komt daarbij voor zijn risico, maar maakt deze keuze niet onzorgvuldig of onrechtmatig. Daarnaast ligt het niet op verweerders weg om door middel van een taxatie voor eiser ontlastend bewijsmateriaal te vergaren. Deze beroepsgrond van eiser faalt daarom.

8. Uit het voorgaande volgt dat eiser naar het oordeel van de rechtbank de waarde van de auto, en daarmee de afschrijving, in de aangifte BPM niet op juiste wijze heeft bepaald. Daardoor is aangifte gedaan naar een te laag bedrag aan BPM en bestaat er grond voor naheffing.
Hoogte van de naheffing

9. De bewijslast dat de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd berust bij verweerder. Verweerder verwijst naar de foto’s die bij het taxatierapport van eiser zijn gevoegd. In zijn visie ziet de door eisers taxateur geconstateerde schade enkel op gebruikssporen, die niet leiden tot een waardevermindering. De rechtbank constateert aan de hand van de foto’s van eisers taxateur dat in ieder geval sprake is van een forse kras over de hele zijkant van de auto. Daarmee heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat enkel sprake is van normale gebruikssporen die niet in mindering hoeven te worden gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst. Nu echter uit rechtsoverweging 5. volgt dat eisers berekening van de schade en de handelsinkoopwaarde ook niet gevolgd kan worden, zal de rechtbank de handelsinkoopwaarde schattenderwijs vaststellen. Met inachtneming van alle feiten en omstandigheden stelde de rechtbank deze waarde vast op € 14.000.

10. Nu de rechtbank van een lagere handelsinkoopwaarde van de auto uitgaat dan de handelsinkoopwaarde die verweerder aan de naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd, dient een herberekening van de hoogte van de naheffingsaanslag plaats te vinden. Dit leidt tot een afschrijvingspercentage van 75,26% ((€ 56.598 -/- € 14.000)/€ 56.598). Uitgaande van de bruto BPM van € 11.343, die tussen partijen niet in geschil is, bedraagt de verschuldigde BPM dan € 11.343 minus € 8.537 (75,26 % van € 11.343) = € 2.806. Nu reeds € 2.371 aan BPM op aangifte is voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 435 (€ 2.806 -/- € 2.371).

Conclusie

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag BPM tot € 435.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

12. Eiser stelt dat verweerder bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft gehanteerd. Het bezwaar zag volgens eiser namelijk zowel op de naheffingsaanslag als op de beschikking heffingsrente.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij terecht een kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van 0,25 maal € 243 aan eiser heeft toegekend. Volgens verweerder was sprake van een zeer eenvoudig bezwaarschrift, omdat er slechts sprake was van verlaging van de heffingsrente.

13. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de wegingsfactor als uitgangspunt heeft te gelden dat de zwaarte van een zaak in beginsel als 'gemiddeld' moet worden aangemerkt, tenzij er bijzondere redenen zijn om hiervan af te wijken. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de vaststelling van de wegingsfactor de zwaarte van de zaak anders dan 'gemiddeld' te kwalificeren, nu in de bezwaarfase niet alleen de heffingsrente maar tevens de juistheid van de waarde van het betreffende motorrijtuig, en daarmee de hoogte van de naheffingsaanslag, in geschil was. Het beroep is dus ook ten aanzien van de proceskostenvergoeding gegrond. De proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende bijstand in de bezwaarfase stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) vast op € 244 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en een wegingsfactor 1). Nu door verweerder in bezwaar reeds een bedrag van € 60,75 aan eiser is vergoed, stelt de rechtbank het bedrag van de nog te vergoeden kosten voor de bezwaarfase op € 183,25 (€ 244 -/- € 60,75).
Proceskostenvergoeding beroepsfase

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, aangezien de onderhavige zaak ter zitting gelijktijdig is behandeld met een drietal andere zaken (LEE 13/3183, LEE 13/3192 en LEE 14/5473), sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

13. Artikel 3, tweede lid, van het Bpb (tekst 2015) luidt:
Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”.

13. Ter zitting zijn de bij 15. vermelde zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet gezegd worden dat de werkzaamheden van de gemachtigde in deze zaken nagenoeg identiek konden zijn, nu de rechtbank aannemelijk acht dat de gemachtigde zich in elk van deze zaken heeft toegelegd op de afzonderlijke beoordeling van de juistheid van de waarde van het betreffende motorrijtuig. De rechtbank acht daarbij van belang dat eisers gemachtigde in elk van deze zaken een afzonderlijk taxatierapport heeft overgelegd.

13. Op grond van het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor beroepsmatig verleende bijstand in de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb en met inachtneming van het bij 15. tot en met 17. overwogene voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 980 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

19. Voorts heeft eiser verzocht om een vergoeding voor de aanwezigheid van een deskundige ter zitting onder toepassing van artikel 2, onderdeel b van het Bpb ter grootte van € 264,55, gebaseerd op 3,3 uur maal een uurtarief van € 81,40. Voor zover verweerder stelt dat geen sprake is van een deskundige in de zin van het Bpb vanwege gelieerdheid met eisers gemachtigde, gaat de rechtbank daaraan voorbij, omdat verweerder deze stelling niet heeft onderbouwd en uit de stukken van het geding van een dergelijke gelieerdheid niets blijkt. Nu verweerder de hoogte van het bedrag niet heeft betwist en deze de rechtbank niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank de vergoeding voor de kosten van de deskundige op het gevraagde bedrag van € 264,55 vaststellen.

20. De totale vergoeding voor proceskosten in de beroepsfase bedraagt bedraagt op grond van het voorgaande € 1.244,55 (€ 980 + € 264,55).
Griffierecht

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 435;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van de bezwaarfase tot een bedrag van € 244, waarvan nog € 183,25 dient te worden vergoed

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van de beroepsfase tot een bedrag van € 1.244,55.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.

De griffier is verhinderd

mede te ondertekenen

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

fn 36