Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5469

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
18.720030-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:4265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft bij de politie aangifte gedaan van ontvoering, gijzeling, bedreiging en poging tot doodslag, terwijl hij deze gebeurtenissen zelf in scene had gezet. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het doen van valse aangiftes. Verdachte heeft met zijn handelen de politie opzettelijk misleid waardoor schaarse opsporingscapaciteit verloren is gegaan. Verdachte heeft verder een diefstal gepleegd. De rechtbank veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een taakstraf van 180 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,63,188,310, geldigheid: 2015-11-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720030-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 november 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2015.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 5 november 2012 te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Dongeradeel, in elk geval in Nederland, opzettelijk een personenauto (merk/type VW POLO, voorzien van [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [bedrijfsnaam 1] . en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten op grond van een afgesloten leaseovereenkomst/huurovereenkomst, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 5 november 2012 te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk/type VW POLO, voorzien van het [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [bedrijfsnaam 1] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 29 november 2012 te [plaats] , in de gemeente Amsterdam , aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van een brigadier van de politie Amsterdam , opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van ontvoering en/of gijzeling en/of bedreiging met de dood, gepleegd op of omstreeks 29 november 2012 te [pleegplaats 2] en/of op een of meer andere plaatsen in Nederland;

4.

hij op of omstreeks 24 juli 2013 te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Dongeradeel, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van een brigadier van de politie Fryslân, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van poging tot doodslag/moord gepleegd op of omstreeks 24 juli 2013 te [pleegplaats 1] , althans in de gemeente Dongeradeel;

5.

hij in of omstreeks de maand april 2013 te [pleegplaats 2] , althans in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit een woning gelegen aan of bij de [straat 2] , aldaar, een gouden ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 1. ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank dit feit niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit evenmin wettig en overtuigend bewezen. Zij zal verdachte daarom ook hiervan vrijspreken. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Aan verdachte is, kort gezegd, het medeplegen van vernieling dan wel van beschadiging van een personenauto ten laste gelegd. Namens het openbaar ministerie is ter terechtzitting betoogd dat verdachte schuldig is aan het medeplegen van dit feit, nu hij opdracht heeft gegeven tot de beschieting van de auto en hij een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht heeft gesteld aan de schutter.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de mededaders. Van belang is dat de verdachten ieder opzet hadden op zowel het grondfeit als op het medeplegen. Voorts moet ieder van de verdachten een wezenlijke materiële dan wel intellectuele bijdrage aan het plegen van het feit hebben geleverd.

Uit de stukken blijkt niet door wie de auto is beschoten. Ook is niet uit het onderzoek gebleken op welke wijze de beschieting heeft plaatsgevonden, noch welke rol verdachte hierbij eventueel heeft gespeeld. Het enkele opdracht geven aan een derde, zonder dat de daadwerkelijke toedracht van de vernieling dan wel verdachtes rol hierbij is komen vast te staan, vormt naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende substantiële bijdrage om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van vernieling te kunnen komen. Om die reden zal voor dit feit vrijspraak volgen.

Feit 3

De raadsman heeft ter terechtzitting - samengevat - aangevoerd dat de belastende getuigenverklaringen alle als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Er zou sprake zijn van significante verschillen tussen de bij de politie enerzijds en bij de rechter-commissaris anderzijds afgelegde verklaringen. Verder zouden verschillende getuigen een reden hebben om belastend over verdachte te verklaren. Verdachte zou van het ten laste gelegde moeten worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 29 november 2012 heeft verdachte bij de politie te [plaats] aangifte gedaan van, kort gezegd, ontvoering, gijzeling en bedreiging. Verdachte heeft verklaard dat hij in [pleegplaats 2] onder dwang in een auto werd meegenomen naar [plaats] en dat hij onderwijl werd bedreigd met de dood. In [plaats] zou verdachte uit de auto hebben weten te ontsnappen.

Door [getuige 1] is verklaard dat hij op de bewuste avond op verdachtes verzoek een illegale taxirit naar [plaats] voor hem heeft geregeld. Verdachte zou in [pleegplaats 2] in deze taxi zijn gestapt. Deze getuigenverklaring wordt ondersteund door [getuige 2] , die heeft verklaard dat hij de betreffende taxi bestuurde. Ook [getuige 3] bevestigt deze lezing, hij zou als bijrijder in de auto hebben gezeten.

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] te twijfelen. De verklaringen zijn consistent en komen op hoofdlijnen met elkaar overeen. De door de raadsman aangewezen verschillen tussen bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen acht de rechtbank triviaal en niet van dien aard dat zij de verklaringen onbetrouwbaar maken. Deze verschillen zijn goed verklaarbaar vanwege het tijdsverloop van zo'n twee jaar tussen het afleggen van de verklaringen. Voor het standpunt van de verdediging dat de drie getuigen allen opzettelijk een valse belastende verklaring jegens verdachte hebben afgelegd, heeft de rechtbank geen aanwijzingen gevonden.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte op geen enkele wijze wordt ondersteund door objectief bewijsmateriaal. Drie getuigen verklaren ieder voor zich dat verdachte zich de betreffende avond vrijwillig naar [plaats] heeft laten brengen zodat van een ontvoering geen sprake kan zijn geweest. De rechtbank overweegt verder dat verdachte een motief had voor het doen van een valse aangifte. Verdachte werd belaagd door zijn schuldeisers en voelde zich onvoldoende serieus genomen door de politie. Begin november deed hij daarom aangifte van een door hemzelf gearrangeerde beschieting van de auto die hij in gebruik had. Toen dat evenmin het beoogde effect had, heeft verdachte kennelijk gemeend een ontvoering in scene te moeten zetten. De rechtbank ziet in al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewijs voor het feit dat verdachte aangifte heeft gedaan van een feit waarvan hij wist dat het niet was gepleegd.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 3. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02R2-2013126944, gesloten op 12 januari 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL13W3-2012308340-1, d.d. 30 november 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 29 november 2012 verscheen voor mij, brigadier van Politie Amsterdam [locatie 2] [naam 2] , in het politiebureau [straat 1] te [plaats] een persoon die opgaf te zijn: [verdachte] . Hij deed aangifte en verklaarde het volgende:

"Ik wens aangifte te doen van ontvoering, gijzeling en bedreiging met de dood.

Vandaag, 29 november 2012, heb ik bij mijn broer gegeten. Ik wilde de bus naar [pleegplaats 1] nemen en ben gaan lopen. Opeens stopt er een auto. Het rechterachterportier wordt geopend, er stapt iemand uit die zei: 'meekomen en stil, anders krijg je de kogel'. Ik werd met geweld de auto in geduwd. De auto stopte ergens. De man naast mij zei: 'wacht ik ben zo terug'. Ik zag dat hij uitstapte. Op dat moment dacht ik: 'wegwezen'. Ik ben uitgestapt en gaan rennen. Ik zag een politieauto staan met u erin en heb u aangesproken."

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-201309021-1, d.d. 19 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1] :

Ongeveer drie weken na 12 november 2012 was [verdachte] bij ons thuis. [verdachte] zei dat hij met spoed naar [plaats] moest. [verdachte] vroeg of er een illegale taxi was waar hij mee kon worden gebracht. Ik heb [getuige 2] gebeld. [getuige 2] heeft [verdachte] omstreeks 19.00 uur opgepikt. Ik heb [verdachte] naar videotheek [bedrijfsnaam 2] gebracht en daar is hij bij [getuige 2] in de auto gestapt. Ik zag dat de zoon van [getuige 2] ook in de auto zat. Ik zag dat [verdachte] achterin stapte en [getuige 2] wegreed.

Omstreeks 21.30 uur werd ik gebeld door een politiemedewerkster van bureau [plaats] . De agente deelde mij mede dat [verdachte] verteld had dat hij in [pleegplaats 2] in de auto was gesleurd en ontvoerd naar [plaats] . De ontvoering is dus een uit de duim gezogen verhaal. [verdachte] zal op de hoogte zijn geweest dat hij beveiligd zou worden door justitie. Hij kon dan uit handen blijven van de schutter en andere schuldeisers.

1.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2012128877-9, d.d. 18 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2] :

Eind vorig jaar - als u zegt dat dit 29 november is geweest, dan zou dat best kunnen - werd ik gebeld door [getuige 1] rond 19.00 uur. [getuige 1] vroeg of ik zijn broer even naar [plaats] wilde brengen. Ik wilde dat wel. We spraken af dat ik zijn broer zou oppikken bij videotheek [bedrijfsnaam 2] . Ik zag dat [getuige 1] met een man bij de videotheek stond. Ik hoorde dat [getuige 1] zei: 'Dit is mijn broer, hij moet even naar [plaats] '. De broer is ingestapt en we zijn naar [plaats] gereden. Mijn zoon [getuige 3] was ook mee. De broer zei dat hij er bij het [locatie 1] uit moest. Daar heb ik hem dan ook afgezet.

1.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2012128877-10, d.d. 17 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3] :

Het was eind vorig jaar. We waren in de auto van mijn vader. Mijn vader reed naar de [bedrijfsnaam 2] . Ik zag dat [getuige 1] aan kwam rijden op zijn scooter. Er liep nog een persoon bij. [getuige 1] wees die aan en zei: 'Dit is mijn broertje, hij moet even weg worden gebracht'. Zijn broertje is achterin gestapt. Ik hoorde dat hij zei: 'Ik wil naar [plaats] , vlakbij het [locatie 1] '. In de buurt van het [locatie 1] zei [verdachte] dat hij er wel uit wilde. Hij is uitgestapt en richting het [locatie 1] gelopen.

Feit 4

Door de raadsman is - samengevat - aangevoerd dat de op 24 juli 2013 dienstdoende politieagenten bevooroordeeld waren jegens verdachte. Er zou onvoldoende forensisch onderzoek zijn verricht waardoor er geen steunbewijs is verzameld voor verdachtes lezing. De valsheid van de aangifte kan in de visie van de raadsman niet worden bewezen, waardoor vrijspraak zou moeten volgen.


De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte heeft in de nacht van 23 op 24 juli 2013 bij de politie melding gemaakt van een indringer in de woning waarin hij op dat moment verbleef. Deze onbekend gebleven persoon zou verdachte met een scherp voorwerp hebben verwond. Verdachte zou hem op zijn beurt met een honkbalknuppel hebben geslagen. Verdachte heeft op 24 juli 2013 aangifte gedaan van poging tot doodslag.

Politieagenten die naar aanleiding van de melding ter plaatse kwamen, constateerden in de woning geen schade of bloedspatten. Ook op de honkbalknuppel bevonden zich geen zichtbare sporen. Verdachte was kalm en maakte grapjes, hetgeen de agenten vreemd voorkwam in het licht van wat hem zou zijn overkomen.

Door een forensisch arts van GGD Fryslân is een uitgebreid rapport opgesteld van het bij verdachte aangetroffen letsel. De arts heeft geconcludeerd dat dit letsel niet bij de door verdachte gegeven toedracht kan passen. Ieder van de letsels bestaat uit meerdere kraslijnen in verschillende richtingen. Er moet op elk van de plekken dus meermalen in verschillende richtingen over de huid heen en weer zijn gekrast.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van verdachte op geen enkele wijze door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Daarentegen zijn er verschillende feiten en omstandigheden die de verklaring van verdachte sterk ongeloofwaardig maken. Daarbij hecht de rechtbank met name aan de verklaring van de forensisch arts. Met deze deskundige is de rechtbank van oordeel dat het vrijwel uitgesloten is dat de bij verdachte aangetroffen letsels zijn toegebracht tijdens een korte en heftige confrontatie zoals verdachte die schetst.

De rechtbank acht dit alles in aanmerking nemend wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangifte heeft gedaan van een feit waarvan hij wist dat het niet was gepleegd.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 4. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02R2-2013126944, gesloten op 12 januari 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2013080668-2, d.d. 24 juli 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 24 juli 2013 verscheen voor mij, [verbalisant] , brigadier van Politie Fryslan, in het politiebureau te [pleegplaats 1] , een persoon die opgaf te zijn: [verdachte] . Hij deed aangifte en verklaarde het volgende:

"Mijn ouders zijn op vakantie en ik verbleef een paar dagen in hun woning in [pleegplaats 1] . Gisteravond 23 juli ben ik om 23.00 uur naar bed gegaan. Ik werd wakker omdat ik iets hoorde. Ik wist dat er een knuppel onder het bed lag. Ik pakte deze knuppel. Ik hoorde dat de sleutel in de achterdeur werd gedaan en de achterdeur geopend werd. Ik ben richting de achterdeur gelopen. Ik zag dat er een persoon in de keuken stond. Ik heb die persoon een paar beste tikken met de knuppel gegeven. Op dat moment voel ik dat ik met iets scherps werd geraakt. Het kan een mes zijn maar ook iets anders. De persoon ging weer weg. Het geheel heeft 10 tot 15 seconden geduurd. Ik doe aangifte van poging tot doodslag. Ik ben op meerdere plaatsen met iets scherps gestoken.

Mijn ouders en mijn broer zijn de enigen die een sleutel hebben van de achterdeur."

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2013080668-5, d.d. 25 juli 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Toen wij op 24 juli 2013 te [pleegplaats 1] ter plaatse kwamen, zagen wij dat er met een scherp voorwerp krassen dan wel sneetjes in de huid van de buik van [verdachte] waren aangebracht. Wij zagen dat er geen schade is ontstaan in de keuken, tevens zagen wij geen bloedspatten op de vloer. Ook hebben wij de honkbalknuppel bekeken, hier ook geen sporen op aangetroffen. Opvallend was dat hij erg rustig overkwam voor iemand die net een inbreker heeft overlopen en is gestoken. Ook maakte hij af en toe grapjes, dit kwam voor ons ongeloofwaardig over. Wij vertelden hem dat het doen van valse aangifte strafbaar is. Hij vertelde dat hij dit wel wist.

1.3.

een geneeskundige verklaring, op 24 juli 2013 opgemaakt en ondertekend door

J.M.T. Janssen, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De letsels van [verdachte] passen het meest bij letsels veroorzaakt door kort contact met een niet scherp puntvormig voorwerp zoals een vingernagel. Het is niet waarschijnlijk dat de letsels zijn veroorzaakt door een scherp, snijdend voorwerp. De letsels kunnen niet bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht passen.

2. een geschrift, zijnde een brief d.d. 21 juli 2015 van J.M.T. Janssen, forensisch arts, voor zover inhoudende:

Vraag: Blijft u bij uw conclusie: 'de letsels kunnen niet bij de door het slachtoffer gegeven toedracht passen'?

Antwoord: Ja. Bij alle drie beschreven letsels zijn per locatie meerdere kraslijnen te zien die in verschillende richtingen gaan. Dat betekent dat op één locatie een voorwerp met één scherpe punt een paar keer in verschillende richtingen over de huid gekrast moet zijn. Het lijkt onwaarschijnlijk dat in een worsteling waarbij zowel slachtoffer en dader bewegen om met één puntig voorwerp meerdere malen in een specifiek omschreven gebied meerdere krasletsels toe te brengen, zoals [verdachte] verklaart.

Feit 5

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 5. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02R2-2013126944, gesloten op 12 januari 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2013108445-1, d.d. 26 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van diefstal van mijn gouden ketting. In de maand april 2013 woonde [verdachte] tijdelijk bij ons in huis aan de [straat 2] te [pleegplaats 2] . Aangezien wij geen braaksporen hadden, ga ik ervan uit dat [verdachte] de ketting heeft weggenomen.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2013108445-2, d.d. 26 september 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 4] :

Ik heb gezien dat [verdachte] op een dag in april 2013 erg veel belangstelling had voor de ketting. Ik was bij [verdachte] en [slachtoffer] in de woonkamer. Ik zag dat [verdachte] de ketting van het dressoir pakte en deze in zijn hand hield. Ik hoorde hem zeggen dat hij het een mooie ketting vond. Ik heb toen op hem gelet. Ik heb hem die ketting niet terug zien leggen. Ik hoorde enkele uren nadat [verdachte] die ketting in zijn handen had dat de ketting was verdwenen.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen hierna bewezen is verklaard. Op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het hierna bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

3.

hij op 29 november 2012 te [plaats] , in de gemeente Amsterdam , aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van een brigadier van de politie Amsterdam , opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van ontvoering en gijzeling en bedreiging met de dood, gepleegd op 29 november 2012 te [pleegplaats 2] en op één of meer andere plaatsen in Nederland;

4.

hij op of omstreeks 24 juli 2013 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Dongeradeel, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van een brigadier van de politie Fryslân, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van poging tot doodslag gepleegd op 24 juli 2013 te [pleegplaats 1] ;

5.

hij in de maand april 2013 te [pleegplaats 2] , in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een woning gelegen aan de [straat 2] , aldaar, een gouden ketting, toebehorende aan [slachtoffer] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3. aangifte doen dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat het niet is gepleegd.

4. aangifte doen dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat het niet is gepleegd.

5. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het doen van valse aangifte. Door zo te handelen heeft verdachte de politie opzettelijk misleid. Politie en justitie worden bekostigd met publieke middelen. De valse aangiftes van verdachte hebben tot aanzienlijke verspilling van schaarse opsporingscapaciteit geleid. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

Verdachte heeft verder een diefstal gepleegd. Daarmee heeft hij schade veroorzaakt en bovendien het vertrouwen van de personen bij wie hij logeerde beschaamd. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt niet van eerdere relevante veroordelingen. De rechtbank wijkt af van de officier van justitie nu zij - in tegenstelling tot de officier van justitie - feit 2 niet bewezen acht.

De raadsman heeft aangegeven dat verdachte in staat en bereid is een werkstraf te verrichten en dat de reclassering hem kan bereiken op het adres van zijn ouders, te weten: [adres ouders] .

Voor een vermindering van de straf vanwege het tijdsverloop, zoals door de raadsman is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. Van overschrijding van de redelijke termijn is, gelet op de sluitingsdatum van het proces-verbaal en de eerste zittingsdatum, geen sprake. Oplegging van een werkstraf van aanzienlijke duur doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de gepleegde feiten.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door

90 dagen hechtenis indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 188 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. en 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. G.C. Koelman en

mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door mr. J.C. Huizenga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2015.

Mr. Blom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wijma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Huizenga

locatie Leeuwarden,