Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5428

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
C/18/148544 / HA ZA 14-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op basis van onrechtmatige daad. In het geschil staan tegenover elkaar het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van eer en goede naam. Televisie-uitzending niet onrechtmatig, uitlatingen in de uitzending van psycholoog wel. Vergoeding immateriële schade en verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/148544 / HA ZA 14-159

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak van

[voornaam] [eiser],

wonende te Haren,

eiser,

advocaat mr. [voorletter] Vorsselman te Groningen,

tegen

1. de vereniging

VERENIGING TOT BEVORDERING VAN DE EVANGELIEVERKONIGING VIA RADIO EN TELEVISIE ‘DE EVANGELISCHE OMROEP’,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. L.S. le Poole te Amsterdam,

2. [voornaam] [gedaagde 2],

wonende te Bedum,

gedaagde,

advocaat mr. S. Colsen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , EO en [gedaagde 2] worden genoemd. Gedaagden zullen tezamen ook wel als EO c.s., in mannelijk enkelvoud, worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 mei 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van EO van 9 juli 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde 2] van 9 juli 2014,

  • -

    het tussenvonnis van 23 juli 2014,

  • -

    de conclusie van repliek van de zijde van [eiser] van 8 oktober 2014,

  • -

    de akte (in het geding brengen nadere productie) van de zijde van [eiser] van

18 november 2014,

  • -

    de conclusie van dupliek van de zijde van EO van 31 december 2014,

  • -

    de conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde 2] van 31 december 2014,

  • -

    de op 18 maart 2015 ter zitting gehouden pleidooien, de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken en het proces-verbaal van deze zitting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.

2.2.

[eiser] is vanaf 1 maart 1998 bij de stichting Lentis, een ggz-instelling, (althans haar rechtsvoorganger) in loondienst werkzaam geweest. In eerste instantie is hij werkzaam geweest als arts-assistent, nadien als psychiater. Tot 1 januari 2011 gaf [eiser] , als manager inhoudelijke zaken tezamen met de algemeen manager, duaal leiding aan Intensieve Zorg Zuidlaren (hierna IZZ). [eiser] was binnen Lentis werkzaam op de locatie Dennenoord. In het bijzonder betrof zijn aandachtsgebied IZZ op de afdeling Eikenstein. Vanaf medio 2010 is hij ook, voor 50% van zijn arbeidstijd, werkzaam geweest op de tot IZZ behorende en eind 2009 nieuw opgezette afdeling Cederborg. Per 1 januari 2011 bekleedde hij, na opheffing van de functie ‘leidinggevende inhoudelijke zaken’, de functie van behandelcoördinator. Tevens is [eiser] werkzaam geweest op de tot IZZ behorende afdeling Beukenrode.

2.3.

De IZZ is een forensisch-psychiatrische kliniek waar het primair gaat om het verlenen van forensische zorg. Behandeling van psychiatrische patiënten binnen de kliniek vindt plaats in het kader van justitiële maatregelen. Uit dien hoofde kunnen aan degenen die opgenomen zijn beperkingen zijn opgelegd, onder meer voor wat betreft hun (bewegings-) vrijheid.

2.4.

In het najaar van 2007 is een patiënt ( [voornaam] [patiënt] ) op de IZZ afdeling Beukenrode tijdelijk in crisisopvang geplaatst. De beslissing daartoe is door een derde psychiater genomen. [eiser] , die ten tijde van de plaatsing van [patiënt] op Beukenrode werkte, heeft de behandeling overgenomen. Door de zus tevens curator van [patiënt] is een klacht bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg tegen [eiser] ingediend aangaande de behandeling van [patiënt] .

2.5.

Het programma Netwerk van de NOS heeft medio 2008 in een televisie-uitzending aandacht besteed aan [patiënt] . De reportage is gemaakt door onderzoeksjournalist [voorletter] [onderzoeksjournalist] . [onderzoeksjournalist] , later werkzaam voor de EO, is [patiënt] en de door zijn familie tegen [eiser] begonnen tuchtzaak blijven volgen.

2.6.

Bij brief van 29 april 2010 heeft [voorletter] [lid van de familieraad] , lid van de familieraad van Lentis en zelf psycholoog, aan [eiser] onder meer geschreven:

‘al enige tijd loop ik met een aantal vragen rond met betrekking tot het beleid op Eikenstein. Het is vervelend om het te moeten constateren: echter het heeft veel te maken met uw manier van bejegening naar de inwoners van Eikenstein en andere Intensieve Zorg. Dit ervaar ik, als één van de familieleden en betrokkenen van deze groep kwetsbare bewoners, als zeer pijnlijk en sterk in tegenstelling tot de beleidsvoering, waarvan bejegening ook een aandachtspunt is, die door GGZ Nederland en Lentis wordt bepleit. Ik richt hierbij dan ook tot u het dringende verzoek om het bovenstaande in een persoonlijk gesprek met u te kunnen bespreken. Mijn wens hiertoe heb ik reeds kenbaar gemaakt via Punt van Zorg. Uit hun reactie begrijp ik dat deze mail reeds aan u is doorgezonden.’

2.7.

[gedaagde 2] is per 1 mei 2011 bij Lentis in dienst getreden. [gedaagde 2] had ten tijde van de indiensttreding een afgeronde opleiding tot orthopedagoog gevolgd en was in die hoedanigheid verschillende jaren werkzaam geweest bij ’s Heeren Loo, een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Gedurende haar dienstverband bij ’s Heeren Loo is [gedaagde 2] lid dan wel voorzitter geweest van de zogeheten ‘BOPZ commissie’ van voornoemde instelling. Op het moment van haar sollicitatie bij Lentis volgde [gedaagde 2] de opleiding tot Gezondheidszorgpsycholoog (hierna: GZ-psycholoog). Voor indiensttreding bij Lentis per 1 mei 2011 had zij alle diplomaonderdelen afgerond. Op 27 mei 2011 heeft zij het getuigschrift GZ-psycholoog ontvangen. [gedaagde 2] is haar werkzaamheden binnen Lentis begonnen op de afdeling Cederborg.

2.8.

Op 20 mei 2011 heeft [gedaagde 2] in een gesprek met [eiser] kritiek geuit op de wijze waarop hij zijn werkzaamheden uitvoerde.

2.9.

Op maandag 20 juni 2011 heeft [gedaagde 2] nogmaals met [eiser] gesproken en kritiek geuit op zijn werkwijze. In de ochtend van 24 juni 2011 heeft [gedaagde 2] per e-mail een klacht geuit bij haar leidinggevende over onder meer het functioneren van [eiser] . De klacht heeft zij tevens gezonden aan de P&O afdeling van Lentis. Zij heeft onder meer geschreven:

‘Afgelopen maandag, na de zoveelste niet respectvolle opmerking over een patiënt door [voornaam] [eiser] , heb ik in een één op één gesprek met hem dit onderwerp geprobeerd bespreekbaar te maken. Ik heb dit gesprek zorgvuldig voorbereid, de regels van feedback in acht genomen. Ik heb gezegd dat ik soms moeite heb met de dingen die hij zegt en de manier waarop hij ze zegt. (..) Dat ik hoop nodig heb, dat ik ondanks alle schijn die deze mensen tegen zich hebben, een ingang wil proberen te zoeken naar hun intrinsieke motivatie. Dat dat mijn baan is (..) [voornaam] werd direct heel boos, hij luisterde niet. Hij riep: ‘wat weet jij nou, ik werk hier al 30 jaar. Ik ga het hier nooit anders doen, jij moet niks vinden, jij moet gewoon je mond houden, jij bent nu veel te ver gegaan! Ik ben hier een keer neergestoken!’ Binnen 5 minuten was hij mijn kamer uitgestormd.’

2.10.

Eveneens op 24 juni 2011, na het verzenden van bovenstaande e-mail aan de afdeling P&O, heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] , de algemeen manager IZZ, [voorletter] [algemeen manager] en de teammanager van Cederborg. Aan het begin van dit gesprek is aan [gedaagde 2] meegedeeld dat haar dienstverband na het verstrijken van de proeftijd niet zou worden verlengd.

2.11.

[gedaagde 2] heeft op 25 juni 2011 een klacht bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) ingediend. In de aan de IGZ daartoe gezonden mail, waarin veel passages staan uit de e-mail die zij op 24 juni 2011 aan haar leidinggevende en de afdeling P&O van Lentis heeft gestuurd, staat (voorts) onder meer geschreven:

‘(..) Ik heb een hele andere kijk op mijn vak, ben een goede psycholoog en zou veel kunnen betekenen voor de afdeling en voor de patiënten. Ik word hier op geen enkele manier in gefaciliteerd. Ik vind, eerlijk gezegd, de behandelcultuur, neergezet door de psychiaters, op de afdeling een schande voor de zorg. Ten gevolge van het bespreekbaar maken van mijn zorgen, ben ik ontslagen tijdens mijn proeftijd. Algemeen manager [voornaam] [algemeen manager] van IZZ wilde het niet hebben over de inhoud van mijn brief waarin ik mijn zorgen uit over het behandelklimaat op de afdeling. (...)

Samenvattend gaat deze melding over:

-het repressieve beheersmatige behandelklimaat op de afdeling Cederborg in Zuidlaren, met name geïnitieerd en in stand gehouden door psychiater [voornaam] [eiser] . Dit uit zich in:

-sancties, strafmaatregelen, beperken van vrijheden (gesloten of open kamerprogramma’s of separatie) als enige reactie op moeilijk verstaanbaar gedrag.

-structurele overtreding van de gedragscode: verre van respectvolle bejegening.

-praten over patiënten ipv met patiënten.

-een gesloten cultuur onder medewerkers. Geen veiligheid het onderwerp respectvolle bejegening openlijk te bespreken. Geen cultuur van elkaar aanspreken, het eigen handelen ter discussie stellen.

Ik dring aan op een extern onderzoek. Juist vanwege het feit dat iedereen lijkt mee te doen verwacht ik niet veel van een onderzoek uitgevoerd door Lentis zelf. (..)’

2.12.

Bij e-mail van 27 juni 2011 heeft [gedaagde 2] haar melding aan de IGZ ter kennisgeving verstuurd aan de Raad van Bestuur van Lentis.

2.13.

Bij e-mail van 30 juni 2011 heeft [gedaagde 2] aan [voorletter] [psychiater] , psychiater en lid van de Raad van Bestuur van Lentis, aangegeven geen vertrouwen te hebben in een intern door Lentis te verrichten onderzoek.

2.14.

Naar aanleiding van de beëindiging van het dienstverband van [gedaagde 2] heeft op 30 juni 2011 een gesprek plaatsgevonden tussen [voorletter] [directeur algemene zaken] , directeur algemene zaken, [voorletter] [directeur behandelzaken] , directeur behandelzaken en [voorletter] [P&O adviseur] , P&O adviseur van Lentis enerzijds en [gedaagde 2] anderzijds. Blijkens het schriftelijk verslag dat van dit gesprek is gemaakt, was mede de melding van [gedaagde 2] bij de IGZ aanleiding voor het gesprek.

Naar aanleiding van de door [gedaagde 2] gedane melding bij de IGZ en de beëindiging van haar dienstverband heeft ook op 30 juni 2011 een gesprek plaatsgevonden tussen [directeur algemene zaken] , [directeur behandelzaken] , en [P&O adviseur] enerzijds en [eiser] anderzijds. Naar aanleiding van de klacht van [gedaagde 2] heeft Lentis een intern onderzoek gestart, hetgeen in voornoemd gesprek aan [eiser] kenbaar is gemaakt.

2.15.

Forint is de zogeheten zorggroep van Lentis waar Eikenstein en Cederborg onder vallen. Op 20 juli 2011 is een verslag verschenen van de directie van Forint naar aanleiding van het door haar uitgevoerde, voornoemde interne onderzoek. In het verslag is onder meer geschreven:

‘Directie Forint heeft recent besloten de proeftijd van mevrouw [gedaagde 2] niet door te laten lopen in een vast contract. Dit besluit is genomen op basis van de informatie verstrekt vanuit diverse personen binnen het team van Cederborg. Gegeven de druk waarmee dit gepaard is gegaan was reeds intern besloten tot nadere analyse. Deze is door de huidige gebeurtenissen versneld uitgevoerd. Het is verder van belang op te merken dat het een startende afdeling betreft. Interne samenwerking- en communicatieproblemen zijn bij de leiding van de afdeling en directie bekend en ook met medewerkers besproken, o. [voorletter] naar aanleiding van het medewerkerstevredenheidsonderzoek. Daarnaast hebben een aantal individuele casussen gespeeld op personeelsgebied en recentelijk is er ook sprake geweest van uitval van een teamleider. (..) De directie heeft gezamenlijk gehoord de heer [voorletter] [algemeen manager] , algemeen manager IZZ, mevrouw [voorletter] [gedaagde 2] , voormalig psychologe Cederborg, de heer [voorletter] [ad-interim teamleider] , ad-interim teamleider Cederborg en de heer [voorletter] [eiser] , psychiater Cederborg. (..) Aanvullend heeft mondeling overleg plaatsgevonden met mevrouw [voorletter] [behandelcoördinator] , behandelcoördinator/psychiater (..) Er is mondeling overleg geweest met mevrouw [voorletter] [behandelcoördinator 2] , behandel coördinator/psychologe binnen IZZ (..)

Conclusie uit de gesprekken

1. De directie zag de bekende samenwerking- en teamproblemen zoals benoemd in de inleiding bevestigd door alle betrokkenen;

2. Mevrouw [gedaagde 2] is zeer stellig dat de heer [eiser] focus en oorzaak is van de

problemen binnen Cederborg;

3. Mevrouw [gedaagde 2] is zeer stellig in haar uitspraken dat maatregelen als separatie en

kamerprogramma gebruikt worden als straf- en sanctiemaatregel binnen de afdeling Cederborg;

4. Alle overige gesprekspartners van de directie delen de opvattingen over de samenwerking- en teamproblemen, maar ontkennen stelselmatig focus en oorzaak daarvoor bij de heer [eiser] ;

5. Alle overige gesprekspartners ontkennen dat er sprake is van straf- en sanctiebeleid binnen de behandeling in Cederborg.

Nevenconclusie ten aanzien van Cederborg

1. Mede door de huidige klachtprocedure is de spanning op de afdeling fors opgelopen. Niet

alleen bij de betrokken psychiater, maar ook tussen verpleegkundigenteams onderling en de

AT en verpleegkundigen.

Conclusie ten aanzien van de heer [eiser]

1. De directie vindt in de gesprekken met de overige gesprekspartners geen bevestiging voor de beschuldigingen van mevrouw [gedaagde 2] aan het adres van de heer [eiser] ;

2. De directie heeft in gesprek met de heer [eiser] geconstateerd dat hij onder de huidige

druk niet meer in staat is te functioneren als richtinggevend psychiater op Cederborg. Op

advies van en in overleg met de directie kiest hij ervoor om zijn rol als waarnemend

voorzitter Commissie Middelen & Maatregelen ook neer te leggen, omdat door de huidige

lopende klacht zijn functioneren te zeer ter discussie is gesteld.’

2.16.

Bij brieven van 7 augustus 2011, 19 augustus 2011 en 22 augustus 2011 hebben familieleden van patiënten een melding bij de IGZ gedaan over (onder meer) het functioneren van [eiser] . Het betrof klachten van familieleden van [familieleden 1] en [familieleden 2] . Tevens betrof het een klacht van [lid van de familieraad] .

2.17.

[lid van de familieraad] heeft bij brief van 29 augustus 2011 de Raad van Bestuur van Lentis op de hoogte gebracht van haar klacht bij IGZ. Zij heeft onder meer geschreven:

‘als betrokkene van patiënten van Lentis, als lid van de (toen nog) werkgroep Familiecontacten, als mens en als medeburger én als psycholoog heb ik sinds 2010 via ‘Punt van Zorg’ aandachtspunten naar voren willen brengen bij de heer [eiser] . Hierop kwam eerst geen enkele reactie. Na het sturen van een brief en na enige aandrang (in een telefonisch gesprek met de heer [directeur behandelzaken] ) is het uiteindelijk tot een gesprek gekomen met de heer [eiser] , de heer [directeur behandelzaken] en de heer [naam] (..). Ik heb dat gesprek niet als voldoende bevredigend ervaren, integendeel! Aan het eind van het gesprek heb ik toen aangegeven dat ik het hogerop zou zoeken, richting Raad van Bestuur (..)’

2.18.

Lentis heeft op enig moment met de IGZ contact opgenomen over de geuite klachten. Tevens heeft Lentis naar aanleiding van de klachten een extern bureau, te weten Cordes (Organisatie Advies & Ontwikkeling), ingeschakeld om onderzoek te verrichten.

2.19.

Cordes heeft op 22 november 2011 gerapporteerd naar aanleiding van ‘De oriëntatiefase van het onderzoek’. Volgens de inleiding van het rapport betreft het onderzoek: ‘het functioneren en het behandelklimaat van Cederborg’. In deze rapportage worden de bevindingen als volgt samengevat:

Bevindingen

Cederborg vertoont problemen in functioneren en behandelklimaat op 4 niveaus:

  1. Strategisch: de beoogde positie en de doelen van Cederborg en IZZ in de Lentis instelling en in de forensische keten zijn niet helder

  2. Visie: een actuele behandel- en verpleegkundige visie, in aansluiting op de strategie ontbreekt, terwijl de Cederborg populatie anders is dan destijds, in 2009, werd verwacht

  3. Het ontwikkelen en versterken van een professioneel klimaat in het team wordt belemmerd door het onvermogen om zowel onderlinge weerbarstige verschillen in (privé-) visies tot gezamenlijke keuzes te brengen, als ook door informele, contraproductieve verhoudingen (coalities)

  4. Op het oog en op papier direct zichtbare heftige conflicten zoals die tussen psychiater en psycholoog, maar ook die rond het vertrek van diverse medewerkers, gedijen goed op de hiervoor aangegeven voedingsbodem. Dit geldt ook voor minder direct zichtbare, intern sluimerende conflicten tussen en binnen de A en B teams.

De bestaande kwaliteit van de leiding en regie binnen en tussen de 4 niveaus van problemen is onvoldoende gebleken om te verwachten dat bij ongewijzigd beleid verbetering op zal treden.

(..)

Zichtbare conflicten

Het conflict tussen psycholoog en psychiater mag worden getypeerd als ‘sleutelconflict’ voor het team Cederborg. In dit conflict komen immers de sterk verschillende opvattingen over visie op behandelen en begeleiden naar voren, als ook de wijze waarop dergelijke keuzes en overtuigingen zo moeizaam tot gedragen en verplichtende keuzes kunnen leiden. Sleutelconflict: ook omdat het sporen trekt door het team: in het team zijn er meer of minder uitgesproken voor- en tegenstanders van elk van beide directe conflicthebbers. Dat relatief veel medewerkers in de startfase vertrekken uit een ‘nieuw’ team als Cederborg, is overigens niet vreemd. De praktijk van zo’n nieuw team is immers dat eea zich nog niet heeft ‘uitgezet’, bijv: het werk, de samenwerking voor ook nog eens een veranderende populatie. (..)’

2.20.

Bij schrijven van 24 december 2011 heeft [gedaagde 2] een reactie gegeven op bevindingen van het onderzoeksverslag van Cordes van 22 november 2011 dat zij op de in dit schrijven uiteengezette gronden kwalificeert als ‘dit ondermaatse onderzoeksverslag’.

2.21.

[eiser] heeft al zijn taken binnen Lentis per 1 januari 2012 neergelegd.

2.22.

Via de advocaat van [patiënt] heeft onderzoeksjournalist [onderzoeksjournalist] , namens de EO, op 25 januari 2012 via LinkedIn contact gezocht met [gedaagde 2] .

2.23.

Cordes heeft op 12 maart 2012 naar aanleiding van ‘De verdiepingsfase van het onderzoek’ gerapporteerd. In dit tweede rapport is een plan van aanpak aangekondigd, bestaande uit 5 stappen. In het rapport staat onder meer:

‘Positionering Cederborg

Met reclassering en verslavingszorg worden recent verbeterende contacten gemeld. Deze verbetering wordt toegeschreven aan een veranderende houding die merkbaar wordt na het vertrek van sleutelfiguren mbt behandeling uit IZZ/Cederborg. (..) Het oude medicatiebeleid heeft voor enkele zeer ernstige incidenten gezorgd. Over medicatiebeleid waren conflicten met medische staf Cederborg (bv rondom methadon). Ontbreken van voldoende mogelijkheden voor sport en ontspanning wordt verder als groot nadeel van de Cederborg setting genoemd. Het is nu tijd om met IZZ te overleggen over een moderne visie op verslaving, ic de levensloopbenadering. (..)

Uitgangspunt voor de wijze van werken aan de verbetering is (..) het actieonderzoek. Al werkend worden inhoudelijke en procesmatige veranderingen gerealiseerd. (..)Wij onderscheiden de volgende stappen:

1. Communicatie over positionering

2. Teamkwaliteit: basis condities aanbrengen

3. Visieontwikkeling

4. Samenwerking binnen Forint

5. Coaching en sparring management en coördinatoren (..)

Ad. 2. Teamkwaliteit (..)

De professionele dialoog is in het huidige team functioneren niet mogelijk gebleken. (..)

In de oriëntatie fase is op tafel gekomen dat het ‘teamgehalte’, afgezet tegen de norm van een team dat in continue professionele dialoog werkt, alarmerend slecht was. (..)’

2.24.

Op 10 april 2012 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het Centraal Tuchtcollege) in de zaak [patiënt] de klachten tegen [eiser] betreffende de schending van zijn informatieplicht en die ten aanzien van zijn behandeling en separatie van [patiënt] , ongegrond verklaard. Het klachtonderdeel betreffende de zogeheten ‘dossierplicht’ in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna verder: de wet BOPZ) is daarentegen gegrond verklaard en heeft geleid tot een waarschuwing. Het Centraal Tuchtcollege overweegt onder meer:

‘Bij het toepassen van separatie als noodzakelijke veiligheidsmaatregel moet, wanneer sprake is van dwang, worden voldaan aan het vereiste van een rechterlijke machtiging in het kader van de BOPZ. Wanneer de separatie op vrijwillige basis plaatsvond, dient een nauwkeurige verslaglegging van de gang van zaken rondom de separatie bijgehouden te worden, zodat achteraf toetsbaar is of de vereiste vrijwilligheid ten tijde van de separatie aanwezig was. Dit laatste geldt eens te meer wanneer de separatie niet langer incidenteel is maar een meer structureel karakter krijgt, zoals in het onderhavige geval aan de orde was. In het onderhavige geval was geen rechterlijke machtiging in het kader van de BOPZ aanwezig. De psychiater heeft geen rechterlijke machtiging aangevraagd omdat de patiënt naar zijn oordeel wilsbekwaam was en er sprake was van vrijwillige separatie. Desalniettemin is er geen nauwkeurige verslaglegging van de gang van zaken gemaakt. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de psychiater daardoor niet voldaan aan de, bij het ontbreken van een rechterlijke machtiging, op hem rustende verplichting van nauwkeurige verslaglegging van de gang van zaken rondom de separatie. De verplichting van nauwkeurige verslaglegging geldt temeer in een situatie als de onderhavige, waarin een ernstig autistische volwassene, van wie niet onomstotelijk vaststaat dat er sprake is van wilsbekwaamheid, wordt gesepareerd en waar de wilsuiting dus moet worden afgeleid uit het gedrag van de patiënt zoals uit de omstandigheid dat patiënt kennelijk begreep wat er tegen hem werd gezegd en geen verzet toonde. Het feit dat de psychiater geen rechterlijke machtiging heeft aangevraagd en ook geen nauwkeurige verslaglegging heeft bijgehouden, acht het Centraal Tuchtcollege tuchtrechtelijk verwijtbaar.’

2.25.

Op 11 april 2012 heeft de IGZ naar aanleiding van haar klacht over onder meer het functioneren van [eiser] , zijn bejegening en behandeling aan [lid van de familieraad] geschreven:

In mijn brief van 26 september 2011 berichtte ik u dat de inspectie uw brief heeft doorgezonden aan de Raad van Bestuur van Lentis, ter attentie van de heer [psychiater] , en de uitkomsten van een extern onderzoek afwachtte. In vervolg daarop het volgende. In december 2011 bracht de onderzoeks-commissie een eerste rapport uit over haar bevindingen. Daarin werden door de commissie knelpunten op diverse aspecten geformuleerd. Inmiddels is door dezelfde commissie een tweede rapport opgesteld waarin – samengevat – een nadere analyse van de problemen en een oplossings-richting is opgenomen met bijbehorend Plan van Aanpak om te komen tot verbetering van de geconstateerde problemen. De Raad van Bestuur is akkoord met dit plan en zal het uitvoeren. Uiteraard zal de inspectie de uitvoering van het Plan van Aanpak volgen. Daartoe zullen wij in elk geval dit najaar een bezoek brengen aan de afdeling om de effecten van de veranderingen te toetsen. Voor wat betreft uw melding het volgende. (..) Door uw ervaring zo duidelijk voor te leggen heeft de instelling ingezien dat er op een aantal aspecten verbeteringen noodzakelijk zijn. Hierover zijn inmiddels goede afspraken gemaakt. Het is aan de inspectie om de ingezette verbeterplannen te volgen tot ze goed geborgd zijn. Ik heb van de Raad van Bestuur begrepen dat naast het externe onderzoek er met u en uw familie een traject is ingezet om te komen tot de behandeling van uw individuele klacht over de zorg. Om die reden heeft de inspectie besloten de behandeling van uw melding af te sluiten (..)’.

[familieleden 2] heeft naar aanleiding van zijn klacht over onder meer het functioneren van [eiser] van IGZ een brief van een vergelijkbare strekking ontvangen. Ook deze brief was gedateerd 11 april 2012.

2.26.

Op 24 april 2012 heeft [gedaagde 2] een gesprek gevoerd met inspecteurs van de IGZ over de rapporten van Cordes.

2.27.

Op 9 mei 2012 heeft [gedaagde 2] een gesprek gevoerd met [psychiater] , lid van de Raad van Bestuur van Lentis over de rapporten van Cordes.

2.28.

EO onderzoeksredacteur [voorletter] [onderzoeksredacteur] is begin april 2012 betrokken geraakt bij het onderzoek dat [onderzoeksjournalist] naar [eiser] verrichtte. Bij brief gedateerd 22 mei 2012 hebben [onderzoeksjournalist] en [onderzoeksredacteur] van de EO aan [eiser] onder meer geschreven:

‘Op dit moment is de onderzoeksredactie van het televisieprogramma De Vijfde Dag bezig met een achtergrondreportage over vermeende misstanden op de gesloten afdeling van Lentis in Zuidlaren. De reportage wordt naar verwachting over enkele weken uitgezonden op Nederland 2. In de reportage vertellen meerdere mensen over hun ervaringen op de gesloten afdeling. Die ervaringen zijn niet positief. In de persoonlijke verhalen van de mensen in onze reportage komt u meermaals naar voren als een belangrijke veroorzaker van de – in hun ogen – negatieve sfeer, behandelsetting en cultuur op de afdeling. Daarom willen we u graag de kans geven om uw kant van het verhaal te vertellen. Middels deze brief nodigen wij u uit om door middel van een uitgebreid interview te reageren op de ervaringsverhalen van de mensen in onze reportage. Vanzelfsprekend lichten wij u dan vooraf voldoende in, zodat u weet waarop uw reactie gevraagd wordt. Indien u hiervan geen gebruik wenst te maken, heeft u ook de mogelijkheid om schriftelijk te reageren. Wenst u geen enkel gebruik te maken van uw mogelijkheid tot wederhoor, dan vragen we u dit aan ons kenbaar te maken.’

In de brief is [eiser] verzocht vóór 29 mei 2012 12.00 uur door te geven of hij aldus mee wilde werken aan de reportage, opdat zijn reactie nog kon worden meegenomen in de uitzending. Deze brief van 22 mei 2012 is door [eiser] op 24 mei 2012 afgehaald.

2.29.

Bij e-mail van 25 mei 2012 heeft Lentis de EO bericht bereid te zijn schriftelijk op de reportage te reageren.

2.30.

Het dienstverband tussen [eiser] en Lentis is met ingang van 1 juni 2012 in onderling overleg beëindigd. Aansluitend is [eiser] in dienst getreden bij GGZ Friesland in de functie van psychiater.

2.31.

Bij schrijven van 11 juni 2012 aan de EO heeft [voorletter] [verpleegkundige] , die een periode als verpleegkundige werkzaam is geweest op de afdeling Cederborg, verslag gedaan van zijn negatieve bevindingen met betrekking tot [eiser] gedurende die periode.

2.32.

Op 12 juni 2012 ’s avonds heeft de EO de rapportage voor het programma De Vijfde Dag getoond aan [eiser] . EO was voornemens dit programma met de rapportage op 14 juni 2012 uit te zenden. De EO heeft [eiser] voor een inhoudelijke reactie de tijd gegeven tot 13 juni 2012 uiterlijk 12.00 uur.

2.33.

Bij e-mail van 13 juni 2012 heeft de raadsman van [eiser] op de rapportage gereageerd. In de e-mail staat onder meer geschreven:

‘Wij hebben tot 12.00 uur vanochtend de tijd gekregen om te reageren. Gezien de grote hoeveelheid informatie die gisteren tot ons is gekomen, verwacht ik niet dat ik deze termijn haal. Ik zeg u echter toe dat ik in ieder geval zal trachten mijn reactie zo spoedig mogelijk aan u te doen toekomen. Daarop vooruitlopend kan ik thans al meedelen dat cliënt heeft moeten constateren dat al hetgeen in het programma aan bod komt fout is, en zonder meer weerlegbaar. Sterker nog: indien u voldoende research zou hebben gedaan, zou u dit ook zelf al hebben kunnen constateren. Ik wijs u erop dat op u een verzwaarde onderzoeksplicht rust, zeker nu cliënt in de positie verkeert dat hij als gevolg van het medisch beroepsgeheim niet volledig kan reageren. Het programma zoals thans gezien, is volgens cliënt te kwalificeren als onrechtmatig jegens hem; (..) ’

2.34.

De EO reageert diezelfde dag per e-mail waarin onder meer staat geschreven:

‘Uw mail verbaast mij nogal, omdat u gisteravond na de viewing in Groningen aangaf dat u vandaag voor 12.00 uur zou reageren. Uw mail is teleurstellend omdat u wel harde conclusies en juridische kwalificaties geeft, maar daarvoor geen feiten of onderbouwing aandraagt. (..) Tevens melden wij u dat Lentis inmiddels bij monde van dhr. [voorletter] [psychiater] , voorzitter van Raad van Bestuur, heeft gereageerd op de uitzending die zij gisteren hebben gezien.’

2.35.

De door de EO bedoelde reactie op 13 juni 2012 van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Lentis, luidt onder meer:

‘Na het bekijken van de beelden voor de uitzending van De Vijfde Dag kan ik u de volgende reactie geven. De problematiek die in de beelden naar voren komt is mij in juni 2011 schriftelijk gemeld door mevrouw [gedaagde 2] . Ik heb haar daarop uitgenodigd en haar signalen zeer serieus genomen door opdracht te geven tot een onderzoek door externe deskundigen. Ik heb mevrouw [gedaagde 2] op de hoogte gehouden middels de rapporten van dit onderzoek. Het onderzoek heeft de tekortkomingen aan het licht gebracht die in uw programma naar voren komen. Naar aanleiding van het onderzoek is een verbetertraject gestart dat momenteel loopt op de betreffende afdeling.

Wat de heer [eiser] betreft kan ik u meedelen dat ik en de directie van de betreffende afdeling hem gezien zijn grote rol bij de problematiek, in juli 2011 hebben ontheven van zijn functie als behandelcoördinator op de afdeling Cederborg en hem in december 2011 volledig hebben ontheven van al zijn taken. Per 1 juni 2012 is hij uit dienst.’

2.36.

De raadsman van [eiser] heeft bij brief van 13 juni 2012 (die op 14 juni 2012 tevens als e-mail is verzonden) aan de EO in de persoon van [onderzoeksjournalist] , een reactie op de uitzending gegeven. In deze brief is namens [eiser] aangegeven dat en waarom hetgeen in de uitzending getoond wordt, zijns inziens inhoudelijk niet juist is en gebaseerd is op subjectieve (waarde-)oordelen. Tevens is aangegeven dat de EO bij uitzending kan volstaan met de mededeling

‘dat [eiser] de beschuldigingen gemotiveerd heeft betwist, doch dat hij in zijn reactiemogelijkheden beperkt is door zijn medische beroepsgeheim’.

Deze mededeling is in de uitzending ook gedaan.

2.37.

Op enig moment voorafgaand aan de uitzending van het programma De Vijfde Dag op 14 juni 2012, heeft ook [gedaagde 2] het programma bekeken. Zij was aldus vooraf op de hoogte van de inhoud en strekking ervan.

2.38.

Op 14 juni 2012 heeft de EO een vooraankondiging op haar website geplaatst waarin een samenvatting wordt gegeven van de uitzending die avond. Tevens heeft de EO getwitterd:

‘Angst en intimidatie bij GGZ kliniek. Klokkenluidster: Deze man moet gestopt worden’

Deze tweet is door [gedaagde 2] geretweet.

2.39.

[voornaam] [presentator] , presentator bij de EO, heeft op 14 juni 2012 de uitzending van het programma De Vijfde Dag via twitter als volgt aangekondigd:

‘Over een psychiater die een spoor van vernieling heeft achtergelaten op de gesloten afdeling van GGZ-instelling Lentis.’

2.40.

[gedaagde 2] heeft op 14 juni 2012 eveneens een aankondiging van de uitzending via twitter gedaan. De door haar gekozen bewoordingen hebben geluid:

‘Vanavond dus de vijfde dag: mijn verhaal: ‘God in Zuidlaren.’

2.41.

Op 14 juni 2012 wordt ’s avonds het programma De Vijfde Dag door de EO uitgezonden. In de uitzending worden achtereenvolgens de volgende subtitels in beeld gebracht: ‘god in Zuidlaren’, ‘beheersen, controleren, straffen, vrijheden beperken’, ‘ze heeft daar ongelooflijk veel medicijnen gekregen’, ‘ik was slechts familie, hij had geen boodschap aan mij’, ‘doe maar niet, want dat wordt het nog erger voor je’ en ‘het individuele traject van de psychiater zal de inspectie toetsen’. Deze subtitels zijn citaten van (één van de) door de EO geïnterviewde personen. Na ieder citaat komen [familieleden 1] (ex-patiënt), [naam 2] (moeder van ex-patiënt), [familieleden 2] (broer van ex-patiënt), [naam 3] (ex-patiënt) en/of [gedaagde 2] in beeld als geïnterviewden. Tevens zijn er gedurende de hele uitzending onderbrekingen waarbij een voice-over feiten weergeeft en/of weergeeft hetgeen door de geïnterviewden en andere bronnen is gemeld dan wel een inleiding geeft op wat komen gaat. Voor zover van belang zullen de letterlijke citaten hierna in de beoordeling worden weergegeven.

2.42.

De uitzending is vervolgens op de website van de EO geplaatst en aldus (opnieuw) te bekijken. Voorts is op de website de mogelijkheid gegeven om te reageren op de uitzending.

2.43.

Per 19 juni 2012 heeft GGZ Friesland het dienstverband met [eiser] beëindigd. In de persverklaring die GGZ Friesland naar aanleiding hiervan heeft doen uitgaan, staat onder meer geschreven:

‘Naar aanleiding van een EO-programma en de verklaring van Lentis heeft de Raad van Bestuur van GGZ Friesland met [voornaam] [eiser] gesproken. Gebleken is dat hij relevante informatie niet heeft vermeld tijdens zijn sollicitatie. Het vertrouwen van de Raad van Bestuur in een vruchtbare toekomstige samenwerking met [voornaam] [eiser] is ondermijnd door deze onvolledige informatie. De Raad van Bestuur heeft daarom [voornaam] [eiser] met ingang van 19 juni 2012 ontslag verleend.’

2.44.

Naar aanleiding van dit ontslag heeft [gedaagde 2] op haar twitteraccount getweet:

‘ [eiser] ontslagen in proeftijd: de cirkel is rond. Dankbaar.’

2.45.

Aan onderzoeksjournalist [onderzoeksredacteur] schrijft de persvoorlichter van de IGZ op 12 juli 2012 per e-mail, in reactie op de door [onderzoeksredacteur] gestelde vraag hoe de IGZ het tweedelig onderzoek van Cordes beoordeelt:

‘Degelijk, deskundig en voldoende onafhankelijk. De uitkomsten geven een goede analyse van de problematiek op de betreffende afdeling en de te nemen maatregelen. De uitkomsten geven onvoldoende antwoord op de vraag naar de rol van de heer [eiser] .’

2.46.

De IGZ heeft vervolgens verslag van haar onderzoek c.q. toezichtbezoek gedaan dat zij op 5 juli 2012 aan Lentis heeft gebracht. In het (concept) rapport van 25 juli 2012 heeft zij onder meer geschreven:

‘(..) Het nieuwe team is goed op weg, maar de televisie-uitzending heeft gezorgd voor onrust en verdeeldheid. Er is veel aandacht voor deze gevolgen vanuit het management. De directie komt iedere week op de afdeling. Er zijn meetings geweest met de werknemers.

De algemeen manager geeft aan dat hij onderschat heeft wat nodig was voor een nieuw te vormen afdeling. De verschillende doelgroepen die werden opgenomen, de nieuw samengestelde teams en de teamleider die overspannen werd, dat alles is te laat erkend. Een ervaren psychiater en gerichte scholing was niet voldoende. (..)

Hulpverleners

Bij de start van de Cederborg kwamen de nieuwe medewerkers overal vandaan; weinig medewerkers wisten precies wat forensisch werken inhield. Nu wordt veel opener met elkaar gesproken, inhoudelijk weten de teamleden elkaar te vinden.

“We bevragen elkaar veel meer’, Voorheen was er sprake van een afrekencultuur, nu worden medewerkers zelf verantwoordelijk gemaakt en kan men meedenken. Dat betekent ook dat men goed geschoold en op de hoogte moet zijn van alle justitiële kaders en titels.(..) Wat met name gemist wordt is kennis over patiënten met een persoonlijkheidsstoornis en de forensische kennis. (..) De komende tijd zal blijken of er ook medewerkers zijn die uiteindelijk niet in het juiste profiel passen of zelf liever iets anders willen doen.

Cultuur

Er vindt momenteel een cultuuromslag plaats. De conflicten in het team, de problemen en ook de televisie-uitzending hebben traumatiserend gewerkt op het team. Belangrijk voor nu is om met elkaar goed te communiceren over interne problemen voordat men opnieuw naar buiten treedt. Het externe onderzoek naar de interne problemen was alleen op de Cederborg gericht, maar volgens de gesprekspartners kan geheel IZZ profiteren van de uitkomsten. De Raad van Bestuur en de directie zijn bezig met een veranderplan voor heel IZZ. (..) Opgemerkt wordt wel, dat -ook al is er meer openheid in de onderling communicatie- bij een crisis het team van de Cederborg terugvalt in oude patronen van wantrouwen jegens elkaar en de leiding. Als voorbeeld daarvan moge het volgende dienen:

Na een paar onttrekkingen van cliënten, bleek dat er fouten zijn gemaakt door het team. Daardoor moesten er van bovenaf beveiligende maatregelen worden getroffen. De oorzaak van deze onttrekkingen lagen met name in het gebrek aan kennis van de reikwijdte van wetgeving (wat mag bij welke juridische titel). Er moest onder andere gezorgd worden voor een dekkend sleutelsysteem. Justitie kijkt mee en vroeg zich af of de Cederborg deze populatie wel aankon. Daardoor stond de positie van de Cederborg opnieuw ter discussie. De teamleider moest het team autoritair de eisen van veiligheid opleggen. Dit resulteerde in een weer naar binnen gerichte beweging in het team. In plaats van zich te realiseren dat er fouten gemaakt waren, reageerde men met oude mechanismen. Hieruit blijkt dat het geconstateerde herstel nog broos is.’

2.47.

Op 6 september 2012 heeft [voorletter] [klinisch psycholoog] , als klinisch psycholoog verbonden geweest aan de Van Mesdagkliniek en uit dien hoofde incidenteel collegiaal samengewerkt met [eiser] , een klacht ingediend over het functioneren van [eiser] bij de IGZ.

2.48.

Naar aanleiding van haar nader onderzoek naar het functioneren van [eiser] op de gesloten afdeling IZZ, schrijft de IGZ bij brief van 22 oktober 2012 aan [eiser] :

‘In de afgelopen maanden heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: inspectie) onderzoek gedaan naar uw functioneren tijdens uw werkzaamheden op de gesloten afdeling Intensieve Zorg te Zuidlaren, onderdeel van GGZ-instelling Lentis. Directe aanleiding voor dit onderzoek was de EO-uitzending ‘de Vijfde dag’ [voorletter] 14 juni [voorletter] l. Op 25 juli jl. en 13 september [voorletter] 1. heeft de inspectie met u gesproken over haar bevindingen. Met deze brief informeert de inspectie u over haar oordeel en besluit naar aanleiding van het inspectieonderzoek.

Oordeel en besluit inspectie

De inspectie constateerde op grond van diverse bronnen (media, verkregen informatie op geleide van meldingen, informatie van voormalig werkgever en (lopend) onderzoek bij GGZ-instelling Lentis) dat er gedurende uw werkzame periode te Zuidlaren ernstige problemen waren in de behandelcultuur. Deze problemen zijn naar het oordeel van de inspectie voor een deel veroorzaakt door organisatie- en systeemfactoren. Dit is onderkend door Lentis. Er is door hen een intensief verbetertraject gestart. De inspectie volgt dit traject nauwlettend en toetst de voortgang periodiek bij Lentis.

Daarnaast heeft u naar oordeel van de inspectie zelf ook een rol gehad in de ontstane problematiek op uw voormalige werkplek. De IGZ heeft haar bevindingen met u gedeeld en constateerde dat u de zienswijze van de IGZ deelde. U toonde in gesprek met de IGZ inzicht. Bovendien bent u bereid om maatregelen te treffen om het risico op herhaling te voorkomen. Hiertoe heeft u een plan van aanpak opgesteld dat de inspectie heeft geaccordeerd. Gezien uw rol in de totale problematiek, acht de IGZ dit voldoende en legt zij u geen andere maatregelen op.’

Aan deze brief is een addendum gevoegd, gedateerd 20 november 2012 waarin onder meer is opgenomen:

‘Namens de inspectie verklaart de heer drs. [voorletter] [voorletter] [voorletter] [naam 4] dat: De afsluitende brief (dd. 22 oktober 2012 (..) van de inspectie aan de heer [eiser] ten onrechte de indruk kan wekken dat de ernstige problemen in de behandelcultuur op de afdeling Intensieve Zorg te Zuidlaren gedurende de gehele werkzame periode (ca. 18 jaar) van de heer [voorletter] [voorletter] [eiser] zouden hebben bestaan. Dit is niet als zodanig door de inspectie vastgesteld. De periode waarbinnen de ernstige problemen in de behandelcultuur werden vastgesteld ging over de laatste 2 jaar, vanaf 2010, en betrof met name de afdeling Cederborg. De inspectie heeft op grond van haar onderzoek geen redenen gezien bijzondere voorwaarden van medisch-technisch inhoudelijke aard aan de mogelijke werkhervatting van de heer [voorletter] [voorletter] [eiser] te stellen.’

2.49.

In een e-mail van 2 januari 2013 heeft de persvoorlichter van de IGZ aan [onderzoeksredacteur] geschreven:

‘De IGZ heeft onderzoek gedaan naar het functioneren van de heer [eiser] tijdens zijn werkzaamheden op de gesloten afdeling Intensieve Zorg in Zuidlaren, onderdeel van GGZ instelling Lentis. De inspectie constateerde dat er gedurende de werkzame periode van [eiser] in Zuidlaren ernstige problemen waren in de behandelcultuur. Lentis heeft dat erkend is gestart met een intensief verbetertraject. De inspectie houdt toezicht op de voortgang daarvan. Daarnaast heeft [eiser] naar het oordeel van de inspectie zelf ook een rol gehad in de problemen in Zuidlaren. [eiser] heeft aangegeven het daarmee eens te zijn en maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen. Hiertoe heeft hij een plan van aanpak opgesteld dat de IGZ geaccordeerd heeft. De inspectie spreekt opnieuw met de heer [eiser] wanneer hij zijn werkzaamheden als psychiater hervat.’

2.50.

De EO heeft op 3 januari 2013 over de e-mail van 2 januari 2013 van de IGZ gerapporteerd op haar meergenoemde website. De EO heeft haar publicatie ook verzonden naar de persvoorlichter van de IGZ. Op de website is geschreven:

‘IGZ: ‘Ernstige problemen in behandelcultuur Lentis’

Hoofdbehandelaar erkent fouten

Psychiater [voornaam] [eiser] , voormalig hoofdbehandelaar op de gesloten psychiatrische afdeling van Lentis in Zuidlaren, erkent volgens de Inspectie voor de Gezondheidszorg fouten te hebben gemaakt, waardoor er ernstige problemen in de behandelcultuur ontstonden op die afdeling. Dat zegt een woordvoerder van de inspectie tegen de onderzoeksredactie van De Vijfde Dag. Het actualiteiten-programma bracht de misstanden op de afdeling in juni vorig jaar naar buiten. Er was volgens personeel en patiënten sprake van een cultuur van angst en intimidatie, waarbij patiënten nauwelijks behandeld werden. De IGZ heeft de misstanden bij GGZ-instelling Lentis onderzocht en concludeert nu dat er gedurende de werkzame periode van [eiser] in Zuidlaren inderdaad ernstige problemen waren in de behandelcultuur. Volgens de inspectie heeft Lentis dat erkend en is de organisatie gestart met een verbetertraject. De inspectie houdt toezicht op de voortgang daarvan.

Herhaling

[eiser] heeft naar het oordeel van de inspectie zelf ook een rol gehad in de problemen in Zuidlaren. De psychiater erkent dat, volgens de inspectie, en zegt maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen. Lentis had psychiater [eiser] vorig jaar van al zijn taken ontheven, waarna hij op 1 juni 2012 uit dienst trad bij de GGZ-organisatie. De onderzoeksredactie van De Vijfde Dag ontdekte vlak na de uitzending dat [eiser] alweer werkzaam was bij GGZ Friesland. Daar werd hij een dag na de uitzending ontslagen, na twee weken in dienst te zijn geweest bij de organisatie.

Praten

De IGZ sprak daarop met [eiser] en besloot dat de psychiater niet meer mocht werken, zo lang het onderzoek van de inspectie liep. Nu dat onderzoek is afgerond, geeft de inspectie desgevraagd aan opnieuw met [eiser] te gaan praten wanneer hij zijn werkzaamheden als psychiater hervat.’

2.51.

Naar aanleiding van het bericht van de EO heeft nader overleg plaatsgevonden tussen de IGZ en [eiser] . Naar aanleiding van dit overleg heeft de IGZ bij brief van 25 juli 2013 aan [eiser] onder meer geschreven:

‘Met deze brief informeer ik u graag, zoals tevens besproken op 2 juli 2013, over het inspectieoordeel naar aanleiding van het onderzoek naar uw functioneren. De inspectie oordeelt onpartijdig en onafhankelijk. De inspectie heeft daarbij nooit de bedoeling betrokkenen onnodige schade te berokkenen en spant zich in dit te voorkomen.

In 2012 zijn de conclusies reeds met u gedeeld. Gezien de uitingen die nadien in de media hebben plaatsgevonden, hecht de inspectie eraan haar oordeel met deze brief te preciseren. (..) Ter toelichting wil ik op uw verzoek nog het volgende vermelden: wat betreft het oordeel van de inspectie inzake de problemen in de behandelcultuur, moet dit onderscheiden worden van de individuele behandeling van patiënten. U droeg in organisatorisch opzicht geen verantwoordelijkheid voor de behandelcultuur. Wat betreft uw wijze van communiceren en uw bejegening, betrof dit de communicatie en bejegening jegens collegae.

De inspectie heeft haar bevindingen met u gedeeld en constateerde dat u de zienswijze van de inspectie deelde. U toonde de bereidheid om maatregelen te treffen om het risico op herhaling te voorkomen. Hiertoe heeft u een plan van aanpak opgesteld dat door de IGZ is geaccordeerd. Gezien uw rol in de totale problematiek achtte de inspectie het opleggen van enige maatregel niet aan de orde. Daarbij is voorts van belang dat de problemen van organisatorische aard alleen speelden op Cederborg vanaf 2009 en niet op de afdeling Eikenstein. Over de voorafgaande jaren heeft de inspectie met betrekking tot uw functioneren geen specifiek toezicht uitgeoefend. De inspectie heeft u verzocht haar op de hoogte te brengen bij hervatting van uw werkzaamheden als psychiater. Dit om regulier toezicht in de toekomst mogelijk te maken, zoals de inspectie tevens op andere vakgenoten uitoefent. De inspectie heeft dit in een gesprek met u gedeeld en vastgelegd in de brief van

20 oktober 2012.

De inspectie herkent op basis van het onderzoek de berichtgeving van de Evangelische Omroep (EO) in juni 2012 niet. In een uitzending van ‘De Vijfde Dag’ wordt over misstanden gesproken, In casu: machtsmisbruik, een cultuur van angst en intimidatie, vernederend gedrag naar patiënten, het buitensluiten van familieleden van patiënten, het niet serieus nemen van patiënten en het onnodig separeren, sederen en opsluiten van patiënten. Volgens de EO zou u verantwoordelijk zijn voor deze gedragingen. De inspectie heeft geen bevindingen aangetroffen die hierop zouden kunnen wijzen. De inspectie heeft evenmin vastgesteld dat u in uw beroepsuitoefening afweek van geldende wettelijke regels, zoals bijvoorbeeld wanneer er sprake was van separeren.’

2.52.

Nadat de EO middels de raadsman van [eiser] een afschrift van voornoemde brief van 25 juli 2013 van de IGZ had ontvangen, heeft zij op 20 september 2013 een gesprek met de IGZ gehad.

2.53.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft de EO de berichtgeving op haar website op 25 september 2015 aangepast door de volgende informatie bij het onder randnummer 2.50 geciteerde bericht te plaatsen:

‘De Inspectie voor de Gezondheidszorg geeft in een later gesprek tegenover de Vijfde Dag aan dat zij, in tegenstelling tot wat in bovenstaand bericht staat, in haar onderzoek niet heeft kunnen vaststellen dat er een verband bestaat tussen de door [eiser] gemaakte fouten en de ernstige problemen in de behandelcultuur op de betreffende afdeling. De door de inspectie genoemde problematiek van [eiser] betrof volgens de inspectie zijn ‘wijze van communiceren en bejegening’ van collega’s. Dat [eiser] ook patiënten en familieleden van patiënten onheus bejegend zou hebben, heeft de inspectie naar eigen zeggen niet kunnen vaststellen.’

2.54.

Bij brief van 26 september 2013 heeft de IGZ nogmaals aan de EO haar standpunt en onderzoek aanpak nader gepreciseerd. Bij e-mail van 23 oktober 2013 heeft de IGZ aan de EO over haar onderzoeksaanpak geschreven:

‘De inspectie heeft voor deze werkwijze gekozen omdat de focus de algehele kwaliteit van zorg is en niet het eventuele individuele falen van psychiater [eiser] . Naar aanleiding van de melding van de voormalig werkneemster, brieven van (familieleden van) patiënten en de uitzending De Vijfde Dag heeft de inspectie de klachten over [eiser] onderzocht. Op basis van de diverse bronnen waaronder informatie uit meldingen, informatie van een voormalig werkgever van [eiser] , klachten over hem bij de werkgever, inspectieonderzoek bij Lentis en berichten in de media) heeft de inspectie geconstateerd dat er de laatste twee jaar ernstige problemen waren in de behandelcultuur op betreffende afdeling van Lentis in Zuidlaren. Volgens de inspectie zijn die problemen voor een deel veroorzaakt door organisatie- en systeemfactoren. Daarnaast heeft de heer [eiser] volgens de IGZ zelf ook een rol gehad in de problemen in Zuidlaren. [eiser] deelde dat oordeel en gaf aan bereid te zijn om maatregelen te treffen om het risico op herhaling te voorkomen. Hiertoe heeft hij een plan van aanpak opgesteld dat de inspectie heeft geaccordeerd. Gezien zijn rol in de totale problematiek op de afdeling Intensieve Zorg in Zuidlaren, vond de inspectie dit voldoende voor het kunnen realiseren van verantwoorde zorgverlening.’

2.55.

Bij schrijven van 17 juni 2014 aan de EO heeft [voorletter] [verpleegkundige 2] , die een periode als verpleegkundige op Cederborg werkzaam is geweest, over zijn negatieve ervaringen met het functioneren van [eiser] verklaard.

2.56.

[voorletter] [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog en vanaf mei 2004 tot en met maart 2013 werkzaam bij IZZ Zuidlaren, waaronder de afdeling Cederborg, heeft op 28 september 2014 schriftelijk verklaard:

‘Als psycholoog binnen Intensieve Zorg Zuidlaren ben ik betrokken geweest bij het sollicitatiegesprek met mw. [gedaagde 2] . Ik begrijp dat zij achteraf aangeeft als nieuwe collega direct volledig inzetbaar te zijn geweest en deskundig. Uit haar CV bleek echter dat zij geen ervaring had binnen de klinische psychiatrie en zeker niet binnen de forensische psychiatrie. Het feit dat ze bekend was met BOPZ maatregelen kon in onze ogen wel een voordeel zijn bij het kennis opdoen van forensische titels, maar een BOPZ-maatregel is wezenlijk iets anders dan een forensische titel. Toen dit besproken werd in het sollicitatiegesprek gaf mw. [gedaagde 2] aan, mogelijk in andere bewoordingen, leergierig te zijn en zich kennis over forensische titels snel eigen te willen maken. Aangezien ik, vanwege het nog niet ingevuld zijn van de vacature van psycholoog binnen afdeling Cederborg, tot dan betrokken was bij de behandelingen heb ik mw. [gedaagde 2] wegwijs gemaakt en ingewerkt in de lopende psychologische behandelingen. Achteraf realiseerde ik me dat het opvallend was dat ze echter nauwelijks vragen stelde over de praktijk van het werken binnen het forensisch kader en redenen waarom bepaalde beslissingen werden genomen. Ik weet dat dit bij een collega psycholoog ook is opgevallen omdat we hierover later hebben gesproken. Tijdens het wekelijkse psychologenoverleg met alle psychologen werkzaam binnen IZZ spraken we met mw. [gedaagde 2] over hoe haar nieuwe werkplek beviel. Het viel op dat het dan van haar kant met name over de samenwerking met dhr. [eiser] ging, waarin zij moeite had met zijn autoritaire houding. Dhr. [eiser] was psychiater/behandelcoördinator op afdeling Cederborg. We gaven aan dat we herkenden dat hij snel, heel beslist en stellig knopen kon doorhakken. We hebben echter ook gezegd dat het onze ervaring was, dat als je met goede argumenten kwam, hij zeker bereid was om zijn beslissing te herzien. Tijdens onze bijeenkomsten heeft mw. [gedaagde 2] het niet, zoals zij beweert in een brief aan de EO, gehad over medicatie beleid (drogeren van patiënten door dhr. [eiser] ) of over machtsmisbruik. Hetgeen ze daarnaast beweert in desbetreffende brief, namelijk dat de andere psychologen het in die punten met haar eens waren, klopt zeker niet. Ik vind het heel vervelend dat mw. [gedaagde 2] mij en mijn collega’s ten onrechte op deze manier betrekt. (..) Wellicht is het beeld ontstaan dat dhr. [eiser] het ontslag van mw. [gedaagde 2] heeft geïnitieerd, ook dit is niet correct. Andere collega’s, vanuit diverse disciplines, gaven aan niet met haar te kunnen samenwerken en ik heb begrepen dat iemand zelfs zei: ‘Zij eruit of ik eruit’.

3 De vordering

3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

[voorletter] a) te verklaren voor recht dat de handelwijze van de EO c.s. jegens hem, te weten het publiekelijk uiten van de vele in onnodig krenkende bewoordingen gestelde beschuldigingen, onrechtmatig is;

b) de EO c.s. te veroordelen om hoofdelijk aan [eiser] een bedrag ter zake van immateriële schade ad € 90.000,00 te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

c) de EO c.s. te veroordelen om hoofdelijk aan [eiser] een voorschotbedrag ter zake van

inkomstenderving ad € 113.000,00 te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

d) de EO c.s. te veroordelen om hoofdelijk aan [eiser] een voorschotbedrag ter zake van

kosten juridische bijstand ad € 15,000,00 te betalen;

e) de EO c.s. te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis

- voor zover het betreft de EO - te verwijderen en verwijderd te houden van haar website het op 14 juni 2012 uitgezonden programma ‘De Vijfde Dag’ en wel dat gedeelte daarvan dat gewijd is aan [eiser] , en voorts alle overige informatie die op haar website over [eiser] is verschenen, inclusief al hetgeen staat vermeld op het zogeheten forum, en

- voor zover het betreft [gedaagde 2] - van haar twitteraccount te verwijderen en verwijderd te houden alle informatie over de onderhavige uitzending en ook anderszins alle informatie over [eiser] , en

voorts EO c.s. te gebieden om zorg te dragen voor verwijdering van de onderhavige informatie elders op het web, een en ander op straffe van een door ieder der gedaagden per hiervoor genoemde verplichting tot verwijdering, verschuldigde dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij in gebreke zijn met de naleving van dit vonnis;

f) EO c.s. te veroordelen tot betaling van alle overige door [eiser] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke momenten dat de schade is geleden en nog zal worden geleden;

g) met veroordeling van EO c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2.

De EO heeft geconcludeerd de vordering van [eiser] af te wijzen, subsidiair de vordering van [eiser] toe te wijzen zonder dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [eiser] zekerheid stelt tot € 218.000,00, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding te vermeerderen met eventuele nakosten en de wettelijke rente over de (na-)kosten.

3.3.

[gedaagde 2] heeft eveneens geconcludeerd de vordering van [eiser] af te wijzen, subsidiair de vordering van [eiser] toe te wijzen zonder dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [eiser] zekerheid stelt tot € 218.000,00, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding te vermeerderen met eventuele nakosten en de wettelijke rente over de (na-)kosten.

4 Het geschil en de beoordeling ervan

Inleiding

4.1.

[eiser] heeft zowel de EO als [gedaagde 2] verweten onrechtmatig te hebben gehandeld. Zijn tegen deze gedaagden ingestelde vorderingen zijn evenwel gebaseerd op ten dele te onderscheiden uitlatingen en/of gedragingen van ieder afzonderlijk. Om die reden, gezien het feit dat door de EO en [gedaagde 2] zelfstandig verweer is gevoerd en de EO en [gedaagde 2] een verschillende maatschappelijke positie innemen, zal onderscheidenlijk worden ingegaan op de door [eiser] tegen de EO ingestelde vordering en vervolgens op die tegen [gedaagde 2] .

De vordering tegen de EO

Het standpunt van [eiser]

4.2.

In het programma De Vijfde Dag zijn vergaande beschuldigingen geuit over de (be-) handelwijze en beroepsethiek van [eiser] . De geuite beschuldigingen zijn inhoudelijk onjuist, zijn gedaan in onnodig grievende bewoordingen en vonden ten tijde van de uitzending onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Het betreft beschuldigingen die door de EO zelf zijn geuit en door personen die de EO aan het woord heeft gelaten ter onderbouwing van de beschuldigingen. Tot deze personen behoort ook [gedaagde 2] . De beschuldigingen komen erop neer dat [eiser] heeft zorg gedragen voor een cultuur van angst en intimidatie, waarbij patiënten niet of nauwelijks worden behandeld, hij als psychiater patiënten ernstig heeft beschadigd, onnodig heeft gesepareerd en onnodig heeft gesedeerd. Kortom, [eiser] zou een psychiater zijn die zijn macht misbruikt en nooit (meer) als psychiater zou mogen werken.

4.3.

In de uitzending wordt een eenzijdig beeld geschetst. In dit verband wijst [eiser] op de vele steunbetuigingen die hij heeft ontvangen en die hij in het geding heeft gebracht.

4.4.

De beschuldigingen die de EO aan het adres van [eiser] heeft geuit zijn onder meer vervat in het begin van het programma met beelden van de zaak [patiënt] opgenomen in een kliniek in Amsterdam, een setting waar [eiser] geheel buiten stond. Daaraan wordt - ten onrechte - de mededeling gekoppeld dat vóór de periode in Amsterdam sprake was van eenzelfde situatie in Zuidlaren, onder verantwoordelijkheid van [eiser] . In het programma wordt gesteld dat [eiser] ter zake van het onterecht separeren tuchtrechtelijk veroordeeld zou zijn, hetgeen feitelijk niet juist is. De klacht is ter zake de behandeling én separatie van [patiënt] ongegrond verklaard. Vervolgens wordt daarbij door de EO de vraag gesteld of [eiser] meer patiënten verkeerd behandeld zou hebben, waarmee de toon voor het verdere programma eenduidig is gezet.

4.5.

In het verdere commentaar dat door de EO wordt gegeven, wordt onder meer [eiser] beschuldigd van het vernederen, het niet-behandelen van patiënten, het geheel buitensluiten van familie en het misbruik maken van zijn (door de EO vermeende) machtspositie als psychiater. Daarbij sluit de titel van het programma aan, ‘God in Zuidlaren’.

4.6.

De ex-patiënten en familieleden die door de EO aan het woord zijn gelaten, hebben vervolgens eveneens vele ernstige beschuldigingen geuit waaronder het niet-behandelen, intimideren en onnodig separeren en sederen. Zij die aan het woord worden gelaten spreken enkel over de rol van [eiser] in de behandeling. Voor zover hun verklaringen moeten worden gekwalificeerd als waardeoordelen heeft eveneens te gelden dat die gebaseerd moeten zijn op feiten en niet geuit mogen worden in onnodig krenkende bewoordingen. Alle genoemde patiënten zijn behandeld zonder dat is gebleken dat [eiser] - voor zover bij de behandeling betrokken geweest - op enigerlei wijze daarin is tekortgeschoten. Voor allen geldt dat de EO in haar programma en de patiënten in hun verklaringen voorbijgaan aan het justitiële kader waarbinnen de patiënten werden behandeld en die bepalend is voor de duur van de opname en de beperkingen van vrijheden.

4.7.

De EO kan zich niet verschuilen achter het feit dat degenen die zij aan het woord laten, de beschuldigingen hebben geuit. De EO heeft het programma samengesteld en er welbewust voor gekozen om juist deze personen aan het woord te laten, zonder enige vorm van kritiek of nader onderzoek. Het programma is aldus een ‘aaneenrijging’ geworden van vele, zeer ernstige beschuldigingen, waarvan geenszins is gebleken dat deze daadwerkelijk juist zijn. Door de wijze van presenteren wordt gesuggereerd dat [eiser] een op macht beluste psychiater is, die zijn macht misbruikt, voor god speelt, mensen zonder reden separeert en opsluit, platspuit met medicatie, bedreigt en geestelijke schade aanricht. Ook anderszins wordt door de EO geen afstand genomen van de beschuldigingen.

4.8.

Voor de EO was te voorzien dat haar uitzending voor [eiser] zeer nadelig zou zijn en hem in zijn eer en goede naam zou aantasten. Van een publieke omroep mag verwacht worden dat zij weet wat de reikwijdte en de gevolgen zijn van een uitzending als de onderhavige.

4.9.

Gezien de ernst van de beschuldigingen had van de EO verwacht mogen worden dat zij nauwkeurig onderzoek zou hebben gedaan naar de juistheid van de beweringen, naast - meer in het algemeen - een onderzoek naar de daadwerkelijke gang van zaken in een forensische/psychiatrische kliniek. De onjuistheid van de in het programma geuite beschuldigingen blijkt eenduidig uit de wel ingestelde onderzoeken, in het bijzonder uit het interne in opdracht van Lentis uitgevoerde onderzoek alsmede uit de externe onderzoeken van Cordes en de IGZ. Uit deze onderzoeken blijkt dat er sprake was van problemen van organisatorische aard en van problemen betreffende de verhouding tussen [eiser] en een aantal collega’s, niet van een disfunctioneren van [eiser] . Voor een zorgvuldig onderzoek van de EO was aanleiding, nu bij de IGZ geen klachten bekend waren omtrent de door de EO gestelde misstanden, terwijl ook geen klachten, anders dan de zaak [patiënt] , ingediend zijn bij de tuchtrechter en dat in een situatie waarin patiënten in het kader van de justitiële maatregelen juridische bijstand genoten. Verder is uit het oog verloren dat de personen die het woord voerden een eigen belang hebben gehad bij het uiten van de beschuldigingen.

4.10.

De EO is ten onrechte gevaren op met name informatie van [gedaagde 2] , zonder te onderzoeken in hoeverre zij ter zake deskundig was, de nodige eigen ervaring had met de forensische psychiatrie en meer in het bijzonder of zij daadwerkelijk had samengewerkt met [eiser] en uit dien hoofde uit eigen wetenschap over zijn handelwijze ten aanzien van patiënten en familieleden kon verklaren.

4.11.

De EO heeft [eiser] geen redelijke termijn gegeven in het kader van hoor en wederhoor te reageren. Hij heeft nog geen twee dagen voor de uitzending de gelegenheid gekregen om een reactie te geven.

4.12.

Gezien het feit dat het om gedateerde zaken ging, bestond geen noodzaak tot uitzending over te gaan. Dit klemt te meer nu ook andere wegen voor de EO openstonden om de vermeende misstand aan de kaak te stellen. Zo had de EO overleg kunnen voeren met de IGZ, hadden patiënten naar de tuchtrechter kunnen stappen en had de EO in overleg kunnen treden met Lentis. Voor de uitzending en het uiten van de beschuldiging bestond geen enkel (laat staan spoedeisend) belang. Ook datgene wat aan materiaal na de uitzending naar voren is gekomen, levert geen daadwerkelijke onderbouwing voor de uitzending van de EO.

4.13.

Afgezien van het programma De Vijfde Dag zijn ook de vooraankondiging op haar website en de twitterberichten van [presentator] onrechtmatig. [presentator] heeft het programma mede gepresenteerd, is het boegbeeld van de EO en wordt bij uitstek vereenzelvigd met de EO. Voorts heeft de EO op 3 januari 2013 op haar website vergaande beschuldigingen geuit in haar bericht: ‘IGZ: ‘Ernstige problemen in behandelcultuur Lentis’, Hoofdbehandelaar erkent fouten’ Dit bericht is op 25 september 2013 aangevuld met een nader bericht naar aanleiding van het onderzoek door de IGZ. Beide berichten zijn voor [eiser] opnieuw zeer schadelijk geweest. Bovendien waren deze berichten inhoudelijk niet juist en daarmee onrechtmatig.

Het standpunt van de EO

4.14.

De EO heeft tijdens haar onderzoek naar de behandelcultuur bij Lentis gesproken met bronnen die onafhankelijk van elkaar gelijkluidende klachten over Lentis én [eiser] hebben geuit. Deze bronnen hebben aangegeven slecht of niet behandeld te zijn en onbehoorlijk te worden bejegend. [eiser] werd door het merendeel van de bronnen verantwoordelijk gehouden. De bronnen bestonden uit ex-patiënten, familieleden van (ex-) patiënten, (ex-) werknemers van Lentis en gespecialiseerde advocaten die met [eiser] te maken hebben gehad. Deze bronnen hebben het verhaal van [gedaagde 2] met wie de EO contact heeft gezocht, bevestigd. Uit het onderzoek bleek daarnaast dat normale correctiemechanismen binnen de instelling niet werkten. Ook zijn meldingen gedaan bij de IGZ waar de IGZ weinig mee deed, terwijl patiënten de weg naar de tuchtrechter niet hebben aangedurfd. De onderzoeksrapporten van Cordes bleken aan het probleem voorbij te gaan en waren gericht op verbetering van processen en structuren. Na de uitzending nog heeft de IGZ haar onderzoek, blijkens haar e-mail van 23 oktober 2013 aan de EO beperkt tot ‘de algehele kwaliteit van de zorg en niet het falen van [eiser] ’. Deze omstandigheden waren voor de EO reden om aan Lentis en het handelen van [eiser] aandacht te besteden middels de uitzending. De uitzending heeft betrekking op een misstand ten aanzien van een zeer kwetsbare groep mensen, psychiatrische patiënten die in sterke mate afhankelijk zijn van hun behandelaren. De EO heeft beoogd andere GGZ instellingen op ‘scherp’ te zetten om klachten van patiënten en familieleden serieus te nemen en niet oogluikend te laten voortbestaan.

4.15.

De uitzending en de publicatie op de website vinden voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en de uitingen van de EO of derden in de uitzending zijn niet nodeloos grievend. De EO beschikte op 14 juni 2012 voorafgaand aan de uitzending over:

1. vijftien bronnen die vergelijkbare klachten hebben geuit over [eiser] ; te weten (1) [gedaagde 2] , (2) [familieleden 1] , [naam 3] , [naam 2] en [familieleden 2] , (3) [lid van de familieraad] en (4) andere bronnen (deels anoniem, ten dele werknemers of ex-werknemers);

2. rapporten van Cordes die de klachten over het medicatiebeleid en de behandelcultuur binnen Lentis waar [eiser] jarenlang verantwoordelijk voor is geweest, bevestigden;

3. een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege waarin [eiser] een waarschuwing is opgelegd in verband met de langdurige separatie van een patiënt;

4. deskundigen die het onderzoek van de EO onderschreven, in het bijzonder BOPZ-advocaten, professor [professor] , voormalig hoofd afdeling psychiatrie Erasmus Medisch Centrum, professor [professor 2] , hoogleraar forensische psychiatrie en de persofficier van het Openbaar Ministerie; en

5. een reactie van Lentis waarin wordt verklaard dat ‘het onderzoek de tekortkomingen aan het licht heeft gebracht die in uw programma naar voren komen’;

6. tevens beschikte de EO over een reactie van [eiser] .

4.16.

De EO kan de reactie van Lentis van 13 juni 2013 op de voorgemonteerde uitzending niet anders interpreteren dan een bevestiging van het beeld dat in de uitzending wordt geschetst door [gedaagde 2] , [familieleden 1] , [naam 3] , [naam 2] en [familieleden 2] . Dat de uitzending in voldoende mate werd gedragen door de feiten stond zodoende vast. De IGZ heeft voorts nadien erkend dat de uitkomsten van het onderzoek van Cordes onvoldoende antwoord gaven op de vraag naar de rol van [eiser] . Over haar eigen onderzoek heeft zij verklaard dat geen onderzoek is gedaan naar het vermeende falen van [eiser] . Dat de bronnen in het verleden geen tuchtklacht tegen [eiser] hebben ingediend, is niet van belang. Het is de vrije keuze van hen om het probleem aan de kaak te stellen via de EO. De EO betwist daarnaast dat [gedaagde 2] onvoldoende ervaring en kennis had om zich te mogen uitlaten over [eiser] .

4.17.

Het standpunt van de IGZ ten tijde van de uitzending was reeds duidelijk. Het was daarnaast duidelijk dat de IGZ de rol van [eiser] van ondergeschikt belang vond, hetgeen de IGZ na de uitzending heeft bevestigd. Naar aanleiding van de uitzending is de IGZ alsnog een onderzoek gestart naar het functioneren van [eiser] . Op verzoek van de EO heeft de IGZ op 2 januari 2013 in een e-mail haar bevindingen van het onderzoek naar [eiser] uiteengezet en onder andere aangegeven dat er ‘gedurende de werkzame periode van [eiser] in Zuidlaren ernstige problemen waren in de behandelcultuur’ en dat ‘ [eiser] hierin een rol heeft gespeeld’. Dat de IGZ haar standpunt een halfjaar later heeft gewijzigd, kwam voor de EO als een verrassing. Indien de publicatie van 3 januari 2013 inhoudelijk niet juist zou zijn, dan is dit de IGZ te verwijten en niet de EO. De EO heeft op 25 september 2013 aan de publicatie de gewijzigde mening van de IGZ toegevoegd. De publicatie en de aanvulling geven een feitelijk juiste voorstelling van zaken weer en de EO heeft ook op dit punt niet onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.

4.18.

De EO heeft niet als vaststaand feit gepresenteerd dat de uitlatingen in de uitzending ook gegrond zijn. De EO heeft zich beperkt tot berichtgeving over de klachten van de bronnen over [eiser] . De tussentitels die in de uitzending zijn verwerkt zijn citaten uit de interviews en dit is ook voldoende duidelijk voor het publiek. Dat de EO wel degelijk afstand heeft genomen van de uitspraken in de uitzending blijkt voorts voldoende door het weerwoord van [eiser] dat de EO expliciet heeft vermeld in de uitzending.

4.19.

[eiser] is voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de klachten van gedupeerden die naar voren zijn gekomen in de uitzending. De EO heeft in dit kader vroegtijdig - namelijk drie weken voor de uitzending - contact met [eiser] opgenomen om hem in te lichten over de uitzending. [eiser] heeft van verschillende aan hem geboden opties om te reageren geen gebruik gemaakt.

4.20.

De vooraankondiging van de uitzending op de website van de EO is, evenals de uitzending niet onrechtmatig. De vooraankondiging is gebaseerd op de feiten zoals die bij de EO bekend waren. De EO heeft daarnaast voldoende afstand genomen van de uitspraken die in de aankondiging worden geciteerd. Deze uitspraken kunnen niet worden toegeschreven aan de EO. De twitterberichten van [voornaam] [presentator] kunnen evenmin worden toegerekend aan de EO. Op basis van de tweet kan evenmin worden geconcludeerd dat de EO de uitspraken van de bronnen tot de hare heeft gemaakt.

De beoordeling door de rechtbank

Algemeen

4.21.

In het geschil tussen [eiser] en de EO staan tegenover elkaar het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht op vrijheid van meningsuiting, inclusief de daarvan afgeleide persvrijheid van de EO (vergelijk artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM), en het door artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek beschermde recht van [eiser] om niet te worden blootgesteld aan publicaties die, door daarin geuite ongefundeerde of lichtvaardige verdachtmakingen, inbreuk maken op zijn eer en goede naam, respectievelijk op zijn recht op bescherming daarvan (vergelijk ook artikel 8 EVRM).

4.22.

Het antwoord op de vraag welk van de beide rechten in een concrete situatie zwaarder moet wegen en daarmee of een perspublicatie onrechtmatig is, is afhankelijk van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, die hiertoe in onderling verband moeten worden beoordeeld. Bij die beoordeling moet aansluiting worden gezocht bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221 (het zogeheten gemeenteraadslid-arrest) ter zake heeft overwogen. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest in het bijzonder gewezen op de volgende, in onderling verband te beschouwen, niet-limitatief opgesomde omstandigheden:

( a) de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben,

( b) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen,

( c) de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal,

( d) de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c bedoelde factoren,

( e) de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden en

( f) een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

4.23.

De rechtbank constateert dat de onderbouwing van de vordering van [eiser] , te verklaren voor recht dat ‘het publiekelijk uiten van de vele in onnodig krenkende bewoordingen gestelde beschuldigingen’ onrechtmatig is, slechts in algemene bewoordingen is gesteld. Dit heeft tot gevolg dat ook de boordeling van dit onderdeel van de vordering slechts in algemene zin kan plaatsvinden. Om een meer specifieke beoordeling uit te lokken, had [eiser] op onderdelen nauwkeurig en concreet dienen te benoemen in welke, exact geformuleerde uitlatingen en/of gedragingen de onrechtmatigheid van de EO besloten ligt. Dat heeft hij evenwel grotendeels nagelaten, zodat de rechtbank zich gehouden acht tot voornoemde beoordeling. Dit is alleen anders indien in de stellingen van [eiser] een meer concreet verwijt besloten ligt.

4.24.

De rechtbank, die naast het schriftelijk dossier de uitzending van De Vijfde Dag van 14 juni 2012 integraal heeft bekeken, zal in het navolgende allereerst ingaan op vraag naar de rechtmatigheid van deze uitzending, om vervolgens die vraag voor de overige publicaties te beantwoorden.

Uitzending onrechtmatig?

4.25.

Ten aanzien van het verwijt dat de beschuldigingen die in de uitzending zijn geuit, onjuist waren en onvoldoende steun vonden in het ten tijde van de uitzending beschikbare feitenmateriaal (vergelijk de in rechtsoverweging 4.22 weergegeven omstandigheid onder (c)) overweegt de rechtbank als volgt.

4.25.1.

Vast staat dat op 14 juni 2012, voorafgaand aan de uitzending de EO beschikte over de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 10 april 2012 waarbij [eiser] een waarschuwing kreeg opgelegd in verband met het ontbreken van verslaglegging over de gang van zaken rond de separatie van [patiënt] , waardoor achteraf niet meer toetsbaar was of de, in dat geval vereiste, vrijwilligheid ten tijde van de separatie aanwezig was.

4.25.2.

Voorts staat vast dat de EO voorafgaand aan de uitzending beschikte over verklaringen van tenminste zes niet-anonieme bronnen die in meer en mindere mate onderling vergelijkbare klachten hebben geuit over de behandeling van patiënten door [eiser] en/of zijn bejegening van familieleden. Het betrof verklaringen van [gedaagde 2] , [familieleden 1] , [naam 3] , [naam 2] , [familieleden 2] en [lid van de familieraad] . Dat de verklaringen van deze bronnen ieder voor zich (ten dele) subjectieve meningen zijn en interpretaties van beslissingen die in het kader van de behandeling en op grond van forensische kaders zijn genomen, doet geen afbreuk aan het feit dat bronnen min of meer op vergelijkbare wijze klaagden over de bejegening door [eiser] en dat bronnen klaagden over het sederen en separeren.

4.25.3.

De EO was ook op de hoogte van de klachten die [lid van de familieraad] intern heeft geuit over de bejegening door [eiser] . De EO was verder op de hoogte van de klachten die, naast de klacht van [gedaagde 2] , door [lid van de familieraad] (als lid van de familieraad van Lentis en zelf psycholoog), [familieleden 1] en [familieleden 2] in augustus 2011 bij de IGZ zijn ingediend over (onder meer) de bejegening door [eiser] . Ook was de EO bekend met de inhoud van de brieven die de IGZ op 11 april 2012 aan [familieleden 2] , de familie [familieleden 1] en aan [lid van de familieraad] heeft gestuurd en waarin wordt verwezen naar de rapporten van Cordes. In deze brieven van de IGZ wordt door de inspectie zelf niet concreet ingegaan op de klachten die over [eiser] zijn geuit.

4.25.4.

Voorts beschikte de EO over een verklaring van [verpleegkundige] , die hij op 11 juni 2012 op schrift heeft gesteld en die eveneens het functioneren van [eiser] betrof. [verpleegkundige] wilde ten tijde van de uitzending anoniem blijven. Onvoldoende weersproken is verder dat de EO voorafgaand aan de uitzending ook reeds op de hoogte was van de strekking van de klacht over het functioneren van [eiser] die [klinisch psycholoog] op 6 september 2012 aan de IGZ heeft verstuurd en van de verklaring van [verpleegkundige 2] die na de uitzending op 17 juni 2014 op schrift is gesteld. [verpleegkundige 2] en [klinisch psycholoog] wensten ten tijde van de uitzending ook anoniem te blijven.

4.25.5.

Verder beschikte de EO over het rapport van Cordes van 22 november 2011 waarin verslag wordt gedaan van het onderzoek naar het functioneren van en het behandelklimaat binnen Cederborg en waarin het conflict tussen [eiser] en [gedaagde 2] wordt omschreven als een ‘sleutelconflict’ dat sporen trekt door het team met daarin uitgesproken voor- en tegenstanders van elk van beide directe conflicthebbers. Tevens beschikte de EO over het vervolgrapport van Cordes van 12 maart 2012 waarin onder meer een geconstateerde verbetering in de contacten met reclassering en verslavingszorg wordt toegeschreven aan een veranderende houding binnen de afdeling die merkbaar is geworden na het vertrek van sleutelfiguren met betrekking tot behandeling uit Cederborg. Onvoldoende weersproken is dat tot deze sleutelfiguren [eiser] behoorde. In dat rapport wordt eveneens gemeld dat het oude medicatiebeleid voor enkele zeer ernstige incidenten heeft gezorgd. Voor dit medicatiebeleid is [eiser] niet uitsluitend maar wel mede verantwoordelijk geweest.

4.25.6.

Naast voornoemde gegevens beschikte de EO over de schriftelijke verklaring die Lentis op 13 juni 2012, na het bekijken van de voor gemonteerde uitzending, aan de EO heeft toegestuurd. Aan die reactie komt naar het oordeel van de rechtbank veel gewicht toe. In die reactie heeft Lentis namelijk niet verwoord dat hetgeen in de uitzending aan de orde zou worden gesteld, onjuist was of nuancering behoefde. De EO heeft onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze uit de door Lentis gekozen bewoordingen mogen afleiden dat Lentis het in de uitzending geschetste beeld van de problemen in de organisatie én de rol van [eiser] daarin, bevestigde. Onder verwijzing naar het onderzoek van Cordes heeft Lentis immers medegedeeld dat het onderzoek de tekortkomingen aan het licht heeft gebracht die in het programma naar voren komen en dat [eiser] gezien zijn grote rol bij deze problematiek, in juli 2011 is ontheven van zijn functie als behandel coördinator op de afdeling Cederborg, in december 2011 volledig is ontheven van al zijn taken en per 1 juni 2012 uit dienst is. Aldus verwoord, bleek uit deze verklaring niet dat het in de uitzending geschetste beeld in werkelijkheid anders lag of dat het hier zou gaan om uit de lucht gegrepen beweringen over [eiser] . Lentis heeft in deze verklaring ook niet verwezen naar de meer genuanceerde interne rapportage van de directie van Forint van 20 juli 2011 of anderszins ondubbelzinnig het in de uitzending geschetste beeld weersproken.

4.25.7.

Op grond van bovenstaande gegevens had de EO op 14 juni 2012 naar het oordeel van de rechtbank voldoende serieus te nemen aanwijzingen die, in samenhang beschouwd, de uitzending De Vijfde Dag, zoals die op 14 juni 2012 is uitgezonden, hebben kunnen dragen. De uitzending vond daarmee voldoende steun in het ten tijde van de uitzending beschikbare feitenmateriaal. Gezien de beschikbare gegevens behoefde de onder rechtsoverweging 2.36 genoemde brief van 13 juni 2012 van de raadsman van [eiser] aan de EO waarin hetgeen in de uitzending aan de orde wordt gesteld wordt weersproken, gelet op het grotendeels globale karakter ervan, de EO niet van uitzending te weerhouden. Dat de EO geen inzage had of heeft gehad in de medische dossiers van de betrokkenen of vooraf onvoldoende in overleg is getreden met de IGZ, maakt dit oordeel gezien de ten tijde van de uitzending wel beschikbare gegevens, niet anders. Dat de EO nadere bevindingen van Lentis had moeten afwachten, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de ongeclausuleerde verklaring die Lentis voor de uitzending op 13 juni 2012 aan de EO heeft afgegeven.

4.25.8.

In verband met voorgaande overwegingen is voorts van belang dat [eiser] meer specifiek heeft gesteld dat de EO in het begin van het programma ten onrechte heeft verklaard dat ‘vóór de periode in Amsterdam [toen [patiënt] was opgenomen in GGZ-kliniek De Meern, rb] sprake was van eenzelfde situatie in Zuidlaren, onder verantwoordelijkheid van [eiser] ’. Voorts heeft [eiser] gesteld dat de EO ten onrechte heeft verklaard ‘dat [eiser] ter zake van het onterecht separeren [van [patiënt] , rb] tuchtrechtelijk veroordeeld is’. De EO heeft betwist dat zij een en ander aldus heeft verwoord. De rechtbank constateert aan de hand van de door [eiser] digitaal in het geding gebrachte versie van de uitzending alsook uit het door de EO in het geding gebrachte transcript van de uitzending, dat de EO de door [eiser] gestelde uitspraken niet als zodanig heeft gedaan. Dat [patiënt] vóór de opname in de Meern in Amsterdam langdurig in een isoleercel in de GGZ-instelling Lentis heeft verbleven, zoals in de uitzending door een voice over wordt uitgesproken, is niet betwist. [eiser] heeft voorts niet weersproken dat hij in de periode waarin [patiënt] langdurig was gesepareerd bij Lentis, als psychiater voor de behandeling verantwoordelijk is geweest. Dat [eiser] niet de psychiater is geweest die de beslissing tot separatie heeft genomen, maakt dit niet anders. Verder is blijkens de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege niet onjuist dat [eiser] , zoals in de uitzending door de voice over wordt uitgesproken, ‘in verband met’ de separatie van [patiënt] een waarschuwing heeft gehad. Het Centraal Tuchtcollege achtte immers het feit dat de psychiater geen rechterlijke machtiging heeft aangevraagd voor de separatie en ook geen nauwkeurige verslaglegging heeft bijgehouden van de separatie tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het feit dat de klachten ter zake behandeling en de separatie zelf ongegrond zijn verklaard, maakt hetgeen door de EO is medegedeeld nog niet onjuist. Dat neemt overigens niet weg dat wanneer van de ongegrond verklaring van deze klachten wel melding zou zijn gemaakt, meer recht zou zijn gedaan aan de uitspraak en aan [eiser] . De in de uitzending vervolgens opgeworpen vraag ‘of hij [ [eiser] , rb] meer patiënten verkeerd heeft behandeld’ is naar het oordeel van de rechtbank tendentieus, maar niet te vergaand nu het de EO in beginsel vrij staat zich in haar berichtgeving te bedienen van bewoordingen die overeenstemmen met het gewone spraakgebruik en van toonzettingen die zij voor het publiek waarop zij zich richt, geschikt acht.

4.26.

Met betrekking tot de ernst van de aan de kaak gestelde misstand (de in rechtsoverweging 4.22 weergegeven omstandigheid onder (b)) overweegt de rechtbank dat onderzoeksjournalisten, en daarmee ook de EO, zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Een achterliggend belang dat met een uitzending als de onderhavige is gediend, is dat misstanden die de samenleving raken niet blijven voortbestaan. De (rechts)positie van personen die een gedwongen opname ondergaan in een forensisch-psychiatrische kliniek en misstanden binnen een forensisch-psychiatrische kliniek zijn naar het oordeel van de rechtbank maatschappelijk relevante onderwerpen. De populatie van de kliniek betreft vaak personen die vanuit het gedwongen karakter van de opname veelal niet in staat zullen zijn vanuit hun afhankelijke positie (effectief) op te treden tegen mogelijke misstanden in een dergelijke kliniek. Een misstand die deze groep personen raakt waaronder het onderwerp van het programma, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf beschouwd als ernstig te betitelen en vanuit het algemeen belang is het aan de orde stellen daarvan ook gerechtvaardigd. [eiser] heeft dat op zichzelf ook niet betwist.

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank is voorts de aard van de verweten uitzending, ook als rekening wordt gehouden met de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor [eiser] , te rechtvaardigen (vergelijk de in rechtsoverweging 4.22 weergegeven omstandigheid onder (a)). De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking het onder rechtsoverweging 4.25 genoemde, ten tijde van de uitzending aan de EO beschikbare feitenmateriaal waaronder in het bijzonder de reactie van Lentis van 13 juni 2012. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het de EO als omroep in beginsel vrijstaat om te bepalen waar zij in het programma De Vijfde Dag aandacht aan besteedt en in het bijzonder welke informatie en welke meningen zij aan het publiek wil verschaffen. In de journalistieke vrijheid ligt besloten om niet alleen feiten maar ook meningen te mogen publiceren, ook indien deze beledigend zijn. Dat het in dit geval reeds om (ten dele) gedateerde gebeurtenissen gaat, doet daaraan op zichzelf niet af. Hier komt bij dat [eiser] , als psychiater, een belangrijke maatschappelijke functie vervult en zich bewust moet zijn geweest dat de wijze waarop hij zijn functie uitoefent, publieke belangstelling met zich kan brengen. De rechtbank betrekt voorts in haar oordeel dat de EO, anders dan [eiser] heeft gesteld, in het kader van ‘hoor en wederhoor’ een redelijke termijn aan [eiser] heeft gegeven om te reageren op de uitzending, nuanceringen aan te brengen en zijn kant van het verhaal te doen. In dit verband verwijst de rechtbank naar de vaststaande feiten zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.28 en verder.

4.28.

De rechtbank overweegt voorts dat de inkleding van de uitzending, mede gelet op de voorgaande overwegingen, billijken dat de EO zich middels de uitzending heeft uitgelaten op de wijze waarop zij dat heeft gedaan (vergelijk de in rechtsoverweging 4.22 onder (d)) opgesomde omstandigheid. De rechtbank constateert dat de EO vijf van de bronnen heeft geïnterviewd en de uitspraken/klachten over [eiser] van deze bronnen in de uitzending heeft verwerkt c.q. heeft weergegeven. Een voice-over heeft in de uitzending de uitkomsten van gesprekken met bronnen gepresenteerd dan wel op hoofdlijnen aangekondigd wat een bron in de uitzending zal gaan zeggen. De tussentitels die in de uitzending zijn verwerkt, zijn citaten uit de interviews en dit is door het in beeld plaatsen van de teksten tussen aanhalingstekens en het in de uitzending vervolgens terug laten komen van de tussentitel in de weergave van het desbetreffende interview voldoende duidelijk gemaakt voor het publiek. Journalistieke zorgvuldigheid brengt met zich dat voor zover de EO informatie overneemt van bronnen, zij deze bronnen accuraat moet weergeven. Niet gesteld of gebleken is dat de EO daarin tekort is geschoten. Verder is onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de EO, door de uitzending in te kleden zoals zij heeft gedaan, in haar commentaar [eiser] zelf heeft beschuldigd van het vernederen en het niet-behandelen van patiënten, het geheel buitensluiten van familie, het misbruik maken van zijn machtspositie als psychiater en het lichtvaardig separeren en onnodig sederen van patiënten. Voorts is onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de EO de uitspraken van haar bronnen tot de hare heeft gemaakt of dat de EO de uitlatingen van de bronnen als vaststaand feit en als gegrond heeft gepresenteerd. Voor zover een bron een waardeoordeel heeft geuit dat al dan niet door [eiser] als grievend is ervaren, behoefde de EO geen nader feitenonderzoek te doen omdat bij de vraag of uitzending al dan niet toelaatbaar is het uitgangspunt is dat een mening niet kan en behoeft te worden bewezen. In dit geval geldt bovendien dat het waardeoordeel van de ene bron werd ondersteund door dat van een andere bron. Dat de bronnen soms onnodig grievend zijn voor [eiser] kan aan de EO niet worden tegengeworpen, nu in de uitzending voldoende duidelijk is gemaakt dat de uitlatingen worden gedaan door mensen die zichzelf gedupeerd voelen. In de journalistieke vrijheid ligt verder besloten dat de EO - naar de feiten - mag berichten over de omstandigheid dat een psychiater tot meerdere klachten aanleiding heeft gegeven, ook zonder dat vaststaat of die klachten gegrond zijn. Het enkele feit dat vele klachten zijn ingediend heeft ook maatschappelijke relevantie.

4.29.

De rechtbank overweegt verder dat er geen aanwijzingen zijn dat de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het doel van de uitzending langs andere, voor [eiser] minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt, dusdanig groot is dat de EO zich op deze grond van de verweten uitzending had moeten onthouden (vergelijk de in rechtsoverweging 4.22 onder (e) genoemde omstandigheid). Hetzelfde geldt als acht wordt geslagen op een mogelijke beperking van het door de uitzending te veroorzaken nadeel voor [eiser] , in verband met de kans dat hetgeen de uitzending aan de orde stelt ook zonder die uitzending in de publiciteit zou zijn gekomen (de in rechtsoverweging 4.22 onder (f) genoemde omstandigheid).

4.30.

Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat de uitzending De Vijfde Dag van 14 juni 2012 niet onrechtmatig is. Weliswaar is feitelijk onjuist de mededeling aan het begin van het programma dat [gedaagde 2] elf jaar lang als GZ-psycholoog met verstandelijk beperkte mensen heeft gewerkt voordat zij bij Lentis solliciteerde, maar niet gesteld of gebleken is dat de EO [gedaagde 2] als bron onjuist op dit punt heeft geciteerd. Deze fout, maakt, mede gezien de overige feiten en omstandigheden, de uitzending nog niet onrechtmatig te minder daar de EO [gedaagde 2] en ook Lentis gelegenheid heeft gegeven op het programma, voorafgaand aan uitzending ervan, te reageren en [gedaagde 2] , maar ook Lentis - kennelijk- geen commentaar heeft geleverd op dit punt.

4.31.

Naar het oordeel van de rechtbank neemt het voorgaande niet weg dat de EO in de uitzending een eenzijdig beeld heeft geschetst van problemen die op de GGZ-afdeling Cederborg van Lentis te Zuidlaren hebben gespeeld. De EO had zeer wel op basis van het tot haar beschikking staande feitenmateriaal een beeld kunnen schetsen van de afdeling dat minder belastend voor [eiser] zou zijn geweest, maar het was aan de EO om daarvoor al dan niet te kiezen. De redactie van de Vijfde Dag heeft bijvoorbeeld geen aandacht besteed aan het feit dat blijkens het rapport van Cordes van 22 november 2011 het conflict tussen de psycholoog [gedaagde 2] en psychiater [eiser] wordt getypeerd als een ‘sleutelconflict’ voor het team Cederborg omdat in dit conflict de sterk verschillende opvattingen over visie op behandelen en begeleiden naar voren komen. In het rapport wordt erop gewezen dat het conflict sporen trekt door het team met meer of minder uitgesproken voor- en tegenstanders van [gedaagde 2] en [eiser] . Dat het teamgehalte alarmerend slecht was, wordt in het rapport van Cordes van 12 maart 2012, onder verwijzing naar het eerdere rapport, opnieuw gesignaleerd. Aan het bestaan van ‘uitgesproken voorstanders van [eiser] ’ en ‘tegenstanders van [gedaagde 2] ’ is echter geen aandacht besteed, laat staan dat deze voor- respectievelijk tegenstanders aan het woord zijn gelaten in de uitzending. De rechtbank verwijst in dit verband kortheidshalve naar de vele steunbetuigingen die door [eiser] in het geding zijn gebracht en naar de verklaring van [GZ-psycholoog] van 28 september 2014. Daarnaast is de uitzending naar het oordeel van de rechtbank eenzijdig omdat het forensisch psychiatrische kader van de IZZ van Lentis en dan in het bijzonder de Cederborg en de daaraan inherente behandeling en (vrijheids-)beperkingen van de patiënten onderbelicht zijn gebleven. In de uitzending wordt ook niet belicht dat [familieleden 1] op de Cederborg was opgenomen in verband met een door haar begaan, zeer ernstig misdrijf jegens haar kind. Dat de uitzending op deze wijze een eenzijdig en onvolledig beeld oplevert, waarvan [eiser] de dupe is geworden, betekent evenwel niet dat zij ook onrechtmatig is. Aan de belangen die gediend zijn door de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid komt in dit geval een zwaarder gewicht toe dan aan de belangen van [eiser] .

Overige publicaties onrechtmatig?

4.32.

Omdat de uitzending van 14 juni 2012 niet onrechtmatig is, concludeert de rechtbank dat ook het plaatsen van de uitzending op de website van de EO zodat deze nog (opnieuw) kan worden bekeken, niet onrechtmatig is. Ook de op 14 juni 2012 door de EO op haar website geplaatste vooraankondiging van de uitzending is niet onrechtmatig. Deze tekst behelst een samenvatting van de bevindingen van het onderzoek dat door de EO is verricht, terwijl onvoldoende feitelijk is onderbouwd dat de EO met deze vooraankondiging beschuldigingen dan wel verklaringen die door de geïnterviewden zijn geuit, tot de hare heeft gemaakt. De uitspraken waarin beschuldigingen zijn vervat zijn tussen aanhalingstekens geplaatst of worden geplaatst in de context van het door de EO verrichte onderzoek met verwijzing naar de bronnen. De vrijheid van meningsuiting brengt met zich dat de EO zich daarbij heeft kunnen bedienen van een korte samenvatting en van een toonzetting die ongenuanceerd is. Aan het weerwoord van [eiser] is in de vooraankondiging voorts voldoende aandacht besteed. Ook het twitterbericht van de Vijfde Dag van 14 juni 2012 is niet onrechtmatig, nu het in steekwoorden, zoals inherent aan twitterberichten, aansluit bij de vooraankondiging.

4.33.

Het twitterbericht van [voornaam] [presentator] , die de uitzending niet heeft gemaakt noch heeft gepresenteerd, kan verder niet als onrechtmatig handelen van de EO jegens [eiser] worden aangemerkt, nu niet althans onvoldoende is gesteld dat [presentator] het twitterbericht als werknemer van de EO heeft verstuurd en ook overigens geen feiten zijn gesteld waaruit afgeleid kan worden dat aan de eisen van artikel 6:170 BW voor aansprakelijkheid van de EO is voldaan.

4.34.

Voorts kan de websitepublicatie van de EO van 3 januari 2013 niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De inhoud komt overeen met de e-mail van 2 januari 2013 die de persvoorlichter van de IGZ aan [onderzoeksredacteur] heeft geschreven en doet daar verslag van. Dat de IGZ het nodig vond haar standpunt zoals zij dat aan de EO bij e-mail van

2 januari 2013 kenbaar heeft gemaakt, nadien te nuanceren en in de brief van 25 juli 2013 aan [eiser] te preciseren, is naar het oordeel van de rechtbank niet toe te rekenen aan de EO. Dat de EO vervolgens, na overleg met de IGZ deze nuancering op 25 september 2013 heeft opgenomen op haar website is in overeenstemming met deze gang van zaken en is niet onrechtmatig jegens [eiser] .

4.35.

De rechtbank resumeert dat toepassing van de in rechtsoverweging 4.21 en 4.22 geformuleerde uitgangspunten voor de beoordeling van het onderhavige geschil, tot de conclusie leidt dat op geen van de door [eiser] aan de EO verweten punten, de EO de grenzen van de haar toekomende uitingsvrijheid heeft overschreden en dat de EO dus tegenover [eiser] niet onrechtmatig heeft gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht voor zover het de EO betreft, zal worden afgewezen. Toewijzing van de overige vorderingen voor zover gericht tegen de EO stuiten hier op af.

Proceskosten en nakosten

4.36.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure aan de zijde van de EO worden veroordeeld, welke tot op heden worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 6.000,00 (3,0 punt × tarief VI € 2.000,00)

Totaal € 9.829,00

4.37.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

De vordering tegen [gedaagde 2]

Het standpunt van [eiser]

4.38.

[gedaagde 2] heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door in een landelijk televisieprogramma ten opzichte van hem publiekelijk ernstige beschuldigingen te uiten in onnodig grievende bewoordingen. Alle door haar geuite beschuldigingen zijn feitelijk onjuist en niet gebaseerd op eigen kennis én wetenschap. [gedaagde 2] is overgegaan tot het zoeken van de publiciteit, nadat Lentis de arbeidsrelatie met haar had beëindigd. Voor het zoeken van deze publiciteit bestond geen noodzaak nu voor [gedaagde 2] andere wegen openstonden om haar klachten over het functioneren van [eiser] te uiten. Ondanks het feit dat het nodige onderzoek heeft plaatsgevonden is [gedaagde 2] doorgegaan met het uiten van beschuldigingen. Daarnaast heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door het plaatsen van twitterberichten op haar Twitter account, onder meer naar aanleiding van het ontslag van [eiser] bij GGZ-Friesland.

4.39.

[gedaagde 2] is door de EO geïntroduceerd in het kader van een behandelingsbrief inzake [patiënt] . Door [gedaagde 2] wordt in de uitzending verklaard dat de inhoud van deze brief en de wijze waarop een en ander bekend wordt gemaakt, typerend is voor de behandelwijze van [eiser] , een volgens [gedaagde 2] ‘perfecte illustratie’ van zijn ‘minachting’ voor patiënten. [gedaagde 2] kan evenwel niet uit eigen wetenschap verklaren omtrent de behandeling van [patiënt] . Op geen enkele wijze is gebleken dat [eiser] wat betreft de inhoudelijke behandeling van [patiënt] tekort zou zijn geschoten. Deze behandeling is goed geweest, hetgeen ook bevestigd wordt door het feit dat [eiser] tuchtrechtelijk daarvoor niet is veroordeeld.

4.40.

[gedaagde 2] komt regelmatig in het programma aan het woord en is eenduidig in haar beschuldigingen. Het zou gaan om ‘machtsmisbruik’ door [eiser] , hij zou bepalen hoe lang een patiënt al dan niet behandeld wordt en hoe verder het leven van een dergelijke patiënt eruitziet. Volgens [gedaagde 2] zou sprake zijn van dermate ernstige gedragingen dat [eiser] niet (langer) als psychiater werkzaam zou mogen zijn: ‘Die moet gestopt worden met het verder beschadigen van patiënten die al heel ernstig beschadigd zijn.’ Dit is evenwel niet gestaafd door concrete feiten, laat staan op eigen ervaring van [gedaagde 2] als collega van [eiser] . Hooguit is sprake van een mening, maar vaststaat dat [gedaagde 2] niet de deskundigheid had waarmee zij zich in de uitzending heeft gepresenteerd. Bij het uiten van haar beschuldigingen is zij voorbijgegaan aan het forensisch kader dat primair bepalend is voor de duur van het verblijf. Daarnaast zijn de beschuldigingen in onnodig grievende bewoordingen gedaan.

4.41.

Als [gedaagde 2] zich al heeft gebaseerd op eigen ervaringen en waarnemingen zijn deze beperkt tot de korte periode, mei en juni 2011, waarin zij op Cederborg werkzaam is geweest. Deze eigen ervaringen en waarnemingen moeten bovendien betrekking hebben op handelen van [eiser] , waarbij zij aanwezig was. [gedaagde 2] is evenwel niet betrokken geweest bij de behandeling van patiënten van [eiser] , behoudens in beperkte mate bij [familieleden 1] , en zij is niet betrokken geweest bij gesprekken die [eiser] heeft gevoerd met patiënten en familieleden. De behandeling van [familieleden 1] heeft op adequate wijze plaatsgevonden. Dat de behandeling langer heeft geduurd dan gebruikelijk heeft te maken gehad met de ernst van de psychose. [familieleden 1] heeft een uitgebreid digitaal medisch dossier en de klachten van [familieleden 1] zijn niet gegrond verklaard. Van een tuchtrechtelijke procedure heeft [familieleden 1] zelf afgezien. Omtrent bejegening door [eiser] van patiënten kan [gedaagde 2] niet uit eigen waarneming verklaren. [gedaagde 2] kan hooguit - uit eigen waarneming - iets verklaren omtrent de verhouding binnen het team van medewerkers tijdens het moment van overdracht. Dat daarbij een enkeling wel eens is aangesproken door [eiser] , kan juist zijn, doch dit gegeven op zich rechtvaardigt geenszins de conclusie dat sprake zou zijn van misstanden in de door [gedaagde 2] bedoelde zin, te weten het onterecht, onnodig separeren en sederen. Uit de gepresenteerde cijfers blijkt dat hetgeen [gedaagde 2] aan beschuldigingen heeft geuit omtrent sancties als separatie, vrijheden beperken en sedatie niet juist is. Van een kamerprogramma als variant op separatie is [eiser] niets bekend. In verband met de brandveiligheid mogen kamers niet op slot gedraaid worden. Daar wordt strikt de hand aan gehouden.

4.42.

De inbreng en informatie van [gedaagde 2] hebben een cruciale rol gespeeld in de uitzending. [gedaagde 2] is uitvoerig aan het woord gekomen waarbij ze zonder enige terughoudendheid de meest vergaande beschuldigingen heeft geuit. Haar bijdrage aan de uitzending moet worden gekwalificeerd als een belangrijke pijler onder de uitzending.

4.43.

Als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] heeft [eiser] schade geleden en zal hij in de toekomst nog schade lijden nu hij ernstig in zijn eer en goede naam en zijn beroepsethiek is aangetast. Deze schade betreft immateriële en materiele schade. Degenen die jarenlang nauw met [eiser] hebben samengewerkt onderkennen zijn vakbekwaamheid en juiste beroepsethiek, maar dit blijft thans beperkt tot deze kring van direct betrokkenen. [eiser] heeft in de praktijk moeten ervaren in welke mate zijn goede naam is aangetast. Dit heeft niet alleen geleid tot de beëindiging van de arbeidsverhouding met GGZ-Friesland. Na beëindiging van deze arbeidsverhouding was het voor hem bijzonder moeilijk om ander werk te vinden. Dit is inmiddels wel gelukt, zij het tegen aanzienlijk minder gunstige arbeidsvoorwaarden.

4.44.

[eiser] heeft ter zake immateriële schade € 90.000,00 gevorderd. De overige schade bestaat onder meer uit inkomstenderving. Het salaris zou € 108.438,00 op jaarbasis zijn geweest, maar was in 2012 en 2013 ongeveer gehalveerd. De schade over deze twee jaren komt uit op ongeveer € 113.000,00. Wat betreft de inkomstenderving is thans nog geen sprake van een definitieve eindtoestand. Om die reden wordt thans een voorschot van

€ 113.000,00 gevorderd, naast kosten voor juridische bijstand. Voor de overige schade wordt een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.

Het standpunt van [gedaagde 2]

4.45.

Het toetsingskader voor het onderhavige geschil wordt gevormd door artikel 10 EVRM. De uitingsvrijheid mag, aldus artikel 10 lid 2 EVRM, alleen worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.

4.46.

Voorafgaand aan haar indiensttreding bij Lentis is [gedaagde 2] elf jaar als orthopedagoog in de gezondheidszorg werkzaam geweest. Zij heeft als orthopedagoog een complexe doelgroep bediend, verrichtte werkzaamheden passend bij een GZ-

psycholoog en was ingeschaald op dat niveau. Op het moment van indiensttreding bij Lentis in de functie van GZ-psycholoog had zij haar opleiding tot GZ-psycholoog afgerond. Daarnaast heeft [gedaagde 2] gedurende haar dienstverband bij haar voormalig werkgever

‘s Heeren Loo, de voorzittersfunctie van de BOPZ-commissie vervuld. De voice over bevat weliswaar een onjuistheid waar wordt gezegd dat [gedaagde 2] al jarenlang als GZ- psycholoog werkzaam is, maar [gedaagde 2] heeft in de uitzending niet meer gezegd dan dat zij al jaren in de zorg werkzaam is.

4.47.

De door [gedaagde 2] waargenomen gedragingen van [eiser] betroffen - kort

gezegd - onheuse gedragingen op het gebied van bejegening van patiënten en familieleden van patiënten en een inadequate, disproportionele wijze waarop hij vrijheidsbeperkende maatregelen aan patiënten oplegde. Het toetsingskader van de vrijheidsbeperkende maatregelen tijdens de behandelduur is de wet BOPZ, een gebied waarop [gedaagde 2] deskundig en ervaren was. In de gegeven omstandigheden mocht [gedaagde 2] persoonlijk verslag doen van haar eigen ervaringen, waarnemingen en van hetgeen zij heeft vernomen van ex-patiënten, hun familieleden, van oud-collega’s, van de tuchtrechter en van andere deskundigen. Tijdens haar aanwezigheid op Cederborg heeft zij veel zwaar gesedeerde patiënten gezien en daarover heeft zij zich - desgevraagd - in de uitzending ook uitgelaten. [gedaagde 2] is niet betrokken geweest bij de behandeling van [patiënt] en heeft dat niet in de uitzending gesuggereerd. De eigen ervaringen van [gedaagde 2] met [eiser] en de wijze waarop hij patiënten bejegende, maakten dat de formulering in de brief van [eiser] aan [patiënt] die haar door de EO werd voorgelegd voor [gedaagde 2] herkenbaar waren. Gelet op haar ervaringen met [eiser] , kon zij de uitspraken doen die zij in de uitzending heeft gedaan.

4.48.

Het bleek voor [gedaagde 2] niet mogelijk om met [eiser] in een constructieve dialoog te raken over hetgeen haar dwarszat met betrekking tot de bejegening van de patiënten door [eiser] . [gedaagde 2] heeft vervolgens haar klachten binnen Lentis kenbaar gemaakt en een klacht ingediend bij de IGZ. Zij heeft de Raad van Bestuur van Lentis daarvan op de hoogte gebracht. Zoals weergegeven in het concluderend verslag naar aanleiding van het interne onderzoek van Lentis, heeft [gedaagde 2] ook in het kader van het interne onderzoek uitgesproken dat maatregelen als separatie en kamerprogramma gebruikt werden als straf- en sanctiemaatregelen binnen de afdeling Cederborg. De directie Forint heeft echter slechts geconcludeerd dat de spanning op de afdeling fors was opgelopen. De onderzoeksrapporten van Cordes hebben enkel betrekking op de processen en structuren binnen de gesloten inrichting van Lentis en niet de rol van [eiser] daarbij.

4.49.

In de aanloop naar de uitzending heeft [gedaagde 2] de Uitzending via haar Twitter

account aangekondigd. De door [eiser] geciteerde tweet ‘Mijn verhaal: ‘God in Zuidlaren’ is niets meer dan de woordelijke weergave van de programma aankondiging door (de presentator van) de EO. De duiding ‘God in Zuidlaren’ is een van de subtitels die de EO aan het programma heeft gegeven, mede naar aanleiding van die aanduiding van [eiser] als ‘God’ door twee van de andere geïnterviewde bronnen in de uitzending, [familieleden 2] en [naam 2] . Die bewoordingen zijn door [gedaagde 2] niet gekozen, niet uitgesproken en zij heeft deze formulering slechts van de EO overgenomen. De door [eiser] aangehaalde tweet ‘Angst en intimidatie bij GGZ-kliniek. Klokkenluidster: deze man moet gestopt worden’ is niets meer dan een retweet. De term ‘angst en intimidatie’ is door [gedaagde 2] niet in de mond genomen. Ook de bewoordingen in de tweet betreffen niet de bewoordingen van [gedaagde 2] . Het betreft bewoordingen uit een tweet die afkomstig was van De Vijfde Dag. Dit Twitter account behoort toe aan de EO. Voorts heeft [gedaagde 2] het twitterbericht van [presentator] slechts geretweet. De tweet over het ontslag van [eiser] betrof een geheel op feiten gebaseerde mededeling. Dat [gedaagde 2] daarbij een zekere opluchting heeft gevoeld (‘dankbaar’), is niet meer dan een persoonlijke, niet-grievende uiting van een gevoel. Ook deze tweet is niet onrechtmatig.

4.50.

Enig causaal verband tussen de gestelde schade en de uitspraken van [gedaagde 2] in de uitzending ontbreekt nu de EO talloze bronnen heeft gesproken die allemaal langs dezelfde lijnen over [eiser] en over Lentis hebben verklaard. Andere bronnen hebben bovendien vele gelijkluidende uitlatingen over [eiser] gedaan in de uitzending. Zo heeft [naam 2] in de uitzending ook verklaard dat zij vindt dat [eiser] niet meer als psychiater werkzaam mag zijn. Voorts heeft [gedaagde 2] onder meer een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] nu het geheel aan [eiser] te wijten is geweest dat [gedaagde 2] geen forum kreeg om haar klachten op voor haar acceptabele wijze te uiten. [eiser] heeft ook de gelegenheid om te reageren op de uitzending onbenut gelaten.

De beoordeling door de rechtbank

Algemeen

4.51.

In het geschil tussen [eiser] en [gedaagde 2] staan dezelfde rechten tegenover elkaar als in het geschil tussen [eiser] en de EO, te weten het recht op vrijheid van meningsuiting, in dit geval aan de zijde van [gedaagde 2] en het recht op eer en goede naam aan de zijde van [eiser] . Voor het toetsingskader ter beantwoording van de vraag of een of meer uitlatingen van [gedaagde 2] in het programma De Vijfde Dag onrechtmatig is respectievelijk zijn, verwijst de rechtbank hier kortheidshalve naar hetgeen zij in rechtsoverweging 4.21 en 4.22 heeft overwogen. Voor zover [gedaagde 2] heeft betoogd dat het toetsingskader, nu zij als privépersoon, een van de EO als publieke omroep afwijkende maatschappelijke positie inneemt, uitsluitend door artikel 10 EVRM wordt gevormd, overweegt de rechtbank dat het ook in dit geschil gaat om een botsing van twee fundamentele rechten en dat bij de afweging van deze tegenover elkaar staande rechten in beginsel geen voorrang toekomt aan één van de twee. Afweging van (de belangen achter) die rechten dient plaats te vinden aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Daarbij houdt het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, tegelijkertijd in dat de beperking van het andere recht noodzakelijk is in een democratische samenleving en bij wet is voorzien (artikel 10 lid 2 EVRM en artikel 8 lid 2 EVRM), vergelijk onder meer HR 4 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013, 851.

4.52.

De rechtbank constateert dat ook in het geschil met [gedaagde 2] , [eiser] slechts sporadisch heeft geconcretiseerd welke uitspraak dan wel gedraging hij [gedaagde 2] verwijt en in welke concrete uitlatingen en/of gedragingen haar onrechtmatig handelen besloten ligt en waarom. De beoordeling door de rechtbank zal dan ook in algemene zin plaatsvinden, tenzij [eiser] in de stukken een en ander wel voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

4.53.

De rechtbank overweegt verder in het algemeen dat de wijze waarop de uitlatingen van [gedaagde 2] door de EO zijn gepresenteerd in de uitzending, waaronder moet worden begrepen de volgorde waarin de uitlatingen van [gedaagde 2] worden gepresenteerd en het kader waarbinnen ze worden geplaatst, niet aan [gedaagde 2] kan worden toegerekend en in handen lag van de EO. Dat geldt ook voor het aandeel in de zendtijd dat de EO aan iedere afzonderlijke bron in de uitzending heeft gegeven en de kwalificatie ‘klokkenluidster’ die de EO aan [gedaagde 2] heeft gegeven. Voorts kunnen uitspraken van andere bronnen niet aan [gedaagde 2] worden toegerekend.

Uitlatingen in de uitzending onrechtmatig?

4.54.

[eiser] heeft [gedaagde 2] verweten in de uitzending verschillende beschuldigingen te hebben geuit die onjuist waren, onvoldoende steun vonden in het ten tijde van de uitzending beschikbare feitenmateriaal en/of niet gebaseerd waren op eigen kennis en wetenschap. De rechtbank zal in het navolgende ingaan op dit verwijt (vergelijk ook de in rechtsoverweging 4.22 weergegeven omstandigheid onder (c)) aan de hand van de door [eiser] in dit verband concreet aangevoerde uitspraken van [gedaagde 2] .

4.55.

Ten aanzien van de verwijten die [eiser] aan [gedaagde 2] heeft gemaakt naar aanleiding van een behandelingsbrief inzake [patiënt] waarmee zij in het programma door de EO wordt geïntroduceerd, overweegt de rechtbank dat [gedaagde 2] in de uitzending niet heeft gesuggereerd dat zij bij de behandeling van [patiënt] betrokken is geweest of dat zij uit eigen wetenschap kan verklaren over de behandeling van [patiënt] noch dat [eiser] in die behandeling inhoudelijk tekort is geschoten. In de uitzending geeft zij, blijkens de beelden van de uitzending en het in het geding gebrachte transcript, haar mening over de persoon [eiser] . Dat is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende duidelijk voor het publiek. Deze mening is geen feitelijke vaststelling die juist of onjuist kan zijn en bewezen kan worden. Ook wanneer deze mening als beledigend wordt ervaren en als een beschuldiging, behoeft zij in dit geval niet in voldoende c.q. enige mate te worden gedragen door de feiten. Er is onvoldoende sprake van dusdanig vergaande kwalificaties, dat het waardeoordeel vanwege het excessieve karakter ervan, wel enige feitelijke basis dient te hebben (vergelijk onder meer EHRM 19 december 2006, nr. 18235/ 02).

4.56.

[eiser] heeft voorts [gedaagde 2] in meer algemene bewoordingen verweten dat zij ernstige beschuldigingen aan zijn adres heeft geuit inzake zijn bejegening van patiënten, familieleden van patiënten en het creëren van een cultuur van angst en intimidatie waarbij het zou gaan om ‘machtsmisbruik’, terwijl deze beschuldigingen geen steun vinden in concrete feiten noch worden gesteund door eigen ervaringen van [gedaagde 2] als collega van [eiser] .

4.57.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 2] in de uitzending onder meer haar mening geeft over de bejegening door [eiser] van patiënten en familieleden van patiënten. Dat dit haar mening is, kan ook geacht worden voldoende duidelijk te zijn geweest voor het publiek. Zo laat zij zich in het begin van de uitzending in de volgende bewoordingen uit: ‘Wat hem drijft is denk ik dat hij zijn macht uitoefent.’ En op de vraag of hij die macht misbruikt antwoordt [gedaagde 2] in voornoemde context: ‘Ja, en dat misbruikt hij’. Deze mening, ook al wordt deze als onnodig grievend ervaren, behoeft niet te worden bewezen en/of enige steun te hebben in de feiten. De rechtbank verwijst hierbij kortheidshalve naar hetgeen zij reeds in rechtsoverweging 4.55 heeft overwogen. Ook bij hetgeen [gedaagde 2] in de uitzending onder het kopje ‘God in Zuidlaren’, ‘ik was slechts familie, hij had geen boodschap aan mij’ en ‘doe maar niet, want dan wordt het nog erger voor je’ heeft uitgesproken, gaat het niet om feitelijke vaststellingen die juist of onjuist kunnen zijn, maar om een mening die niet bewezen hoeft te worden. Voor zover [gedaagde 2] een meer algemene beschrijving geeft van [eiser] ’ bejegening van patiënten of familieleden van patiënten dan wel van de sfeer of cultuur op de afdeling, vindt deze verklaring voor zover die niet zuiver een mening is, voldoende steun in de verklaringen van de andere bronnen die zich onder voornoemde kopjes in de uitzending op vergelijkbare wijze hebben geuit over de bejegening en over de sfeer en cultuur van de afdeling. Dat [gedaagde 2] slechts een korte periode op de Cederborg werkzaam is geweest, het feit dat [gedaagde 2] slechts in een enkel geval direct betrokken is geweest bij de behandeling van een patiënt en niet betrokken is geweest bij gesprekken die [eiser] heeft gevoerd met patiënten of familieleden van patiënten, maken het oordeel niet anders. [gedaagde 2] heeft op voornoemde momenten in de uitzending deze (verdergaande) betrokkenheid ook niet gesuggereerd.

4.58.

[eiser] heeft verder gesteld dat de onwetendheid van [gedaagde 2] met betrekking tot forensische zorgtitels eenduidig blijkt uit de kwestie [familieleden 1] . De rechtbank constateert dat [eiser] onvoldoende concreet heeft gesteld welke uitlating van [gedaagde 2] inzake de kwestie [familieleden 1] onrechtmatig is en waarom. Hetgeen [gedaagde 2] onder het kopje ‘beheersen, controleren, straffen, vrijheden beperken’ over [familieleden 1] in de uitzending heeft verklaard, vormt een mening over de behandelwijze van een kraambedpsychose en die van [familieleden 1] in het bijzonder. Een dergelijke mening mag worden geuit, ongeacht de deskundigheid van [gedaagde 2] , ook als dit is gebeurd zonder dat de ernst van het misdrijf waarvoor [familieleden 1] was opgenomen en het forensisch kader van haar verblijf voldoende wordt belicht.

4.59.

[eiser] heeft [gedaagde 2] voorts verweten beschuldigingen te hebben geuit omtrent onnodige sedatie. De rechtbank constateert dat onder het kopje ‘ze heeft daar ongelooflijk veel medicatie gekregen’ [gedaagde 2] in de uitzending door de EO aan het woord wordt gelaten tussen andere bronnen. Zij zegt in de uitzending onder voornoemd kopje: ‘Het waren mensen die grotendeels in separeer verbleven of op hun eigen kamer en die ook ontzettend veel medicatie kregen toegediend zodat ze maar niet agressief zouden zijn. Dus behoorlijk gesedeerd werden. (Vraag: Zag u dat veel?) Dat heb ik veel gezien. Ja dat heb ik veel gezien. (..) Dan zag ik iemand liggen in zo’n schort in een hoekje op een matrasje, die waren volkomen van de wereld. Dat waren wat mij betreft geen mensen waar je erg angstig voor hoeft te zijn dat die nou de boel gaan afbreken of dat die je gaan aanvallen. Maar die heel kwetsbaar waren.’ Feitelijk beschrijft [gedaagde 2] hier, desgevraagd, dat zij tijdens haar aanwezigheid op Cederborg veel zwaar gesedeerde mensen heeft gezien. Dat [gedaagde 2] het een en ander heeft waargenomen heeft [eiser] niet weersproken. Deze beschrijving van [gedaagde 2] is geen in de uitzending door haar publiekelijk geuite beschuldiging aan het adres van [eiser] , alhoewel haar uitspraken wel suggestief zijn en naar het oordeel van de rechtbank ook onprofessioneel temeer daar zij de context waarin de patiënten in de kliniek verbleven buiten beschouwing heeft gelaten.

4.60.

Resumerend gaat het bij de hiervoor verweten uitspraken voornamelijk om meningen van [gedaagde 2] , die als zodanig niet hoeven te worden bewezen. Dat het meningen zijn, acht de rechtbank ook voor het publiek voldoende duidelijk. Voor zover de uitspraken aangaande bejegening (los van separatie), sfeer en cultuur op de afdeling niet zuiver een mening zijn, vinden deze voldoende steun in de verklaringen van de andere bronnen, terwijl de verklaring omtrent de sedatie een beschrijving is, die verder niet is weersproken. Deze conclusie in aanmerking nemend, overweegt de rechtbank ten aanzien van de hiervoor verweten uitspraken, mede tegen de achtergrond van de overige onder 4.22 opgenomen omstandigheden, het navolgende. In het algemeen kan een onheuse bejegening door een psychiater van groep kwetsbare patiënten als de onderhavige en een onprofessionele cultuur op de afdeling waar deze mensen verblijven, zonder meer worden aangemerkt als misstand. De ernst daarvan rechtvaardigt dat het publiekelijk aan de orde wordt gesteld, ook door een privépersoon (vergelijk ook rechtsoverweging 4.26). Tegen deze achtergrond is de rechtbank, gezien in het bijzonder de inkleding van de verdenkingen als persoonlijke opvattingen van [gedaagde 2] , dan wel als een beschrijving van hetgeen zij heeft waargenomen, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat zij in dit geval de grenzen waarbinnen zij vrijelijk haar mening, ook publiekelijk, mag geven, heeft overschreden. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat [gedaagde 2] zowel bij [eiser] , alsook verder binnen Lentis en bij de IGZ eerder haar bezwaren had geuit, maar aanvankelijk en in ieder geval voor de uitzending, geen voor haar bevredigend gehoor kreeg. Van een onrechtmatige inbreuk op de eer en goede naam van [eiser] met de hiervoor besproken, verweten uitlatingen is geen sprake.

4.61.

Ten aanzien van het verwijt van [eiser] dat [gedaagde 2] beschuldigingen heeft geuit omtrent separatie die feitelijk onjuist zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Onder het, aan haar verklaring ontleende kopje ‘beheersen, controleren, straffen, vrijheden beperken’ verklaart [gedaagde 2] : ‘Wat hij doet en hoe hij ook zijn verpleegkundigen instrueert is beheersen, controleren, straffen, vrijheden beperken’. In de uitzending verklaart zij vervolgens min of meer aansluitend: ‘(..) Heel af en toe kom je tot een vrijheidsbeperking. Maar ik heb in de 11 jaar dat ik werkte in de zorg met verstandelijk beperkte patiënten nog nooit een separatie meegemaakt. En daar waren veel meer agressieve incidenten. Dat is niet te vergelijken met wat ik daar heb gezien.’ Naar het oordeel van de rechtbank hebben voornoemde uitspraken van [gedaagde 2] in onderlinge samenhang beschouwd de kennelijke strekking, althans suggereren zij dat [eiser] lichtvaardig dat wil zeggen zonder deugdelijke medische dan wel juridische grondslag, vrijheden van patiënten pleegt te beperken in de zin van het separeren van patiënten en ook zijn verpleegkundigen daartoe instrueert. In de uitspraak van [gedaagde 2] ‘Wat hij doet en hoe hij ook zijn verpleegkundigen instrueert is beheersen, controleren, straffen, vrijheden beperken’ kan het ‘beheersen’ en ‘controleren’ naar het oordeel van de rechtbank weliswaar op zichzelf beschouwd onvoldoende als diskwalificatie voor een psychiater in de forensische psychiatrie worden aangemerkt en daarmee als beschuldiging, maar ten aanzien van de uitdrukking ‘straffen’ direct gevolg door ‘vrijheden beperken’ in relatie tot het separeren ligt dat anders. Door voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft [gedaagde 2] ernstige beschuldigingen geuit van feitelijke aard ten aanzien van het professionele handelen van [eiser] . Dergelijke ernstige beschuldigingen mogen niet lichtvaardig worden geuit en dienen dan ook in voldoende mate door de feiten te worden gedragen.

4.62.

Ten aanzien van de feitelijke juistheid van de beschuldiging omtrent het straffen en vrijheid beperken in de zin van separeren heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat zij constateerde dat [eiser] al te makkelijk separatie heeft toegepast, dat de proportionaliteit daarbij door hem uit het oog werd verloren en dat hij voor wat betreft onder meer het separeren in strijd met de wet BOPZ handelde.

4.63.

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de stellingen van [eiser] , [gedaagde 2] onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat [eiser] lichtvaardig, zonder deugdelijke medische of juridische grondslag, patiënten heeft gesepareerd dan wel verpleegkundigen daartoe heeft aangezet. Nu zij aldus niet aan haar stelplicht heeft voldaan is voor bewijslevering geen plaats. De beschuldigingen vinden ook geen steun in het ten tijde van de uitzending beschikbare feitenmateriaal. [eiser] heeft onder overlegging van schriftelijke stukken gesteld dat in de maanden mei en juni 2011, toen [gedaagde 2] op Cederborg bij Lentis werkzaam is geweest, twee separaties hebben plaatsgevonden waarvan één, een vrijwillige is geweest. Niet gesteld of gebleken is dat bij deze separaties een deugdelijke juridische of medische grondslag heeft ontbroken. Voorts vinden de beschuldigingen onvoldoende steun in de verklaringen van (ex-) patiënten en/of familieleden van hen. Dat zij mogelijkerwijze beslissingen die in het kader van de behandeling of het forensisch kader zijn genomen, hebben geïnterpreteerd als ‘straf’, wil nog niet zeggen dat vrijheden disproportioneel zijn beperkt dan wel zijn opgelegd in strijd met de wet BOPZ en/of zonder deugdelijk medische grond. Ook anderszins kan een en ander niet uit de gedingstukken worden afgeleid, ook niet uit de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege in de zaak [patiënt] . De verklaring van Lentis van 13 juni 2011 acht de rechtbank te algemeen om als enige feitelijke onderbouwing van deze concrete beschuldiging dienst te kunnen doen, te meer nu in het verslag van de directie van Forint van 20 juli 2011 een dergelijk straf- en sanctiebeleid in de zin van separeren niet bevestigd wordt. Ook in de e-mails en brieven van de IGZ aan [eiser] of de EO en in het inspectierapport van de IGZ vindt de rechtbank geen feitelijke aanwijzingen voor de door [gedaagde 2] geuite beschuldigingen. Bij gelegenheid van pleidooi heeft [gedaagde 2] toegelicht dat ook sprake was van separaties in de zin van gesloten of open kamerprogramma’s. [eiser] heeft tijdens pleidooi gesteld dat van een ‘kamerprogramma’ als vorm van separeren hem niets bekend is en dat de kamers op Cederborg niet eens afgesloten kunnen worden in verband met de brandveiligheid, waaraan strikt de hand wordt gehouden. [gedaagde 2] heeft daarop een en ander niet meer betwist, zodat aan haar stellingen over ‘kamerprogramma’s’ verder voorbij zal worden gegaan.

4.64.

De constatering dat de beschuldiging aan het adres van [eiser] inzake zijn separeerbeleid feitelijke grondslag mist, brengt de rechtbank, mede tegen de achtergrond van de overige onder 4.22 opgenomen omstandigheden, tot de volgende overwegingen. [gedaagde 2] heeft haar beschuldigingen aangaande het straffen en vrijheden beperken in de zin van separeren, blijkens het vervolg van de uitzending, geplaatst in het kader van een professioneel oordeel. Voor wat betreft haar professionele achtergrond heeft zij zich aan het begin van de uitzending door de EO ten onrechte laten introduceren als GZ-psycholoog met elf jaar ervaring. Niet gesteld of gebleken is dat de EO haar inhoudelijk onjuist heeft geciteerd, zodat het aan [gedaagde 2] is toe te rekenen dat zij deze onjuiste vermelding van haar kwalificaties vooraf aan de uitzending niet heeft gecorrigeerd. De rechtbank acht dit van belang omdat aan beschuldigingen als de onderhavige geuit door een GZ-psycholoog met elf jaar ervaring door televisiekijkend Nederland een zwaarder gewicht zal worden toegekend dan aan dezelfde beschuldigingen door een GZ-psycholoog die recent haar opleiding heeft afgerond. De door [gedaagde 2] aangevoerde nuanceringen aangaande haar kennis en ervaring doen aan dit oordeel niet af. Voorts heeft [gedaagde 2] een extra lading aan de door haar als professional geuite beschuldiging gegeven doordat zij een vergaand waardeoordeel over [eiser] als psychiater heeft uitgesproken. [gedaagde 2] heeft in de uitzending namelijk verklaard dat zij vindt dat [eiser] niet meer verder als psychiater aan de slag kan en dat zij daarom vindt ‘dat dit naar buiten moet komen’, hetgeen door haar wordt herhaald aan het eind van de uitzending in de bewoordingen: ‘Die moet gestopt worden met het verder beschadigen van patiënten die al heel ernstig beschadigd zijn.’ Dit waardeoordeel kan naar het oordeel van de rechtbank niet los worden gezien van haar ongefundeerd gebleken beschuldigingen aan het adres van [eiser] aangaande het straffen, vrijheden beperken in relatie tot het lichtvaardig separeren.

4.65.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde 2] in de gegeven omstandigheden aldus onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Zij heeft bewust de publiciteit gekozen en zich tot een breed publiek gericht in een landelijk uitgezonden televisieprogramma. Daarbij heeft ze zichzelf in strijd met de feiten laten presenteren als GZ-psycholoog met elf jaar ervaring. In dat programma heeft zij als professional vervolgens de zeer ernstige beschuldiging geuit dat [eiser] als psychiater patiënten lichtvaardig, zonder medische of juridische grondslag, straft en hun vrijheden beperkt in de vorm van separeren en zijn verpleegkundigen daartoe instrueert, terwijl dat niet door concrete feiten wordt gedragen. Mede op basis van die ongefundeerde beschuldiging, zo maakt de rechtbank op uit de uitzending en het transcript ervan, heeft zij een vergaand waardeoordeel over [eiser] als psychiater uitgesproken. Zij wist althans kon voorzien dat door deze uitingen, zonder nuancering of kanttekening, de eer en goede naam van [eiser] als psychiater en als persoon zouden worden aangetast. Feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de uitlatingen op dit punt niet onrechtmatig is, zijn niet gesteld. Alleen al niet omdat door [gedaagde 2] geen feiten zijn gesteld die erop duiden dat daadwerkelijk was van een misstand in dit verband.

4.66.

De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht voor zover ingesteld jegens [gedaagde 2] zal worden toegewezen in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door het publiekelijk uiten van de in de bewoordingen ‘Wat hij doet en hoe hij ook zijn verpleegkundigen instrueert is (..) straffen, vrijheden beperken’ gestelde beschuldigingen in relatie tot het te lichtvaardig separeren.

Tweets onrechtmatig?

4.67.

Ten aanzien van de tweets van [gedaagde 2] overweegt de rechtbank dat, mede gezien het verweer van [gedaagde 2] , onvoldoende is gesteld in welk opzicht uitlatingen van [gedaagde 2] op haar twitteraccount onrechtmatig zijn. De door [eiser] geciteerde tweets zijn een woordelijke weergave van de programma aankondiging door de EO, dan wel retweets waarbij het niet [gedaagde 2] is geweest die de bewoordingen heeft gekozen. De tweet naar aanleiding van het ontslag van [eiser] is een op feiten gebaseerde mededeling. Dat zij daaraan een gevoelsuiting heeft toegevoegd, maakt de tweet - nu redengevende feiten en of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen niet zijn gesteld of gebleken - nog niet onrechtmatig. De vordering onder 3.1 onder e, voor zover jegens [gedaagde 2] ingesteld, zal dan ook worden afgewezen. Overigens merkt de rechtbank op dat de vordering onder 3.1. onder e, voor zover deze betrekking heeft op het twitteraccount van [gedaagde 2] dan wel op ‘elders op het web’ waar [gedaagde 2] klaarblijkelijk zeggenschap over moet hebben, te weinig concreet is om voor toewijzing in aanmerking te komen.

Schade, causaal verband

4.68.

[eiser] heeft gesteld als gevolg van het onrechtmatig handelen schade te hebben geleden en dat hij in de toekomst ook nog schade zal lijden nu hij ernstig in zijn eer en goede naam en zijn beroepsethiek is aangetast. Hij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd, van inkomstenderving en kosten voor juridische bijstand. Voor de overige schade is een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.

[gedaagde 2] heeft het bestaan van schade en het causaal verband gemotiveerd betwist.

[voorletter] Vergoeding immateriële schade

4.69.

Een inbreuk op de eer en goede naam is een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade. [gedaagde 2] heeft door het publiekelijk in een televisie-uitzending uiten van meergenoemde beschuldiging, een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de (beroeps-) eer en goede naam van [eiser] . Daarmee is in een geval als het onderhavige de aanspraak op schadevergoeding wegens aantasting in de persoon in de zin van die bepaling gegeven, vergelijk HR 4 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013, 851.

4.70.

De rechtbank acht alleszins aannemelijk dat [eiser] immateriële schade als gevolg van de uitzending heeft geleden. [eiser] heeft ook onweersproken gesteld als gevolg van de uitzending psychische schade te hebben geleden en zich onder behandeling van een psycholoog te hebben moeten stellen. De mate waarin de onrechtmatige uiting van [gedaagde 2] tegen de achtergrond van de uitzending als geheel tot de immateriële schade heeft bijgedragen begroot de rechtbank naar billijkheid op € 8.000,00. Daarbij wordt in het bijzonder in overweging genomen dat de onvoldoende onderbouwde beschuldiging buitengewoon schadelijk is voor een psychiater als [eiser] , die voor zijn beroepsuitoefening mede afhankelijk is van zijn reputatie. Het ligt zonder meer in de rede dat een deel van de schade toegerekend dient te worden aan de onrechtmatige uitingen van [gedaagde 2] .

4.71.

Het beroep van [gedaagde 2] op eigen schuld aan de zijde van [eiser] wordt afgewezen. [gedaagde 2] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de omstandigheid dat [eiser] tijdens het dienstverband van [gedaagde 2] of daarna, niet met haar in gesprek is gegaan over haar bezwaren tegen de uitoefening van zijn functie - wat daar ook van moge zijn - , mede tot de immateriële schade heeft geleid. Ook heeft zij onvoldoende feitelijke onderbouwd dat het feit dat [eiser] de uitnodiging van de EO om te reageren op de uitzending onbenut heeft gelaten, mede tot de schade heeft bijgedragen. Nu zij in de stelplicht is tekortgeschoten, wordt aan een bewijsopdracht niet toegekomen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade onder 3.1 onder b voor zover jegens [gedaagde 2] ingesteld, zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.

b. Inkomstenderving, voorschotten, verwijzing naar schadestaatprocedure

4.72.

[eiser] heeft voorts een voorschot ter zake inkomstenderving gevorderd alsmede verwijzing naar de schadestaatprocedure. [eiser] heeft ter onderbouwing gesteld dat over de jaren 2012 en 2013 sprake was van inkomstenderving. Aansluitend op zijn dienstverband bij Lentis is [eiser] in dienst getreden bij GGZ Friesland. Dat dienstverband is aldus [eiser] verbroken in verband met de gewraakte uitzending, [eiser] biedt van dit verband bewijs aan. Hij heeft onder meer gesteld dat gezien de korte tijdspanne tussen de uitzending en het ontslag een verband ook aannemelijk is. Vervolgens was het moeilijk om elders een passende baan te vinden. Dat is uiteindelijk gelukt, zij het tegen een substantieel lager salaris.

4.73.

[gedaagde 2] heeft betwist dat er causaal verband bestaat tussen haar uitlatingen en de gestelde schade, nu haar uitspraken, niet doorslaggevend zijn geweest voor het intreden van de beweerde schade. In verband met de inkomstenderving heeft zij voorts aangevoerd dat de opzegging door GGZ Friesland niet toe te rekenen is aan de inhoud van de uitzending en/of de inhoud van haar uitspraken daarin. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat [eiser] ook Lentis aansprakelijk heeft gesteld voor de inkomstenderving in een arbeidsrechtelijke procedure en dat hij niet twee keer kan worden gecompenseerd voor dezelfde schade.

4.74.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde 2] slechts aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van de door haar onrechtmatig geuite beschuldiging. Dat deze meergenoemde beschuldiging althans mede heeft kunnen leiden tot de inkomstenderving in de zin van de voor aansprakelijkheid vereiste conditio sine qua non-verband, acht de rechtbank voldoende gesteld. De mate waarin de onrechtmatige uitingen van [gedaagde 2] tegen de achtergrond van de uitzending als geheel, tot de schade heeft geleid is echter nog niet uitvoerig onderwerp geweest van debat tussen partijen. Onduidelijk is voorts of en zo ja, [eiser] door Lentis is/wordt gecompenseerd voor de inkomstenderving. De rechtbank zal om deze redenen het voorschot ter zake van de inkomstenderving zoals gevorderd onder 3.1. sub (c), afwijzen. Nu voldoende is gesteld dat door de uitlatingen van [gedaagde 2] mogelijk schade is geleden, zal de onder 3.1. sub (f) gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure worden toegewezen.

4.75.

Het onder 3.1. sub (d) gevorderde voorschot op kosten rechtsbijstand zal worden afgewezen. De kosten zijn onvoldoende door [eiser] toegelicht en onvoldoende onderwerp van partijdebat geweest. Ook deze kosten kunnen eventueel in de schadestaatprocedure aan de orde worden gesteld.

c. Proceskosten

4.76.

[gedaagde 2] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op:

- dagvaarding € 102,30

- griffierecht € 1.519,00

- salaris advocaat € 6.000,00 (3,0 punt × tarief VI € 2.000,00)

Totaal € 7.621,30

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen jegens de EO af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van de EO tot op heden worden begroot op € 9.829,00;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de EO, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart voor recht dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door het publiekelijk uiten van de in de bewoordingen ‘Wat hij doet en hoe hij ook zijn verpleegkundigen instrueert is (..)straffen, vrijheden beperken’ gestelde beschuldigingen in relatie tot het te lichtvaardig separeren van patiënten;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 2] tot vergoeding aan [eiser] van € 8.000,00 aan immateriële schade;

5.6.

veroordeelt [gedaagde 2] tot vergoeding van alle overige door [eiser] als gevolg van de onder 5.4. genoemde beschuldigingen geleden of te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke momenten dat de schade is geleden en nog zal worden geleden;

5.7.

veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] tot op heden worden begroot op € 7.621,30;

5.8.

verklaart dit vonnis met betrekking tot de veroordeling onder sub 5.2, 5.3, 5.5, 5.6 en 5.7 uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst de vorderingen jegens [gedaagde 2] voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. [voorletter] [voorletter] Duinkerken, mr. [voorletter] Griffioen en mr. [voorletter] Wichers en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.