Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5321

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit betreft het ontslag dat eiseres verleend is vanwege een ontstane impasse die volgens verweerder met name is terug te voeren op haar weigering om in haar eigen functie te hervatten omdat zij niet meer onder leiding van het afdelingshoofd werkzaam wil zijn. De rechtbank is gelet op de beschikbare medische gegevens echter van oordeel dat eiseres ten tijde in geding op medische gronden ongeschikt voor haar eigen werk moet worden geacht. De rechtbank baseert zich hierbij op de deskundigenoordelen van twee verzekeringsartsen van het Uwv waarin tot de conclusie is gekomen dat eiseres beperkingen heeft op grond van ziekte/gebrek en dat zij niet geschikt is te achten voor het eigen werk en dat terugkeer van eiseres naar het eigen werk gezien de gebeurtenissen in de afgelopen periode en haar klachten en beperkingen niet mogelijk is, ook niet op de lange termijn. De rechtbank stelt vast dat er geen medische gegevens van latere datum zijn waaruit valt af te leiden dat eiseres niet langer op medische gronden ongeschikt voor haar eigen werk is te achten en dat voormelde deskundigenoordelen dus niet meer van toepassing zijn. Omdat eiseres op medische gronden niet geschikt voor haar eigen werk moet worden geacht, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd eiseres te ontslaan op andere dan medische gronden. Daarom houdt het bestreden besluit in rechte geen stand en wordt het beroep gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/3717

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Beerta, eiseres

(gemachtigde: mr. L.L.A.M. Rijpkema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt, verweerder

(gemachtigde: mr. G.W. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres ontslagen.

Bij besluit van 8 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en de heer [naam gemachtigde] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst met het oog op nader overleg tussen partijen.

Bij brieven van 23 juni 2015 en 10 juli 2015 heeft verweerder de rechtbank verzocht uitspraak te doen. Eiseres heeft de rechtbank hier bij brief van 15 juli 2015 eveneens om verzocht.

Bij brieven van 17 september 2015 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak verwezen is naar een meervoudige kamer die het beroep verder zal behandelen.

Bij brieven van 8 oktober 2015 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Eiseres, die voorheen in dienst was van de gemeente Scheemda en is aangesteld in schaal 10, is na een gemeentelijke herindeling met ingang van 1 januari 2010 binnen de nieuw gevormde gemeente Oldambt geplaatst in de functie van medewerker Publieksdiensten A/milieu. Het betreft een coördinerende functie binnen het toenmalige team vergunningen op de afdeling Ruimte en Economie (later: het cluster Ruimtelijke Zaken). Het hoofd van deze afdeling/dit cluster is de heer [naam gemachtigde] ).

2. Eiseres heeft zich op 18 april 2011 ziek gemeld vanwege werk gerelateerde fysieke en psychische klachten. Van 12 juli 2011 tot 1 juli 2012 is eiseres in het kader van haar re-integratie werkzaam geweest op de afdeling Beheer en Realisatie. Op 12 juli 2012 is eiseres begonnen op de afdeling Ruimte en Economie in aangepaste werkzaamheden. Eiseres heeft zich op 30 augustus 2012 ziek gemeld. In februari 2013 is eiseres begonnen met re-integratie op de afdeling Samenleving, waar zij werkzaam was in de functie van beleidsmedewerker [naam beleidsmedewerker] (voor 0,5 fte). Eiseres heeft zich per 1 juli 2013 volledig hersteld gemeld. De tijdelijke plaatsing van eiseres in laatstgenoemde functie is per

1 januari 2014 geëindigd.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres met ingang van 1 mei 2014 ontslagen wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen tussen haar en haar leidinggevende en directe collega’s. Hiertoe is overwogen dat terugkeer van eiseres in haar eigen functie niet meer tot de mogelijkheden behoort, hoewel medische redenen daarvoor ontbreken, en dat er geen uitzicht is op herplaatsing in een andere functie binnen de vaste formatie. Hierbij is aangegeven dat het interne herplaatsingsonderzoek tot 1 mei 2014 wordt voortgezet. Voorts is aan eiseres als voorziening gericht op ondersteuning bij het vinden van een nieuwe betrekking naast de faciliteiten van JobXchange een aanvullend budget beschikbaar gesteld van € 7.500,00. Verweerder kent eiseres een aanspraak toe op de aanvullende en nawettelijke uitkering. Naar de mening van verweerder doet zich niet de situatie voor dat het bevoegd gezag een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen. Daarom krijgt eiseres geen aanspraak op een aanvullende vergoeding.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij duidelijker tot uitdrukking willen brengen dat de ontstane impasse niet zozeer te herleiden is tot een verstoorde verhouding tussen eiseres en collega’s en leidinggevenden als gevolg van feitelijke voorvallen en gebeurtenissen, maar met name is terug te voeren op haar weigering om in haar eigen functie te hervatten. Hoewel objectiveerbare redenen daarvoor ontbraken, heeft eiseres meermalen gezegd dat zij niet meer onder leiding van het afdelingshoofd werkzaam wil zijn en dat zij geen passende werkzaamheden op de afdeling Ruimte en Economie kan uitvoeren. Vanaf het moment dat re-integratie van eiseres in haar eigen functie en op haar eigen afdeling een gepasseerd station was, is intern gezocht naar mogelijkheden voor herplaatsing buiten de afdeling Ruimte en Economie en later het cluster Ruimtelijke Zaken. Het herplaatsingsonderzoek heeft niet geresulteerd in een mogelijkheid eiseres te herplaatsen. Voor ondersteuning en begeleiding bij het vinden van een externe betrekking is JobXchange ingeschakeld.

5. Eiseres voert primair aan dat verweerder niet tot ontslag kon overgaan op basis van het uitgangspunt dat zij niet arbeidsongeschikt voor haar eigen werk was, nu haar hersteldmelding per 1 juli 2013 niet is geaccepteerd. Terugkeer naar haar eigen functie was volgens eiseres om die reden niet mogelijk.

6. Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

7. De rechtbank stel vast dat tot vorenbedoelde ontslaggronden “in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd” behoort ontslag wegens ongeschiktheid van de ambtenaar voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte of gebrek, zoals geregeld in de artikelen 8:4 en 8:5 van de CAR/UWO.

8. Ingevolge artikel 1:1 van de CAR/UWO wordt voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst verstaan onder betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten.

9. Naar het oordeel van de rechtbank moeten als “zijn betrekking” in vorenbedoelde zin in het geval van eiseres worden aangemerkt de werkzaamheden in de functie waarin zij na de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2010 binnen de nieuw gevormde gemeente Oldambt formeel is geplaatst, te weten de functie van medewerker Publieksdiensten A/milieu op de afdeling Ruimte en Economie (later: het cluster Ruimtelijke Zaken). De omstandigheid dat eiseres in het kader van haar re-integratie vanaf februari 2013 werkzaam is geweest op de afdeling Samenleving in de functie van beleidsmedewerker [naam beleidsmedewerker] , maakt niet dat deze functie voor haar als “zijn betrekking” in vorenbedoelde zin in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de plaatsing van eiseres in deze functie tijdelijk was, in het kader van de vervanging van een andere medewerkster die in deze functie was aangesteld. Overigens was de omvang van deze functie – 0,5 fte – geringer dan de omvang van de aanstelling van eiseres.

10. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277) geldt dat in geval betrokkene op medische gronden ongeschikt is voor zijn functie, het bestuursorgaan niet bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.

11. Naar aanleiding van de primaire beroepsgrond die eiseres naar voren heeft gebracht, zal de rechtbank allereerst bezien of eiseres op medische gronden ongeschikt moet worden geacht voor haar functie. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen dient als “haar functie” de functie van medewerker Publieksdiensten A/milieu op de afdeling Ruimte en Economie (later: het cluster Ruimtelijke Zaken) in aanmerking te worden genomen. Indien het oordeel luidt dat eiseres op medische gronden niet geschikt was voor haar functie, betekent dit gelet op de hierboven weergegeven vaste rechtspraak dat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht eiseres op de gehanteerde andere dan medische grondslag te ontslaan.

12. Voor de beoordeling van de vraag of eiseres op medische gronden ongeschikt was voor haar functie dient de situatie te worden bezien zoals die was ten tijde van het primaire besluit van 13 december 2013. Dit volgt uit de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1382) waarin is overwogen dat voor de vaststelling of het bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan de situatie ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit bepalend is.

13. Voorts is van belang dat volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 augustus 2005, ECLI:NL:CRVB: 2005:AU1036) voor het antwoord op de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid op grond van ziekte of gebrek van doorslaggevende betekenis is dan wel kan zijn of een hervatting tot schade van de gezondheid van de betrokken ambtenaar zal strekken. In deze uitspraak is voorts overwogen dat de omstandigheid dat de medische klachten van betrokkene het rechtstreeks gevolg zijn van de verstoorde arbeidsverhouding en niet voortvloeien uit een eerder aanwezige en op zichzelf staande ziekte of gebrek, niet kan afdoen aan de conclusie dat ten tijde van het ontslag sprake was van ziekte. De oorzaak daarvan is niet van doorslaggevende betekenis.

14. Gelet op het voorgaande en de beschikbare medische gegevens is de rechtbank van oordeel dat eiseres ten tijde in geding op 13 december 2013 op medische gronden ongeschikt voor haar eigen werk moet worden geacht. De rechtbank baseert zich hierbij op de deskundigenoordelen van twee verzekeringsartsen van het Uwv van 21 september 2012 en 15 november 2012, waarin tot de conclusie is gekomen dat eiseres beperkingen heeft op grond van ziekte/gebrek en dat zij niet geschikt is te achten voor het eigen werk. In het deskundigenoordeel van laatstgenoemde datum heeft de verzekeringsarts voorts aangegeven dat terugkeer van eiseres naar het eigen werk gezien de gebeurtenissen in de afgelopen periode en haar klachten en beperkingen niet mogelijk is, ook niet op de lange termijn.

De rechtbank stelt vast dat er geen medische gegevens van latere datum zijn waaruit valt af te leiden dat eiseres niet langer op medische gronden ongeschikt voor haar eigen werk is te achten en dat voormelde deskundigenoordelen dus niet meer van toepassing zijn.

Volgens de arbeidskundige rapportage van 10 april 2013 kon zowel eiseres als verweerder zich destijds overigens vinden in de conclusie dat terugkeer naar de oude werksituatie en het contact met de leidinggevende te veel spanning oplevert die voor haar ziekmakend is. Voorts blijkt uit de stukken dat het afdelingshoofd de hersteldmelding van eiseres per 1 juli 2013 uitdrukkelijk niet heeft geaccepteerd. Stukken waaruit blijkt dat het afdelingshoofd hier later op is teruggekomen, zoals verweerder heeft betoogd, ontbreken. De omstandigheden, waarop verweerder ter zitting heeft gewezen, dat eiseres vanaf 1 juli 2013 in plaats van 80% haar volledig salaris heeft ontvangen en dat de controle en begeleiding door de Arbodienst zijn gestaakt, zijn op zichzelf evenmin relevant voor de vraag of zij al dan niet op medische gronden ongeschikt was voor haar eigen werk. Deze vraag dient immers te worden beantwoord aan de hand van de medische gegevens.

15. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat eiseres ten tijde in geding op medische gronden niet geschikt was voor haar eigen werk. Verweerder was dan ook niet bevoegd eiseres te ontslaan op andere dan medische gronden. Daarom houdt het bestreden besluit in rechte geen stand. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan beoordeling van de overige beroepsgronden van eiseres.

16. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mr. T.F. Bruinenberg en

mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op: