Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:524

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
16-02-2015
Zaaknummer
18.730203-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, samen met de mededader, grof geweld toegepast jegens het slachtoffer door hem meermalen te slaan, vast te binden op een stoel en met een mes diverse malen te snijden. Dit alles gebeurde in de woning van het slachtoffer. De volgende dag is het gewonde slachtoffer aangetroffen door een kennis en overgebracht naar het ziekenhuis waar zijn wonden werden gehecht en waar hij vier dagen moest blijven. Daarnaast heeft verdachte, eveneens samen met de mededader, misbruik van de gecreëerde situatie gemaakt door daarnaast goederen uit de woning van het slachtoffer weg te nemen. Vrijspraak poging tot doodslag, veroordeling voor medeplegen zware mishandeling en diefstal, door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf van 40 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302, 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730203-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2015 en 26 januari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op 24 februari 2014, te [pleegplaats],

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met dat opzet en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en

de neus heeft gestompt en geslagen (al dan niet met een brood- of snijplank, in

elk geval een hard voorwerp) en met een mes, in elk geval een scherp

voorwerp, in zijn arm heeft gesneden en gestoken, waarbij een (grote) ader is

doorgesneden en die [slachtoffer] veel bloed heeft verloren, waarna verdachte die

[slachtoffer], die hevig bloedde, in hulpeloze toestand heeft achtergelaten

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht

volgen, dat

hij op 24 februari 2014, te [pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(zodanige bloedingen dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en een gebroken

neus en blijvende littekens) heeft toegebracht, door deze opzettelijk

-(met de vuisten en een brood- of snijplank) tegen zijn hoofd en neus te slaan

en te stompen en

-met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, te snijden en te steken;

2.

hij op 24 februari 2014, te [pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen -onder

meer- een horloge en een tv decoder en een telefoon (merk Nokia) en een

(zilverkleurige) wasmand en een flex (slijptol) en een gereedschapskist en een

houten kistje en een aantal CD’s en een accu-oplader en/of een big shopper (tas),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het

bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer]

- op een stoel heeft/hebben vastgebonden en

- een zak of laken, althans een voorwerp, over zijn hoofd heeft/hebben gedaan

en

- ( met de vuisten en een brood- of snijplank) tegen zijn hoofd en neus

heeft/hebben geslagen en gestompt en

- met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, heeft/hebben gesneden en

gestoken,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten zodanige

bloedingen dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en een gebroken neus en

blijvende littekens, heeft opgelopen

en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer]

verbaal heeft bedreigd zijn achillespees door of los te snijden of hem te zullen

doden;

subsidiair, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht

volgen, dat

hij op 24 februari 2014, te [pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

horloge en een tv decoder en een telefoon (merk Nokia) en een (zilverkleurige)

wasmand en een flex (slijptol) en een gereedschapskist en een houten kistje en

een aantal CD’s en een acculader en een big shopper (tas), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en zijn mededader.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1 primair ten laste gelegde (mede)plegen van poging tot doodslag en het onder 2 primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 7.296,72;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het hiervoor genoemde bedrag;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij met betrekking tot het meer gevorderde.

Beoordeling van het bewijs

De officier van justitie heeft een veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde plegen dan wel medeplegen van poging tot doodslag en de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal, gepleegd onder toepassing van geweld.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. In de visie van de raadsman kan enkel de impliciet subsidiair ten laste gelegde mishandeling worden bewezen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Feit 1

Ten aanzien van de vraag of sprake is van medeplegen, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte als eerste onenigheid met het slachtoffer had en hem hierbij geslagen heeft. Vervolgens hebben verdachte en de [mededader], het slachtoffer gezamenlijk op een stoel vastgebonden en is het slachtoffer wederom, door zowel verdachte als de mededader, geslagen. Op enig moment heeft verdachte een mes gepakt en ook is er een snijplank uit de keuken gepakt. Hierna is het slachtoffer met een mes gesneden en met een snijplank geslagen. Verdachte heeft het slachtoffer gedreigd dat hij zijn achillespees zou doorsnijden als het slachtoffer naar de politie zou stappen. Uiteindelijk zijn verdachte en de mededader gezamenlijk uit de woning vertrokken. Alvorens te vertrekken hebben verdachten en diens mededader het slachtoffer weliswaar losgemaakt, maar bloedend – alleen in de woning – achtergelaten. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande voortvloeit dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de mededader, gericht op het toebrengen van letsel bij het slachtoffer, waaraan verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van handelen met de voorbedachte raad om het slachtoffer van het leven te beroven. Verdachte zal van dit onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van opzet op de dood van het slachtoffer overweegt de rechtbank het volgende. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood, subsidiair zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552).

In de onderhavige zaak bestaat het op het slachtoffer toegepaste geweld uit het vastbinden van het slachtoffer, het geven van meerdere slagen in het gezicht, het met een snijplank slaan op het hoofd van het slachtoffer, het met een mes maken van meerdere krassen in een schouder en het maken van diepe snijwonden in de bovenzijde van de onderarm van het slachtoffer, waarbij een of meer aders werden doorgesneden.

De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken om uit te gaan van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer en van een bewuste aanvaarding daarvan door verdachte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gesneden op plaatsen in het lichaam waar zich vitale organen bevonden of op plaatsen waar een direct gevaar bestond voor het doorsnijden van een slagader, terwijl op grond van de beperkte informatie die over de medische toestand van het slachtoffer voorhanden is, niet kan worden vastgesteld hoe diep de toegebrachte verwondingen waren en in welke mate sprake was van bloedverlies op het moment dat verdachte en de mededaderdader de woning verlieten. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat er sprake was van gerichte snijbewegingen en niet van een ongericht steken. Dit brengt mee dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, het volgende. De hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte en de mededader, in hun gezamenlijkheid beschouwd, kunnen naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Daaraan doet niet af dat niet kan worden vastgesteld of verdachte dan wel de mededader de diepere snijwonden heeft toegebracht, aangezien uit de geweldshandelingen die verdachte erkent te hebben gepleegd reeds volgt dat hij de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer heeft aanvaard, terwijl de door verdachte na afloop geuite bedreiging richting het slachtoffer er niet op duidt dat hij zich van het handelen van de mededader heeft willen distantiëren. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachte en de mededader er, gelet op de situatie waarin zij het slachtoffer hebben achtergelaten, niet op mochten vertrouwen dat het letsel door het inschakelen van snelle medische hulp zodanig zou worden beperkt dat zwaar lichamelijk letsel zou worden voorkomen. De rechtbank acht derhalve het voorwaardelijk opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal de zich in het dossier bevindende medische verklaring niet bezigen voor het bewijs, nu niet kan worden vastgesteld door wie en in welke hoedanigheid deze verklaring is opgesteld. Of sprake is van zwaar lichamelijk letsel zal derhalve op basis van de overige informatie in het dossier moeten worden beoordeeld.

Uit deze stukken blijkt dat het slachtoffer meerdere snijwonden in zijn onderarm had, dat een of meer aders waren doorgesneden, dat zijn neus gebroken was en dat het slachtoffer een aanzienlijke hoeveelheid bloed verloren had. Ook volgt hieruit dat de verwondingen dusdanig ernstig waren dat het uitblijven van een behandeling tot ernstige medische complicaties kon leiden. Na behandeling werden de verwondingen gehecht en diende het slachtoffer opgenomen te worden voor verdere behandeling en observatie. Uit de door het slachtoffer op 10 november 2014 ondertekende vordering tot schadevergoeding blijkt voorts dat het slachtoffer vier dagen in het ziekenhuis heeft verbleven, dat hij blijvende littekens heeft opgelopen en dat hij tot dan zijn arm niet volledig kan gebruiken, dagelijks pijn heeft en geen kracht heeft in zijn hand.

Voor de beoordeling of dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt is artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht van belang, alsmede de daarop betrekking hebbende jurisprudentie. Uit die jurisprudentie komt naar voren dat niet alleen ziekte die geen uitzicht biedt op volledige genezing onder het begrip zwaar lichamelijk letsel is te brengen maar ook tijdelijk en herstelbaar letsel. Voor dit laatste is het gewone spraakgebruik de maatstaf. De rechtbank is van oordeel dat het toegebrachte letsel, in gezamenlijkheid beschouwd, met name gelet op de aard en de ernst van het letsel en de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen, naar het gewone spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel dient te worden aangemerkt.

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde, nu de rechtbank onvoldoende bewijs ziet dat het toegepaste geweld of de bedreiging met geweld gepleegd werd met het oogmerk de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad de vlucht van de dader(s) of het bezit van het goed mogelijk te maken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank van belang dat verdachte heeft erkend met [mededader] goederen in een kist en een tas te hebben meegenomen uit de woning van het slachtoffer, terwijl deze goederen zijn aangetroffen in de woning waar verdachte met [mededader] verbleef. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van het slachtoffer inhoudende dat verdachte en [mededader] de woning gezamenlijk verlieten en dat de aangetroffen goederen aan hem toebehoren.

Verdachte heeft verklaard dat hij op grond van een gedeeltelijk opgevangen gesprek tussen [mededader] en het slachtoffer meende dat de medeverdachte recht had op deze goederen. Gezien de omstandigheden waaronder de goederen zijn meegenomen en gezien het feit dat de goederen zich in de woning van het slachtoffer bevonden, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft geweten dat [mededader] geen toestemming had om de betreffende goederen mee te nemen en dat derhalve sprake was van een wederrechtelijk toe-eigenen van de goederen.

De rechtbank acht de onder 2 subsidiair ten laste gelegde diefstal, gepleegd in vereniging, wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 16 januari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was op 24 februari 2014 met [mededader] in de woning van [slachtoffer] aanwezig. Ik heb een aandeel gehad in het mishandelen van [slachtoffer]. [slachtoffer] en ik raakten slaags. [slachtoffer] is op een stoel gaan zitten en is daarna door mij en [mededader] met een verlengsnoer aan de stoel vastgebonden. Op enig moment is er iets over het hoofd van [slachtoffer] gedaan. Het betrof een kussensloop. Ik heb [slachtoffer] ook met een broodplank geslagen. [mededader] heeft dat eveneens gedaan. Ik heb een gekarteld mes uit een messenblok uit de keuken van [slachtoffer] gepakt en heb daarmee, terwijl [slachtoffer] was vastgebonden, lichte krassen bij hem aangebracht. Ook is er een diepe snede aangebracht. Nadat aan [slachtoffer] een diepe snee was toegebracht, is hij hevig gaan bloeden. De arm van [slachtoffer] werd daarna met zijn shirt afgebonden om verdere bloeding tegen te gaan. Voor mij was op dat moment duidelijk dat er gehandeld moest worden. Ik maakte mij zorgen. [mededader] en ik hebben goederen meegenomen die we in een kist en een tas vervoerden. Ik droeg de kist en [mededader] hield de tas in zijn handen.

2. De door verdachte d.d. 20 november 2014 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het was op 24 februari 2014. Op een gegeven moment waren ik, [mededader] en [slachtoffer] met ons drieën in het huis van [slachtoffer]. [mededader] en [slachtoffer] voerden een gesprek betreffende kleine spullen. Ik bedoel spullen die in het hok in een tas en in een kist zaten. Aan het einde van het gesprek heeft [mededader] tegen [slachtoffer] verteld dat de spullen ook van hem waren. Ik weet niet wat voor spullen het waren. Deze spullen waren ingepakt in de tas in het hok en in het kistje.

Op enig moment vlogen [slachtoffer] en ik elkaar aan. Tijdens dat worstelen heb ik zijn hoofd onder mijn arm geklemd. Ik heb hem twee of drie keer geslagen op zijn hoofd. [mededader] stond er bij en keek er naar. [slachtoffer] is gaan zitten in de stoel die kan draaien. Op een gegeven moment was er een blik van verstandhouding tussen [mededader] en mij om [slachtoffer] vast te binden op de draaistoel. [mededader] pakte een oranje verlengsnoer. [slachtoffer] zat in de draaistoel. In de tussentijd heeft [mededader] [slachtoffer] een klap in het gezicht gegeven. Ik begon aan de draaistoel te draaien waar [slachtoffer] op zat en [mededader] maakte [slachtoffer] aan de draaistoel vast. [mededader] en ik liepen in de woonkamer en keuken heen en weer. In de keuken pakte [mededader] een broodplank en ik pakte een messenblok. In het messenblok zaten messen. Met die spullen in de hand zijn we naar [slachtoffer] gelopen. Ik heb tot twee keer toe [slachtoffer] in de arm gesneden. De armen van [slachtoffer] waren op de armleuningen van de draaistoel vastgebonden. Ik heb een gekarteld mes genomen. Ik heb [slachtoffer] op de bovenkant van de onderarm gesneden. Ik heb twee lichte sneden toegebracht. [mededader] heeft toen [slachtoffer] met de broodplank op zijn hoofd geslagen. De volgorde weet ik niet meer precies. Het kan ook zijn dat er eerst geslagen is met de broodplank en daarna de sneden. Ik herinner mij nog dat [mededader] een kussensloop pakte en [mededader] deed dit kussensloop over het hoofd van [slachtoffer]. [mededader] heeft het mes uit mijn hand gepakt. [mededader] stond naast mij. Ik heb daarna de broodplank gepakt. Ik heb met die broodplank één keer op de bovenkant van het hoofd van [slachtoffer] geslagen. [slachtoffer] was al verwond aan zijn arm en hij had het kussensloop over zijn hoofd. Aan [slachtoffer] zijn over het hele lichaam met het mes ondiepe krassen toegebracht. Overal op het bovenlichaam van [slachtoffer]. Ook de rug. Er is één hele diepe snee in de onderarm van [slachtoffer] gemaakt. Toen ging het hevig bloeden. Ik heb [slachtoffer] los gemaakt van de draaistoel. [mededader] stond er naast. [mededader] en ik zijn toen samen weggelopen. Ik heb het kistje meegenomen en [mededader] heeft de tas meegenomen bij het verlaten van de woning van [slachtoffer].

3. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02R3-2014020776, gesloten op 30 juli 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

3.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R3-2014020776-relaas, d.d. 30 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn relaas (p. 4 e.v.):

In de [woning] werden goederen aangetroffen. De goederen waren afkomstig uit de woning van het slachtoffer [slachtoffer]. Dit waren onder andere een krat met gereedschap en een slijpmachine.

3.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2014020776-36, d.d. 1 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [mededader] (p. 73 e.v.):

V: Waar woon je?

A: [woning].

V: Met wie woon je daar?

A: Met mijn vriendin en mijn kind en enkele dagen geleden verbleven er nog een kennis en een vriendin. [verdachte] en [vriendin].

3.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R3-2014020776-24, d.d. 6 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer] (p. 120 e.v.):

Ik ben mishandeld door [mededader] en [verdachte]. Ik weel dat de achternaam van [verdachte] begint met [letters]. [mededader] en [verdachte] kwamen maandagavond 24 februari 2014 bij mij in de woning.

Ik werd met een verlengsnoer welke in de woonkamer lag vastgebonden op de stoel. Ik kreeg meerdere klappen in mijn gezicht en ze goten sterke drank uit een fles in mijn mond. Ik kreeg een zak over mijn hoofd en met een mes werd ik in mijn armen gesneden en het mes werd op mijn keel gezet. Ik weet niet meer precies in welke volgorde deze handelingen ten aanzien van mij gepleegd zijn. Ik werd uiteindelijk losgesneden onder bedreiging van de volgende woorden: wanneer ik de politie zou bellen ik dood gemaakt zou worden of mijn achillespees zou doorgesneden worden. Vervolgens zijn [mededader] en [verdachte] vertrokken. Ik mis in ieder geval een decoder en een telefoon, merk Nokia. Door de vele verwondingen die mij toegebracht zijn door [mededader] en [verdachte] had ik veel bloed verloren. Mijn [vriend] heeft mij dinsdag 25 februari 2014, gewond aangetroffen in mijn woning. Toen [vriend] zag dat ik gewond was is hij direct weer weggegaan. [vriend] zou de politie en de ambulance bellen.

3.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2014020776-27, d.d. 6 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer] (p. 123 e.v.):

V: [mededader] en [verdachte] waren bij jou en eerst was het normaal en toen veranderde de sfeer. Klopt dat?

A: Ik kreeg een klap met een vuist.

V: Wat voelde je toen?

A: Donker voor de ogen en heel veel pijn. Ik ben geslagen. Vanaf de eerste klap was ik de kluts kwijt. Toen was ik vastgebonden aan de stoel. Toen is er iets over mijn hoofd getrokken. Ik ben ook met een kabel vastgebonden. En terwijl ik die zak over mijn hoofd had ben ik ook nog geslagen. Ik denk met een voorwerp.

V: Wanneer is die zak weer van je hoofd gegaan, hoe is dat gegaan?

A: Dat was nadat ik snijwonden kreeg. Ik had nog de zak over mijn hoofd toen ze alcohol in mijn mond schonken. Ik herinner mij nog dat ik de plas bloed naast mij heb gezien. Ik herinner me dat zij met messen bezig waren. Glijdende bewegingen op mijn T-shirt. De snijwonden op mijn schouders waren niet diep, die hoefden niet gehecht te worden.

V: Kun je stap voor stap vertellen wat er gebeurd is?

A: De eerste klap kreeg ik nog voordat ik de zak over mijn hoofd kreeg. Daarna kreeg ik de zak over mijn hoofd. Vervolgens kreeg ik nog meer klappen.

V: Wat voelde je toen je werd geslagen?

A: Ik voelde pijn. Die zak werd over het hoofd gedaan, dan werd ik geslagen. Dan werd het gat erin gedaan. Toen werd er Vodka in mijn mond werd gegoten. Toen werd ik gesneden. De ernstige snijwonden zijn mij aangebracht toen ik de zak op mijn hoofd had. Toen is de zak afgedaan en toen hebben ze me nogmaals gesneden.

A: Toen ik los werd gemaakt werd er nog met het mes gespeeld. Hij stak in de bank. Ook deed hij het mes bij mij achillespees zodat ik de rest van mijn leven invalide zou zijn. Dat was onder bedreiging als ik naar de politie zou gaan.

V: Wie deed dat?

A: Dat was [verdachte].

V: Op welk moment zag je dat bloed liggen?

A: Ik was toen nog vastgebonden maar ik zag toen dat bloed liggen. Mijn hand was nog naar beneden en ik moest kijken hoeveel bloed er uit was gelopen.

V: Kon je zien waar dat bloed uit kwam?

A: Mijn hele arm was bebloed en was rood. Dinsdag toen de wond werd gehecht was de politie er ook bij. Er kwam iemand bij omdat ik zoveel bloede dat ik dood kon gaan.

V: Wat heb je gezien toen je zak van je hoofd was?

A: Toen zag ik dat ze speelden met dat mes. Ze sneden mij met dat mes. Dat waren ondiepe sneden op mijn vingers, rug, borstkas, schouder.

3.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R3-2014020776-55, d.d. 6 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer] (p. 133 e.v.):

V: Hoe gaat het met je?

A: Slecht. Mijn rechterhand doet heel veel pijn en is opgezwollen.

A: [verdachte] en [mededader] zijn nadat alles gebeurd was weggegaan uit mijn woning met twee tassen.

V: Wat kun je vertellen over jouw verwondingen?

A: Onder mijn ogen was het zwart en blauw, alles was gebroken in mijn gezicht. Ik heb meerdere krassen van het mes op mijn linkerschouder. In mijn rechterarm heb ik drie diepe snijwonden. Mijn aders van de rechterarm waren kapot gesneden met een mes. Mijn rechterhand is opgezwollen. Uit mijn bovengebit mist een tand.

V: Welke goederen worden uit jouw woning vermist?

A: Een horloge, een Nokia telefoon, een decoder voor ontvangen Poolse TV, een zilveren wasmand, een flex, een gereedschapskist.

V: Welke schade heb jij geleden?

O: Wij toonden aangever [slachtoffer] de volgende goederen in beslag genomen in de [woning]: big shopper, diverse cd's, houten kistje, decoder zwart van kleur, twee horloges en een zilverkleurige wasmand.

V: Wat kun je over deze goederen vertellen?

A: Ik herken de zilverkleurige wasmand, het houten kistje, de big shopper, als mijn eigendom. Ik herken tevens meerdere van de door u aan mij getoonde cd's als mijn eigendom. De goederen die ik herken als mijn eigendom zijn allemaal op maandagavond 24 februari 2014, uit mijn woning gestolen.

3.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02EJ-2014020776-2, d.d. 25 februari 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als hun bevindingen (p. 158 e.v.):

Op 25 februari 2014 kregen wij de melding dat er een prioriteit 1 melding was op het adres [pleegplaats]. Wij zijn de woning in gelopen. Wij zagen dat de gehele vloer was besmeurd met bloed en op de bank zagen wij verbalisanten de heer [slachtoffer] liggen. Ik, [verbalisant], ben de gehele tijd bij de inmiddels gearriveerde ambulance medewerkers gebleven. De heer [slachtoffer] had aldus de ambulancedienst diverse behoorlijke verwondingen. Ik, [verbalisant], zag dat de rechter onderarm diverse flinke sneeën had. Ik hoorde van de ambulancemedewerkers dat de neus van de heer [slachtoffer] kapot was en dat hij brilhematoom had.

3.7.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0200-2014020776-79, d.d. 31 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn diens bevindingen (p. 191 e.v.):

Op 25 februari 2014 bevond ik mij in de behandelruimte van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis Tjongerschans te Heerenveen. In deze ruimte werd het slachtoffer genaamd [slachtoffer] door een arts van de spoedeisende hulp behandeld aan door hem opgelopen wonden. De wonden zaten in de rechterhand van het slachtoffer. De wonden waren vrij diep en door de verwondingen had [slachtoffer] vrij veel bloed verloren. Het excessief en doorlopend bloeden uit de verwondingen was door het tijdsverloop gestold. Het bloed “lekte” nog wel uit de verwonding. De behandelend arts verklaarde tijdens het verzorgen en de behandeling dat de verwondingen dusdanig groot waren dat indien het slachtoffer hieraan niet werd behandeld, dit tot verbloeding kon leiden. Tijdens de behandeling werden “oude” wondresten verwijderd waardoor de verwondingen hevig begonnen te bloeden en het noodzakelijk was om de te behandelen arm/hand tijdelijk af te binden. Uiteindelijk werd de behandeling succesvol beëindigd en werden de verwondingen gehecht. Na afloop van de behandeling gaf de arts te kennen dat het slachtoffer wel opgenomen diende te worden voor verdere behandeling en observatie.

4. een voegingsformulier benadeelde partij, ondertekend d.d. 10 november 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het volgende:

In verband met het letsel aan zijn hand heeft benadeelde [slachtoffer], vier dagen in het ziekenhuis gelegen. Benadeelde heeft blijvende littekens opgelopen. Nu maanden na het incident kan benadeelde nog steeds zijn arm niet volledig gebruiken, heeft dagelijks pijn en geen kracht meer in zijn hand.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 februari 2014, te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit zodanige bloedingen dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en een gebroken neus en blijvende littekens, heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- met de vuisten en een brood- of snijplank tegen zijn hoofd en neus te slaan en te stompen en

-met een mes te snijden;

2.

hij op 24 februari 2014, te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en een tv decoder en een telefoon (merk Nokia) en een zilverkleurige wasmand en een flex (slijptol) en een gereedschapskist en een houten kistje en een aantal CD’s en een acculader en een big shopper (tas), toebehorende aan [slachtoffer].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair: medeplegen van zware mishandeling;

2. subsidiair: diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met de mededader, grof geweld toegepast jegens het slachtoffer door hem meermalen te slaan, vast te binden op een stoel en met een mes diverse malen te snijden. Dit alles gebeurde in de woning van het slachtoffer. De volgende dag is het gewonde slachtoffer aangetroffen door een kennis en overgebracht naar het ziekenhuis waar zijn wonden werden gehecht en waar hij vier dagen moest blijven. Uit de verklaringen van het slachtoffer komt naar voren dat hij doodsangsten heeft uitgestaan en dat deze traumatische ervaring diepe sporen heeft nagelaten. Het leven van het slachtoffer is hierdoor volledig ontregeld. Daarnaast heeft verdachte, eveneens samen met de mededader, misbruik van de gecreëerde situatie gemaakt door daarnaast goederen uit de woning van het slachtoffer weg te nemen.

Verdachte heeft in Nederland geen justitiële documentatie. Wel heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij in Polen eerder voor een geweldsmisdrijf is veroordeeld. Verdachte heeft niet meegewerkt aan het opstellen van reclasseringsrapportage. Als reden hiervoor is aangegeven dat verdachte het plan heeft opgevat zich na zijn detentie in Groot-Brittannië te gaan vestigen.

De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf een passende sanctie is.

Voor de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank niet alleen rekening houden met de landelijke oriëntatiepunten voor zware mishandeling en diefstal maar zoekt de rechtbank mede aansluiting bij de landelijke oriëntatiepunten die betrekking hebben op een overval in een woning. Het slachtoffer is immers in zijn eigen woning, de plaats bij uitstek waar hij veilig moet zijn en zich veilig zou moet voelen, vastgebonden en ernstig mishandeld en bestolen.

Alles afwegende en rekening houdend met het feit dat geen sprake is geweest van onbekende personen die de woning zijn binnengegaan, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden passend en geboden. Gelet op de initiërende rol van verdachte en de omstandigheid dat verdachte daarnaast voor de hem ten laste gelegde diefstal wordt veroordeeld, zal de rechtbank aan hem een gevangenisstraf van langere duur opleggen dan eerder aan de mededader is opgelegd.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade. Anders dan de raadsman heeft betoogd, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast dat de benadeelde zich ook in de zaak van verdachte heeft willen voegen. Dit volgt reeds uit de omstandigheid dat de vordering is aangevuld, nadat de zaak van de mededader reeds onherroepelijk geëindigd was.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade ad € 6.900,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank redelijk en billijk voor gezien de ernst van de verwondingen en de impact daarvan op het leven van de benadeelde.

De rechtbank acht de gevorderde schade ten gevolge van het verblijf in het ziekenhuis ad € 112,00, de reiskosten voor bezoek aan slachtofferhulp ad € 34,72, en een bedrag van € 250,00 ter vervanging van besmeurd meubilair, voldoende aannemelijk geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze onderdelen hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de verzochte wettelijke rente. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de verzochte vergoeding voor de kosten van het aanvragen van een nieuw paspoort ter vervanging van een weggenomen exemplaar en de geleden schade in verband met de diefstal van twee telefoons, een laptop en tas en een TomTom naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vordering met betrekking tot vergoeding van gebitsherstel nu zij van oordeel is dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 7.296,72 (zegge: zevenduizend tweehonderd zesennegentig euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 7.296,72 (zegge: zevenduizend tweehonderd zesennegentig euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 71 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 396,72 aan materiële schade en € 6.900,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2015.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Wiersma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Krijger

locatie Leeuwarden,

Dijkstra

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730203-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 26 januari 2015

Tegenwoordig:

mr. A.H.M. Dölle, voorzitter,

mr. Th.A. Wiersma en mr. C. Krijger, rechters, en

mr. A. Dijkstra, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. P.M. van der Spek.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

Het onderzoek vindt plaats met bijstand van mevrouw T. Bialek-Nagórka, wonende te Groningen, tolk in de Poolse taal, nu verdachte heeft aangegeven de Nederlandse taal onvoldoende te beheersen. De tolk verklaart te zijn ingeschreven in het register van beëdigde tolken en vertalers en beëdigd te zijn.

Het ter terechtzitting gesprokene is vertolkt.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam.

……

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 9 februari 2015 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.