Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5153

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
C/19/110528 / HA ZA 15-120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv; erfdienstbaarheid van overpad; afsluiten heersend erf; tijdelijke ordemaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/110528 / HA ZA 15-120

Vonnis in het incident ex artikel 223 Rv van 18 november 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. M.G. Doornbos te Assen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. W. Wallinga te Assen.

Partijen zullen hierna " [eiser] " en " [gedaagde] " genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 juli 2015;

- de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv;

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

[eiser] is eigenaar van het perceel met daarop een woning aan het adres [adres bungalow eiser] te [vestigingsplaats bungelowpark] . [gedaagde] is eigenaar van het naastgelegen perceel met daarop een woning aan het adres [adres bungalow gedaagde] te [vestigingsplaats bungelowpark] . De woningen (bungalows) bevinden zich op een bungalowpark. Overigens is [gedaagde] tevens eigenaar van het perceel met woning aan het adres [adres bungalow 2 gedaagde] te [vestigingsplaats bungelowpark] , welke eveneens op het bungalowpark is gelegen.

2.2.

De eigendom van de percelen [adres bungalow eiser] en [adres bungalow gedaagde] was vóór verkoop aan [eiser] respectievelijk aan [gedaagde] in handen van de heer [vorige eigenaar 1] en mevrouw [vorige eigenaar 2] (hierna samen te noemen: [vorige eigenaars] ). Na splitsing van de beide percelen heeft [eiser] de bungalow aan de [adres bungalow eiser] aangekocht waarbij hij de kadastrale percelen [kadastrale registratie 1] en [kadastrale registratie 2] in onverdeeld eigendom heeft verkregen, alsmede de onverdeelde helft van het perceel [kadastrale registratie 3] . Het perceel [kadastrale registratie 3] behoort voor de (andere) onverdeelde helft aan de heer [andere eigenaar] toe. [vorige eigenaars] heeft de woning op [adres bungalow gedaagde] met de bijbehorende percelen [kadastrale registratie 4] en [kadastrale registratie 5] in 2011 aan de heer [voorganger gedaagde] verkocht, In 2013 heeft [voorganger gedaagde] deze percelen aan [gedaagde] verkocht.

2.3.

In de notariële akte van levering d.d. 24 september 2009 ter zake de levering van de percelen grond door [vorige eigenaars] aan [eiser] is onder meer bepaald:

Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane overeenkomst van koop en verkoop aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze de levering aanvaard ieder voor de onverdeelde helft:

(..)

7. de onverdeelde helft van het aldaar gelegen perceel bos, kadastraal bekend [kadastrale registratie 3] , geheel groot twee en vijftig centiare, (..)‘

Voorts is in voormelde notariële akte de navolgende erfdienstbaarheid gevestigd:

Vestiging erfdienstbaarheid

De verkopers, de comparanten sub 1 a en b en de kopers, de comparanten sub 2 a en b vestigen ten deze een erfdienstbaarheid van overpad ten behoeve van de percelen plaatselijk bekend [postcode] , [adres bungalow gedaagde] , kadastraal bekend [kadastrale registratie 6] en [kadastrale registratie 5] en ten laste van percelen kadastraal bekend [kadastrale registratie 3] , [kadastrale registratie 1] en [kadastrale registratie 2] , om te komen en te gaan naar de openbare weg met een auto. De eigenaar van [adres bungalow eiser] behoudt zich het recht voor om de loop van het pad naar believen te wijzigen.

2.4.

Via de hoofdweg op het bungalowpark kan [gedaagde] het perceel [adres bungalow gedaagde] ook (o.a. met de auto) bereiken.

2.5.

Op de toegangsweg op het perceel van [eiser] bevinden zich recentelijk door hem geplaatste toegangshekken. Bij brief aan [gedaagde] van 3 augustus 2015 heeft de advocaat van [eiser] dienaangaande medegedeeld:

"In mijn brief van 6 mei aan u schreef ik dat om het oneigenlijk gebruik door u van de

erfdienstbaarheid nu reeds tegen te gaan, dus in mei 2015, mijn cliënt onlangs, zoals inmiddels heeft bemerkt, op zijn grens een hek heeft geplaatst om doorgaand verkeer tegen te gaan. Totdat de erfdienstbaarheid is opgeheven, kunt u enkel met auto wel van de erfdienstbaarheid gebruik maken, u moet dan wel alleen eerst het hek openen en daarna weer sluiten. Op deze wijze wordt u niet noemenswaardig in uw erfdienstbaarheid, voor zover u daar recht op heeft, belemmerd. Van mijn cliënt begrijp ik dat u het hek open laat staan en dus niet afsluit en bovendien dat u daardoor bewerkstelligt dat ook anderen dan alleen u als eigenaar van het huisje [adres bungalow gedaagde] van de doorgang gebruik maken. Bemerkt is dat uw partner het dicht staande hek openzet, terwijl hij geen gebruik maakt van de doorgang naar de openbare weg, nog afgezien van het feit dat hij niet het recht heeft om daar gebruik van te maken. Bij mijn cliënt ontstaat de stellige indruk dat u aan het provoceren bent. Zolang de rechter nog niet heeft beslist, kunt u strikt formeel gebruik maken van de erfdienstbaarheid zoals die voor u, en alleen u als eigenaar van huisje [adres bungalow gedaagde] geldt voor gebruik met de auto, en dan alleen met de auto. Al het andere gebruik door u en het gebruik door anderen, waaronder uw partner en andere bewoners en recreanten van het park, is onrechtmatig.

In mijn brief van 6 mei heb ik reeds een kort geding in het vooruitzicht gesteld. Door middel van deze brief wijs ik u nog eenmaal op uw rechten, maar ook u plichten. Houdt u zich daar niet aan, dan zal mijn cliënt lopende de procedure bij de rechtbank het hek afsluiten, zodat u ook niet meer alleen en met de auto daar doorheen kunt, maar dat heeft u dan aan uzelf te wijten door uw gedrag. Dan gaat u maar naar de kort geding rechter. (…)"

2.6.

Op 10 augustus 2015 heeft [eiser] zowel het hek dat door hem aan het begin van de weg is geplaatst alsmede het hek dat hij aan de straatzijde heeft aangebracht afgesloten met een slot, ten gevolge waarvan [gedaagde] niet langer in staat is om gebruik te maken van het recht om vanaf haar woning [adres bungalow gedaagde] over het pad op het perceel van [eiser] te komen van en te gaan naar de openbare weg.

2.7.

In vervolg hierop heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 12 augustus 2015 aan [gedaagde] medegedeeld:

"Op mijn brieven van 6 mei en 3 augustus 2015 aan u heeft u niet gereageerd. Mijn brief van 3 augustus moet voor u helder en duidelijk zijn geweest. U heeft zich echter van de inhoud van die brief niets aangetrokken, zoals blijkt uit de dagelijkse gang van zaken ter plekke. Dit is voor mijn cliënt reden de daad bij het woord te voegen, mijn cliënt heeft lopende de procedure bij de rechtbank het hek afgesloten."

2.8.

Bij brief van 4 september 2015 heeft de advocaat van [gedaagde] namens zijn cliënte [eiser] gesommeerd om de sloten van de beide toegangshekken binnen twee dagen te verwijderen en verwijderd te houden, zodat [gedaagde] als voorheen van de erfdienstbaarheid van overpad gebruik kan maken. [eiser] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

3 Het geschil in het incident

3.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis in het incident, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eiser] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis de sloten aan de door [eiser] geplaatste hekken op perceel [kadastrale registratie 1] en [kadastrale registratie 3] , waardoor het gebruik van het pad door [gedaagde] wordt verhinderd, te verwijderen onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per dag voor elke dag dat [eiser] aan deze veroordeling geen gevolg geeft, met een maximum van EUR 10.000,--;

II. [eiser] verbiedt om [gedaagde] te belemmeren in het uitoefenen van de erfdienstbaarheid van overpad, onder welke uitoefening mede dient te worden begrepen het ontvangen van derden via het pad over de percelen [kadastrale registratie 1] , [kadastrale registratie 2] en [kadastrale registratie 3] en het komen en gaan van haar kinderen en haar partner onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per dag voor elke dag dat [eiser] aan deze veroordeling geen gevolg geeft, met een maximum van EUR 10.000,-

III. [eiser] verbiedt om [gedaagde] te belemmeren in het uitoefenen van de erfdienstbaarheid van overpad, ook indien [gedaagde] , of haar kinderen en partner of bezoek lopende of per fiets over het pad komen of gaan, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per dag voor elke dag dat [eiser] aan deze veroordeling geen gevolg geeft, met een maximum van EUR 10.000,--;

IV. [eiser] veroordeelt in de kosten van dit incident.

3.2.

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen in het incident, met veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het incident.

4 Het standpunt van [gedaagde] in het incident

4.1.

[gedaagde] legt aan haar vorderingen in het incident - samengevat - het volgende ten grondslag.

4.2.

[eiser] heeft middels eigenrichting - het plaatsen van de sloten op de beide toegangshekken - verhinderd dat [gedaagde] haar recht van overpad over het dienend erf feitelijk nog kan uitoefenen. [eiser] handelt met deze opzettelijke inbreuk op het recht van [gedaagde] onrechtmatig jegens haar, waarbij [gedaagde] van mening is dat deze onrechtmatige situatie zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd. Het belang bij de gevraagde voorzieningen is er tevens in gelegen om voorlopig duidelijkheid te krijgen voor partijen over de inhoud en de juiste wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid.

4.3.

De toegang om tot haar woning te komen is vanwege de door [eiser] gecreëerde onmogelijkheid om het pad over de percelen [kadastrale registratie 1] , [kadastrale registratie 2] en [kadastrale registratie 3] te gebruiken thans beperkt tot het gebruik van de smalle en onverharde slingerweg die over het recreatiepark loopt. Vanwege het feit dat het hier om een niet verharde weg gaat geldt dat deze weg in geval van tegen zeer slecht begaanbaar is. Vanwege de komst van de herfst en winter, en de hiermee gepaard gaande neerslag, zal de weg over het park in zeer slechte staat geraken, zodat het gebruik hiervan sterk wordt bemoeilijkt en [gedaagde] ernstig in haar handelen zal worden beperkt. Ook thans beperkt de afsluiting van de hekken [gedaagde] al in haar handelen. Indien [gedaagde] van de slingerweg op het recreatiepark gebruik maakt, dan duurt dat ongeveer vijf minuten langer dan het gebruik maken van de toegang via het dienend erf tot haar perceel, met al het ongemak van het gebruik van de onverharde weg met zich meebrengt van dien.

4.4.

Een erfdienstbaarheid doet naar zijn aard dienst ten behoeve van het heersende erf en een redelijke uitleg van de akte van vestiging sluit, anders dan [eiser] meent, de bevoegdheid dat in dat derden (kinderen, partner, bezoek) die de bewoner van het heersende erf komen bezoeken gebruik mogen maken van het pad waar de erfdienstbaarheid op ziet. Nu [gedaagde] op grond van de tekst van de erfdienstbaarheid gerechtigd is om het pad per auto te gebruiken stelt zij ook gerechtigd te zijn het pad op een andere - minder bezwarende - wijze (zoals per fiets of te voet) te gebruiken.

5 Het standpunt van [eiser] in het incident

5.1.

Het verweer van [eiser] komt - samengevat - op het volgende neer.

5.2.

[eiser] heeft [gedaagde] gevraagd op een juiste wijze gebruik te maken van de

erfdienstbaarheid, namelijk alleen wanneer zij ten behoeve van haar woning [adres bungalow gedaagde]

met de auto er langs zou moeten. Gebleken is dat zij woning [adres bungalow gedaagde] niet bewoont en

dat zij gebruik maakt van de erfdienstbaarheid vanuit haar woning [adres bungalow 2 gedaagde] en dat zij de

erfdienstbaarheid gebruikt niet om alleen met de auto daarover te gaan, maar ook

lopend en met de fiets. Deze wijze van gebruik, heeft ook doen veroorzaken dat

haar partner die ook in woning [adres bungalow 2 gedaagde] woont en niets van doen heeft met woning [adres bungalow gedaagde]

ook gebruik maakt van de erfdienstbaarheid en dat andere bewoners van het park

dan wel bezoekers van het park hier ook gebruik van maken, hetgeen niet de

bedoeling is.

5.3.

[eiser] heeft [gedaagde] verzocht de erfdienstbaarheid te beperken tot waartoe

die gegeven is, namelijk het gebruik van het pad met een auto. Om het andere gebruik tegen te gaan, heeft [eiser] hekken geplaatst en aan [gedaagde] medegedeeld dat zij door het open en dichtdoen van de hekken van haar erfdienstbaarheid lopende de procedure nog gebruik kan maken. Omdat [gedaagde] niet op de brief van de advocaat van [eiser] reageerde én zij [eiser] provoceerde, heeft laatstgenoemde de beide hekken met sloten afgesloten.

5.4.

Het was nadrukkelijk de bedoeling van de erfdienstbaarheid dat de eigenaar van

bungalow [adres bungalow gedaagde] met de auto anders dan over de normale weg over het park ook over

het overpad over het perceel van [eiser] daar zou kunnen komen. Geenszins is

het ooit de bedoeling geweest dat het recht van overpad ook zo inhouden lopend of

per fiets.

5.5.

[gedaagde] heeft geen serieus belang bij haar provisionele vordering, omdat zij over

de normale weg over het park haar eigen woning kan bereiken en [gedaagde]

niet aangeeft waarin haar specifieke belang is gelegen voor bungalow [adres bungalow gedaagde] , waar zij niet woont en welke bungalow op dit moment leeg staat. [gedaagde] heeft ook geen

spoedeisend belang.

6 De beoordeling in het incident

6.1.

Ingevolge artikel 223 Rv kan de rechter bij wie de hoofdzaak aanhangig is een maatregel van voorlopige aard treffen voor de duur van het geding. Het betreft derhalve geen definitieve beslechting van het geschil van partijen. Bij het geven van een beslissing in de hoofdzaak is de rechter niet als door een gewijsde gebonden aan de provisionele beslissingen in het incident (vgl. HR 14 november 1997, NJ 1998, 113).

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat voor een provisionele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv is vereist (1) dat een bodemprocedure aanhangig is, (2) dat samenhang bestaat tussen hetgeen bij wijze van voorlopige voorziening wordt gevorderd en het gevorderde in de bodemzaak en (3) dat de eiser een belang heeft bij zijn vordering in die zin dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. Vervolgens dient de rechtbank, evenals in kort geding, de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de bodemzaak en de proceskansen daarin.

6.3.

[gedaagde] heeft naar voorlopig oordeel voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorzieningen hangen samen met de hoofdvordering en zijn gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregelen rechtvaardigt.

Spoedeisend belang

6.4.

Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwezig, nu [gedaagde] hieraan ten grondslag heeft gelegd dat [eiser] de uitoefening van het aan [gedaagde] toekomende recht van erfdienstbaarheid over het erf van [eiser] belemmert.

De afsluiting van het dienend erf

6.5.

Op grond van artikel 5:48 BW is de eigenaar van een erf, ook in het geval dat het erf is belast met een erfdienstbaarheid ten behoeve van het erf van een ander, bevoegd om dat erf af te sluiten. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt. De eigenaar van het dienend erf dient er voor te zorgen dat de eigenaar van het heersend erf onbelemmerde toegang tot het dienend erf behoudt. In de regel betekent zulks dat de eigenaar van het dienend erf aan de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid moet bieden om zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf de toegang tot het dienend erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid (vgl. HR 23 juni 2006, NJ 2006, 352). Er kan sprake zijn van onbelemmerde toegang indien de eigenaar van het dienend erf dat erf afsluit met een slot en de eigenaar van het heersend erf daarvan (permanent) een sleutel ter beschikking stelt (vgl. gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 februari 2012, ECLI:NL:GHSHE:BV7490).

6.6.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [eiser] bevoegd is om zijn perceel, het dienende erf, af te sluiten met hekken en sloten, mits hij aan [gedaagde] sleutels ter beschikking stelt om de sloten te kunnen openen. Met het niet ter beschikking stellen van sleutels aan [gedaagde] om de beide hekken te kunnen openen heeft [eiser] de uitoefening van de erfdienstbaarheid over het dienend erf onmogelijk gemaakt. Aldus handelt hij onrechtmatig jegens [gedaagde] . De rechtbank zal [eiser] daarom veroordelen om aan [gedaagde] binnen de in het dictum te noemen termijn voor de duur van het geding een set sleutels van de sloten op de beide hekken verschaffen. De daartoe strekkende vordering van [gedaagde] is dus toewijsbaar.De rechtbank acht deze maatregel voorshands voldoende tegemoet komen aan de belangen van beide partijen. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de omstandigheid dat [gedaagde] ook via een alternatieve weg haar perceel kan bereiken, geenszins rechtvaardigde dat [eiser] de uitoefening van de erfdienstbaarheid over het dienen erf onmogelijk maakte.

De inhoud en wijze van uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid

6.7.

Partijen zijn voorts verdeeld over de inhoud en wijze van uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid.

6.8.

Ingevolge artikel 5:73 lid 1 BW worden de inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend.

6.9.

In het onderhavige geval is in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid bepaald:

De verkopers, de comparanten sub 1 a en b en de kopers, de comparanten sub 2 a en b vestigen ten deze een erfdienstbaarheid van overpad ten behoeve van de percelen plaatselijk bekend [postcode] , [adres bungalow gedaagde] , kadastraal bekend [kadastrale registratie 6] en [kadastrale registratie 5] en ten laste van percelen kadastraal bekend Gemeente Anloo de nummers [kadastrale registratie 3] , [kadastrale registratie 1] en [kadastrale registratie 2] , om te komen en te gaan naar de openbare weg met een auto.

6.10.

Bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. In dit verband komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval - met uitzondering van de niet-kenbare bedoeling van degenen die de bepaling van de akte hebben geredigeerd - waarbij de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden tevens van belang is (vgl. HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251).

6.11.

Naar voorlopig oordeel moet de akte waarbij de onderhavige erfdienstbaarheid is gevestigd aldus worden uitgelegd dat aan [gedaagde] het recht toekomt om over het perceel van [eiser] te komen van en gaan naar de openbare weg met gebruikmaking van een auto.

6.12.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, hoewel in de akte van erfdienstbaarheid (slechts) wordt gesproken over het recht van overpad met gebruikmaking van een auto, het gebruik maken van het recht van overpad te voet of met de fiets geacht kan worden binnen de reikwijdte van het recht van erfdienstbaarheid te vallen. Daartoe kan onder meer verwezen worden naar artikel 5:74 BW, krachtens welk wetsartikel de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze te geschieden. Het gebruikmaken van de erfdienstbaarheid te voet of met de fiets acht de rechtbank voorshands minder bezwarend dan met gebruikmaking van de auto.

6.13.

De erfdienstbaarheid van overpad sluit naar het oordeel van de rechtbank ook in dat derden - zoals familie/bezoekers van [gedaagde] - die met betrekking tot het perceel van [gedaagde] [adres bungalow gedaagde] vanaf/naar de openbare weg willen komen of gaan van de erfdienstbaarheid gebruik mogen maken (vgl. gerechtshof Arnhem, 4 mei 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM3615).

6.14.

Gelet op de omstandigheid dat het afsluiten van de erfdienstbaarheid met hekken en sloten - blijkens de brief van de advocaat van [eiser] van 3 augustus 2015 - mede ingegeven was door het gebruik van het pad anders dan met een auto en door anderen dan [gedaagde] , acht de rechtbank het opportuun om [eiser] voor de duur van het geding te verbieden het gebruik van de erfdienstbaarheid door anderen dan [gedaagde] alsook met gebruikmaking van fiets of te voet te belemmeren, zoals hierna in het dictum te melden. De betreffende vordering van [gedaagde] is in zoverre toewijsbaar.

Dwangsommen

6.15.

De rechtbank zal aan de hierna in het dictum te melden veroordelingen jegens [eiser] dwangsommen verbinden voor het geval [eiser] in gebreke blijft om daaraan te voldoen. Het bedrag van de dwangsommen en het daaraan te verbinden maximum staan naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot het geschonden belang.

6.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, zijnde een bedrag van EUR 452,00 aan salaris advocaat.

7 De beoordeling in de hoofdzaak

7.1.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om nadere inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

7.2.

De rechtbank acht het geraden om voorafgaand aan de comparitie de plaatselijke gesteldheid van de percelen [adres bungalow gedaagde] en [adres bungalow eiser] op te nemen. Met dat doel zal derhalve tevens een descente worden bevolen.

7.3.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie / descente de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

7.4.

De behandeling van de zaak zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

7.5.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

7.6.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

7.7.

Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

8 BESLISSING

De rechtbank:

in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening

8.1.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] binnen 72 uur na betekening van dit vonnis een set sleutels ter beschikking te stellen waarmee zij de sloten kan openen van de hekken die [eiser] op zijn perceel [adres bungalow eiser] heeft geplaatst

8.2.

bepaalt dat [eiser] voor elke dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet een dwangsom zal verbeuren van EUR 100,00 en verbindt aan de te verbeuren dwangsommen een maximum van EUR 2.500,00

8.3.

verbiedt [eiser] om de uitoefening van het aan [gedaagde] toekomende recht van erfdienstbaarheid van overpad over het dienend erf te belemmeren, ook indien [gedaagde] , of haar kinderen en partner of bezoek met de auto, lopende of per fiets over het pad komen of gaan;

8.4.

bepaalt dat [eiser] voor elke keer dat hij dit verbod overtreedt een dwangsom zal verbeuren van EUR 100,00 en verbindt aan de te verbeuren dwangsommen een maximum van EUR 2.500,00;

8.5.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 452,00,

8.6.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.7.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak

8.8.

beveelt dat partijen, bijgestaan door hun advocaten, zullen verschijnen ten behoeve van een gerechtelijke plaatsopneming, ten overstaan van de rechter mr. J. de Vroome, op de percelen [adres bungalow gedaagde] en [adres bungalow eiser] te [vestigingsplaats bungelowpark] , gevolgd door een comparitie van partijen in het Gerechtsgebouw te Assen, Brinkstraat 4, een en ander op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;

8.9.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn;

8.10.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 december 2015 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2016, waarna dag en uur van zitting zullen worden bepaald;

8.11.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de zitting zelfstandig zal bepalen;

8.12.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van zitting dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

8.13.

wijst partijen er op, dat voor de zitting maximaal twee uur zal worden uitgetrokken;

8.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.

343/ MP