Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5115

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
17-880039-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7961
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontnemingsbeslissing. Veroordeelde is bij vonnis van 28 november 2014 veroordeeld ter zake valsheid in geschrift en oplichting. De rechtbank heeft geoordeeld dat is komen vast te staan dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen door middel van of uit de baten van deze oplichting en een aantal andere strafbare feiten, te weten (andere) valsheid in geschrift, (andere) oplichting, het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften en witwassen. Deze feiten hebben plaatsgevonden in het kader van de hypotheekaanvragen voor twee verschillende woningen en de betaling van gelden uit het bouwdepot voor een derde woning.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de aan veroordeelde verstrekte hypothecaire geldleningen op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als voordeel. Tegenover deze geldleningen stond een schuld aan de hypotheekverstrekkers en veroordeelde was verplicht deze bedragen terug te betalen. Bovendien hebben de hypotheekverstrekkers als (uitwinbare) zekerheid dat veroordeelde de geldleningen zou terugbetalen het recht van hypotheek verkregen op de woningen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het vermogen van veroordeelde door het verstrekken van de hypothecaire geldleningen niet is gestegen.

De rechtbank heeft het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt geschat vastgesteld op € 83.060,97. Op grond van de leeftijd van veroordeelde en de omstandigheden dat hij geen inkomsten uit arbeid heeft, hij zowel persoonlijk als zakelijk failliet is verklaard en niet aannemelijk is geworden dat hij beschikt over een substantieel vermogen heeft de rechtbank veroordeelde een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 20.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880039-12

beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 5 november 2015 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 3 februari 2014 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), wordt geschat en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.720.310,85 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 17/880039-12 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsvordering).

De behandeling is aangevangen ter terechtzitting van 24 maart 2014 en voortgezet op 21 oktober 2014. Ter terechtzitting van 21 oktober 2014 heeft de rechtbank bepaald dat een schriftelijke wisseling van standpunten zal plaatsvinden. De officier van justitie heeft een conclusie van eis ingediend. De raadsman van veroordeelde, mr. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden, heeft een conclusie van antwoord ingediend, alsmede een aanvulling daarop. De officier van justitie heeft een conclusie van repliek ingediend. De raadsman van veroordeelde heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek voortgezet op 24 september 2015. Ter terechtzitting van 24 september 2015 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering gewijzigd in die zin dat hij het bedrag heeft verlaagd tot € 229.522,38.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1.1.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toewijzing van de ontnemingsvordering. Daartoe heeft de raadsman van veroordeelde aangevoerd dat de officier van justitie bij de behandeling van het klaagschrift tegen het conservatoir beslag heeft aangegeven dat vermoedelijk geen ontnemingsvordering zou worden ingediend tegen veroordeelde. De raadkamer van de rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en beslist dat de in beslag genomen goederen moesten worden teruggegeven aan veroordeelde. Dit heeft volgens de verdediging bij veroordeelde het vertrouwen gewekt dat zou worden afgezien van het indienen van een ontnemingsvordering.

1.2.

In de rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel van 5 juni 2013 (hierna: ontnemingsrapportage) (p. 5 en 53) staat dat de officier van justitie bij de behandeling van het klaagschrift tegen het conservatoir beslag abusievelijk heeft aangegeven dat vermoedelijk geen ontnemingsvordering zou worden ingediend tegen veroordeelde, dat de klacht zodoende gegrond werd verklaard en dat de raadkamer heeft beslist dat de vermogensbestanddelen aan veroordeelde dienden te worden teruggegeven.

1.3.

Voor zover de officier van justitie in de klachtprocedure heeft gezegd dat vermoedelijk geen ontnemingsvordering zou worden ingediend tegen veroordeelde, is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde aan deze mededeling niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat geen ontnemingsvordering zou worden ingediend. Deze mededeling kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging dat geen ontnemingsvordering zou worden ingediend.

1.4.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de ontnemingsvordering. Dit betekent dat het verweer faalt.

Bewijsmiddelen

Zaak A02 ( [adres 1] )

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zaak A02 ( [adres 1] ) op de volgende bewijsmiddelen:

2.1.

Een nota van afrekening van [notariskantoor] te [plaats ] d.d. 28 oktober 2003, opgenomen in map 7, op de pagina's 2418 en 2419, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Overdacht kosten koper:

Koopsom registergoed: € 420.000,00

Koopsom roerende zaken: € 10.000,00

Afsluiten hypotheek:

Te ontvangen hypotheek van [Bank 1] : € 425.000,00

Af: Afsluitprovisie € 1.400,00

€ 423.600,00

Kosten t.b.v. de Staat en het Kadaster:

6% overdrachtsbelasting over € 420.000,00: € 25.200,00

Inschrijvingskosten levering: € 74,27

Inschrijvingskosten hypotheek: € 92,15

Notariële kosten (btw belast):

Recherchekosten levering: € 20,00

Recherchekosten hypotheek: € 20,00

Honorarium levering over € 420.000,00: € 750,00

Honorarium hypotheek over € 550.000,00: € 450,00

Registratiekosten hypotheek: € 3,00

19% btw over € 1.243,00: € 236,17

Taxatienota [Makelaardij 1] : € 297,50

Taxatienota [Taxateur] : € 685,43

Taxatienota [Makelaardij 2] : € 166,60

2.2.

Een leveringsakte d.d. 31 oktober 2003, opgenomen in map 7, op de pagina's 2437 en 2442, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende dat aan veroordeelde is verkocht en geleverd de woning aan de [adres 1] te [plaats ] en dat de koopprijs bedraagt € 430.000,00 (inclusief € 10.000,00 wegens overname roerende zaken).

2.3.

Een hypotheekakte d.d. 31 oktober 2003, met referentienummer 62510/29.87.72.019, opgenomen in map 7, op de pagina's 2445 en 2448, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende dat veroordeelde hypotheek heeft verleend tot een bedrag van € 550.000,00 op de woning met ondergrond, erf, water en verdere aanhorigheden aan de [adres 1] te [plaats ] .

2.4.

Een nota van afrekening van [bedrijfsnaam 1] d.d. 3 april 2008, opgenomen in map 7, op de pagina 2433, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

inzake: executoriale verkoop [adres 1] te [plaats ]

Te ontvangen: Te voldoen:

Koopprijs registergoed: € 530.000,00 -

Rente (6%) over koopprijs gedurende 30 dagen: € 2.613,69 -

Resterende veilingopbrengst (te verdelen - € 11.933,28

conform wettelijke regels) ---------------- --------------

€ 532.613,69 € 11.933,28

Per saldo te ontvangen € 520.680,41

2.5.

Een overzicht van de af- en bijschrijvingen van de privérekening van veroordeelde bij de [Bank 1] met [rekeningnummer 1] over de periode van 25 september 2003 tot en met 8 april 2008, opgenomen in map 21, op de pagina's 7873 tot en met 7892, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

- dat veroordeelde in de periode van november 2003 tot en met oktober 2007 maandelijks een bedrag van € 833,33 heeft afgelost op de lening met [nummer 1] (in totaal 48 x € 833,33 = € 39.999,84);

- dat veroordeelde in de periode van november 2007 tot en met maart 2008 maandelijks een bedrag van € 416,66 heeft afgelost op de lening met [nummer 1] (in totaal 5 x € 416,66 = € 2.083,30);

- dat op 8 april 2008 een bedrag van € 387.644,34 is afgeschreven met de omschrijving " [Bank 1] , algehele aflossing, [nummer 1] ".

Zaak A03 ( [adres 2] )

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zaak A03 ( [adres 2] ) op de volgende bewijsmiddelen:

3.1.

Een factuur van [bedrijfsnaam 5] , nummer 2004-027, d.d. 10 augustus 2004, gericht aan [naam 1] , opgenomen in map 8, op de pagina 2654, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

betreft: werkzaamheden [adres 2] te [plaats ]

Totaal excl. BTW € 17.101,36

BTW € 3.249,26

Totaal incl. BTW € 20.350,62

3.2.

Een factuur van [bedrijfsnaam 5] , nummer 2004-032, d.d. 25 oktober 2004, gericht aan [naam 1] , opgenomen in map 8, op de pagina 2665, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

betreft: verbouwingswerkzaamheden t.b.v. pand [adres 2] te [plaats ]

Totaal excl. BTW € 11.367,18

BTW € 2.159,76

Totaal incl. BTW € 13.526,94

3.3.

Een factuur van [bedrijfsnaam 5] , nummer 2004-035, d.d. 25 oktober 2004, gericht aan [naam 1] , opgenomen in map 8, op de pagina 2670, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

betreft: verbouwingswerkzaamheden t.b.v. pand [adres 2] te [plaats ]

Subtotaal € 2.016,00

BTW 19% € 383,04

Totaal generaal € 2.399,04

3.4.

Een factuur van [bedrijfsnaam 5] , nummer 2004-034, d.d. 25 oktober 2004, gericht aan [naam 1] , opgenomen in map 8, op de pagina 2696, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

betreft: verbouwingswerkzaamheden t.b.v. pand [adres 2] te [plaats ]

Totaal excl. BTW € 4.571,81

BTW 19% € 868,64

Totaal incl. BTW € 5.440,45

3.5.

Een factuur van [bedrijfsnaam 5] , nummer 2005-101, d.d. 26 januari 2005, gericht aan [naam 1] , opgenomen in map 8, op pagina 2720, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

betreft: verbouwing woning [adres 2] te [plaats ]

Subtotaal € 5.143,49

BTW 19% € 977,26

Totaal generaal € 6.120,75

3.6.

Een overzicht van de af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met [rekeningnummer 2] over de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 december 2007, opgenomen in map 21, op de pagina's 7897 tot en met 7925, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

- dat veroordeelde de enige gemachtigde van deze rekening is;

- dat op 1 september 2004 een bedrag van € 20.350,62 is bijgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer 3] met de omschrijving "dhr. [naam 1] e/o [adres 2] [plaats ] DI FACT*2004-027";

- dat op 9 november 2004 een bedrag van € 13.526,94 is bijgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer 3] met de omschrijving "dhr. [naam 1] e/o [adres 2] [plaats ] FACT*2004-032";

- dat op 1 december 2004 een bedrag van € 2.399,04 is bijgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer 3] met de omschrijving "dhr. [naam 1] e/o [adres 2] [plaats ] FACTNR. 035";

- dat op 25 december 2004 een bedrag van € 5.440,45 is bijgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer 4] met de omschrijving "dhr. [naam 1] e/o [adres 2] [plaats ] FACTNR 2004-034";

- dat op 22 februari 2005 een bedrag van € 5.143,49 is bijgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer 4] met de omschrijving "dhr. [naam 1] e/o [adres 2] ";

- dat de hierna onder 7.4.4. genoemde bedragen op de daarbij genoemde data zijn betaald aan de daarbij genoemde bedrijven of personen.

Zaak A04 ( [adres 3] )

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zaak A04 ( [adres 3] ) op het volgende bewijsmiddel:

4. Een overzicht van de af- en bijschrijvingen van de privérekening van veroordeelde bij de [Bank 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 5] over de periode van 27 februari 2006 tot en met 17 januari 2007, opgenomen in map 21, op de pagina's 7673 tot en met 7689, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

- dat [naam 2] op 1 augustus 2006, 1 september 2006, 29 september 2006, 9 november 2006, 29 november 2006 en 1 december 2006 telkens een bedrag van € 1.250,00 heeft overgeschreven naar deze privérekening van veroordeelde met de omschrijving "huur [adres 3] " of "huur" (in totaal 6 x € 1.250,00 = € 7.500,00);

- dat veroordeelde op 2 augustus 2006 een bedrag van € 1.439,68 heeft overgeschreven op [rekeningnummer 6] met de omschrijving " [bedrijfsnaam 2] verschuldigde bedragen periode 07-2006";

- dat veroordeelde op 4 september 2006 een bedrag van € 1.475,48 heeft overgeschreven op [rekeningnummer 6] met de omschrijving " [bedrijfsnaam 2] verschuldigde bedragen periode 08-2006";

- dat veroordeelde op 1 november 2006 een bedrag van € 1.511,27 heeft overgeschreven op [rekeningnummer 6] met de omschrijving " [bedrijfsnaam 2] verschuldigde bedragen periode 10-2006";

- dat veroordeelde op 30 november 2006 een bedrag van € 1.618,72 heeft overgeschreven op [rekeningnummer 6] met de omschrijving " [bedrijfsnaam 2] verschuldigde bedragen periode 11-2006";

- dat in de periode van 1 juli 2006 tot en met 17 januari 2007 geen andere bedragen zijn overgeschreven van deze privérekening van veroordeelde op [rekeningnummer 6] .

Beoordeling

Inleidende overwegingen

5. De officier van justitie heeft zijn oorspronkelijke ontnemingsvordering ten bedrage van € 1.720.310,85 gebaseerd op de zaken A02 ( [adres 1] ), A03 ( [adres 2] ), A04 ( [adres 3] ), A05 ( [adres 4] ), A06 ( [adres 5] ) en A18 ( [straat] ). Ter terechtzitting van 24 september 2015 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering gewijzigd en verlaagd tot € 229.522,38. Deze gewijzigde vordering is alleen nog gebaseerd op de zaken A02 ( [adres 1] ), A03 ( [adres 2] ) en A04 ( [adres 3] ). De rechtbank zal deze drie zaken hierna afzonderlijk bespreken.

Zaak A02 ( [adres 1] )

Standpunt officier van justitie

6.1.

De officier van justitie heeft zich blijkens de ontnemingsrapportage, de conclusie van eis, de conclusie van repliek en het verhandelde ter terechtzitting van 24 september 2015 op het standpunt gesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een ander strafbaar feit dan waarvoor hij is veroordeeld, te weten valsheid in geschrift en oplichting. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op 31 oktober 2003 heeft [naam 1] als gevolmachtigde van veroordeelde de woning aan de [adres 1] te [plaats ] gekocht voor € 430.000,00. Veroordeelde heeft in het kader van de aanvraag van de hypothecaire geldlening van € 423.600,00 bij de [Bank 1] , waarmee deze aankoop is gefinancierd, een vals geschrift ingediend of laten indienen, te weten een financiële rapportage van [naam 3] betreffende het inkomen van veroordeelde uit [bedrijfsnaam 3] over de jaren 2003, 2004 en 2005. Veroordeelde heeft de woning van 1 januari 2004 tot 1 september 2005 verhuurd. De woning is op 7 april 2008 door de [Bank 1] in een executieverkoop verkocht. De officier van justitie heeft het voordeel berekend door de uitbetaalde hypothecaire lening (€ 423.600,00), de huuropbrengsten (€ 24.945,03) en de opbrengst van de executieverkoop van de woning (€ 497.933,52) bij elkaar op te tellen en daar het aankoopbedrag (€ 420.000,00), de hypotheekkosten (€ 672,53), de tussentijdse hypotheekaflossingen (€ 37.355,66) en de eindaflossing (€ 387.644,34) van af te trekken. Dit resulteert volgens de officier van justitie in een wederrechtelijk verkregen voordeel (vervolgprofijt) van € 100.806,02. De door veroordeelde gestelde hypotheeklasten en verbouwingskosten zijn geen kosten die het plegen van het strafbare feit mogelijk hebben gemaakt, noch kosten die logischerwijs direct voortvloeien uit de gepleegde valsheid in geschrifte en oplichting. Daarom dienen deze kosten niet van het voordeel te worden afgetrokken, aldus de officier van justitie.

Standpunt verdediging

6.2.

De verdediging heeft zich blijkens de conclusie van antwoord, de aanvulling daarop, de conclusie van dupliek en het verhandelde ter terechtzitting van 24 september 2015 op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op zaak A02. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat zaak A02 niet aan veroordeelde ten laste is gelegd. In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat van een connectie tussen enig strafbaar handelen van veroordeelde en de aankoop van de woning aan de [adres 1] te [plaats ] niet is gebleken, zodat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de verdediging ligt het feitencomplex betreffende deze woning in het verlengde van het aan veroordeelde onder 3. ten laste gelegde feit, waarvan veroordeelde is vrijgesproken. Het gaat om een samenspel tussen de zoon van veroordeelde [naam 1] en de accountant van veroordeelde [naam 3] . [naam 3] was precies op de hoogte van en verantwoordelijk voor het financiële reilen en zeilen van de ondernemingen van veroordeelde en het was dus niet zo dat veroordeelde [naam 3] gegevens moest aanleveren, zoals [naam 3] heeft verklaard. Veroordeelde ontkent dan ook dat hij enige rol heeft gespeeld bij het aanleveren van de financiële gegevens bij de [Bank 1] . Ten derde is aangevoerd dat de overwaarde van de woning niet aan veroordeelde is toegevallen, aangezien daarmee een schuld van veroordeelde aan de [Bank 1] van circa € 65.000,00 is afgelost. Ten vierde is aangevoerd dat de aankoopkosten van de woning in totaal € 487.000,00 bedroegen. Naast het aankoopbedrag van € 430.000,00 bestonden deze kosten uit een contractuele boete van € 22.000,00 en overschrijvingskosten en overdrachtsbelasting ten bedrage van circa € 35.000,00. Ook heeft de officier van justitie er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de woning voor circa € 60.000,00 is verbouwd en dat tegenover de huurinkomsten substantiële hypotheekrentelasten stonden, welke de verdediging heeft geschat op € 27.500,00. De verdediging is van mening dat deze verbouwingskosten en hypotheekrentelasten van het berekende voordeel moeten worden afgetrokken.

Oordeel rechtbank

6.3.1.

Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr gelezen in samenhang met artikel 36e, eerste lid, Sr kan de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, indien die persoon voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit strafbare feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

6.3.2.

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 28 november 2014 in de (hoofd)zaak met parketnummer 17/880039-12 veroordeeld ter zake valsheid in geschrift en oplichting. In deze (hoofd)zaak zijn geen strafbare feiten ten laste gelegd en dus ook niet bewezen verklaard die voortkomen uit zaak A02 en veroordeelde is daarvoor ook overigens niet veroordeeld. Uit de hiervoor weergegeven bepalingen volgt dat deze omstandigheden er niet aan in de weg staat dat het voordeel dat veroordeelde in zaak A02 heeft behaald aan hem wordt ontnomen, mits dit voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

6.4.1

Ten aanzien van de vraag of er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde in het kader van de aankoop van de woning aan de [adres 1] te [plaats ] (zaak A02) één of meer strafbare feiten heeft begaan, overweegt de rechtbank het volgende.

6.4.2.

Uit de verklaring van veroordeelde1 leidt de rechtbank af dat veroordeelde de woning aan de [adres 1] te [plaats ] wilde kopen, dat hij daartoe contact heeft gehad met de [Bank 1] , dat hij zijn zoon [naam 1] vervolgens opdracht heeft gegeven de woning middels een volmacht voor hem te kopen en dat [naam 1] toen de aankoop en de hypotheek bij de [Bank 1] heeft geregeld en afgerond. Uit de verklaring van [naam 3]2 leidt de rechtbank af dat veroordeelde hem heeft gevraagd de brieven van 28 augustus 2003 (aangeduid als FB-17)3 en 5 september 2003 (aangeduid als FB-18)4 op te stellen in verband met de financiering van een object in [plaats ] en dat veroordeelde hem alle in die brieven vermelde gegevens heeft verstrekt. In deze brieven staat - zakelijk weergegeven - dat veroordeelde in 2001 en 2002 - naast zijn inkomen van [bedrijfsnaam 4] - inkomsten had uit andere arbeid, te weten € 19.739 bruto in 2001 en € 38.600,00 bruto in 2002. Verder staat in deze brieven - zakelijk weergegeven - dat veroordeelde in 2003 voor deze andere werkzaamheden al € 12.000,00 heeft ontvangen en nog € 46.500,00 moet factureren, welk bedrag voor het grootste deel betrekking heeft op de periode voor september 2013, en dat deze inkomsten middels [bedrijfsnaam 5] zullen worden geboekt en verantwoord. Uit de gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en de Belastingdienst5 en de verklaring van veroordeelde6 - zakelijk weergegeven - inhoudende dat zijn werkgever in 2002 [bedrijfsnaam 4] was, hij in 2002 geen andere werkgevers had, hij voor zover hij zich kan herinneren in 2002 geen andere inkomsten had en hij eind 2003 met zijn eigen bedrijf is begonnen, leidt de rechtbank af dat de inkomensgegevens in de voormelde brieven van 28 augustus 2003 en 5 september 2003 onjuist zijn. Uit het kredietadvies particulieren van [naam 4] van de [Bank 1] d.d. 15 september 20037 leidt de rechtbank af dat de [Bank 1] deze brieven heeft ontvangen en haar beslissing om veroordeelde een hypothecaire geldlening te verstrekken voor de aankoop van de woning mede heeft gebaseerd op de in deze brieven vermelde inkomensgegevens. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat veroordeelde de [Bank 1] door middel van deze brieven bewust een onjuist beeld heeft voorgespiegeld van zijn inkomenspositie, teneinde de [Bank 1] te bewegen hem een hypothecaire geldlening te verstrekken. Uit de hypotheekakte d.d. 31 oktober 20038 en de nota van afrekening van de notaris d.d. 28 oktober 20039 blijkt dat de [Bank 1] veroordeelde ook daadwerkelijk een hypothecaire geldlening heeft verstrekt met als onderpand de woning aan de [adres 1] te [plaats ] .

6.4.3.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde zich in het kader van de aankoop van de woning aan de [adres 1] te [plaats ] schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e, tweede lid, Sr, te weten aan valsheid in geschrift en oplichting van de [Bank 1] .

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de hiervoor onder 2.1. tot en met 2.5. weergegeven wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde valsheid in geschrift en oplichting.

6.6.

De rechtbank is van oordeel dat de aan veroordeelde verstrekte hypothecaire geldlening op zichzelf niet kan worden aangemerkt als voordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat tegenover deze geldlening een schuld aan de hypotheekverstrekker stond en veroordeelde dus verplicht was dit bedrag terug te betalen. Bovendien heeft de hypotheekverstrekker als (uitwinbare) zekerheid dat veroordeelde de geldlening zou terugbetalen een recht van hypotheek verkregen op de woning aan de [adres 1] te [plaats ] . Daarom is de rechtbank van oordeel dat het vermogen van veroordeelde door het verstrekken van de hypothecaire geldlening niet is gestegen.

6.7.

De rechtbank is van oordeel dat het voordeel dat is verkregen door de verhuur van de woning kan worden aangemerkt als vervolgprofijt. Veroordeelde heeft deze huurinkomsten kunnen vergaren, doordat hij de woning heeft kunnen financieren met een hypothecaire geldlening die hij heeft verkregen door middel van valsheid in geschrift en oplichting. Het voordeel dat is behaald met de verhuur van de woning moet naar het oordeel van de rechtbank worden berekend door de ontvangen huurbetalingen te verminderen met de hypotheekrentelasten die zijn betaald in de periode dat de woning werd verhuurd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hypotheekrentelasten kosten die onlosmakelijk samenhangen met het voordeel uit het verhuren van de woning. Deze kosten moesten noodzakelijkerwijs worden gemaakt om de woning te kunnen verhuren en daar voordeel uit te kunnen behalen. In navolging van de officier van justitie gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde de woning heeft verhuurd aan [naam 5] in de periode van 1 januari 2004 tot 1 september 2005 (twintig maanden). Uit het overzicht van de afschriften van de privérekening van veroordeelde bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 1]10 kan worden afgeleid dat [naam 5] over de periode van januari 2004 tot en met augustus 2005 (in achttien betalingen) aan veroordeelde in totaal een bedrag van € 24.945,03 aan huur heeft betaald. Uit datzelfde overzicht kan worden afgeleid dat veroordeelde in die periode ten minste een bedrag van € 26.309,65 aan hypotheekrente heeft betaald.11 Hieruit volgt dat de hypotheekrentelasten in de periode van 1 januari 2004 tot 1 september 2005 hoger waren dan de huuropbrengsten en dat veroordeelde dus geen (vervolg)profijt heeft gehad van het verhuren van de woning.

6.8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde voordeel verkregen doordat een overwaarde is gerealiseerd bij de verkoop van de woning. Ten aanzien van dit voordeel overweegt de rechtbank het volgende.

6.8.2.

Veroordeelde heeft de woning aangekocht voor een bedrag € 430.000,00. Onderdeel van dit aankoopbedrag is een bedrag van € 10.000,00 voor de overname van roerende goederen. Nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting het tegendeel niet is gebleken, gaat de rechtbank er in het voordeel van veroordeelde vanuit dat bij het verkoopbedrag van € 530.000,00 eveneens een bedrag van € 10.000,00 voor de overname van roerende goederen is inbegrepen. Daarom gaat de rechtbank bij de berekening van het voordeel - anders dan de officier van justitie - uit van een aankoopbedrag van € 430.000,00.

6.8.3.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de hypotheekkosten niet € 672,53 bedroegen, maar € 655,02, en dat de tussentijdse aflossingen niet € 37.355,66 bedroegen, maar € 42.083,14. Voorts blijkt daaruit dat de woning is verkocht voor € 530.000,00 en dat daarvan per saldo te ontvangen was een bedrag van € 520.680,41. De rechtbank zal bij de berekening van het voordeel uitgaan van dit laatste bedrag (in plaats van het door de officier van justitie gebruikte bedrag van € 497.933,52).

6.8.4.

De rechtbank is van oordeel dat naast de hypotheekkosten ook de overige kosten die veroordeelde heeft gemaakt in het kader van de aankoop van de woning (overdrachtsbelasting, kosten van levering en kosten van taxaties) onlosmakelijk samenhangen met de aankoop van de woning en daardoor ook met de uiteindelijk gerealiseerde overwaarde. Daarom dienen ook deze kosten van het voordeel te worden afgetrokken. Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat deze kosten in totaal € 27.340,10 bedragen.

6.8.5.

Verder blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat door de [Bank 1] aan veroordeelde is uitbetaald een bedrag van € 423.600,00 en dat op 8 april 2008 een bedrag van € 387.644,34 is betaald ter algehele aflossing van de hypotheek. Deze bedragen komen overeen met de door de officier van justitie gehanteerde bedragen.

6.8.6.

De rechtbank volgt de verdediging niet in het standpunt dat de door hem in het kader van de aankoop van de woning betaalde boete van het voordeel moet worden afgetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de betaling van deze boete noodzakelijk was om de woning te kunnen kopen. Uit de nota van afrekening d.d. 28 oktober 200312 blijkt dat de boete verschuldigd is in verband met een uitgestelde levering. De rechtbank acht het aannemelijk dat veroordeelde deze boete niet had hoeven betalen indien hij er zorg voor had gedragen dat de levering tijdig had kunnen plaatsvinden.

6.8.7.

De rechtbank volgt de verdediging evenmin in het standpunt dat veroordeelde geen voordeel heeft gehad van de gerealiseerde overwaarde omdat daarmee een schuld is afgelost. Daartoe overweegt de rechtbank dat ook het aanzuiveren van een schuld voordeel oplevert.

6.8.8.

Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat de verbouwingskosten van het voordeel moeten worden afgetrokken, overweegt de rechtbank het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de woning is verbouwd voor het door veroordeelde gestelde bedrag, laat staan dat de kosten van de gestelde verbouwing voor rekening van veroordeelde zijn gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de stukken die veroordeelde heeft overgelegd enkel kan worden afgeleid dat met betrekking tot de woning aan de [adres 1] te [plaats ] een aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend (waarin een aanneemsom of raming van de kosten van € 22.000,00 is genoemd) en dat tekeningen en berekeningen zijn gemaakt. Veroordeelde heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aangevraagde bouwvergunning is verleend, laat staan dat de woning daadwerkelijk is verbouwd en dat daarvoor daadwerkelijk kosten in rekening zijn gebracht. Voorts overweegt de rechtbank dat veroordeelde ter terechtzitting van 24 september 2015 heeft verklaard en in de bijlage bij de conclusie van dupliek heeft vermeld dat (een aanzienlijk deel van) de gestelde verbouwingskosten niet door hem zijn betaald, maar door zijn toenmalige vriendin. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat om de gestelde verbouwingskosten in mindering te brengen op het voordeel.

6.9.

Dit brengt de rechtbank tot de volgende berekening:

omschrijving bij af

uitbetaalde hypothecaire lening € 423.600,00 -

verkoopopbrengst (minus kosten) € 520.680,41 -

aankoopbedrag (inclusief roerende zaken) - € 430.000.00

hypotheekkosten - € 655,02

overdrachtsbelasting, kosten levering, etc. - € 27.340,10

tussentijdse aflossingen hypotheek - € 42.083,14

eindaflossing hypotheek - € 387.644,34

---------------- ----------------

totaal € 944.280,41 € 887.722,60

€ 944.280,41 - € 887.722,60 = € 56.557,81

6.10.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde in de zaak A02 ( [adres 1] ) een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 56.557,81.

Zaak A03 ( [adres 2] )

Standpunt officier van justitie

7.1.

De officier van justitie heeft zich blijkens de ontnemingsrapportage, de conclusie van eis, de conclusie van repliek en het verhandelde ter terechtzitting van 24 september 2015 op het standpunt gesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het door de rechtbank in het vonnis van 28 november 2014 onder 1. bewezenverklaarde strafbaar feit, te weten valsheid in geschrift. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Veroordeelde heeft een valse werkgeversverklaring opgemaakt betreffende een dienstverband van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bij [bedrijfsnaam 5] . [naam 1] heeft deze werkgeversverklaring met medeweten van veroordeelde ingeleverd bij de [Bank 2] in het kader van de hypotheekaanvraag voor de woning aan de [adres 2] te [plaats ] . De [Bank 2] heeft [naam 1] een hypotheek verstrekt, inclusief een bouwdepot van € 75.000,00. Later werd een tweede hypotheek afgesloten bij de [Bank 2] voor een bedrag van € 40.000,00. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat de geleende gelden afkomstig zijn uit valsheid in geschrift en oplichting. De officier van justitie is voorts van mening dat de betalingen die vervolgens met deze geleende bedragen zijn gedaan, waaronder die aan [bedrijfsnaam 5] , zijn aan te merken als witwassen. De woning is verbouwd door [bedrijfsnaam 6] . [bedrijfsnaam 5] , het bouwbedrijf van veroordeelde, leverde de materialen. In totaal heeft de [Bank 2] een bedrag van € 114.600,00 uitbetaald op basis van ingediende nota's van de [bedrijfsnaam 5] , [bedrijfsnaam 6] en overige bedrijven. In totaal is door [bedrijfsnaam 5] voor € 52.625,24 gefactureerd aan [naam 1] en zijn voor € 13.307,23 aan creditfacturen verstuurd. Per saldo had derhalve € 39.318,01 betaald moeten worden aan [bedrijfsnaam 5] . In werkelijkheid heeft de bank € 46.860,54 uitbetaald aan [bedrijfsnaam 5] . Na onderzoek van de bankafschriften van [bedrijfsnaam 5] bleek dat slechts een bedrag van € 9.661,18 kon worden herleid tot betalingen door [bedrijfsnaam 5] die verband hielden met de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] . Van de rest van het geld werd onder andere een auto gekocht en geld overgeboekt naar een andere BV van veroordeelde. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat het bouwdepot onrechtmatig is gebruikt en sprake is van een strafbaar feit. De officier van justitie heeft het voordeel van veroordeelde berekend door de uit het bouwdepot aan [bedrijfsnaam 5] uitgekeerde bedragen bij elkaar op te tellen (totaal: € 46.860,54) en daarvan af te trekken de betalingen van de bankrekening van [bedrijfsnaam 5] die volgens hem verband houden met de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] (€ 9.661,18). Met de overige betalingen die zijn gedaan van de rekening van [bedrijfsnaam 5] dient volgens de officier van justitie

geen rekening te worden gehouden, aangezien ten aanzien van die bedragen niet ondubbelzinnig duidelijk is dat het bouwdepot op juiste wijze is gebruikt. Dit resulteert in een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 37.199,36. Dit voordeel is verworven door [bedrijfsnaam 5] en kan volgens de officier van justitie volledig worden toegerekend aan veroordeelde omdat hij de volledige zeggenschap had in [bedrijfsnaam 5] , hij volledig kon beschikken over het vermogen van [bedrijfsnaam 5] en dit vermogen tot zijn persoonlijk voordeel heeft kunnen strekken.

Standpunt verdediging

7.2.

De verdediging heeft zich blijkens de conclusie van antwoord, de aanvulling daarop, de conclusie van dupliek en het verhandelde ter terechtzitting van 24 september 2015 op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op zaak A03. Daartoe heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat geen sprake is van een causaal verband tussen de bewezenverklaarde valsheid in geschrift en het door de officier van justitie gestelde voordeel omdat veroordeelde niet wist dat de werkgeversverklaring zou worden gebruikt voor het verkrijgen van het bouwdepot. De facturen zijn gericht aan [naam 1] . Veroordeelde wist niet dat [naam 1] een bouwdepot had en dus ook niet dat de facturen daaruit werden betaald. In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat het aan [bedrijfsnaam 5] betaalde bedrag volledig is besteed aan de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] . [bedrijfsnaam 5] is een bouwbedrijf dat feitelijk werkzaamheden heeft verricht. De officier van justitie heeft niet aangetoond dat er geen feitelijke werkzaamheden staan tegenover de facturen van in totaal € 39.318,01. Veroordeelde ontkent onterechte of valse facturen te hebben opgemaakt of ingediend. De hele woning is gestript en overal zijn staalconstructies aangebracht. De garage is bij de keuken gevoegd en het dak heeft over de volle lengte een dakkapel gekregen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging een aantal stukken in het geding gebracht. Dat de woning ingrijpend is verbouwd, blijkt volgens de verdediging niet alleen uit de verklaringen van veroordeelde en [naam 1] , maar ook uit de verklaring van [getuige 1] , die schat dat er € 30.000,00 aan materiaal in de woning is verwerkt. Volgens de verdediging is het door de officier van justitie geschatte voordeel van € 37.199,36 dan ook totaal uit de lucht gegrepen. In de derde plaats heeft de verdediging aangevoerd dat in het door de officier van justitie berekende voordeel ten onrechte een BTW component zit. Deze BTW kan niet worden aangemerkt als voordeel, aangezien zij fiscaal kan worden verrekend. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat als er al wederrechtelijk voordeel is verkregen uit de betalingen uit het bouwdepot, dit voordeel is toegevallen aan [bedrijfsnaam 5] en niet aan veroordeelde.

Oordeel rechtbank

7.3.

De rechtbank heeft veroordeelde bij het eerder genoemde vonnis van 28 november 2014 (onder meer) veroordeeld ter zake valsheid in geschrift. De rechtbank heeft in dit kader bewezen verklaard dat veroordeelde in mei 2004 een werkgeversverklaring namens [bedrijfsnaam 5] met betrekking tot [naam 1] valselijk heeft opgemaakt.

7.4.1.

De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen deze valsheid in geschrift en de door [bedrijfsnaam 5] ontvangen betalingen uit het bouwdepot van [naam 1] voor de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] te ver verwijderd is om te kunnen zeggen dat deze betalingen zijn verkregen door middel van of uit de baten van deze valsheid in geschrift. Daarom moet de rechtbank beoordelen of in het kader van zaak A03 sprake is van voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

7.4.2.

Uit de facturen met de nummers 2004-02713, 2004-03214, 2004-03515, 2004-03416 en 2005-10117, de aanvragen tot uitbetaling van (onder meer) de op deze facturen vermelde bedragen uit het depot bij de [Bank 2]18 en de verklaringen van veroordeelde19 en [naam 1]20 leidt de rechtbank af dat [bedrijfsnaam 5] deze facturen heeft opgesteld en heeft ingediend bij [naam 1] . Uit voormelde verklaringen van veroordeelde en [naam 1] leidt de rechtbank voorts af dat veroordeelde deze facturen zelf heeft opgemaakt dan wel dat dit in zijn opdracht en/of met zijn wetenschap is gebeurd door de administratief medewerkster van [bedrijfsnaam 5] . Uit het overzicht van de af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 2] blijkt dat de op deze facturen vermelde bedragen aan [bedrijfsnaam 5] zijn betaald, respectievelijk op 1 september 2004, 9 november 2004, 1 december 2004, 25 december 2004 en 22 februari 2005.21

7.4.3.

Uit de creditfacturen met de nummers 2004-036 en 2005-116 blijkt dat de voormelde facturen met de nummers 2004-035 en 2005-101 zijn gecrediteerd.22 Op grond daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat de op deze facturen vermelde werkzaamheden en/of leveringen niet zijn verricht en dus ten onrechte aan [bedrijfsnaam 5] zijn betaald. Veroordeelde heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

7.4.4.

Uit het voormelde overzicht van de af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] leidt de rechtbank voorts af dat in de periode van 21 mei 2004 (datum offerte hypotheek) tot en met 10 mei 2005 (ruim twee maanden na de laatste betaling uit het bouwdepot) van deze rekening de volgende betalingen zijn gedaan waarvan kan worden vastgesteld dan wel aannemelijk is dat deze verband houden met de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] :

- € 1.011,50 aan [bedrijfsnaam 7] op 6 september 2004;

- € 3.604,83 aan [bedrijfsnaam 8] op 6 september 2004;

- € 502,78 aan [bedrijfsnaam 9] op 6 september 2004;

- € 320,15 aan [naam 6] op 6 september 2004;

- € 253,83 aan [bedrijfsnaam 8] op 11 oktober 2004;

- € 647,96 aan [bedrijfsnaam 7] op 10 november 2004;

- € 1.190,00 aan [bedrijfsnaam 10] op 15 november 2004;

- € 3.187,58 aan [bedrijfsnaam 8] op 15 november 2004;

- € 452,20 aan [bedrijfsnaam 11] op 23 november 2004;

- € 5.950,00 aan [bedrijfsnaam 6] Interieur op 1 december 2004;

- € 575,57 aan [bedrijfsnaam 8] op 26 januari 2005;

- € 525,44 aan [bedrijfsnaam 8] op 26 januari 2005;

- € 2.044,60 aan [bedrijfsnaam 8] op 10 februari 2005;

- € 1.012,40 aan [bedrijfsnaam 8] op 10 februari 2005;

- € 98,08 aan [bedrijfsnaam 8] op 10 februari 2005;

- € 435,31 aan [bedrijfsnaam 12] op 28 februari 2005.23

7.4.5.

Gelet op de omschrijvingen van de overige in die periode van deze rekening gedane betalingen en/of de ontvangers daarvan, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat deze betalingen verband houden met de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] . Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking de verklaringen van [getuige 2]24 en [getuige 1]25 - zakelijk weergegeven - inhoudende dat zij de werkzaamheden in de woning aan de [adres 2] te [plaats ] hebben verricht (met uitzondering van het schilderwerk, het straatwerk, het aanleggen van de tuin en mogelijk het plaatsen van de keuken) en dat [bedrijfsnaam 5] de bouw coördineerde, alsmede de omstandigheid dat [bedrijfsnaam 6] deze werkzaamheden blijkens een aantal facturen26 en aanvragen tot betaling van (onder meer) de op deze facturen vermelde bedragen uit het depot bij de [Bank 2]27 zelfstandig (en dus zonder tussenkomst van [bedrijfsnaam 5] ) bij [naam 1] hebben gefactureerd (mogelijk met uitzondering van het hiervoor vermelde bedrag van € 5.950,00 dat op 1 december 2004 is betaald van de rekening van [bedrijfsnaam 5] ). De verdediging heeft ten aanzien van de overige betalingen ook niet uitgelegd waarom deze - naar haar mening - wel verband houden met de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] . Ook heeft de verdediging niet aangevoerd dat ten behoeve van de verbouwing betalingen zijn gedaan van andere rekeningen (of contant), laat staan dat zij dit aannemelijk heeft gemaakt.

7.4.6.

De verdediging heeft ter onderbouwing van haar stelling dat het gehele gefactureerde bedrag daadwerkelijk is besteed aan de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] een aantal stukken ingediend, te weten een offerte van [bedrijfsnaam 13] , een offerte van [bedrijfsnaam 14] , een overzicht van "uit te voeren werkzaamheden voor het pand [adres 2] te [plaats ] ", een kostenoverzicht "verbouw woning [adres 2] te [plaats ] " en een contract "voor uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het pand [adres 2] , [plaats ] " tussen [bedrijfsnaam 5] en [getuige 1] . Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze stukken niet worden afgeleid dat het door [bedrijfsnaam 5] gefactureerde bedrag geheel door [bedrijfsnaam 5] is besteed aan de verbouwing van de woning. Aan de offertes van [bedrijfsnaam 13] en [bedrijfsnaam 14] kan reeds geen waarde worden toegekend, omdat de werkzaamheden niet door deze bedrijven zijn uitgevoerd. Uit de beide overzichten blijkt niet dat de daarin vermelde werkzaamheden en leveringen daadwerkelijk zijn verricht, laat staan dat deze zijn betaald door [bedrijfsnaam 5] . Het contract tussen [bedrijfsnaam 5] en [getuige 1] is niet ondertekend. Bovendien hebben [bedrijfsnaam 6] de door hen in de woning verrichte werkzaamheden zelfstandig gefactureerd aan [naam 1] en zijn deze dus niet door [bedrijfsnaam 5] betaald. Dit is mogelijk anders voor wat betreft het hiervoor vermelde bedrag van € 5.950,00 dat [bedrijfsnaam 5] op 1 december 2004 heeft betaald aan [bedrijfsnaam 6] . Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen of deze betaling betrekking heeft op de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] , gaat zij daar - in het voordeel van veroordeelde - wel van uit. Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat [getuige 1] heeft geschat dat er

€ 30.000,00 aan materiaal in de woning is verwerkt, overweegt de rechtbank dat hieruit niet kan worden afgeleid dat [bedrijfsnaam 5] een groter bedrag aan materiaal heeft betaald dan blijkt uit de hiervoor vermelde betalingen aan [bedrijfsnaam 8] , [bedrijfsnaam 9] , [bedrijfsnaam 10] , [bedrijfsnaam 11] en [bedrijfsnaam 12] van in totaal ongeveer € 14.000,00. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat (nog afgezien van de keuken) bij de hypotheekverstrekker zonder tussenkomst van [bedrijfsnaam 5] facturen zijn ingediend voor de levering van materiaal van [bedrijfsnaam 15] [bedrijfsnaam 16] , [bedrijfsnaam 17] tegels ten bedrage van in totaal ruim € 12.000,00.

7.4.7.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat [bedrijfsnaam 5] voor een groter bedrag dan het totaal van de zestien hiervoor vermelde bedragen werkzaamheden heeft verricht of materiaal heeft geleverd ten behoeve van deze verbouwing. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat een groot deel van de op de facturen met de nummers 2004-027, 2004-032, 2004-035, 2004-034 en 2005-101 vermelde werkzaamheden en/of leveringen niet is verricht en dat deze facturen dus vals zijn. Door deze valse facturen desalniettemin op te (laten) maken en in te (laten) dienen, heeft veroordeelde gebruik gemaakt van deze valse facturen als waren zij echt en onvervalst. Of veroordeelde al dan niet wist dat de facturen zouden worden betaald uit een bouwdepot is daarbij niet van belang.

7.4.8.

Voorts blijkt uit de onder 7.3. vermelde bewezenverklaring van valsheid in geschrift en de bewijsmiddelen waarop deze is gebaseerd (zoals opgenomen in het vonnis van 28 november 2014), dat veroordeelde wist dat de valselijk door hem opgemaakte werkgeversverklaring bestemd was voor de aankoop van een huis. Nu deze werkgeversverklaring is gedateerd op 12 mei 2004 en de eerste factuur betreffende verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] is gedateerd op 10 augustus 2004, bestaan er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat veroordeelde wist dat het daarbij ging om de aankoop van deze woning. Uit de door veroordeelde ter terechtzitting van 24 september 2004 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - inhoudende dat hij niet wist dat [naam 1] beschikte over een bouwdepot voor de verbouwing van de woning aan de [adres 2] te [plaats ] en dat hij dacht dat de door hem in het kader van die verbouwing ingediende facturen gewoon uit de hypotheek werden betaald, leidt de rechtbank af dat veroordeelde wist dat [naam 1] de aankoop en de verbouwing van deze woning had gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Nu er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde wist dat deze geldlening was verkregen met gebruikmaking van een valse werknemersverklaring, zijn er ook voldoende aanwijzingen dat veroordeelde wist dat deze geldlening afkomstig was uit enig misdrijf. Door opzettelijk valse facturen in te dienen, waarvan veroordeelde wist dat deze zouden worden betaald met deze geldlening, heeft veroordeelde meegewerkt aan het omzetten van (een deel van) deze geldlening. Daardoor heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Of veroordeelde al dan niet wist dat de geldlening voor een deel bestond uit een bouwdepot is daarbij niet van belang.

7.4.9.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde zich in het kader van zaak A03 schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e, tweede lid, Sr, te weten valsheid in geschrift, het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften en witwassen.

7.5.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de hiervoor onder 3.1. tot en met 3.6. weergegeven wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van deze door hem gepleegde strafbare feiten.

7.6.

Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat de officier van justitie in de berekening van het voordeel ten onrechte een BTW component heeft opgenomen, overweegt de rechtbank het volgende. Van de factuur met nummer 2005-101 is alleen het bedrag exclusief BTW van € 5.143,49 uitbetaald en is ook alleen dit bedrag in de berekening betrokken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de factuur met nummer 2004-035 (ten bedrage van € 2.399,04) later gecrediteerd. Daarom acht de rechtbank het niet aannemelijk dat veroordeelde over deze factuur BTW heeft afgedragen. De overige drie facturen bedragen in totaal € 39.318,01. Deze facturen zijn betaald in 2004. [bedrijfsnaam 5] heeft blijkens de gegevens van de Belastingdienst in 2004 een omzet opgegeven van € 36.765,00. Hieruit blijkt dat [bedrijfsnaam 5] in ieder geval niet het totaalbedrag van deze drie facturen als omzet heeft opgegeven. Dit geldt te meer omdat veroordeelde heeft verklaard dat [bedrijfsnaam 5] in die periode ook aan andere projecten werkte. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over de niet verrichte werkzaamheden en leveringen BTW heeft afgedragen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de op de facturen vermelde BTW op het voordeel in mindering te brengen.

7.7.

Dit brengt de rechtbank tot de volgende berekening van het voordeel:

omschrijving ontvangen betaald

factuur [bedrijfsnaam 5] 2004-027 d.d. 10 augustus 2004 € 20.350,62 -

factuur [bedrijfsnaam 5] 2004-032 d.d. 25 oktober 2004 € 13.526,94 -

factuur [bedrijfsnaam 5] 2004-035 d.d. 25 oktober 2004 € 2.399,04 -

factuur [bedrijfsnaam 5] 2004-034 d.d. 25 oktober 2004 € 5.440,45 -

factuur [bedrijfsnaam 5] 2005-101 d.d. 26 januari 2005 € 5.143,49 -

[bedrijfsnaam 7] d.d. 6 september 2004 - € 1.011,50

[bedrijfsnaam 8] d.d. 6 september 2004 - € 3.604,83

[bedrijfsnaam 9] d.d. 6 september 2004 - € 502,78

[naam 6] d.d. 6 september 2004 - € 320,15

[bedrijfsnaam 8] d.d. 11 oktober 2004 - € 253,83

[bedrijfsnaam 7] d.d. 10 november 2004 - € 647,96

[bedrijfsnaam 10] d.d. 15 november 2004 - € 1.190,00

[bedrijfsnaam 8] d.d. 15 november 2004 - € 3.187,58

[bedrijfsnaam 11] d.d. 23 november 2004 - € 452,20

[bedrijfsnaam 6] Interieur d.d. 1 december 2004 - € 5.950,00

[bedrijfsnaam 8] d.d. 26 januari 2005 - € 575,57

[bedrijfsnaam 8] d.d. 26 januari 2005 - € 525,44

[bedrijfsnaam 8] d.d. 10 februari 2005 - € 2.044,60

[bedrijfsnaam 8] d.d. 10 februari 2005 - € 1.012,40

[bedrijfsnaam 8] d.d. 10 februari 2005 - € 98,08

[bedrijfsnaam 12] d.d. 28 februari 2005 - € 435,31

-------------- ---------------

totaal: € 46.860,54 € 21.812,23

€ 46.860,54 - € 21.812,23 = € 25.048,31

7.8.

De hiervoor vermelde bedragen zijn betaald op (en van) de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 2] . Hieruit volgt dat het voordeel is verkregen door de rechtspersoon [bedrijfsnaam 5] . De rechtbank is van oordeel dat dit voordeel kan worden toegerekend aan veroordeelde omdat veroordeelde volledige (dan wel in belangrijke mate) zeggenschap had over [bedrijfsnaam 5] , hij over het vermogen van [bedrijfsnaam 5] kon beschikken en het verkregen voordeel tot zijn voordeel heeft kunnen strekken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Veroordeelde heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij voor zichzelf is begonnen met [bedrijfsnaam 5] , dat hij op papier de verantwoording had voor [bedrijfsnaam 5] en dat hij een rekening courant had bij dit bedrijf.28 Verder heeft veroordeelde - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij enig aandeelhouder/directeur was van [bedrijfsnaam 5] en refereert hij aan [bedrijfsnaam 5] als "mijn bedrijf".29 Veroordeelde was blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel in de relevante periode aandeelhouder en enig bestuurder/directeur van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 3] .30 [bedrijfsnaam 3] was blijkens de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel in de relevante periode enig aandeelhouder en enig bestuurder/directeur van [bedrijfsnaam 5] .31 Blijkens het voorblad van het overzicht van de af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 2] was veroordeelde de enige gemachtigde van deze rekening.32

7.9.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde in de zaak A03 ( [adres 2] ) een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 25.048,31.

Zaak A04 ( [adres 3] )

Standpunt officier van justitie

8.1.

De officier van justitie heeft zich blijkens de ontnemingsrapportage, de conclusie van eis, de conclusie van repliek en het verhandelde ter terechtzitting van 24 september 2015 op het standpunt gesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het door de rechtbank in het vonnis van 28 november 2014 onder 2. bewezenverklaarde strafbaar feit, te weten oplichting. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op 2 februari 2005 is de hypotheek op de woning aan de [adres 3] te [plaats] overgesloten van de [Bank 1] naar de [Bank 3] en is het hypotheekbedrag verhoogd tot € 445.000,00. In het kader van deze oversluiting zijn een valse werkgeversverklaring, twee valse salarisstroken en een valse arbeidsovereenkomst ingediend. Hieruit volgt dat het verkregen hypotheekbedrag afkomstig is van misdrijf. Het vermogen van veroordeelde is hierdoor op enig moment toegenomen. Vervolgens heeft veroordeelde handelingen verricht met de geleende gelden, waardoor hij zich tevens schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Daarom komt het totale hypotheekbedrag van € 440.500,00 volgens de officier van justitie voor ontneming in aanmerking. Daarnaast heeft veroordeelde de woning in strijd met de hypotheekregels verhuurd. De opbrengsten van de verhuur van de woning ten bedrage van € 7.500,00 moeten volgens de officier van justitie worden aangemerkt als vervolgprofijt en komen daarom eveneens voor ontneming in aanmerking. Op het voordeel heeft de officier van justitie de hypotheekkosten (€ 554,80) in mindering gebracht omdat deze kosten in directe relatie staan tot het strafbare feit. Daarnaast heeft hij - in het voordeel van veroordeelde - het bedrag dat is betaald ter aflossing van de hypothecaire lening (€ 326.003,16) op het voordeel in mindering gebracht. Dit resulteert volgens de officier van justitie in een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 121.517,86. De door veroordeelde gestelde hypotheeklasten en verbouwingskosten zijn volgens de officier van justitie geen kosten die het plegen van het strafbare feit mogelijk hebben gemaakt, noch kosten die logischerwijs direct voortvloeien uit de gepleegde valsheid in geschrifte en oplichting. Daarom dienen deze kosten niet van het voordeel te worden afgetrokken.

Standpunt verdediging

8.2.

De verdediging heeft zich blijkens de conclusie van antwoord, de aanvulling daarop, de conclusie van dupliek en het verhandelde ter terechtzitting van 24 september 2015 op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op zaak A04. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat veroordeelde de woning aan de [adres 3] te [plaats] casco heeft gekocht en dat de woning nadien uitgebreid is verbouwd. Daarom ligt het voor de hand dat alle door de bank verstrekte gelden in het huis zitten. Volgens de verdediging heeft de officier van justitie de verbouwingskosten ten onrechte niet in mindering gebracht op het door hem berekende voordeel. In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat de huurinkomsten in een te ver verwijderd causaal verband staan met het strafbare feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld. Bovendien stonden tegenover de huurinkomsten van € 7.500,00 maandelijkse renteverplichtingen over de lening van € 445.000,00 en werden die gedurende die periode ook voldaan. Volgens de verdediging heeft de officier van justitie niet aangetoond dat er betalingsachterstanden waren en heeft hij de hypotheekrentelasten daarom ten onrechte niet op het voordeel in mindering gebracht. Verder heeft de verdediging erop gewezen dat het banktekort van € 166.000,00 dat resteerde na de executoriale verkoop van de woning niet kan worden gekwalificeerd als voordeel van veroordeelde, aangezien er per saldo alleen verlies is gerealiseerd.

Oordeel rechtbank

8.3.

De rechtbank heeft veroordeelde bij het eerdere genoemde vonnis van 28 november 2014 (onder meer) veroordeeld ter zake oplichting. De rechtbank heeft in dit kader bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 1 december 2004 tot en met 2 februari 2005 door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels (een of meer medewerker(s) van) de [Bank 3] heeft bewogen tot de afgifte van € 445.000,00. Dit strafbare feit heeft betrekking op de oversluiting van de hypotheek op de woning aan de [adres 3] te [plaats] (zaak A04).

8.4.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het hiervoor onder 4. weergegeven wettige bewijsmiddel is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde oplichting. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

8.5.

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat de aan veroordeelde verstrekte hypothecaire geldlening niet kan worden aangemerkt als voordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat tegenover deze geldlening een schuld aan de hypotheekverstrekker stond en veroordeelde dus verplicht was dit bedrag terug te betalen. Bovendien heeft de hypotheekverstrekker als (uitwinbare) zekerheid dat veroordeelde de geldlening zou terugbetalen een recht van hypotheek verkregen op de woning aan de [adres 3] te [plaats] . Daarom is de rechtbank van oordeel dat het vermogen van veroordeelde door het verstrekken van de hypothecaire geldlening niet is gestegen.

8.6.

De rechtbank is van oordeel dat het voordeel dat is verkregen door de verhuur van de woning kan worden aangemerkt als vervolgprofijt. Veroordeelde heeft deze huurinkomsten kunnen vergaren, doordat hij de woning heeft kunnen financieren met een hypothecaire geldlening die hij heeft verkregen door middel van de bewezenverklaarde oplichting. Van een te ver verwijderd verband tussen de huurinkomsten en het strafbare feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld, is dan ook geen sprake. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het voordeel dat is behaald met de verhuur van de woning moet worden berekend door de ontvangen huurbetalingen te verminderen met de hypotheekrentelasten die zijn betaald in de periode dat de woning werd verhuurd. De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen zij heeft overwogen onder 6.7. Uit het overzicht van de af- en bijschrijvingen van de privérekening van veroordeelde bij de [Bank 2] met nummer [rekeningnummer 5]33 kan worden afgeleid dat [naam 2] in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 december 2006 (in zes betalingen) in totaal een bedrag van € 7.500,00 aan huur heeft betaald. De rechtbank acht het (bij gebrek aan een huurovereenkomst of andere stukken) aannemelijk dat deze huurbetalingen betrekking hebben op de periode van zes maanden van juli 2006 tot en met december 2006. Uit datzelfde overzicht kan worden afgeleid dat veroordeelde over de maanden juli, augustus, oktober en november 2006 van die privérekening een bedrag van in totaal € 6.045,15 aan hypotheekrente heeft betaald. Nu niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde de hypotheekrente over de maanden september 2006 en december 2006 van een andere rekening (of contant) heeft betaald, gaat de rechtbank ervan uit dat de hypotheekrente over deze maanden niet is betaald. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat uit de aflossingsnota per 15 december 200934 en de saldo-opgave per 16 december 200935 kan worden afgeleid dat sprake was van een betalingsachterstand. Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het voordeel dat veroordeelde heeft verkregen uit de verhuur van de woning aan de [adres 3] te [plaats] op (€ 7.500,00 - € 6.045,15 =) € 1.454,85.

8.7.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde in de zaak A04 ( [adres 3] ) een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 1.454,85.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

9.1.

Dit brengt de rechtbank tot de volgende berekening van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel:

Zaak A02 ( [adres 1] ): € 56.557,81

Zaak A03 ( [adres 2] ): € 25.048,31

Zaak A04 ( [adres 3] ): € 1.454,85

--------------

Totaal: € 83.060,97

9.2.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat veroordeelde in totaal een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 83.060,97.

Draagkracht

10.1.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een eventuele betalingsverplichting op nihil dan wel (subsidiair) op een laag bedrag moet worden gesteld omdat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet voldoende zal zijn om enig bedrag aan de staat te kunnen betalen. Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde persoonlijk en zakelijk failliet is verklaard. Het persoonlijk failliet duurt al jaren en zal pas door de curator voor opheffing worden voorgedragen indien de ontnemingsvordering vaststaat. Eventuele vorderingen op veroordeelde dienen in diens privé faillissement als concurrente vordering te worden aangemeld en toewijzing van de ontnemingsvordering zou leiden tot een niet toegestane promotie naar een "hogere rang", aldus de verdediging. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde 73 jaar oud en gepensioneerd is en dat hij onder psychische druk staat door de financiële verplichtingen.

10.2.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het te voorbarig is te veronderstellen dat veroordeelde op basis van zijn huidige en toekomstige draagkracht niet kan voldoen aan een toegekende ontnemingsvordering. Zodra het faillissement is afgewikkeld, is volgens de officier van justitie sprake van een nieuwe situatie.

10.3.1.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

10.3.2.

Op de voet van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering, komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid.

10.3.3.

Veroordeelde is 73 jaar oud en ontvangt een AOW-uitkering. Veroordeelde heeft momenteel geen inkomsten uit arbeid en de rechtbank acht het, gelet op de leeftijd van veroordeelde, ook niet aannemelijk dat hij in de toekomst nog substantiële inkomsten uit arbeid zal krijgen. Veroordeelde is zowel persoonlijk als zakelijk failliet verklaard. Uit de ontnemingsrapportage volgt dat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde beschikt over een substantieel vermogen.

10.3.4.

Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aanstonds duidelijk dat veroordeelde nu en in de toekomst niet de draagkracht zal hebben om het totale bedrag van € 83.060,97 aan de staat te betalen. Zij is echter van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde geen enkele draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben. Veroordeelde beschikt nog wel over enig inkomen en de rechtbank acht het, gelet op de leeftijd van veroordeelde, billijk dat in het kader van de terugbetaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel nog gedurende een periode van ongeveer tien jaren bedragen worden ingehouden op zijn AOW-uitkering en eventuele andere inkomsten. Daarom zal de rechtbank de betalingsverplichting niet op nihil stellen maar deze matigen tot een bedrag van € 20.000,00. Van een niet toegestane promotie van de ontnemingsvordering naar een "hogere rang", zoals door de verdediging is gesteld, is geen sprake omdat de staat wat het verhaal van de vordering betreft geen preferente positie inneemt.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 83.060,97.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 november 2015. De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

w.g.

Koelman

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Sikkema

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Van Emst

locatie Leeuwarden,

1 Het proces-verbaal van verhoor van veroordeelde, d.d. 30 januari 2012, map 7, pagina 2369 en 2370.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 3] , d.d. 17 april 2012, map 7, p. 2381 en 2382.

3 De brief van [naam 3] d.d. 28 augustus 2003, aangeduid als FB-17, map 7, p. 2396.

4 De brief van [naam 3] d.d. 5 september 2003, aangeduid als FB-18, map 7, p. 2397 en 2398.

5 Het proces-verbaal "relaas [adres 1] te [plaats ] ", map 7, p. 2351.

6 Het proces-verbaal van verhoor van veroordeelde, d.d. 15 februari 2012, map 7, p. 2375 en 2376.

7 Kredietadvies particulieren van de [Bank 1] d.d. 15 september 2003, map 7, p. 2399 en 2400.

8 Hypotheekakte d.d. 31 oktober 2003, map 7, p. 2445 tot en met 2448.

9 Nota van afrekening van [notariskantoor] d.d. 28 oktober 2003, map 7, p. 2418 en 2419.

10 Map 21, p. 7877 tot en met 7885.

11 Uit het overzicht blijkt dat in de desbetreffende periode in totaal een bedrag van € 32.090,14 aan rente is betaald. De rechtbank gaat er echter vanuit dat veroordeelde in die periode naast de hypotheekrente tevens een bedrag van (16 x € 166,67 =) € 2.666,72 aan rente heeft betaald over het overbruggingskrediet van € 50.000,00 (tegen 4% rente) en een bedrag van (€ 587,39 + € 230,08 + € 212,23 + € 222,59 + € 689,75 + € 590,57 + € 581,16 =) € 3.113,77 aan rente over het tekort op de privérekening.

12 Map 7, p. 2418 en 2419.

13 Factuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 10 augustus 2004 met nummer 2004-027, map 8, p. 2654.

14 Factuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 25 oktober 2004 met nummer 2004-032, map 8, p. 2665.

15 Factuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 25 oktober 2004 met nummer 2004-035, map 8, p. 2670.

16 Factuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 25 oktober 2004 met nummer 2004-034, map 8, p. 2696.

17 Factuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 26 januari 2005 met nummer 2005-101, map 8, p. 2720.

18 Aanvragen tot uitbetaling uit het depot bij de [Bank 2] d.d. 26 augustus 2004, 1 november 2004, 23 november 2004, 20 december 2004 en 14 februari 2005, map 8, respectievelijk p. 2655, 2666, 2672, 2697 en 2722.

19 De processen-verbaal van verhoor van veroordeelde, d.d. 27 januari 2012, map 7, p. 2559 tot en met 2561, en d.d. 28 januari 2012, map 7, p. 2563.

20 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] , d.d. 5 februari 2012, map 7, p. 2527, p. 2528 en p. 2531 tot en met 2534.

21 Overzicht van af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 2] , map 21, respectievelijk p. 7902, p. 7903, p. 7904, p. 7905 en p. 7908.

22 Creditfactuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 25 oktober 2004 met nummer 2004-036 en creditfactuur van [bedrijfsnaam 5] d.d. 27 juni 2005 met nummer 2005-116, map 8, respectievelijk p. 2825 en p. 2830.

23 Overzicht van af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 2] , map 21, p. 7901 tot en met 7909.

24 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , d.d. 28 januari 2012, map 7, p. 2570 en p. 2571.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , d.d. 22 februari 2012, map 7, p. 2589 tot en met 2593.

26 Facturen van [bedrijfsnaam 6] met de nummers 20040007, 20040009, 20040013, 20040014, 20040016 (aanmaning), 20040018 (aanmaning) en (nogmaals) 20040016, map 8, respectievelijk p. 2650, p. 2652, p. 2656, p. 2662, p. 2671, p. 2698 en p. 2703.

27 Aanvragen tot betaling uit het depot bij de [Bank 2] d.d. 12 juli 2004, 3 augustus 2004, 2 september 2004, 25 oktober 2004, 23 november 2004 en 11 januari 2005, map 8, respectievelijk p. 2651, p. 2653, p. 2657, p. 2664, 2672 en 2704.

28 Het proces-verbaal van verhoor van veroordeelde, d.d. 26 januari 2012, map 2, p. 596 en 597.

29 Het proces-verbaal van verhoor van veroordeelde, d.d. 27 januari 2012, map 7, p. 2557.

30 Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel betreffende [bedrijfsnaam 3] d.d. 16 augustus 2012, map 8, p. 2814 en 2815.

31 Uitdraai van de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijfsnaam 5] d.d. 16 augustus 2012, map 8, p. 2812 en 2813.

32 Voorblad van het overzicht van af- en bijschrijvingen van de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 5] bij de [Bank 1] met nummer [rekeningnummer 2] , map 21, 7897.

33 Map 21, p. 7681 tot en met 7687.

34 Map 8, p. 2906.

35 Map 8, p. 2907.