Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5053

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
4125740 \ CV EXPL 15-3587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijgende verjaring strook grond. Bewijsopdracht. Misbruik van bevoegdheid bij revindicatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 4125740 \ CV EXPL 15-3587

vonnis van de kantonrechter van 3 november 2015

in de zaak van

[eiser],

hierna te noemen: [eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. P. Keijzer,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

hierna te noemen: [gedaagden] ,

beiden wonende te [woonplaats gedaagden] ,

gedaagden,

gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand (eKanton).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 juli 2015,
- de ten behoeve van de comparitie ingediende producties aan de zijde van [eiser] (productie 6) en aan de zijde van [gedaagden] (producties 6 en 7),

- het proces-verbaal van de comparitie ter plaatse gehouden op 5 oktober 2015,

- de aan het proces-verbaal gehechte brief van mr. P. Keijzer van 16 oktober 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2.

[eiser] is eigenaar van de percelen kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] , gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats eiser] . [gedaagden] is eigenaar van de woning met ondergrond gelegen aan de [adres gedaagden] te [woonplaats gedaagden] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 3] . Het perceel van [eiser] , [kadastrale aanduiding 2] , grenst aan de westzijde van het perceel van [gedaagden] , [kadastrale aanduiding 3] . Het andere perceel van [eiser] , [kadastrale aanduiding 1] , grenst aan de zuidzijde van het perceel van [gedaagden] , [kadastrale aanduiding 4] . De percelen [kadastrale aanduiding 2] en [kadastrale aanduiding 3] zijn ontstaan door splitsing van het perceel [kadastrale aanduiding 5] .

2.3.

Over het perceel van [eiser] , [kadastrale aanduiding 1] , aan de zuidzijde van het perceel van [gedaagden] loopt een toegangsweg naar een achtergelegen perceel waar een bedrijfsruimte van [eiser] is. De toegangsweg wordt aan de zijde van het perceel van [gedaagden] begrenst door een stoeprand met daarachter een heg. De stoeprand en de heg lopen niet in een rechte lijn naar de [straatnaam] , maar vertonen een knik. Op de kadastrale tekening is deze knik niet ingetekend. De grens tussen beide percelen loopt volgens de kadastrale tekening in een rechte lijn, zoals is te zien op het uittreksel Kadastrale Kaart van 28 januari 2014:

[kadastrale kaart]

2.4.

Bij akte van 16 januari 2008 heeft [gedaagden] van de dochter van [eiser] de grond gekocht en het daarop destijds aanwezige huis. In de akte is dit als volgt beschreven:

"(…) verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt: Vrijstaand woonhuis met vrijstaande stenen schuur en onder- en bijgelegen grond plaatselijk bekend te [woonplaats gedaagden] aan de [adres gedaagden] , postcode [postcode gedaagden] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 5] gedeeltelijk, groot circa o hectare 9 are en 30 centiare (dient uitgemeten te worden door het kadaster) (…)"

Bij de koopakte is een uittreksel Kadastrale Kaart van het perceel van 20 februari 2007 gevoegd , waarop bijgeschreven is:
"De nieuwe erfafscheiding komt achter de vrijstaande stenen schuur en 19.70 m1 uit de achtergevel van de woning".
Op 2 april 2008 is de akte van levering bij de notaris gepasseerd.

2.5.

[gedaagden] heeft het huis vervolgens gesloopt en een nieuw huis op het perceel gebouwd.

2.6.

Op 21 oktober 2008 heeft een reconstructie van de westgrens door het kadaster plaatsgevonden in bijzijn van [gedaagden] en [eiser] , waarna [gedaagden] deze grens heeft "verklikt" door ter plaatse een ijzeren buis in de grond aan te brengen. [gedaagden] heeft aan de westzijde een heg geplaatst.

2.7.

[eiser] heeft het perceel [kadastrale aanduiding 2] gekocht van zijn dochter. Het perceel is aan hem geleverd op 6 december 2013.

2.8.

Medio 2010 heeft [gedaagden] een nieuwe heg aan de zuidzijde geplaatst. Aan de voorzijde van het huis, aan de [straatnaam] , heeft [gedaagden] een hek geplaatst dat aan beide zijden van zijn inrit is voorzien van een stenen paal, een poer.

2.9.

Op 8 april 2014 heeft een medewerker van het Kadaster op verzoek van en in aanwezigheid van [eiser] de grens tussen de percelen [kadastrale aanduiding 3] en [kadastrale aanduiding 1] en de grens tussen de percelen [kadastrale aanduiding 3] en [kadastrale aanduiding 2] opnieuw ingemeten. In het relaas van bevindingen is een schets opgenomen waarop een gereconstrueerde erfgrens en de stoeprand is aangegeven.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] stelt dat [gedaagden] aan de westzijde de kadaster (piket) paaltjes heeft verplaatst en de heg aan de westzijde ongeveer 30 centimeter heeft geplaatst op het perceel van [eiser] . Wat betreft de zuidgrens stelt hij dat de grens niet langs de heg loopt, maar in een rechte lijn vanaf de westgrens naar de [straatnaam] , waardoor de grens dichter naar de woning van [gedaagden] is gelegen. Volgens [eiser] is [gedaagden] daar bij de koop op gewezen. [gedaagden] heeft volgens [eiser] de heg aan de westzijde zonder zijn toestemming ongeveer 80 centimeter verplaatst en de grond tot aan de heg in bezit en gebruik genomen en een poer ten behoeve van zijn toegangshek op de grond van [eiser] geplaatst.

3.2.

[eiser] vordert - samengevat - :
(1) te verklaren voor recht dat de juridische (eigendoms)grenzen tussen perceel [kadastrale aanduiding 1] enerzijds en [kadastrale aanduiding 2] en [kadastrale aanduiding 1] anderzijds worden gevormd door de kadastrale grenzen zoals aangeduid op het relaas van bevindingen van 8 april 2014 van het Kadaster;

(2) [gedaagden] te gelasten om alle door of vanwege [gedaagden] in/op de aan eiser in eigendom toebehorende gronden aangebrachte beplanting en bebouwing te verwijderen en voorts elk gebruik c.q. bezit van die gronden te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van een dwangsom;

(3) [gedaagden] te veroordelen tot betaling aan hem van de gemaakte kadasterkosten van € 1.540,00, vermeerderd met de wettelijke rente;

(4) [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

[gedaagden] betwist allereerst de juistheid van de reconstructie van het Kadaster uit 2014 en wijst er daarbij op dat hij niet was uitgenodigd aanwezig te zijn bij de reconstructie. [gedaagden] betwist voorts dat hij over de erfgrens met [eiser] heen heeft gebouwd. Over de zuidgrens is volgens hem nooit enige discussie geweest; deze wordt afgescheiden door de heg. [gedaagden] betwist dat tijdens de verkoopprocedure over een wijkende erfgrens is gesproken. Mocht er al sprake zijn van een wijkende erfgrens, dan is de grond aan de zijde van de heg door verjaring bij het perceel van [gedaagden] gaan behoren. Volgens [gedaagden] is de nieuwe heg aan de zuidzijde op de exacte plaats van de oude heg geplaatst. [gedaagden] concludeert [eiser] niet ontvankelijk te verklaren of de vordering af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4 De beoordeling

De vordering onder (1)

4.1.

De kantonrechter stelt als onbetwist vast dat bij de reconstructie van de grens door het Kadaster op 8 april 2014, [gedaagden] niet was uitgenodigd en er ook niet bij aanwezig was. Nu [gedaagden] geen inspraak heeft gehad bij deze reconstructie kan niet zonder meer van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering moet [eiser] bewijzen dat deze reconstructie juist is. De vordering onder (1) kan alleen toegewezen worden als [eiser] dit bewijs levert. Dit kan hij doen door het Kadaster opnieuw te vragen een grensreconstructie te maken, waarbij dit keer ook [gedaagden] in de gelegenheid wordt gesteld aanwezig te zijn en opmerkingen te maken. De kantonrechter kan zich voorstellen dat het voor [eiser] pas opportuun is om het Kadaster een grensconstructie te laten maken na bewijslevering zoals hieronder ten aanzien van de vordering onder (2) zal worden bevolen. De kantonrechter zal daarom thans (nog) geen bewijsopdracht aan [eiser] geven.

De vordering onder (2)

4.2.

Bij de comparitie ter plaatse heeft [eiser] verklaard dat het geschil over de zuidgrens gaat. Ten aanzien van de erfafscheiding van de westgrens sluit [eiser] zich aan bij de buis die door [gedaagden] in de grond is aangebracht. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] niet langer stelt dat de heg aan de westzijde is geplaatst op zijn perceel.

4.3.

Wat betreft de zuidgrens overweegt de kantonrechter het volgende.

4.4.

De kantonrechter stelt op grond van de stellingen van partijen en hetgeen zij heeft waargenomen bij de comparitie ter plaatse vast dat de feitelijke situatie niet overeenkomt met de kadastrale grens. Zowel op het door [eiser] overgelegde uittreksel Kadastrale Kaart van 28 januari 2014 als het bij de koopakte van 16 januari 2008 gevoegde uittreksel Kadastrale Kaart van 20 februari 2007 loopt de grens namelijk in een rechte lijn van de westgrens naar de [straatnaam] , terwijl de heg die kennelijk als afscheiding van de beide grenzen dient (net als de daarnaast gelegen stoeprand) vijf meter voor de [straatnaam] een knik zuidwaarts heeft, ten gunste van [gedaagden] en ten laste van [eiser] . [eiser] heeft bij de comparitie ter plaatse gesteld dat de heg vroeger in één stuk doorliep en er geen knik in zat. Uit de stelling van [eiser] dat hij bij de aankoop van [gedaagden] van het perceel er op heeft gewezen dat de grens niet langs de heg loopt, maar in een rechte lijn vanaf de westgrens naar de [straatnaam] , leidt de kantonrechter af dat al voor de koop door [gedaagden] er een knik in de heg was. Wanneer de knik in de heg is aangebracht, is onduidelijk. Niet in geschil is dat [gedaagden] het voorste deel van de heg heeft vervangen en dat hij aan de voorzijde een poer heeft geplaatst. Partijen verschillen van mening of de vervangen heg en de poer op de oude plek van de heg zijn aangebracht. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, gaat de kantonrechter er vanuit dat het achterste deel van de heg - dat wil zeggen het westelijke deel voor de knik - door [gedaagden] niet is vervangen. Discussie over dat deel van de erfafscheiding bestaat er niet tussen partijen. Niet in geschil is voorts dat als dat deel van de heg in een rechte lijn wordt doorgetrokken naar de [straatnaam] en deze lijn als erfafscheiding wordt genomen, geconcludeerd moet worden dat een deel van de inrit van [gedaagden] en de poer op het perceel van [eiser] staan.

4.5.

[gedaagden] beroept zich op verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:105 Burgerlijk Wetboek (BW). Hieromtrent overweegt de kantonrechter het volgende. Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaren (artikel 3:306 BW). Deze verjaringstermijn tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). Gelet op het bepaalde in artikel 72 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, kan de verkrijgende verjaring niet eerder zijn voltooid dan op 1 januari 1993. Een vereiste voor verkrijgende verjaring is ondubbelzinnig bezit. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW) (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743).
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan [gedaagden] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat zijn beroep op verkrijgende verjaring slaagt.

4.6.

[gedaagden] stelt dat er sprake is van voltooide verjaring voordat hij het perceel kocht. Volgens hem heeft mevrouw [rechtsvoorgangster] , de rechtsvoorgangster van zowel [gedaagden] als de dochter van [eiser] het stuk grond in bezit genomen en is de situatie sindsdien ongewijzigd. Volgens [eiser] was er geen sprake van bezit omdat de rechtsvoorgangers van [gedaagden] de grond als houder in gebruik hadden. [gedaagden] wijst ter onderbouwing van zijn stelling onder meer op een schriftelijke verklaring van mevrouw [rechtsvoorgangster] van 26 juni 2014 waarin staat dat zij de Buxus haag, die als erfafscheiding dienst doet, medio 1950 heeft aangeplant en de erfgrens sinds 1950 ongewijzigd is. [eiser] betwist de juistheid van de door [gedaagden] overgelegde schriftelijke verklaring van [rechtsvoorgangster] en heeft een schriftelijke verklaring van mevrouw [rechtsvoorgangster] overgelegd van 16 juli 2015 waarin staat dat zij de verklaring van 26 juni 2014 niet heeft afgelegd en ook niet heeft ondertekend en wijst op een aantal onjuistheden. Volgens de verklaring van 16 juli 2015 is zij in 1959 aan de [adres gedaagden] komen wonen en is zij er sinds de verkoop in 1999 niet meer geweest zodat zij niet kan zeggen of de erfgrens ongewijzigd is.

4.7.

De kantonrechter overweegt dat als het juist is dat de heg in de jaren vijftig is geplant als erfafscheiding met de - naar buiten toe - kenbare bedoeling om de naastgelegen grond voor zichzelf te houden en de locatie van de heg sindsdien niet is gewijzigd, er sprake is van verkrijgende verjaring voordat [gedaagden] het perceel kocht. De plaatsing van de heg en het in gebruik nemen van de grond naast de heg kan naar het oordeel van de kantonrechter volgens de verkeersopvatting in beginsel worden aangemerkt als inbezitneming van de grond naast de heg, waarbij het bezit van de oorspronkelijke bezitter van deze grond is teniet gegaan. Dit is anders als de rechtsvoorgangers van [gedaagden] de grond hebben gebruikt met toestemming van de eigenaar van de grond om de grond voor de eigenaar te houden. In dat geval hielden zij de grond niet voor zichzelf en waren zij dus geen bezitters. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] , kan zonder bewijslevering door [gedaagden] thans niet worden aangenomen dat voor de koop van het perceel door [gedaagden] sprake was van twintig jaren bezit van de grond. De kantonrechter zal [gedaagden] daarom opdragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de heg is geplaatst als erfafscheiding met de kenbare bedoeling om de naastgelegen grond voor zichzelf te houden en feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de locatie van de heg meer dan twintig jaren voor de koop van het perceel door [gedaagden] op 16 januari 2008 niet is gewijzigd en dat de huidige heg en de poer op dezelfde locatie staan.

4.8.

Als [gedaagden] slaagt in de bewijsopdracht, gaat de rechtbank uit van verkrijgende verjaring van de grond naast de heg en kan de vordering onder (2) niet worden toegewezen.

4.9.

Als [gedaagden] niet slaagt in de bewijsopdracht, gaat het beroep op verkrijgende verjaring niet op en zal [gedaagden] in beginsel alle beplanting en bebouwing op het in geding zijnde strook grond moeten verwijderen. Daartoe behoort ook de poer.

4.10.

Ter comparitie heeft [gedaagden] gesteld dat [eiser] geen belang heeft bij de verwijdering van de beplanting en bebouwing en misbruik maakt van zijn eigendomsrecht. [eiser] heeft hierover opgemerkt dat zijn belang ligt in zijn eigendomsrecht en het feit dat vrachtwagens moeilijk de toegangsweg kunnen indraaien naar het bedrijf door de poer van [gedaagden] [gedaagden] betwist dat door de plaatsing van de poer het indraaien door vrachtwagens is bemoeilijkt.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3:13 BW degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen (vgl. HR 17 april 1970, NJ 1971/89). Afwijzing van de vordering tot verwijdering op grond van misbruik van recht laat overigens onverlet dat de eigenaar op wiens eigendomsrecht inbreuk is gemaakt, op grond van art. 6:162 BW vergoeding van schade kan vorderen en daarmee in bedoelde omstandigheden zal moeten volstaan (HR 15 november 2002, NJ 2003/48). Of in dit geval sprake is van misbruik van bevoegdheid, kan de kantonrechter op grond van de thans bekende feiten niet goed beoordelen. In het geval [gedaagden] niet slaagt in de bewijsopdracht, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich over deze vraag nader uit te laten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

draagt [gedaagden] op tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de heg is geplaatst als erfafscheiding met de kenbare bedoeling om de naastgelegen grond voor zichzelf te houden en feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de locatie van de heg meer dan twintig jaren voor de koop van het perceel door [gedaagden] op 16 januari 2008 niet is gewijzigd en dat de huidige heg en de poer op dezelfde locatie staan;

5.2.

bepaalt dat [gedaagden] zich op de rolzitting van 18 november 2015 schriftelijk kan uitlaten over de vraag hoe hij het bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, als [gedaagden] bewijs wil leveren met schriftelijke stukken, hij deze stukken op de hiervoor genoemde rolzitting moet overleggen;

5.4.

bepaalt dat [gedaagden] , als hij bewijs door getuigen wil leveren, de naam en woonplaats van de te horen getuigen moet opgeven met de verhinderdata voor een periode van 12 weken van hemzelf, zijn gemachtigde en de getuigen en zo mogelijk van de tegenpartij, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.

typ/conc: MS

coll: