Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:5036

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
C/17/144354 / KG ZA 15-261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

conservatoir derdenbeslag

strijd met art. 2:8 BW

handhaving beslag in volle omvang niet gerechtvaardigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/144354 / KG ZA 15-261

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.R. Kamminga te Oosterwolde,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 4] ,

allen gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in conventie,

gedaagde sub 1 tevens eiseres in reconventie,

advocaten mr. R.S. van der Spek en mr. P.E. van Eijk te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser] , [alle gedaagden] (alle gedaagden), [gedaagde 3] (gedaagde sub 3) en [gedaagde 1] (gedaagde sub 1, eiseres in reconventie) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 september 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 oktober 2015 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van eis in reconventie van 6 oktober 2015;

  • -

    de pleitnota's van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. Ter zitting van 6 oktober 2015 is meegedeeld dat op

9 oktober 2015 verkort vonnis zal worden gewezen en dat de uitwerking daarvan twee weken later zal volgen. Vonnis is gevolgd op 9 oktober 2015. Het onderstaande vormt de uitwerking van dat vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een witlofbedrijf met 60 tot 100 werknemers.

2.2.

[alle gedaagden] is een groentebedrijf met 250 tot 350 werknemers.

2.3.

[eiser] huurt van [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) een bedrijfsruimte, gelegen op het bedrijventerrein van [alle gedaagden] In de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW is opgenomen, voor zover van belang:

"(…)

Betalingen

18.1

De betaling van de huurprijs en van al hetgeen krachtens deze huurovereenkomst is verschuldigd, zal uiterlijk op de vervaldata in wettig Nederlands betaalmiddel - zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder heeft op meent te hebben - geschieden door storting dan wel overschrijving op een door verhuurder op te geven rekening. (…)."

2.4.

[gedaagde 3] (gedaagde sub 3) is voor 1/3e aandeelhouder en bestuurder van [eiser] . De overige aandeelhouders en bestuurders zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] , ook elk voor 1/3e.

2.5.

De heren [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ) zijn bestuurders van [gedaagde 3] . De vader van [A] , de heer [C] (hierna: [C] ), is enig aandeelhouder van [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is voorts enig aandeelhouder en bestuurder van de overige [C] vennootschappen (gedaagden sub 1, 2 en 4).

2.6.

De heer [D] (hierna: [D] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] en de heer [E] (hierna: [E] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 2]

2.7.

Op 27 januari 2012 zijn [eiser] en [gedaagde 1] een amendement op de tussen hen bestaande huurovereenkomst overeengekomen. Partijen hebben dit amendement neergelegd in een door partijen ondertekende onderhandse akte, inhoudende:

" TERUGKOOPVERKLARING

Tussen partijen: [eiser] BV en [gedaagde 1] BV inzake koelruimten.

[gedaagde 1] BV verklaart hierbij dat de koelruimten van [eiser] BV, geïnvesteerd in 2012, worden teruggekocht voor de koopprijs met een jaarlijkse inperking van 10% voor het eerst per 01-01-2013."

2.8.

[eiser] is lid van de coöperatie Coöperatieve Telersvereniging Best of Four te Barendrecht (hierna: Best of Four). [eiser] verkoopt en levert haar witlof exclusief aan Best of Four en Best of Four sluit afnameovereenkomsten met afnemers. Best of Four levert en factureert de klant. [eiser] ontvangt (bijna) al haar inkomsten via Best of Four.

2.9.

Bakker Barendrecht B.V. (ook wel Holland Crop B.V. genaamd) is een afnemer van de witlof van [eiser] . [C] is degene die de commerciële contacten met Bakker Barendrecht onderhoudt en daarvoor - conform tussen partijen gemaakte afspraken en via [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) - een provisie ontvangt.

2.10.

Op 31 oktober 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [E] , de heer

[G] van de Rabobank (de bancaire financier van [eiser] ) en de heer [H] van Bentacera (accountant van [eiser] ), naar aanleiding van het tegenvallende resultaat van de oogst over het seizoen 2013/2014. In een door [E] opgesteld verslag van deze bespreking staat vermeld, voor zover van belang:

" [E] (rb: [E] ) gaat nader in op de negatieve cijfers die na kw 3 zijn gepresenteerd, een tussentijds verlies van € 435.000. Een bedrag van € 200.000 wordt veroorzaakt doordat er in de voorafgaande kwartalen is gerapporteerd met inachtneming van een onjuiste (concept) leveringsovereenkomst tussen Best of Four en Holland Crop BV. De definitief getekende overeenkomst leidt tot een lagere opbrengst omdat dit contract anders is geredigeerd dan het in het bezit van [E] zijnde ongetekende contract. Wel geeft [E] aan dat er mogelijk nog een nabetaling over 2014. Een dergelijke nabetaling is echter afhankelijk van de gemiddelde marktprijs over 2014.

(…)

[G] (rb: [G] ) geeft aan dat de geconstateerde ontwikkelingen tot en met heden over het kalenderjaar 2014 niet het beloofde resultaat geven zoals dat bij de financieringsaanvraag Oogstfinanciering 2013/2014 ook al is gepresenteerd. (…) [G] geeft aan dat er ten aanzien van de oogstfinanciering een aantal varianten zijn, te weten:

- de bank financiert niks gezien de huidige status van [eiser] welke technisch failliet zou kunnen worden genoemd;

(..)

-de Rabobank is mogelijk bereid te financieren indien er door [eiser] en haar aandeelhouders aan de volgende eisen wordt voldaan, te weten:

1. De aandeelhouders zetten ieder voor een bedrag van € 400.000 (rb: toevoeging [C] : € 500.000) aan (oude) vorderingen crediteurenposities om in agio (eigen vermogen [eiser] );

(…)

3. Er komt een gezamenlijke uitspraak van de drie aandeelhouders ten aanzien van het investeringsplan voor de komende jaren;

(…)

9. De bank eist commitment van de drie aandeelhouders-natuurlijke personen in de vorm van een persoonlijke, aflopende borgstelling jegens [eiser] (rb: toevoeging [C] : 2 x 100.000,-)

(…)."

2.11.

[A] heeft in 2014 een investeringsplan voor [eiser] opgesteld. Op basis van dit plan heeft [eiser] in de periode van 1 juli 2014 tot 1 augustus 2015 onder meer geïnvesteerd in onderhoud van de gebouwen, in een nieuwe opzet en oogstlijnen, nieuwe luchtkleppen en temperatuurvoelers, et cetera. Deze investeringen zijn deels door [E] en [D] betaald via hun vennootschappen.

2.12.

Begin maart 2015 heeft [C] aangegeven dat er geen nabetaling over 2014 zou volgen. Bij brief van 6 maart 2015 hebben de aandeelhouders [E] en [D] (namens hun vennootschappen) aan [gedaagde 3] geschreven, voor zover van belang:

"(…)

Wij hebben in gezamenlijk overleg met u besloten dat wij de heer [I] de leiding geven over ons bedrijf (…). Met dhr. [I] is afgesproken dat hij het belang van [eiser] voorop zal stellen. Helaas moeten wij constateren dat u constant probeert uw eigen belang boven dat van [eiser] te stellen.

(…)

Daarnaast eisen wij als aandeelhouders met een gezamenlijk aandelenbelang van 66 2/3 % dat dhr. [I] bij het overleg over de witlofprijs 2014, 2015 en 2016 met Bakker Barendrecht / B.O.F.(rb: Best of Four) op 10 maart wordt toegelaten als vertegenwoordiger van [eiser]

(…)

Indien u hier niet mee akkoord gaat, kan er geen prijsafspraak voor de verkoop over 2015 worden gemaakt en zijn wij als [eiser] niet gehouden aan de afspraken die door u alleen worden gemaakt.

(…)

Daarnaast hoort een 2e aandeelhouder mee te tekenen voor akkoord.

(…)."

2.13.

In de niet vastgestelde jaarrekening 2014 van [eiser] staat vermeld dat het geconsolideerde resultaat na belastingen over 2014 negatief € 975.000,00 bedraagt.

2.14.

Om de tussen de aandeelhouders van [eiser] bestaande meningsverschillen op te lossen hebben [D] en [B] (namens [gedaagde 3] ) gesprekken gevoerd onder leiding van een advocaat (die [E] vertegenwoordigt). Naar aanleiding van die gesprekken is een aantal concepten van vaststellingsovereenkomsten gemaakt. In één van die concepten staat vermeld, voor zover van belang:

"(…)

8. Vorderingen van aandeelhouders

Na ondertekening van deze overeenkomst zal een overzicht van vorderingen op [eiser] BV van de aandeelhouders aan deze overeenkomst worden gehecht. Indien [eiser] BV op een gegeven moment weer winst maakt, zullen de vorderingen van de aandeelhouders worden ingelost. (…)."

Voorts staat in voornoemd concept vermeld dat aandeelhouder [gedaagde 3] wordt vertegenwoordigd door [C]

2.15.

Bij e-mailbericht van 26 juni 2015, heeft [B] aan [G] van de Rabobank geschreven, voor zover van belang:

"(…)

Wij zijn intussen bij versie 7, hierover hebben wij een akkoord als [E] (rb: [E] ) ook akkoord gaat. Dit voorstel komt dan straks nog jou kant uit. (…)."

2.16.

In reactie daarop heeft [G] bij e-mailbericht van 28 juni 2015 geschreven, voor zover van belang:

"Ik heb de bijlage inmiddels ter kennis genomen, goed te vernemen dat de aandeelhouders tot overeenstemming zijn gekomen. Niettemin lees ik ook dat de oplossing deels toch ook bij de bank wordt gezocht. Laat duidelijk zijn dat er nu, en zeker op zo'n korte termijn gewoon geen ruimte is om de inperkingen op te schorten. (..)."

2.17.

Na 28 juni 2015 heeft [B] kenbaar gemaakt dat [C] niet akkoord is gegaan met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

2.18.

Bij e-mailbericht van 1 juli 2015 heeft [B] aan [E] en [D] geschreven, voor zover van belang:

"(..)

Net gesprek gehad met de Rabobank om op korte termijn tot een oplossing te komen inzake de liquiditeit van [eiser] , de strekking komt hier op neer dat wij dit zelf moeten oplossen en de Rabobank in eerste instantie niets richting [eiser] doet. Het komt er dus op neer dat wij op onze eigen bedrijven extra kredietruimte moeten vragen om dit in [eiser] te steken. (…)

(…)

De vaststellingsovereenkomst is niet een reden voor de bank om meer kredietfaciliteit beschikbaar te stellen."

2.19.

Bij e-mailbericht van 24 juli 2015 heeft [B] aan [E] geschreven, voor zover van belang:

" [E] (rb: [E] ),

Waarom heb jij betalingen gedaan zonder overleg te hebben. (…) Alle betalingen zouden in overleg gebeuren en na goedkeuring door ons pas betaald worden. (…)."

2.20.

[E] heeft op 24 juli 2015 in reactie daarop geschreven, voor zover van belang:

"Er viel weinig te overleggen de betalingen die ik heb gedaan waren nodig, het waren de lonen en betalingen aan uitzendbureaus en bedrijven waar lopende afspraken mee zijn gemaakt. (…)."

2.21.

Nadien heeft [B] bij e-mailbericht van dezelfde datum nogmaals herhaald dat er volgens hem een afspraak ligt dat [C] de betaling moet goedkeuren. [E] heeft dezelfde dag in zijn e-mail aan [B] geschreven:

"Ja jammer dat ik me nergens mee mag bemoeien, we mogen wel geld in het bedrijf storten, maar verder moeten we zeker alles maar aan jou overlaten. Volgens mij is er niks getekend en in de overeenkomst staat ook dat zo lang er niks is getekend alles bij het oude blijft. Ook heb je tegen anne (rb: [D] ) gezegd dat er niks wordt getekend. Eerst maar even op vakantie hille (rb: [B] ). moeten we dan maar met elkaar om tafel, want volgens mij willen allebei toch graag dat [eiser] bv blijft bestaan."

2.22.

Bij e-mailbericht van 24 augustus 2015 heeft [E] aan (onder meer) [B] en [C] geschreven, voor zover van belang:

"(…)

Ik heb hierbij de ontwikkelingen van het laatste jaar op papier gezet. dit is zoals anne (rb: [D] ) en ik het de laatste tijd hebben ervaren. Ook de constante praatjes dat wij er een bende van hebben gemaakt en dat willem (rb. [C] ) beslist niet met ons verder wil, heeft mij veel pijn gedaan. Dit omdat ik de toekomst van mijn eigen bedrijf grotendeels op het spel heb gezet om [eiser] bv te redden. We hebben een investeerder gevonden die de pennen van dit jaar wil betalen en ook voor volgend jaar de pennen zeker kan stellen. Ik hoop dat wij er toch met zijn allen nog uit kunnen komen. (…)."

In de bij dit e-mailbericht gevoegde bijlage, gedateerd 24 augustus 2015, staat vermeld, voor zover van belang:

"(…)

Maar zoals wij als aandeelhouders vanaf maart 2015 met elkaar om zijn gegaan hebben wij helaas geen vertrouwen meer in [C] die de belangen van [eiser] BV zou moeten behartigen. Dit omdat er voor hem vaak andere belangen spelen. (…) Vandaar dat we de handel, het verpakken en de afzet rechtstreeks vanuit [eiser] BV willen uitvoeren. (…)."

2.23.

In reactie op voornoemd bericht heeft [gedaagde 3] bij brief van 26 augustus 2015 aan [eiser] , ter attentie van [D] en [E] geschreven, voor zover van belang:

"(…)

Wij kunnen ons met deze gang van zaken in het geheel niet verenigen. U gaat gezamenlijk al voortdurend geheel uw eigen weg met [eiser] , zonder rekening te houden met de zeggenschapsrechten van [gedaagde 3] U poneert nu een volstrekt niet uitgewerkt plan met een niet nader genoemde investeerder, welk plan u stelt door [eiser] te laten uitvoeren, indien er geen goede langdurige afspraken zouden kunnen worden gemaakt over de levering en verkoop van witlof. Wij zouden daar maar in mee moeten gaan. En dat dus onder de toevoeging dat u geen vertrouwen meer in ons heeft en met name niet in [C] . Wij kunnen daar niet mee instemmen. (…)."

2.24.

[alle gedaagden] heeft de voorzieningenrechter van Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, vervolgens verzocht om, ter verzekering van een viertal vorderingen op [eiser] , ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag onder de coöperatie Best of Four te mogen leggen. Het gaat om:

- een vordering van [gedaagde 1] , voorlopig begroot op € 326.744,00 in totaal uit hoofde van onbetaald gelaten huurpenningen, verzekeringspremies en andere kosten,

- een vordering van [gedaagde 2] , voorlopig begroot op € 189.456,00 in totaal uit hoofde van onbetaald gelaten bemiddelingskosten voor de verkoop van witlof en vergoeding van andere kosten,

- een vordering van [gedaagde 3] , voorlopig begroot op € 62.712,00 in totaal uit hoofde van onbetaald gelaten rente over een geldlening inzake 2013 en 2014, en

- een vordering van [gedaagde 4] , voorlopig begroot op € 34.303,00 in totaal uit hoofde van een onbetaald gelaten vergoeding van witlofkaartjes en andere productie gerelateerde kosten.

2.25.

Bij beschikking van 17 september 2015 heeft de voorzieningenrechter dit verlof verleend en [alle gedaagden] heeft de volgende dag conservatoir derdenbeslag gelegd onder de coöperatie Best of Four. De over-betekening aan [eiser] heeft op 24 september 2015 plaatsgevonden.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het door [alle gedaagden] gelegde beslag onder de coöperatie Coöperatieve Telersvereniging Best of Four U.A. te Barendrecht opheft,

2. [alle gedaagden] verbiedt ter zake van haar vorderingen opnieuw beslag te leggen, op straffe van verbeurte van een hierna te noemen dwangsom,

3. [gedaagde 3] veroordeelt om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het vastleggen van de tussen partijen bereikte overeenstemming althans dat de voorzieningenrechter [gedaagde 3] veroordeelt met de andere bestuurders/aandeelhouders van [eiser] de onderhandelingen over de uitwerking van de gemaakte afspraken met de andere bestuurders/aandeelhouders te voeren, althans dat de voorzieningenrechter [gedaagde 3] veroordeelt verder te onderhandelen teneinde finale overeenstemming te bereiken, overeenstemming te bereiken gericht op de continuïteit van de onderneming en deze onderhandelingen te goeder trouw voort te zetten op basis van de (laatste versie) van de vaststellingsovereenkomst die door O. van Oorschot is opgesteld, op straffe van verbeurte van een hierna te noemen dwangsom,

4. bepaalt dat [alle gedaagden] voor iedere dag dat zij in strijd handelen met de veroordeling onder 2. en [gedaagde 3] met de veroordeling onder 3., een dwangsom verbeuren van € 50.000,00 tot een maximum van € 1.000.000,00,

5. Hartmans c.s. in de proces- en nakosten veroordeelt.

3.2.

[alle gedaagden] voert verweer.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde 1] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiser] veroordeelt tot ontruiming van de onroerende zaak, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] onder overhandiging van alle sleutels en met veroordeling van [eiser] in de kosten van ontruiming indien [eiser] daarmee in gebreke blijft en dientengevolge de gerechtsdeurwaarder tot een gedwongen ontruiming overgaat, welke kosten nader door de gerechtsdeurwaarder dienen te worden gespecificeerd en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na ontvangst van de specificatie,

2. [eiser] in de proces- en nakosten veroordeelt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

4.2.

[eiser] voert verweer.

5 De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan in conventie

5.1.

Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of het door [alle gedaagden] ten laste van [eiser] gelegde conservatoir derdenbeslag onder de coöperatie Best of Four moet worden opgeheven.

5.2.

De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling voorop dat opheffing van een conservatoir beslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv onder meer wordt bevolen indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a.

HR 14 juni 1996, NJ 1997, 481, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 en HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074) ligt het in het voorliggende geval op de weg van [eiser] om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat het voortduren van het beslag niet kan worden gerechtvaardigd. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag (vgl. HR 25 november 2005, NJ 2006, 148). Voorts geldt voor een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag dat deze te allen tijde kan worden ingediend. Daarvoor is geen spoedeisend belang vereist.

5.3.

[eiser] stelt in de eerste plaats dat de vorderingen die [alle gedaagden] op haar stelt te hebben summierlijk ondeugdelijk zijn, omdat er tussen de aandeelhouders van [eiser] omstreeks 26 juni 2015 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan de vorderingen van de (indirect) aandeelhouders pas opeisbaar zijn op het moment dat er sprake is van winstverdeling en daarvan is nog geen sprake. Onder verwijzing naar het e-mailbericht van [B] van 26 juni 2015 (zie rechtsoverweging 2.15.) stelt [eiser] dat de aandeelhouders overeenstemming hebben bereikt. Ook in het e-mailbericht van 1 juli 2015 (zie rechtsoverweging 2.18.) erkent [B] volgens [eiser] dat er een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Verder stelt [eiser] - subsidiair - dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een overeenkomst tot stand was gekomen en dat de onderhandelingen in een zo ver gevorderd stadium waren dat partijen de onderhandelingen niet meer konden afbreken. Om die reden vordert [eiser] naast opheffing van het beslag een veroordeling van [gedaagde 3] om medewerking te verlenen aan het vastleggen van de tussen partijen bereikte overeenstemming, althans om [gedaagde 3] te veroordelen om - kort gezegd - verder te onderhandelen.

5.4.

[alle gedaagden] betwist dat er een vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen omdat [C] niet heeft ingestemd met de overeenkomst. De e-mail van [B] van 26 juni 2015 waarnaar [eiser] verwijst was bedoeld om rust te creëren bij de bank. [alle gedaagden] voert verder aan dat de bank niet heeft ingestemd met de in de concept vaststellingsovereenkomst opgenomen financiering van [eiser] , zodat het ook om die reden niet uitmaakt of [C] en [E] met het concept zouden instemmen. Ook blijkt volgens [alle gedaagden] uit de mail van [E] van 24 juli 2015 (zie rechtsoverweging 2.21.) dat er volgens [E] zelf evenmin sprake is van een overeenkomst. [alle gedaagden] betwist voorts dat [eiser] er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een overeenkomst tot stand was gekomen en dat er voor haar een verplichting bestaat om verder te onderhandelen.

5.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Onweersproken is door [alle gedaagden] tot haar verweer aangevoerd dat voor de totstandkoming van een overeenkomst tussen de aandeelhouders van [eiser] , instemming van [C] was vereist namens aandeelhouder [gedaagde 3] , zodat de voorzieningenrechter van de juistheid van dit verweer uitgaat. De voorzieningenrechter overweegt verder dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en een aanvaarding daarvan. Het aanbod (in de vorm van de vorm van een concept-vaststellingsovereenkomst) en de aanvaarding (door met name [E] en [C] ) kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden en kunnen ook besloten liggen in gedragingen. Vast staat dat geen van partijen (een concept van) de vaststellingsovereenkomst heeft getekend, zodat - gelet op de stelling van [eiser] dat [E] akkoord is gegaan - te beoordelen staat of [C] op andere wijze heeft ingestemd met de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. [eiser] baseert de door haar gestelde overeenstemming tussen partijen met name op de e-mailberichten van [B] van 26 juni en 1 juli 2015. Het e-mailbericht van 26 juni 2015 betreft een bericht van [B] aan de Rabobank om - zoals onweersproken is aangevoerd - rust bij de bank te creëren en kan daarom niet zonder meer als een instemming van [C] met een door [eiser] gedaan aanbod worden opgevat. In dit verband is tussen partijen ook in geschil over welke variant van de concept-vaststellingsovereenkomsten overeenstemming zou zijn bereikt, zodat de voorzieningenrechter de inhoud van het e-mailbericht van 26 juni 2015 onvoldoende acht om voorshands tot overeenstemming over een vaststellingsovereenkomst te kunnen concluderen. Voor wat betreft het e-mailbericht van 1 juli 2015 is de voorzieningenrechter van oordeel dat - zonder nadere toelichting die [eiser] niet heeft gegeven - uit dit bericht niet kan worden afgeleid dat [C] met de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst heeft ingestemd. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het e-mailbericht van [E] aan [B] van 24 juli 2015 (zie rechtsoverweging 2.21.) kan worden afgeleid dat [E] er zelf ook niet vanuit ging dat er overeenstemming was bereikt. Concrete feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [eiser] er niettemin gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat er tussen de aandeelhouders/bestuurders van [eiser] een vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen zijn de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, zodat de voorzieningenrechter de gevorderde vastlegging van de tussen partijen bereikte overeenstemming evenmin toewijsbaar acht. Ook is niet komen vast te staan dat de vorderingen van [alle gedaagden] in zoverre niet opeisbaar zijn.

5.6.

Rest de vraag of [gedaagde 3] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door de onderhandelingen af te breken. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Blijkens de feiten, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.19. tot en met 2.23., is ieder van partijen haar eigen gang gegaan en heeft geen der partijen zich op een zodanige wijze gedragen dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat partijen zich in een vergaand stadium van onderhandeling bevonden. Uit de verklaringen van [E] en [D] bij e-mailbericht en brief van 26 augustus 2015 kan worden afgeleid dat zij geen vertrouwen hebben in [C] en dat zij de handel, het verpakken en de afzet voortaan zelf - zonder [C] - willen gaan voeren, hetgeen niet valt te rijmen met de stelling van [eiser] dat partijen nog in onderhandeling waren. Gelet op het voorgaande, op het feit dat [eiser] niet nader heeft onderbouwd op welk moment naar haar mening de onderhandelingen in een zodanig ver stadium waren gekomen dat een terugtrekking uit die onderhandelingen onrechtmatig zou zijn en de voorzieningenrechter ook overigens niet is gebleken dat de onderhandelingen dat stadium op enig moment hebben bereikt, valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien dat [gedaagde 3] de onderhandelingen niet gerechtvaardigd heeft mogen afbreken en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. De voorzieningenrechter acht de gevorderde veroordeling om - kort gezegd - verder te onderhandelen daarom niet toewijsbaar.

5.7.

[eiser] is verder - samengevat - van mening dat de vorderingen van [alle gedaagden] summierlijk ondeugdelijk zijn, omdat [eiser] vorderingen op [alle gedaagden] heeft die [eiser] met de vorderingen van [alle gedaagden] wenst te verrekenen. Daartoe stelt [eiser] - kort gezegd - dat zij uit hoofde van de tussen haar en [gedaagde 4] overeengekomen terugkoopverklaring inzake koelruimten en uit hoofde van door haar gepleegd onderhoud in het pand, een vordering op [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) heeft van € 694.482,00. Voorts stelt [eiser] dat zij nog een vordering op [gedaagde 1] heeft groot

€ 15.125,00 en een vordering op [gedaagde 4] (gedaagde sub 4) groot € 59.940,56. Ten aanzien van de door [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) gevorderde bemiddelingskosten beroept [eiser] zich op dwaling en wenst zij de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, omdat [C] [eiser] onkundig heeft gelaten over de onder de kostprijs overeengekomen witlofprijs. Ook betwist [eiser] de opeisbaarheid van de door [gedaagde 3] (gedaagde sub 3) gevorderde rente omdat de betreffende geldlening aan de bank is verpand en is achtergesteld bij alle huidige en toekomstige vorderingen van de bank op de debiteur. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de bank mag geen betaling van aflossing en rente plaatsvinden.

5.8.

[alle gedaagden] betwist - kort gezegd - het door [eiser] gedane beroep op verrekening, behoudens voor wat betreft de vordering op [gedaagde 1] van

€ 15.125,00. Verrekening van dit bedrag leidt echter niet tot ondeugdelijkheid van de totale vordering van ongeveer drie ton. In dit verband betwist [alle gedaagden] dat [eiser] een vordering op [gedaagde 1] zou hebben groot € 694.482,00. Nog daargelaten dat verrekening van een vordering met de openstaande huurschuld formeel is uitgesloten en van een ingebrekestelling geen sprake is geweest, heeft [eiser] volgens [alle gedaagden] ook geen vordering op [gedaagde 1] uit hoofde van de terugkoopverklaring. Volgens [alle gedaagden] is Best of Four eigenaar van de koelcellen dan wel [C] (door natrekking), maar in ieder geval niet [eiser] . Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst met [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) heeft [eiser] volgens [alle gedaagden] onvoldoende gesteld en [alle gedaagden] betwist voorts dat de door [gedaagde 3] (gedaagde sub 3) gevorderde rente niet opeisbaar zou zijn. De in dit verband door [eiser] overgelegde - niet ondertekende - akte van geldlening en de daarin genoemde voorwaarde van schriftelijke toestemming van de bank is volgens [alle gedaagden] niet de overeenkomst van geldlening zoals die met [eiser] is gesloten. [alle gedaagden] voert ten slotte verweer tegen de vordering van € 59.940,56 die [eiser] op [gedaagde 4] (gedaagde sub 4) stelt te hebben. Volgens [alle gedaagden] blijkt uit de in dit verband door [eiser] overgelegde facturen dat [eiser] een vordering op Best of Four heeft, maar niet op [gedaagde 4] , zodat verrekening niet mogelijk is.

5.9.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Vordering [gedaagde 1]

Hoewel uit de tekst van de door [eiser] en [gedaagde 1] ondertekende terugkoopverklaring - zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.7. - in beginsel kan worden afgeleid dat de koelruimten door [gedaagde 1] van [eiser] worden teruggekocht (en niet van Best of Four), zodat [eiser] een mogelijke vordering op [gedaagde 1] zou kunnen hebben, is door [alle gedaagden] voorts onweersproken tot haar verweer aangevoerd dat verrekening van een vordering van [eiser] met de (niet betwiste) openstaande huurschuld in de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden is uitgesloten en voorts dat zij niet in gebreke is gesteld ter zake van een eventuele - door [alle gedaagden] betwiste - vordering van [eiser] uit hoofde van de terugkoopverklaring. Bovendien heeft [gedaagde 1] de omvang van de gestelde vordering betwist. Het voorgaande brengt met zich dat, zelfs indien de betreffende algemene voorwaarde wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing zou moeten worden gelaten, [alle gedaagden] de (opeisbaarheid van) de vordering gemotiveerd heeft betwist, zodat de gegrondheid van het door [eiser] gedane beroep op verrekening alsmede de omvang van de vordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de voorzieningenrechter dit beroep reeds om die reden niet kan honoreren. Ook de erkenning van [gedaagde 1] van de vordering van [eiser] van € 15.125,00 (welke in eerst instantie in mindering komt op de rente en kosten) leidt niet tot het oordeel dat de door [gedaagde 4] gevorderde en niet betwiste openstaande huurschuld ad € 251.342,03 (te vermeerderen met rente en overige kosten) summierlijk ondeugdelijk is.

Vordering [gedaagde 2]

5.10.

Daargelaten of [eiser] ter zitting gerechtvaardigd buitengerechtelijk de ontbinding van de tussen haar en [gedaagde 2] bestaande overeenkomst heeft ingeroepen

- dit wordt betwist - doet een eventuele ontbinding, zonder nadere onderbouwing, die evenwel ontbreekt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan de reeds door [gedaagde 2] verrichte en gefactureerde werkzaamheden, zodat niet aannemelijk is geworden dat de vordering van [gedaagde 2] op [eiser] van € 145.736,07 (te vermeerderen met rente en overige kosten) summierlijk ondeugdelijk is. Het verweer ten aanzien van het bestaan van de vordering als zodanig zal de voorzieningenrechter dan ook verwerpen.

Vordering [gedaagde 3]

5.11.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] de opeisbaarheid van de door [gedaagde 3] gevorderde rente uit hoofde van een overeenkomst van geldlening gemotiveerd heeft weersproken. [gedaagde 3] betwist weliswaar dat er een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen op de wijze zoals vermeld in de door [eiser] overgelegde akte van geldlening, maar [gedaagde 3] heeft evenmin een getekende overeenkomst van geldlening overgelegd waaruit blijkt dat de door haar gevorderde rente thans opeisbaar is. Ter zitting is voorts door [gedaagde 3] erkend dat de lening aan de bank is verpand en als zodanig is achtergesteld bij de overige vorderingen van de bank. Dat de rente niettemin opeisbaar zou zijn (en niet zou zijn achtergesteld), is onvoldoende onderbouwd door [gedaagde 3] . De omstandigheid dat de accountant de thans gevorderde rente op de balans heeft "geactiveerd" acht de voorzieningenrechter daartoe onvoldoende, alsmede dat kennelijk eenmalig de rente is betaald. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde 3] een opeisbare vordering van € 48.240,00 (te vermeerderen met rente en overige kosten) op [eiser] heeft, zodat in zoverre summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van deze vordering.

Vordering [gedaagde 4]

5.12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in dit verband door [eiser] gedane beroep op verrekening van de niet betwiste vordering van [gedaagde 4] van

€ 26.387,49 (te vermeerderen met rente en overige kosten) met de door [eiser] gestelde vordering op [gedaagde 4] groot € 59.940,56, niet kan slagen, omdat niet gebleken is dat [eiser] een rechtstreekse vordering op [gedaagde 4] heeft. Van een summierlijk ondeugdelijke vordering van [gedaagde 4] is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken.

5.13.

Het voorgaande brengt met zich dat de ondeugdelijkheid van de vorderingen van [alle gedaagden] - met uitzondering van de vordering van [gedaagde 3] - niet aannemelijk is geworden. Het antwoord op de vraag of die omstandigheid reeds met zich brengt dat het ter verzekering van de vorderingen van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] gelegde beslag moet worden gehandhaafd en het ter verzekering van de vordering van [gedaagde 3] gelegde beslag dient te worden opgeheven, kan (zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 5.2.) niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen.

5.14.

[eiser] heeft zich in dat verband - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat [alle gedaagden] geen gerechtvaardigd belang heeft bij beslaglegging onder Best of Four, onder meer gelet op de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] uit hoofde van de terugkoopverklaring, en gelet op de onevenredig zware wijze waarop [eiser] door het beslag wordt getroffen. [eiser] is voor haar bedrijfsvoering afhankelijk van de betalingen van Best of Four en door het onder Best of Four gelegde conservatoir beslag staat [eiser] feitelijk op slot. In dit verband stelt [eiser] voorts dat zij er - gelet op de gedane investeringen en financiële injecties - alles aan heeft gedaan om [eiser] toekomst klaar te maken, maar dat één van de aandeelhouders door de beslaglegging kennelijk het faillissement van [eiser] wenst te bewerkstelligen, ondanks dat van een technisch faillissement geen sprake is. Deze handelwijze van [alle gedaagden] is volgens [eiser] in strijd met artikel 2:8 BW en levert ook overigens misbruik van bevoegdheid op.

5.15.

[alle gedaagden] heeft - samengevat - tot haar verweer aangevoerd dat zij, naast het feit dat [gedaagde 3] aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is, ook verhuurder en crediteur van [eiser] is. Gelet daarop, alsmede op het feit dat de aandeelhouders van [eiser] niet op één lijn zitten en op het feit dat [eiser] weigert de opeisbare vorderingen van [alle gedaagden] te voldoen, heeft [alle gedaagden] belang bij het effectueren van haar rechten als verhuurder en crediteur. In dit verband voert [eiser] voorts aan dat vorderingen van andere crediteuren gewoon betaald worden door [eiser] , terwijl bijvoorbeeld de huurpenningen van [gedaagde 1] al meer dan een jaar niet zijn voldaan. Van het lam leggen van [eiser] is volgens [alle gedaagden] geen sprake. [alle gedaagden] heeft een bedrag van € 30.000,00 uit het beslag laten "vrij maken", zodat [eiser] de salarissen van de werknemers kon betalen en voorts heeft [alle gedaagden] toegestaan dat een bedrag van € 97.000,00 aan de Rabobank als pandhouder op de vordering is voldaan. Verder voert [alle gedaagden] aan dat het conservatoir beslag zich alleen kan richten op beslag onder Best of Four, omdat [eiser] verder geen (zichtbaar) verhaal biedt. [alle gedaagden] is dan ook van mening dat haar belang bij handhaving van de beslagen zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij opheffing. Van misbruik van recht is volgens [alle gedaagden] geen sprake.

5.16.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] omvangrijke vorderingen op [eiser] hebben en dat verhaal slechts mogelijk lijkt door beslaglegging onder Best of Four, omdat dit het enige verhaalbestand lijkt te zijn met substantiële waarde. Het leggen van conservatoir derdenbeslag onder Best of Four ter verzekering van verhaal van voornoemde vorderingen is daarom in beginsel gerechtvaardigd.

5.17.

Zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 5.9. is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat uit de tekst van de terugkoopverklaring kan worden afgeleid dat er een (terug)koopovereenkomst bestaat tussen [eiser] en [gedaagde 1] . Voor zover [alle gedaagden] in dit verband tot haar verweer heeft aangevoerd dat deze verklaring buiten beschouwing moet worden gelaten gelet op het late moment waarop het stuk is ingebracht, ziet de voorzieningenrechter daartoe geen aanleiding. [C] heeft de terugkoopverklaring namens [gedaagde 1] getekend, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [alle gedaagden] dit stuk kent, althans behoort te kennen. Ter zitting is voorts onweersproken door [eiser] gesteld dat zij de facturen voor de geleverde en gemonteerde (en gedeeltelijk door Best of Four gesubsidieerde) koelruimten heeft betaald. De door [eiser] verrichte betalingen zijn gedeeltelijk uit eigen middelen gefinancierd en gedeeltelijk door het afsluiten van een lening bij de Rabobank (waarvoor [C] zich op verzoek van de Rabobank garant heeft gesteld). Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat [eiser] een (substantiële) vordering op [gedaagde 1] heeft, met als gevolg dat niet uit te sluiten valt dat [eiser] en [gedaagde 1] over en weer vorderingen op elkaar hebben.

5.18.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat het onder Best of Four gelegde conservatoir derdenbeslag in de voorliggende situatie ingrijpende gevolgen met zich brengt voor de bedrijfsvoering van [eiser] . De geldstroom die [eiser] via Best of Four ontvangt is (in beginsel) de enige inkomstenbron van [eiser] , zodat beslaglegging onder Best of Four de facto stopzetting van de bedrijfsvoering van [eiser] betekent. Deze feitelijke stopzetting van de bedrijfsvoering van [eiser] wordt veroorzaakt door aandeelhouder en bestuurder [gedaagde 3] , tevens aandeelhouder en bestuurder van de overige [alle gedaagden] vennootschappen. Deze handelwijze staat haaks op het uitgangspunt dat van een bestuurder van een vennootschap (in casu [C] ) mag worden verwacht dat hij in het belang van de vennootschap handelt. Het volledig frustreren van de continuïteit van de onderneming [eiser] door één van de aandeelhouders/bestuurders door het leggen van een beslag met een zodanige hoogte dat daardoor de hele bedrijfsvoering lam komt te liggen, acht de voorzieningenrechter daarom voorshands in strijd met de redelijkheid en billijkheid conform het bepaalde in artikel 2:8 BW, mede gelet op de in 2014 en 2015 door [eiser] gedane investeringen om de onderneming toekomst klaar te maken en de mogelijkheid dat [eiser] nog een substantiële vordering op [alle gedaagden] heeft uit hoofde van de koelinstallaties. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter voorts dat uit de overgelegde financiële gegevens weliswaar kan worden afgeleid dat [eiser] in 2014 en 2015 verlieslijdend is geweest, maar van een technisch faillissement is in het kader van het onderhavige kort geding niet gebleken.

5.19.

Een en ander afwegende, acht de voorzieningenrechter handhaving van het door [gedaagde 3] gelegde beslag niet gerechtvaardigd en het in volle omvang handhaven van het door de overige [alle gedaagden] vennootschappen gelegde beslag evenmin.

De voorzieningenrechter zal daarom het ten verzoeke van [gedaagde 3] gelegde conservatoir derdenbeslag onder Best of Four opheffen en ook het ten verzoeke van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] gelegde conservatoir derdenbeslag onder Best of Four, voor zover het beslag rust op het meerdere van een bedrag van € 250.000,00. Van een vexatoir beslag is de voorzieningenrechter gelet op het hiervoor overwogene omtrent het bestaan van de vorderingen en de beperkte verhaalsmogelijkheden bij [eiser] niet gebleken, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om het beslag volledig op te heffen.

5.20.

De vordering om [alle gedaagden] te verbieden om ter zake van haar vorderingen opnieuw nieuwe beslag te leggen zal als te verstrekkend worden afgewezen. Belanghebbenden zoals [alle gedaagden] hebben een wettelijk recht om hun belangen via conservatoir beslag te waarborgen en de voorzieningenrechter zal op het moment dat dit recht wordt ingeroepen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die er dan liggen moeten beoordelen of daarvoor verlof kan worden verleend. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [alle gedaagden] bij een nieuw verzoek melding zal maken van het verloop van deze procedure.

5.21.

Gelet op het feit dat zowel [eiser] als [alle gedaagden] gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan in reconventie

6.1.

[gedaagde 1] stelt in reconventie - verkort weergegeven - dat [eiser] de huurpenningen al vijftien maanden niet heeft betaald, hetgeen in een bodemprocedure een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. [gedaagde 1] stelt voorts dat zij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van het gehuurde, omdat er geen vooruitzicht is dat deze huurachterstand zal worden betaald en ook niet valt te verwachten dat toekomstige huurpenningen door [eiser] zullen worden voldaan. Ook stelt [gedaagde 1] dat zij de witloftrekkerij in het gehuurde zo spoedig mogelijk in eigen beheer wil exploiteren om het verlies voor zichzelf te beperken en om de relatie met leveranciers, afnemers, financiers en Best of Four niet verder onder druk te zetten. In dit verband stelt [gedaagde 1] onder meer dat [eiser] in strijd met de met Bakker Barendrecht gemaakte afspraken witlof heeft geleverd aan een afnemer in Zwitserland, met als gevolg dat Bakker Barendrecht op dit moment op het punt staat om de stekker uit de relatie te trekken.

6.2.

[eiser] betwist dat de huurachterstand in de gegeven omstandigheden ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt en voert daartoe

- samengevat weergegeven - aan dat dit strijd met de redelijkheid en billijkheid oplevert. [eiser] wijst in dat verband op de vaststellingsovereenkomst die partijen volgens haar zijn overeengekomen en op de vordering die zij op [gedaagde 1] heeft uit hoofde van de terugkoopverklaring. [eiser] betwist voorts dat sprake is van onverwijlde spoed bij het treffen van een onmiddellijke voorziening en voert aan dat een afweging van de belangen van partijen in haar voordeel dient uit te vallen. Ontruiming van het gehuurde betekent dat de onderneming feitelijk stil komt te liggen.

6.3.

Overwogen wordt als volgt. Onweersproken is door [gedaagde 1] gesteld dat [eiser] de huurpenningen al vijftien maanden niet heeft betaald, zodat [gedaagde 1] een voldoende spoedeisend belang heeft om weer over het gehuurde te kunnen beschikken.

6.4.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onbetaald laten van de huurpenningen een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert, die naar verwachting in de bodemprocedure zal leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst. Op grond daarvan is de gevorderde ontruiming van het gehuurde in beginsel gerechtvaardigd. [eiser] heeft echter gemotiveerd tot haar verweer aangevoerd dat op dit moment niettemin van een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde zou moeten worden afgezien, gelet op haar belang bij continuering van de onderneming.

6.5.

Uit de door [gedaagde 1] betrokken stellingen kan worden afgeleid dat zij geen fiducie meer heeft in het laten voortbestaan van haar (huur)relatie met [eiser] en dat zij de witloftrekkerij in eigen beheer wenst voort te zetten. Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , staat echter in een vennootschappelijke relatie tot [eiser] en het in eigen beheer voortzetten van de witloftrekkerij staat haaks op het belang van [eiser] bij continuering van haar onderneming. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het onder voornoemde omstandigheden voortzetten van de witloftrekkerij in eigen beheer, strijd oplevert met de redelijkheid en billijkheid, conform het bepaalde in artikel 2:8 BW. De voorzieningenrechter is verder van oordeel, zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 5.16. (die hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd), dat niet uit te sluiten valt dat [eiser] en [gedaagde 1] mogelijk over en weer vorderingen op elkaar hebben. Gelet op de complexe rechtsverhoudingen waarin partijen tot elkaar staan en op het feit dat [gedaagde 1] al vijftien maanden heeft gewacht op betaling van de huurpenningen, acht de voorzieningenrechter toewijzing van de gevorderde ontruiming in kort geding voorshands te verstrekkend, met name ook vanwege de ingrijpende gevolgen voor [eiser] . De vorderingen van [gedaagde 1] zullen daarom worden afgewezen.

6.6.

[gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 816,00

De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

heft op het ten verzoeke van [gedaagde 3] (gedaagde sub 3) ten laste van [eiser] gelegde conservatoir derdenbeslag onder de coöperatie Coöperatieve Telersvereniging Best of Four te Barendrecht,

7.2.

heft op het ten verzoeke van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (gedaagden sub 1, 2 en 4) ten laste van [eiser] gelegde conservatoir derdenbeslag onder de coöperatie Coöperatieve Telersvereniging Best of Four te Barendrecht, voor zover het beslag rust op het meerdere van een bedrag van

€ 250.000,00 en handhaaft het beslag voor het overige (derhalve tot een bedrag van maximaal € 250.000,00),

7.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.6.

wijst de vorderingen af,

7.7.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 816,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.8.

veroordeelt [gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.1

1 type: 698/ah coll: