Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4963

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15_12181
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 64 Vw 2000. Aan eiser is uitstel van vertrek verleend in verband met opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Nadien is opnieuw uitstel van vertrek verleend, maar niet aansluitend op het eerder verleende uitstel van vertrek waardoor een verblijfsgat is ontstaan. In geschil is de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek. De rechtbank oordeelt (vanaf 13.) dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat het daarin opgenomen standpunt van verweerder berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb omdat voor haar niet evident is dat het in de paragrafen A3/7.1 (‘Schriftelijke kennisgeving’) en A3/7.2 van de Vc 2000 bepaalde onverkort van toepassing is als sprake is van continuering van gedwongen opname. De uitspraak is bevestigd door de ABRvS bij uitspraak van 31 maart 2016 (201508680/1/V1).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/12181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Afghaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

gemachtigde: mr. N.B. Swart,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. M.G. van Pijkeren.

Procesverloop

In het besluit van 13 april 2015 (het primaire besluit) is vermeld dat dit besluit betrekking heeft op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000) ten behoeve van eiser. Vervolgens is (onder ‘2. Besluit’) vermeld dat aan eiser uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 van 13 april 2015 voor de duur van de opname in [opmerking van de rechtbank: na ‘in’ is niet de naam van een inrichting vermeld], met een maximum van een half jaar, tot uiterlijk 13 oktober 2015. Voorts is vermeld dat, bij voortijdige beëindiging van de opname, het verleende uitstel van vertrek twee weken na het beëindigen van de opname van rechtswege vervalt.

Bij faxbericht van 7 mei 2015 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij faxbericht van 8 juni 2015.

Bij besluit van 19 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen op 22 juni 2015 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend bij faxbericht van 9 juli 2015.

Verweerder heeft bij faxbericht van 11 augustus 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

Eerdere hier te lande doorlopen vreemdelingenrechtelijke procedures

Asielprocedure

1. Volgens eisers verklaring is hij op 18 december 2011 Nederland ingereisd.
Op 19 januari 2012 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 27 januari 2012 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 29 februari 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 juni 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS)
de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitstel van vertrek (artikel 64 Vw 2000)

2.1.

Het eerstvolgende ten aanzien van eiser genomen besluit dat zich vervolgens in het aan de rechtbank ter beschikking gestelde procesdossier bevindt, betreft het besluit van
8 oktober 2014 waarin (onder ‘2. Besluit’) is vermeld dat aan eiser uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 van 18 september 2014 voor de duur van de opname in Kliniek Groningen, onderdeel van zorggroep Lentis Volwassenenpsychiatrie (hierna: Kliniek Groningen), tot en met 18 februari 2015.

In het besluit van 8 oktober 2014 is voorts (onder ‘3. Ontstaan en verloop van de procedure’) vermeld dat op 11 september 2014 een beschikking van de rechtbank
Noord-Nederland is overgelegd, gedateerd 18 augustus 2014, waarin de rechtbank een voorlopige machtiging verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz), welke de bevoegdheid geeft om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven [tot en met 18 februari 2015]; en dat op
11 september 2014 tevens een verklaring van psychiater K.R. Kroese is overgelegd, gedateerd 5 september 2014, waaruit blijkt dat betrokkene vanaf 17 juli 2014 is opgenomen in Kliniek Groningen.

2.2.

Bij faxbericht van 3 november 2014 heeft eiser tegen het besluit van 8 oktober 2014 bezwaar gemaakt, voor wat de einddatum van het verleende uitstel van vertrek betreft en voor wat de voorwaarde van de verblijfplaats (Kliniek Groningen) betreft. Eiser verzoekt verweerder om het besluit te herzien, in dier voege dat verweerder alsnog overgaat tot het verlenen van uitstel van vertrek voor de duur van een jaar en zonder beperkende voorwaarden.

2.3.

Bij besluit van 1 december 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen op 19 december 2014 beroep ingesteld.

2.4.

Bij uitspraak van 18 maart 2015 (zaaknummer AWB 14/28663) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard.
Voor zover de rechtbank bekend, is tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.


De thans aan de orde zijnde procedure

3. Bij faxbericht van 13 februari 2015 heeft de gemachtigde van eiser het volgende aan verweerder geschreven.

“Ten aanzien van de heer [naam] heeft u besloten dat hij uitstel van vertrek krijgt tot [de rechtbank leest:
tot en met] 18 februari 2015. Inmiddels heeft de behandelend psychiater laten weten dat om een voorlopige machtiging zal worden gevraagd om de gedwongen plaatsing in de psychiatrische kliniek te laten voortduren. Deze machtiging wordt volgende week verwacht.
Ik verzoek u het uitstel van vertrek, aansluitend aan het eerder verleende uitstel van vertrek, te laten voortduren. Gezien de gedwongen opname is het voor betrokkene niet mogelijk zich te melden aan het loket.
De nieuwe machtiging van de rechtbank, zal u zo spoedig mogelijk worden nagezonden.”

4.1.

Bij faxbericht van 18 februari 2015 heeft de gemachtigde van eiser het volgende aan verweerder geschreven.

“(…) Vandaag zal de rechter in het kader van de BOPZ de heer [naam] bezoeken en de gedwongen plaatsing, per mondelinge uitspraak, verlengen. Het kan nog enige tijd (ongeveer twee weken) duren voordat de beschikking wordt opgemaakt. De beschikking zal u nog worden nagezonden.
Ik stuur u hierbij toestemmingsverklaringen en recente medische verklaringen waaruit blijkt dat de medische situatie van betrokkene onverminderd slecht is. Ik verzoek u aansluitend op het eerder verleende uitstel van vertrek, opnieuw uitstel van vertrek te verlenen.”

4.2.

Ter zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat de rechter, in het kader van de Wet Bopz, eiser niet op 18 februari 2015 heeft gehoord, maar op 9 maart 2015.

5. Bij brief van 20 februari 2015 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser meegedeeld dat de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 niet compleet is en dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld om de aanvraag aan te vullen met a) een opnameverklaring van de psychiatrische kliniek waar hij verblijft; en b) de voorlopige machtiging om de gedwongen plaatsing in de psychiatrische kliniek te laten voortduren.

6. Bij faxbericht van 5 maart 2015 heeft de gemachtigde van eiser het volgende aan verweerder geschreven.

“Naar aanleiding van uw brief van 20 februari 2015 stuur ik u hierbij een verklaring van de crisisdienst van Lentis Groningen waaruit blijkt dat de heer [naam] nog altijd gedwongen is opgenomen. In tegenstelling tot hetgeen ik eerder van Lentis heb begrepen is de rechter nog niet langsgeweest voor de verlenging van de machtiging.

Ik verzoek u, nu betrokkene nog immer gedwongen is opgenomen, het uitstel van vertrek te verlengen.
Zodra de nieuwe machtiging is afgegeven zal ik deze aan u doorsturen. Het is nu nog niet duidelijk wanneer de rechtbank de machtiging zal toesturen.”

7.1.

Bij brief, [abusievelijk] gedateerd 5 maart 2015, heeft de gemachtigde van eiser het volgende aan verweerder geschreven.

“In aanvulling op mijn brief van 5 maart 2015 stuur ik u hierbij de beschikking van de rechtbank waaruit blijkt dat de gedwongen opname met een jaar is verlengd.

Ik verzoek u dan ook aansluitend aan het vorige uitstel van vertrek, opnieuw uitstel van vertrek te verlenen.”

7.2.

Bij die [abusievelijk op 5 maart 2015 gedateerde] brief is als bijlage gevoegd
de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 9 maart 2015, waarbij de rechtbank machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 van de Wet Bopz verleent, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene [eiser] in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 18 februari 2016.
In de beschikking is onder meer vermeld dat de officier van justitie het verzoek tot verlening van een machtiging om het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene te doen voortduren, heeft ingediend op 18 februari 2015; en dat de rechtbank op 9 maart 2015 betrokkene en psychiater Kroese heeft gehoord.

8. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit van 13 april 2015 genomen.

Uit het primaire besluit volgt dat het uitstel van vertrek is verleend op basis van de op
5 maart 2015 overgelegde verklaring van 4 maart 2015 van psychiater Kroese, waaruit
- aldus het gestelde in dat besluit - blijkt dat eiser momenteel (gedwongen) is opgenomen in de Kliniek Groningen.
Zoals hiervoor reeds is vermeld onder ‘Procesverloop’, is het uitstel van vertrek verleend van 13 april 2015 voor de duur van de opname, met een maximum van een half jaar, tot uiterlijk 13 oktober 2015.

9. In bezwaar is namens eiser het volgende aangevoerd.

“Op 8 oktober 2014 is aan eiser uitstel van vertrek verleend van 18 september 2014 tot en met 18 februari 2015. Eiser heeft tijdig, op 13 februari 2015, verzocht het verleende uitstel van vertrek te verlengen, dan wel opnieuw uitstel van vertrek te verlenen.

Er is geen enkele reden het nieuwe uitstel van vertrek niet te laten aansluiten op het eerder verleende uitstel van vertrek. Ten onrechte is geen rekening gehouden met het feit dat sinds 2008 het Vreemdelingenbesluit is gewijzigd. Zoals blijkt uit de uitspraak van [de Afdeling bestuursrechtspraak van] de Raad van State van
1 juni 2012 (201200584/1/V1) heeft een vreemdeling nu belang bij een beoordeling vanaf de datum van de aanvraag. Een vreemdeling kan immers pas, op het moment dat aansluitend een jaar uitstel van vertrek is verleend, een verblijfsvergunning aanvragen met als verblijfsdoel “medische behandeling” en daarbij worden vrijgesteld van het vereiste dat de financiering van de medische behandeling deugdelijk moet zijn geregeld.
Eiser heeft een groot belang bij het verlenen van uitstel van vertrek aansluitend op het eerder verleende uitstel van vertrek.

Eiser verblijft zonder onderbreking in de GGZ-kliniek. Zijn medische situatie is niet verbeterd eerder verslechterd. Er is geen enkele reden het uitstel van vertrek pas op 13 april 2015 te laten ingaan.
Ook is ten onrechte niet onderzocht of hij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek voor de duur van een jaar.

Op grond van het bovenstaande verzoek ik u het bezwaar gegrond te verklaren, Mocht u hier niet op voorhand toe overgaan, dan verzoek ik u dringend betrokkene te horen.”

10. Verweerder heeft in het bestreden besluit van 19 juni 2015 zijn standpunt gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen.

“Gemachtigde voert aan dat aan betrokkene reeds eerder uitstel van vertrek in verband met een opname is verleend, te weten van 18 september 2014 tot en met 18 februari 2015. Volgens gemachtigde is er geen enkele reden om het in het onderhavige besluit verleende uitstel van vertrek daarop niet te laten aansluiten. Hierover wordt het volgende overwogen.

Vooropgesteld wordt dat de ingangsdatum van artikel 64 Vw de datum van de inwilligende beslissing is. Dit was reeds een vaste gedragslijn. Echter, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 6 februari 2014 met kenmerk 2013067591/1/V1 [de rechtbank leest: 2013067759/1/V1] - waarin de Afdeling concludeert dat deze gedragslijn niet onredelijk is, maar dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ter motivering van een besluit niet met verwijzing naar een gedragslijn kan volstaan als deze niet in een beleidsregel is neergelegd - is de Vreemdelingencirculaire op 18 maart 2014 aangepast (zie Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 maart 2014 nummer WBV 2014/8). Gelet hierop wordt verwezen naar paragraaf A3/7.1.3 van de Vc en is verdere motivering niet noodzakelijk. De grond slaagt daarom niet.


Voorts voert betrokkene aan dat er in het onderhavige geval een verblijfsgat is ontstaan waardoor betrokkene geen verblijfsvergunning met het verblijfsdoel “medische behandeling” kan aanvragen en daarbij kan worden vrijgesteld van het vereiste dat de financiering van de medische behandeling deugdelijk moet zijn geregeld.
Ook is volgens gemachtigde ten onrechte niet onderzocht of betrokkene in aanmerking komt voor uitstel van vertrek voor de duur van een jaar. Hierover wordt het volgende overwogen.

Het verleende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vervalt twee weken na het eindigen van de opname van rechtswege (A3/7.1.2. Vc). Er is derhalve een redelijke termijn geboden om tijdig een nieuw verzoek om toepassing van artikel 64 Vw te doen, zodat het ontstaan van een verblijfsgat voorkomen had kunnen worden.

Over de duur van het verleende uitstel van vertrek wordt overwogen dat in het bestreden besluit is gehandeld overeenkomstig de geldende beleidslijn, zoals neergelegd in A3/7.1.2. Vc, waarin staat dat er bij opname uitstel van vertrek kan worden verleend voor de duur van de opname, met een maximum van een halfjaar. Uit dit beleid volgt niet dat Bureau Medische Advisering (BMA) moet beoordelen of er reden is om uitstel van vertrek te verlenen voor de duur van een jaar. Gelet op het voornoemde wordt aan deze grond voorbijgegaan.”

(…)
Verweerder heeft voorts overwogen dat hij op grond van artikel 7:3, sub b, van de Awb afziet van het horen van eiser nu het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.

11. In beroep is namens eiser het volgende aangevoerd.

“Op 13 april 2015 is besloten dat aan betrokkene uitstel van vertrek wordt verleend van 13 april 2015 tot uiterlijk 13 oktober 2015. Op 8 mei 2015 is bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum en einddatum van deze beschikking. Nadrukkelijk is geen bezwaar gemaakt tegen de beslissing uitstel van vertrek te verlenen.


Eerder is op 18 september 2014 aan betrokkene uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw, tot [de rechtbank leest: tot en met] 18 februari 2015. Ook toen is bezwaar gemaakt tegen de einddatum. Dit bezwaar, en vervolgens het beroep, zijn ongegrond verklaard omdat werd gesteld dat betrokkene opnieuw uitstel van vertrek kon aanvragen en zo een verblijfsgat kon voorkomen.

Op 13 februari 2015 is opnieuw om uitstel van vertrek verzocht, omdat de gedwongen opname voortduurde. Probleem hierbij was, dat bij de aanvraag om uitstel van vertrek, de nieuwe rechterlijke machtiging moet worden overgelegd. Deze rechterlijke machtiging wordt om administratieve redenen door de rechtbank pas na het verlopen van de eerdere machtiging afgegeven.

Bij het verzoek opnieuw uitstel van vertrek te verlenen, is deze problematiek toegelicht en is verweerder op de hoogte gehouden van het verloop van de procedures en opname.

Ten onrechte is toch besloten het nieuwe uitstel van vertrek niet te laten aansluiten op het eerder verleende uitstel van vertrek.

In de bestreden beslissing wordt overwogen dat nu het beleid ruimte biedt een verblijfsgat te laten ontstaan ongemotiveerd aan het bezwaarschrift voorbij kan worden gegaan.

Ten onrechte gaat verweerder voorbij aan hetgeen in de vorige procedure naar voren is gebracht. In de vorige procedure is door verweerder naar voren gebracht dat betrokkene een verblijfsgat kan voorkomen als hij voor de einddatum van het verleende uitstel van vertrek, opnieuw om uitstel van vertrek verzoekt.

Ten onrechte wordt nu overwogen dat nu het beleid de ruimte biedt een verblijfsgat te laten ontstaan, ongemotiveerd aan het bezwaarschrift voorbij kan worden gegaan. Dit is onjuist. Indien het beleid is dat verweerder zonder motivering mag beslissen een verblijfsgat te laten ontstaan, zelfs als tijdig opnieuw om uitstel van vertrek is verzocht, en zelfs als onomstotelijk blijkt dat de opname niet is beëindigd, maar nog immer voortduurt, dan is dit beleid kennelijk onredelijk.

Juist bij de meest ernstige medische problematiek (gedwongen opname) wordt door het slechts verlenen van uitstel van vertrek voor de duur van een half jaar en het niet laten aansluiten van de periodes, voorkomen dat betrokkene na een jaar een verblijfsvergunning kan aanvragen op medische gronden, en daarbij o.a. wordt vrijgesteld van de verplichting zelf de kosten voor de behandeling te dragen. Dit terwijl bij iets minder ernstige

problematiek, waar het BMA om advies moet worden gevraagd, wel uitstel van vertrek voor de duur van een jaar kan worden verleend, waardoor het laten ontstaan van een verblijfsgat wordt voorkomen. Het is onzorgvuldig hier ongemotiveerd aan voorbij te gaan.

(…)

Ten onrechte is het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard en is afgezien van horen.”

12. Verweerder heeft in het verweerschrift als volgt gereageerd.

Onjuiste overweging in het bestreden besluit
(…)

Ingangsdatum

Verweerder is van oordeel dat op juiste grond aan eiser uitstel van vertrek is verleend met ingang van de datum beschikking in primo. Verweerder is van oordeel dat hij daarmee op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk A3/7.1.3 Vc. Dat dit beleid zoals eiser stelt kennelijk onredelijk is, nu een verblijfsgat is ontstaan terwijl de aanvraag tijdig was ingediend, volgt verweerder niet. Hiertoe acht verweerder redengevend dat het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om tijdig een met medische stukken onderbouwde aanvraag in te dienen. Zo had in onderhavig geval tijdig, te weten twee weken voor het verstrijken van het uitstel van vertrek, een ‘Kennisgeving aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw’ kunnen worden ingediend waarop tevens kon worden aangegeven dat een beroep werd gedaan op de Motie Spekman. Eiser had dan gelet op Hoofdstuk A3/7.2 Vc uitstel van vertrek kunnen krijgen in afwachting van de definitieve besluitvorming. Niet in geschil is dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid. Eiser had door het indienen van de bovengenoemde kennisgeving de mogelijkheid om een verblijfsgat te voorkomen.

Er zijn voorts door eiser geenszins bijzondere en individuele omstandigheden aangevoerd die hadden moeten leiden tot afwijking van het geldende beleid. Het enkele feit dat eiser belang heeft bij een verlenging aansluitend op de vorige periode van uitstel van vertrek, is geen bijzondere en individuele omstandigheid. Immers, hierin verschilt eiser niet van andere vreemdelingen die door een verblijfsgat niet één jaar aaneengesloten uitstel van vertrek hebben gehad en derhalve niet in aanmerking komen voor vrijstellingen bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op medische gronden.

Geldigheidsduur
Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat op juiste grond aan eiser uitstel van vertrek is verleend voor de duur van de gedwongen opname, met een maximale duur van een half jaar. Tevens is verweerder van oordeel dat in onderhavig geval op juiste grond geen advies is gevraagd aan het BMA.
Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraak van uw rechtbank van 18 maart 2015 aangaande de vorige beroepsprocedure van eiser (AWB 14/28663), waarin uw rechtbank reeds heeft geoordeeld dat deze beroepsgrond niet kan slagen.”

Oordeel van de rechtbank

13. Verweerder heeft in het verweerschrift, onder “Onjuiste overweging in het bestreden besluit”, aangegeven dat een bepaalde (in het verweerschrift aangehaalde) overweging abusievelijk in het bestreden besluit is opgenomen. Voorts heeft verweerder daar vermeld dat in het bestreden besluit ook ten onrechte een vertrektermijn is opgenomen. Bedoelde overweging in het bestreden besluit en de vermelding daarin van een vertrektermijn merkt de rechtbank aan als kennelijke misslagen.

14. In geschil is onder meer de ingangsdatum van het aan eiser verleende uitstel van vertrek. Bij besluit van 8 oktober 2014 is aan eiser uitstel van vertrek verleend van
18 september 2014 - voor de duur van de opname - tot en met 18 februari 2015.
Op 13 februari 2015 is namens eiser verzocht om verlenging van het verleende uitstel van vertrek, welk verzoek bij besluit van 13 april 2015 is ingewilligd, in die zin dat uitstel van vertrek is verleend van 13 april 2015 - voor de duur van de opname - tot uiterlijk
13 oktober 2015. Aldus is een verblijfsgat ontstaan van 19 februari 2015 tot 13 april 2015.
15. Artikel 3.46, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) koppelt aan het ten minste een jaar hebben bestaan van uitzetbeletselen als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 het niet tegenwerpen van een aantal vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met het ondergaan van medische behandeling. Hieruit volgt dat eiser met het door hem ingestelde beroep in een gunstiger positie kan geraken. Er is mitsdien procesbelang.

16.1.

Volgens paragraaf A3/7.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000),
voor zover thans van belang, verleent verweerder uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 zonder hiervoor medisch advies aan het BMA te vragen als uit een bewijs blijkt dat de vreemdeling:

a. klinisch opgenomen is; en

b. een actieve medische behandeling ondergaat die niet buiten de kliniek mogelijk is; en

c. in dit verband tijdelijk niet in staat is om te reizen.

16.2.

Voorts is in paragraaf A3/7.1.2 van de Vc 2000 bepaald:
“De IND verleent in deze gevallen uitstel van vertrek voor de duur van de opname tot een maximum van een half jaar. Het verleende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 vervalt van rechtswege twee weken na beëindiging van opname.”

17. In het bestreden besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar paragraaf A3/7.1.2 van de Vc 2000, op het volgende standpunt gesteld:
“Het verleende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 vervalt twee weken na het eindigen van de opname van rechtswege (A3/7.1.2. Vc). Er is derhalve een redelijke termijn geboden om tijdig een nieuw verzoek om toepassing van artikel 64 Vw
te doen, zodat het ontstaan van een verblijfsgat voorkomen had kunnen worden.”

18. Er is in het geval van eiser evenwel geen sprake (geweest) van beëindiging van opname. Het hiervoor onder 17. vermelde standpunt van verweerder berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Het bestreden besluit van 19 juni 2015 is daarmee ondeugdelijk gemotiveerd.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:72, derde lid,

van de Awb. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat voor haar niet evident is dat het

in de paragrafen A3/7.1 (‘Schriftelijke kennisgeving’) en A3/7.2 van de Vc 2000 bepaalde
- waarnaar verweerder in het verweerschrift, onder ‘Ingangsdatum’, verwijst (zie het hiervoor onder 12. vermelde) - in een situatie als hier aan de orde (te weten: continuering van gedwongen opname) - onverkort van toepassing is.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat namens eiser vóór de afloop van het verleende uitstel van vertrek om verlenging van het uitstel van vertrek is verzocht (zie het hiervoor onder 3. en 4.1. vermelde). Daarbij is namens eiser aangegeven dat de behandelend psychiater heeft laten weten dat betreffende eiser zou worden verzocht om verlening van een machtiging om het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van eiser te doen voortduren.

20.1.

Het beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Het bestreden besluit dient (reeds) wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd.

20.2.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Voor de goede orde en ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank nog op, bijvoorbeeld, de uitspraak van de AbRS van 13 juli 2015 in zaak nr. 201409225/1/V3 en de uitspraak van de AbRS van 14 augustus 2015 in zaak nr. 201408788/1/V3 (beide te vinden op www.raadvanstate.nl).

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor
de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt
€ 490,- en wegingsfactor 1).

22. Voorts zal de rechtbank verweerder opdragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 19 juni 2015;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Timmerman-Lindeijer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.